16. Een vervelende situatie
Peter schrikt geweldig. Juist als hij is teruggelopen naar de deur en Edwin roept om hem te vertellen wat hij van Teunis heeft gehoord, klinkt er een mannenstem aan de andere kant van de deur. ‘Zeg, wat mot je eigenlijk?’
Peter doet verschrikt een stap terug en kijkt naar Teunis en Maaike, die nog steeds op hun matras liggen toe te kijken.
Teunis legt een vinger op zijn mond en wenkt Peter met zijn andere hand. ‘Houd je maar even stil, dat is beter’, fluistert hij. ‘Volgens mij zijn John en Falko daar nog steeds.’
Peter loopt terug. Er staan twee stoelen. Peter gaat op een van de twee zitten.
‘Je kunt maar beter niet te veel geluid maken’, gaat Teunis zacht verder en wijst omhoog. ‘Als ze straks zijn vertrokken help ik je wel door dat luik hierboven.’
Peter kijkt omhoog. ‘Een luik?’ fluistert hij. ‘Is dat er dan?’
Teunis knikt. ‘Maar nu nog even niet, jochie. Als straks die mannen zijn vertrokken, mag jij eruit en kun je iemand halen om ons ook te bevrijden.’
Peter krijgt weer wat moed en laat zijn ogen spiedend langs de zolder gaan. Inderdaad ziet hij nu iets wat een luik zou kunnen zijn. Maar hoe moet hij daar komen? Hij kijkt om zich heen. Behalve twee stoelen staat er ook een tafel. Hij schat de hoogte in. Met een stoel op de tafel moet het lukken om het luik omhoog te duwen, denkt hij. Hoewel? Daar liggen natuurlijk die pakken stro op. Als hij die maar weggeduwd krijgt.
‘Waarom bent u er zelf nog niet doorgeklommen?’ vraagt hij zacht aan Teunis.
De oude man kijkt hem somber aan. ‘Zie je mij al op tafel klimmen en dan ook nog eens door dat luik? Nee … dat zou me echt niet meer lukken.’ Hij kijkt opzij en vervolgt: ‘En Maaike vanzelf ook niet. Maar jij bent nog jong en lenig. Eigenlijk is het een wonder dat je bij ons terecht bent gekomen. Nu kun jij voor ons hulp gaan halen.’
‘Als hij maar oppast met die kerels’, zegt Maaike benauwd. ‘Ze staan nergens voor. Het is toch niet normaal om twee oude mensen op te sluiten.’
Teunis kijkt naar beneden en knikt zwijgend. Dan richt hij z'n blik weer op Peter. ‘Jij hebt nog een scherp gehoor. Wil je af en toe aan de deur gaan luisteren of die mannen hier nog aanwezig zijn?’
Peter gaat staan en loopt zachtjes naar de deur en luistert. Tim loopt hem achterna en kijkt naar Peter omhoog. Alsof hij begrijpt wat er gebeurt, zet hij z'n kopje scheef en draaien zijn oortjes nog iets verder boven op z'n kopje. Hij luistert ook.
Peter hoort in de ruimte naast hun gevangenis nog steeds mensen lopen. Tim kennelijk ook. Ineens laat hij een kort, maar luid gekef horen. Peter kijkt verschrikt omlaag en zegt dan: ‘Sssst.’
Tim tilt zijn kopje omhoog en kijkt hem aan. Hoezo stilhouden? Er loopt daarbuiten volk en dan moet hij waarschuwen. Hij keft nog eens.
Peter pakt hem op en loopt terug naar de stoel. Hij houdt Tim op zijn schoot. ‘Ze zijn er nog steeds’, zegt hij zacht tegen Teunis.
Achter de bestuurdersstoel van de Porsche, die voor in de loods staat, zit Edwin diep in elkaar gedoken. Hij wacht gespannen op wat er nu zal gaan gebeuren. Hij durft voorlopig niet meer omhoog te komen en door een raam te kijken. Het portierraam staat op een kier en zo kan hij horen dat er druk heen en weer wordt gelopen.
Als hij na enige tijd niemand meer hoort, waagt hij het toch om door de achterruit te gluren. Hij kan precies de deur naar de tussenruimte zien. Ineens beweegt er weer iets in de tussenruimte. Net voor hij weer wegduikt, ziet hij een onbekende man die een rolcontainer vol planten voor zich uit duwt in de richting van Edwin. Dat moet de chauffeur zijn, denkt hij. Hopelijk heeft deze hem niet zien wegduiken.
Edwin maakt zich zo klein mogelijk in de nauwe ruimte achter de stoel. Hij krijgt het warm en z'n hart bonst in zijn keel. Net als toen hij de Porsche in vluchtte. Op dat moment waren John, Falko en de chauffeur van twee kanten in aantocht. In wilde paniek was hij de auto ingedoken. Het was de enige schuilplaats die hij op dat moment kon ontdekken.
Tot nu toe heeft hij nog geen kans gezien om zijn vlucht uit de loods te vervolgen. Zolang die mannen heen en weer blijven lopen met die rolcontainers waagt hij het niet iets te ondernemen.
Wel vervelend om zo in die opgevouwen houding te moeten zitten. Z'n ene voet begint een beetje te tintelen. Voorzichtig probeert hij z'n been achter de bijrijdersstoel te strekken. Dat helpt. Maar het zit niet bepaald aangenaam. En na enige tijd moet hij z'n been toch weer terugtrekken. Z'n andere been is aan de beurt. Zo probeert Edwin zich schuil te houden tot de kans komt dat hij weg kan.
Die kans komt helaas niet. De mannen lijken zo te horen de ruimte waar de auto's staan niet meer te verlaten. Edwin hoort ze alle drie. Even later dringt er een koffiegeurtje door de kier naar binnen. Hij begrijpt dat de mannen even pauze houden. Als een van hen maar niet op het idee komt om even door een van de ruiten van de Porsche naar binnen te kijken.
Het zweet breekt Edwin uit.