6. Een nieuw plan
Voorzichtig steekt Edwin z'n hoofd om de hoek van Vera's slaapkamerdeur. Er brandt een schemerlampje.
Vera schiet meteen overeind. ‘En?’ vraagt ze onzeker.
Edwin loopt de slaapkamer in.
Vera kijkt naar z'n handen. Leeg, ziet ze. Ze zakt weer onderuit.
Edwin ziet dat ze begint te huilen en fluistert snel: ‘Nee, het is niet wat je denkt. Tim is er nog niet bij, maar we weten wel waar hij is.’
Vera gaat weer rechtop zitten. ‘Waarom heb je hem dan niet meegenomen?’
‘Dat is een lang verhaal, maar dat vertel ik morgen wel. Ik ga nu eerst naar bed. Vertel nog niets tegen vader en moeder.’
‘Maar waar is hij dan?’ wil Vera weten.
‘Hij zit in de loods bij Teunis. We hebben hem gehoord, maar konden niet bij hem komen. Er kwamen juist weer een paar mannen in de loods. Ik denk dat het John en Falko waren.’
‘Midden in de nacht?’ vraagt Vera.
‘Ja.’
‘Vreemd!’
‘Ja, maar nu ga ik eerst slapen. Ik rol bijna ondersteboven’, zegt Edwin. Hij geeuwt een keer hard.
‘Ga je Tim dan morgen ophalen?’ vraagt Vera.
‘Dat kan ik nu nog niet zeggen. Tim zit in ieder geval droog en warm.’
‘Ja, eh … het was lekker warm in de loods. Maar nu ga ik echt naar bed. Doei.’
Edwin begrijpt best wel dat z'n zus erg benieuwd is, maar hij tolt om van de slaap. Al snel ligt hij op één oor.
De volgende ochtend is iedereen al bijtijds wakker, behalve Edwin.
‘Is hij gisteravond op tijd naar bed gegaan, slaapt meneer nog een gat in de dag’, zegt moeder hoofdschuddend, terwijl ze koffie inschenkt voor vader.
Vera zegt niets.
‘Nog steeds niets gehoord van Teunis?’ vraagt vader.
Vera schudt haar hoofd. Wat moet ze nu zeggen? Ze heeft Edwin beloofd voorlopig te zwijgen. Wist ze nu maar wat hij van plan is.
‘Misschien dat ik vandaag nog in de Biesbosch kom’, zegt vader. ‘Dan rij ik wel even bij hem langs.’
Op dat moment komt Edwin de kamer in.
‘Zo, lekker uitgeslapen?’ vraagt vader.
Edwin knikt. Hij heeft net de laatste woorden van vader opgevangen. ‘Gaat u naar Teunis?’ vraagt hij.
‘Misschien’, antwoordt vader. ‘Het kan zijn dat ik nog een visite moet afleggen achter in de Biesbosch en dan zou ik wel even bij hem langs kunnen rijden. Maar dat is nog niet zeker.’
‘Mmm’, bromt Edwin.
Zou Teunis zich tegen vader anders gedragen? vraagt hij zich af.
‘O, jawel hoor.’
Edwins gedachten draaien op volle toeren. Hij had zojuist bedacht dat hij samen met Peter de komende nacht nog een poging zou wagen om Tim te bevrijden. Maar als vader vandaag naar Teunis gaat, zou het allemaal anders kunnen lopen. Hij moet in ieder geval iets met Peter afspreken. Alleen kan dat pas als hij weet of vader bij Teunis is geweest of niet.
Even overweegt hij om vader over het vreemde gedrag van Teunis te vertellen. Maar de speurtocht naar Tim heeft best al succes opgeleverd, vindt hij zelf. Daarom wil hij dit karweitje graag zelf afmaken. Dat moet gaan lukken de komende nacht. En mochten die kerels weer komen, dan blijven Peter en hij gewoon totdat ze zijn vertrokken.
Het is wel lastig dat hij nog niet weet of vader naar Teunis gaat of niet. Maar het is nu eenmaal niet anders. Hij zal eerst moeten afwachten. Gelukkig hebben ze deze week vakantie en hoeven ze met al die nachtelijke avonturen niet per se 's morgens vroeg uit bed te komen.
Hij loopt naar de keuken om wat te gaan eten. Daar staat Tor al kwispelend op hem te wachten. Die heeft, zo te zien, nooit last van te weinig slaap.
