20. Brand!
Een stuk verderop staat een Volkswagen Passat stil op de weg. Erachter staan Peter en de vader van Edwin. Tor is al in de auto gekropen. Ze kijken verbaasd in de richting van de boerderij van Teunis. Er scheurt een auto naar buiten. Maar dat niet alleen … De grote deur blijft openstaan en daarbinnen flakkert een vurige oranje gloed.
Peter was erg geschrokken toen de Passat achter hem was gestopt. Hij had Tor losgelaten en wilde er juist vandoor gaan, toen ineens achter hem zijn naam werd geroepen. Het was een bekende stem. Hij maakte een rare zwieber met zijn fiets, raakte in de kant en was bijna omgevallen. Toen was pas echt tot hem doorgedrongen wie hem had geroepen: Edwins vader.
Snel was hij omgedraaid en teruggefietst.
Hij wilde een heleboel uitleggen, maar daar was eigenlijk geen tijd voor. Hij had verteld dat Edwin waarschijnlijk nog in de loods van Teunis zat. Maar ook dat Teunis en Maaike zelf opgesloten waren. En wie er nog meer aanwezig waren. Vader De Jongh had even over zijn kin gewreven. Toen had hij z'n mobiele telefoon gepakt.
Op dat moment kwamen een auto en een vrachtauto recht op hen af. De Passat stond midden op de weg. De auto had groot licht op en toeterde luid. Er zat voor vader De Jongh niets anders op dan eerst zijn eigen auto aan de kant te zetten, voordat er ongelukken zouden gebeuren. Snel stapte hij in en reed z'n auto de berm in. Peter ging ook in de berm staan. Daar legde hij z'n fiets neer.
Voordat vader De Jongh uit kon stappen, passeerden de Audi en de vrachtauto. Peter herkende onmiddellijk de R8 en dook weg achter de Passat. Gelukkig reden beide voertuigen meteen door.
Nu zien Peter en Edwins vader nóg een auto het erf afrijden en ook in hun richting snellen.
‘Snel in de auto’, gebiedt de vader van Edwin.
Peter hoeft er niet lang over na te denken en springt op de achterbank. Dan ziet hij dat er iemand voorin zit. Het is Vera.
Voordat vader De Jongh de Passat heeft gestart, raast de hen tegemoetkomende auto al langs hen heen.
Terwijl hij met zijn rechterhand de auto start, geeft hij over zijn schouder met de andere hand de telefoon aan Peter. ‘Kun jij 1-1-2 bellen? Jij weet waarschijnlijk beter wat daar gaande is dan ik.’
Hij zet de auto al in z'n eerste versnelling en rijdt weg richting de boerderij.
Het wordt steeds duidelijker dat er binnen een flinke brand woedt. Als ze het erf oprijden en recht door de geopende deuren van de loods naar binnen kijken, is het daar al één grote vuurzee.
Peter heeft intussen contact met 1-1-2 en probeert uit te leggen wat er aan de hand is.
‘Het adres?’ vraagt hij aan Edwins vader. ‘Wat is het adres?’
De Jongh denkt even na en zegt dan: ‘Geef de telefoon maar even hier …’ De auto staat inmiddels stil.
Vlug reikt Peter de telefoon naar voren aan. Vader De Jongh geeft onmiddellijk de adresgegevens door. Bijna tegelijkertijd stapt hij uit en stopt daarna de telefoon weer in zijn broekzak.
‘Blijf jij in de auto’, gebiedt hij Vera. ‘Kom, Peter, vlug met mij mee.’
Samen rennen ze richting de loods. Er komt een dikke rookwolk naar buiten. Snel lopen ze de voorste ruimte in. Peter loopt voorop richting de tussenruimte en gaat naar binnen. Het is daar bijna al niet meer te harden van de rook en de hitte. Gebukt lopen ze verder naar de achterste ruimte. Maar daar kunnen ze niet verder. Het is binnen een en al vuur. Proestend gaan ze beiden weer terug.
‘Teunis en Maaike zitten helemaal achterin, in een hok’, zegt Peter gejaagd.
‘Kun je daar niet op een andere manier komen?’ vraagt Edwins vader snel.
‘Misschien achterlangs’, antwoordt Peter. Hij rent de loods weer uit, met Edwins vader op zijn hielen.
Samen snellen ze langs de zijkant van de loods, de hoek om. De ladder staat er nog steeds. Peter klimt er zo vlug hij kan tegen op en vader De Jongh volgt zijn voorbeeld. Boven aan de ladder stapt hij door het luik de hooizolder op. Ineens denkt hij ergens aan en grijpt in zijn broekzak. Even later schijnt hij met de staaflamp in het rond. Hier en daar kringelt er al rook tussen de pakken door omhoog. Er hangt een fikse brandlucht.
Dan ziet Peter de plaats waar het luik zit. Hij is ineens erg blij dat hij het pak hooi niet heeft teruggelegd. Samen met vader De Jongh spoedt hij zich naar het gat en stapt erin.
Gelukkig zit er een handvat aan het luik. Peter grijpt het beet en trekt het open. Vader De Jongh zorgt dat het luik niet terugvalt. Peter richt zijn lamp op de donkere ruimte beneden zich. Hij ziet dat de stoel weer van de tafel is gehaald. Hij bukt voorover en schijnt naar achter naar de hoek waar het matras ligt, maar er is niemand te zien. ‘Hè … Er is niemand’, zegt hij vertwijfeld. Hij schijnt ook in de andere hoeken, maar er is niemand te zien. ‘Hoe kan dat nu? Ze zijn weg!’
‘Weet je dat zeker?’ vraagt vader De Jongh.
‘Kijkt u zelf maar!’ zegt Peter schor. Hij geeft de lamp aan de vader van Edwin.
Vader De Jongh pakt de lamp en bukt ver voorover, terwijl Peter het luik vasthoudt.
‘Inderdaad!’
Vader De Jongh kijkt om zich heen. ‘Ik denk dat wij ook moeten maken dat we hier wegkomen. Het gaat steeds meer roken.’
Dan ziet Peter door het geopende luik dat de vlammen onder de deur van de gevangenis doorkomen en aan de zijposten beginnen te knagen. Hij deinst terug en vader De Jongh laat het luik dichtvallen.
Hoestend maken ze dat ze weer bij het buitenluik komen en klimmen snel de trap af. In de verte horen ze een sirene. Ze rennen vlug langs de loods naar voren en zien blauwe zwaailichten naderen.