8. Volle borden

Zoals afgesproken stopt Edwin tegen halféén bij het erf van de familie Groeneveld. Onmiddellijk komt Peter tussen de struiken vandaan.

Even later rijden ze beiden rustig verder de Biesbosch in. Tor draaft met de tong uit zijn bek naast hen mee.

‘Kan hij het wel bijhouden zo?’ vraagt Peter.

‘Met gemak’, antwoordt Edwin. ‘Hij hijgt wel hard en zijn tong hangt uit zijn bek, maar dat hoort zo. Een hond zweet voornamelijk over zijn tong. Dat moet jij toch weten? Jij woont op een boerderij met dieren.’

‘Ho eens,’ verweert Peter zich, ‘bij ons lopen koeien, schapen en kippen, maar dat zijn geen honden.’

‘Mmm’, bromt Edwin en begint snel ergens anders over. ‘Ik heb er vandaag nog eens over nagedacht, maar…’ Hij stopt.

Er komt hen een auto tegemoet met groot licht aan. De auto rijdt erg hard. Pas op het laatste moment dimt de bestuurder het licht. De jongens houden ieder een hand schuin voor hun ogen, tegen het felle licht. Ze rijden achter elkaar, zo dicht mogelijk bij de kant van de weg.

‘Wegpiraat’, zegt Edwin als de auto hen is gepasseerd.

Peter kijkt achterom en heeft daardoor niet op tijd in de gaten dat Edwin inmiddels bijna stilstaat, omdat zijn wiel in de berm is geraakt. Peter raakt met zijn fiets nog net die van Edwin, maakt een rare slinger naar de andere kant van de weg en kan nog net overeind blijven.

‘Kun je niet uitkijken?’ bromt hij.

‘Jazeker,’ antwoordt Peter, ‘maar zag jij wie dat waren?’

‘Ik niet,’ zegt Edwin, ‘de sukkel had me zo ongeveer helemaal verblind met zijn groot licht.’

‘Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij was het de dikke Mercedes van die lui die bij Teunis in de loods aan het werk zijn.’

‘Is dat zo?’ vraagt Edwin verwonderd. ‘Dat is dan niet zo verkeerd. Zijn ze in ieder geval weg. Kom, laten we snel verdergaan.’

Als Edwin zijn fiets op de weg heeft gezet en wegrijdt, klinkt er echter een schrapend geluid aan de achterkant van z'n rijwiel. Hij stapt onmiddellijk weer af en probeert, voor zover dat bij maanlicht gaat, te ontdekken wat er aan de hand is.

Peter komt bij hem staan. ‘Wat is er loos?’

‘Ik denk dat ik het al weet,’ antwoordt Edwin, ‘m'n spatbord zit tegen het wiel.’ Hij zet de fiets op de standaard en begint aan het achterspatbord te trekken. Dan pakt hij de fiets weer bij het stuur en duwt hem een halve meter vooruit en weer terug. Het geluid is weg.

‘Kom, laten we snel verdergaan.’

Op dezelfde plaats als de nacht ervoor laten de vrienden hun fietsen weer in de slootkant zakken. Ze lopen naar de dam over de sloot en klimmen over het hek. Vervolgens lopen ze door een weiland en een stuk bouwland, waar suikerbieten staan, met een boog naar de achterzijde van de loods. Vanaf een afstand hebben ze al gezien dat er geen licht brandt in de loods en het huis.

Als ze naar de zijkant van de loods lopen om de ladder weer te pakken, zegt Edwin: ‘Ik wil voor alle zekerheid even bij de voorkant van de loods kijken of hun auto er echt niet staat. Stel dat jij je vergist hebt.’

Peter weet haast zeker dat het de auto van John en Falko was, die hen met grote snelheid passeerde, maar hij wil ook best even meekijken bij de voorkant van de loods.

Daar zien ze dat er inderdaad geen dikke Mercedes staat. Alleen de Astra van Teunis.

‘Wacht es even,’ zegt Edwin ineens, ‘ik wil nog ook even bij Teunis naar binnen kijken.’

Edwin stapt over het hek van de ponywei.

Peter en Tor blijven achter.