Na het eten kijkt Edwin even om de hoek van de kamerdeur en roept: ‘Ik ga even naar Peter.’ Snel verdwijnt hij.
‘Zorg dat je op tijd bent met eten!’ roept moeder hem na.
Edwin heeft het wel gehoord, maar geeft geen antwoord. Hij loopt over het terrasje, het trapje af naar het schuurtje en rijdt z'n fiets naar buiten. Even later springt hij op de fiets en snelt de Vissersdijk weer over. Binnen de tien minuten rijdt hij het erf van boer Groeneveld op. Hij rekent er eigenlijk al op dat Peter in de stal aan het werk is.
Peter kijkt op als Edwin de stal binnenkomt. ‘Hé, Eddie, al wakker?’ vraagt hij.
‘Domme vraag natuurlijk, anders was ik niet hier’, antwoordt Edwin.
Peter grijnst even.
‘Maar eh…’ gaat Edwin verder, ‘ik heb een nieuw plan.’
Hij kijkt even of er nog meer mensen in de stal zijn.
‘Wat ben je nu dan van plan?’ vraagt Peter.
‘Als jij meedoet wil ik vannacht nog een keer naar de loods van Teunis. En dan niet weer zonder Tim naar huis.’
Peter denkt even na. Weer een nacht weinig slapen. Daar is hij niet zo blij mee. Aan de andere kant vindt hij het avontuur op zich wel interessant.
‘Alleen is er nog een probleempje’, gaat Edwin verder. ‘De kans bestaat dat mijn vader vandaag ook bij Teunis langsgaat.’
‘Weet hij dan dat wij Tim de afgelopen nacht hebben gehoord?’ vraagt Peter.
‘Nee, dat heb ik hem niet verteld en dat was ik nog niet van plan ook.’
Peter kijkt z'n vriend fronsend aan. ‘Zou het niet beter zijn om dat wel te doen?’
‘Nee,’ antwoordt Edwin, ‘wij hebben Tim ontdekt, dus wij gaan hem ook bevrijden.’
Peter moet glimlachen om de stelligheid waarmee Edwin het zegt. Inderdaad zou het wel leuk zijn als ze zelf Tim weer thuis konden brengen. Hij probeert zich daarbij het gezicht van Vera voor te stellen.
‘Oké, ik ga vannacht weer mee. Dan ga ik vanavond vroeg naar bed, zodat ik wat vooruit kan slapen.’
Edwin geeft Peter een klap op zijn schouder. ‘Prima, maar we moeten er rekening mee houden dat het bezoek van m'n vader aan Teunis nog roet in het eten kan gooien.’
‘Hoe weet ik dat dan?’ vraagt Peter.
‘Ik kom wel even naar jullie toe.’
Edwin kijkt op z'n horloge. Oei! Het is al bijna twaalf uur. Hij moet maken dat hij thuiskomt. Anders bromt moeder weer dat hij te laat is voor het eten.
‘Ik ga nu snel naar huis, want het is etenstijd’, zegt hij en draait zich om.
‘Ik hoor het nog wel, hè!’ roept Peter hem na.
In de deur komt Edwin juist vader Groeneveld tegen. ‘Wat hoor je nog wel?’ vraagt hij nieuwsgierig.
‘O, eh … we moesten nog een keer naar Teunis’, zegt Peter snel. Dat is nog waar ook, denkt hij. Hij zegt er alleen niet bij wanneer.
‘Teunis van de Water, bedoel je?’ zegt vader.
Peter knikt.
‘Wat moet je daar gaan doen?’
‘O, Edwin moet er weleens medicijnen brengen.’
‘Mmm’, bromt vader. ‘Ik kwam die oude baas tegen. Wanneer was dat? Gisteren geloof ik. Hij keek niet echt blij. Hij stak zelfs zijn hand amper op. Dat ben ik niet gewend van hem. Hij heeft trouwens zijn loods aan een paar kerels verhuurd die auto's opknappen, heb ik begrepen. Vreemd stelletje. Ik ben ze al een paar keer tegengekomen. Als je niet oppast, rijden ze je de vouwen uit je broek. Ik begrijp niet dat Teunis daaraan begonnen is.’
Peter zwijgt. Hij heeft ook geen prettig gevoel bij die twee uit de loods van Teunis, maar nu hij er zijn vader zo over hoort spreken, wordt dat alleen maar versterkt.
‘Zullen we eerst maar gaan eten?’ stelt vader voor.
