7. Een nieuwe poging
Tegen het avondeten zit Edwin bij Vera op haar kamer. ‘We gaan het vannacht nog een keer proberen’, zegt hij tegen z'n zus, die op de rand van haar bed zit. ‘En het moet raar gaan als het nu niet lukt. Als jij ook weer je wekker zet. Ik mag me natuurlijk niet versla…’
‘Edwin, Vera! Komen jullie eten!’ klinkt het onder aan de trap.
Vera springt op.
‘Vader is er al’, zegt Edwin. ‘Ik ben benieuwd of hij nog bij Teunis is geweest. Zullen we zo wel horen.’
Samen lopen ze de trap af en schuiven aan tafel.
Nadat vader een gebed heeft gedaan, schept moeder op.
‘Ha lekker, het is weer nasidag’, zegt vader. Hij wrijft in z'n handen. Dan kijkt hij Vera even aan. Er komt meteen een zorgelijke blik in zijn ogen. ‘Ik ben nog bij Teunis van de Water geweest’, zegt hij.
Edwin spitst zijn oren.
‘Maar’, vervolgt vader, ‘hij was niet thuis. Alles zat op slot. Zijn auto stond er wel. Toen ik even door het keukenraam naar binnen gluurde, zag ik wel dat de tafel gedekt was en dat er zelfs opgeschept was. Beetje vreemd eigenlijk. Ik heb het nog even aan die kerels in de loods gevraagd, maar die hadden ook geen idee waar Teunis was. Overigens een vreemd stelletje. De ene zei helemaal niets en de andere keek me aan alsof hij het liefst had dat ik meteen maar weer ophoepelde.’
Edwin zegt niets. Dat het vreemde lui zijn, wist hij al.
‘Afijn, laten we eerst maar eens lekker genieten van wat moeder heeft klaargemaakt. Het smaakt weer heerlijk. Je mag blijven, Trudy’, grijnst vader. Hij knipoogt naar Vera.
Moeder schraapt haar keel een keer.
Vera glimlacht, maar niet helemaal van harte. Ze zit nog steeds erg in over haar Timmetje. Ze heeft van Edwin gehoord dat hij waarschijnlijk weet waar Tim is, maar dat arme dier zit natuurlijk in die loods zonder eten of drinken. Ze hoopt maar dat haar broer snel haar hondje gaat halen. Waarom doet Edwin er zo geheimzinnig over?
Na het eten gaat vader naar zijn praktijkruimte, waar hij deze avond spreekuur heeft.
Vera helpt haar moeder en Edwin pakt snel zijn fiets.
Hij sprint naar de boerderij van Groeneveld en loopt rechtstreeks naar de schuur. Hij weet dat Peter om deze tijd aan het voeren is.
Peter is inderdaad in de schuur.
Ze spreken af dat ze elkaar op dezelfde tijd als gisternacht weer zullen ontmoeten.
Edwin vertelt nog niet dat vader bij Teunis is geweest. Dat komt straks wel, denkt hij.
Snel fietst hij weer terug en loopt meteen naar zijn kamer.
Met de armen onder zijn hoofd gaat hij op bed liggen.
Hij staart naar het plafond en probeert te bedenken hoe het vannacht zal gaan. Voor hij er erg in heeft vallen zijn ogen dicht.
‘Zo, slaapkop. Ik dacht al: wat is het toch stil boven.’
Met een ruk komt Edwin overeind en wrijft in z'n ogen. Moeder staat bij de deur.
‘Heb je zo'n slaap?’ zegt ze. ‘Dan zou ik maar eens vroeg naar bed gaan.’
Edwin knikt. Hij sputtert niet tegen. Het komt hem goed van pas, maar dat zegt hij natuurlijk niet. Hij stapt uit bed en loopt achter moeder aan naar beneden. Als hij de kamer binnenkomt, valt zijn blik op de klok. Tjonge, denkt hij, al half negen. Ik heb echt geslapen.
Vader komt ook binnen. Zijn spreekuur is afgelopen.
Vera zit stilletjes met opgetrokken knieën op de bank met een boek. Maar van lezen komt niet veel.
Als moeder voor ieder wat heeft meegebracht uit de keuken, kijkt vader naar Vera en zegt: ‘Vervelend, meis, dat Tim nog niet terecht is. Ik begrijp er ook niets van. Als ik morgen weer in de Biesbosch moet zijn, ga ik wel weer even langs bij Teunis van de Water.’
Vera knikt. Ze wil wel, maar ze kan nog niets zeggen. Dat heeft ze haar broer beloofd.
‘Als het nog lang duurt, moeten we maar omzien naar een andere Jack Russell’, vindt moeder.
Nee, denkt Vera, ik wil alleen maar Tim. Hij is er gewoon. Ze kan bijna niet zwijgen. Edwin kijkt haar veelbetekenend aan. Vera bijt op het puntje van haar tong.
Na de koffie staat Edwin op en zegt: ‘Ik denk dat ik maar eens naar bed ga.’
‘Verstandig, jongen,’ vindt vader, ‘je was gister ook al niet helemaal fit. Probeer maar eens een paar nachten goed te slapen. Daar knap je van op.’
Een kwartier later is Edwin alweer onder zeil. Het slaaptekort van de afgelopen nacht eist zijn tol.
Om twaalf uur gaat de wekker af bij Edwin. Hij is onmiddellijk wakker, doet een klein bedlampje aan en drukt snel de wekker uit. Weer geslapen, denkt hij, maar da's niet zo erg. Misschien moeten ze vannacht nog wel langer wakker blijven dan de afgelopen nacht.
Zonder geluid te maken trekt hij zijn kleren aan en verlaat, nadat hij het licht heeft uitgedaan, de slaapkamer.
Hij kijkt even op Vera's kamer. Het is er donker en helemaal stil.
‘Vera’, fluistert hij.
Het blijft stil.
Ze slaapt, denkt Edwin.
Hij ziet de verlichte wijzerplaat van de wekker. Snel loopt hij naar binnen en drukt het alarm van de wekker uit. Ziezo, denkt hij, laat ze maar lekker doorslapen. Ik ben toch wakker.
Beneden is alles stil. In de keuken ziet hij, bij het licht van de maan, dat Tor zijn kop weer optilt. Wat doe ik met Tor? vraagt hij zich af. We hebben geen last van hem gehad gisternacht, maar gemak eigenlijk ook niet.
Tor stapt uit zijn mand, rekt zich eens stevig uit en geeft Edwin een lik over zijn hand.
‘Oké dan,’ fluistert Edwin, ‘je mag mee.’