13. Tor blijft op zijn post

Onder aan de ladder ligt Tor nog steeds geduldig te wachten op de terugkeer van zijn baasje. Hij kijkt van tijd tot tijd omhoog en steekt zo nu en dan nieuwsgierig zijn neus even in de lucht, maar kan nog geen geurtjes ontdekken die bekend of interessant zijn voor hem. Hij is nog geen enkele keer opgestaan. Toch wordt hij een beetje ongeduldig. Zacht piept hij een keer. En even later nog eens, nu wat luider.

Dan staat hij op, gaat onder aan de ladder staan en kijkt omhoog. Voorzichtig zet hij een voorpoot op de onderste trede. Ook de andere volgt. Maar verder durft hij niet te gaan.

Er is in de verste verte nog niets van de jongens te ontdekken.

Tor zet zijn poten weer op de grond, loopt een stukje opzij en kijkt om de hoek van de loods. Opnieuw probeert hij een bekend geurtje op te snuiven, maar er is niets bij. Met zijn kop omlaag slentert hij terug naar de ladder en gaat weer liggen.

Ineens spitsen zijn oren zich. Aan de andere kant van de loods hoort hij iets. Er komt een auto het erf opgereden. Tor staat op en loopt op een drafje naar de hoek van de loods. Maar daar is niets te zien.

Hij kruipt onder een heining door en loopt langs de zijkant naar voren. Vooraan kijkt hij weer om de hoek en ziet de man van de auto naar de loods lopen.

John ziet een hond op hem afkomen. Hij stampt een keer met een voet en roept: ‘Kssst!’

De hond is niet onder de indruk.

John loopt in de richting van de hond en roept opnieuw iets: ‘Vooruit, mormel. Wat doe je hier midden in de nacht. Ga naar je baas.’ Hij maakt een schopbeweging in de richting van de hond.

De hond blaft een keer.

John loopt een stukje achteruit.

Tor draait zich grommend om. Als het niet wat vriendelijker kan, dan ga ik wel weer.

Nu John ziet dat de hond uit het zicht verdwijnt, loopt hij naar de deur van de loods.

Als hij de klink beetpakt, wrijft hij met z'n andere hand over zijn kin en laat vervolgens de klink weer los. Op een drafje loopt hij naar de hoek van de loods en ziet nog juist dat de hond aan de achterkant om de hoek verdwijnt.

Hij stapt over de heining en snelt ook naar de achterkant. Om de hoek ziet hij dat de hond weer is gaan liggen. Er staat een ladder onder het luik. Het luik staat open.

‘Aha …’ zegt John hardop tegen zichzelf. Hij wil weer over de heining stappen en naar de ladder lopen. Maar dan klinkt er een diep grommend geluid uit de keel van de hond.

De man denkt even na, stapt dan weer terug de heining over en loopt naar voren.

Binnengekomen pakt hij een zaklamp uit een lade van het bureau dat tegen een zijwand staat. Hij loopt naar de trap die onder de geopende deur van de hooizolder staat en klimt naar boven. Weldra staat hij op de hooizolder. Daar schijnt hij met de lamp in het rond maar kan niets ontdekken.

image

Dan loopt hij naar de achterzijde en kijkt door het geopende luik naar beneden. Daar ligt de hond.

De hond kijkt omhoog en ziet wie er door het luik kijkt. Opnieuw begint hij te grommen.

John trekt zijn hoofd terug en loopt over de hooizolder naar de deur. Hij staat in een wip weer beneden en ziet dat de deur naar de tussenruimte openstaat. Hij loopt naar de grote ruimte met de planten. Daar ziet hij dat Falko bij de deur van het hok staat te luisteren.

‘Wat ben jij aan het uitspoken?’ vraagt John. ‘Laat die ouwetjes toch slapen.’

‘Die ouwetjes liggen, volgens mij, ook rustig op hun matras, maar dat joch loopt hardop te praten. Hij stond achter de deur maar te blèèren naar een zekere Eddy. Nou, die is hier niet, dus heb ik even gevraagd wat-ie nou precies bedoelde. Daar had-ie kennelijk niet van terug en sindsdien heb ik hem niet meer gehoord.’

‘Mmmm,’ bromt John, ‘er liep hier zojuist een hond, zo'n zwart mormel en volgens mij heb ik die eerder gezien, toen die twee knapen hier met Teunis binnen rondliepen. Weet je nog dat dat beest er toen ook bij was?’

‘Nu je het zegt’, antwoordt Falko. ‘De jongen die in het hok zit, is volgens mij een van die twee knapen. Zou die andere soms ook in de buurt zijn?’

‘Het zou me niets verwonderen’, zegt John. ‘Het is hoog tijd dat we de boel hier gaan opdoeken. Het is maar goed dat Felix vannacht nog alles met de vrachtauto komt ophalen.’

‘Wat doen we met die mensen in het hok?’ vraagt Falko.

‘Laat dat maar aan mij over’, zegt John. ‘Het is soms beter dat je niet alles weet.’

Falko haalt z'n schouders op. ‘Oké, wat je wilt.’