Edwin komt even terug. ‘Mag ik je staaflamp gebruiken?’

Edwin loopt met de lamp naar de zijkant van het huis en schijnt naar binnen.

Dan komt hij snel weer teruggerend. Hij klimt vlug over het hek en terwijl ze langs de loods richting de ladder lopen zegt hij zacht: ‘Er is iets vreemds. M'n vader is hier vanmiddag ook geweest, maar alles was op slot en toch leek er wel iemand thuis. Hij vertelde dat het eten stond opgeschept en ik zag nu door het keukenraam dat het nog steeds staat opgeschept …’

‘Da's wel raar’, zegt Peter. ‘Misschien is er iets gebeurd met Teunis en Maaike.’

‘Er moet iets aan de hand zijn’, zegt Edwin. ‘Anders laat je toch niet de hele dag je eten opgeschept staan.’

‘Ja, dat is wel zo, maar dan moet er met beiden iets aan de handzijn.’

‘Misschien wel … eh, hoe heet dat ook al weer … koolmono… mono…’

‘Koolmonoxide,’ helpt Peter hem, ‘maar ze zullen nu toch zeker de kachel niet aan hebben? Het is nog maar begin oktober. En we hebben deze hele vakantieweek al prachtig weer.’

‘Ik heb weleens gehoord dat het ook met een geiser kan gebeuren’, zegt Edwin.

‘Kunnen we dan niet beter de politie bellen?’

‘Ja, maar als er nu niets aan de hand is?’ vraagt Edwin.

‘Mmm, het zou ook een beetje knullig zijn als de politie voor niets zou komen. En als het echt die koolmonoxide is, duurt het veel te lang voordat de politie er is.’

Edwin denkt even na en kijkt nog eens richting het huis. Aan de achterzijde is een plat dak met een hekwerk eromheen. Er is een deur die toegang geeft tot het balkon met een raam ernaast. Edwin kijkt naar het raam en twijfelt even. Dan loopt hij weer wat dichter naar het huis. Het lijkt erop dat het raam naast de deur op een kier staat, denkt hij. Hij wenkt naar Peter.

Die komt onmiddellijk naar hem toe.

‘Schijn eens even op dat raam naast de deur daarboven’, wijst hij.

Ze zien dat het raam inderdaad op een kier staat.

‘Als we nu eens proberen om via dat raam naar binnen te komen’, zegt Edwin.

‘Stel je voor dat Teunis en Maaike gewoon op bed liggen? Dan schrikken ze zich natuurlijk helemaal suf’, antwoordt Peter.

‘Ik geloof er niets meer van dat Teunis en Maaike gewoon op bed liggen’, zegt Edwin.

‘Dan mogen we zelf ook wel goed uitkijken als we naar binnen gaan met die koolmonoxide.’

‘Ik ga wel alleen en ik zet alles wagenwijd open boven’, biedt Edwin aan.

‘Oké, dan houd ik het buiten wel in de gaten, maar blijf niet te lang, want anders kom ik ook naar binnen.’

‘Kom, dan halen we eerst de ladder’, zegt Edwin. Meteen loopt hij weer naar de zijkant van de loods, pakt de ladder aan een kant op en kijkt achterom.

Peter helpt hem en even later staat de ladder tegen de balustrade om het platte dak. Edwin klimt naar boven. Behendig springt hij over de rand en loopt naar het raam. Het staat vast met een haakje dat hij zo omhoog kan wippen. Hij trekt het raam helemaal open en steekt zijn hoofd naar binnen. Hij ruikt niets. Nee, natuurlijk niet, denkt hij bij zichzelf, koolmonoxide ruik je niet. Hij pakt het kozijn stevig vast en slingert zijn benen naar binnen.

Eenmaal binnen is hij toch wel een beetje bang dat hij ook door koolmonoxide bedwelmd kan raken. De kamer is leeg. Hij schijnt met de lamp die hij heeft meegekregen in het rond. Ha, daar ziet hij een deur. Vlug loopt hij ernaartoe en opent hem.

Op de overloop ziet hij nog drie deuren. Hij grijpt de klink van een van de deuren en opent die. Voorzichtig kijkt hij om het hoekje. Er staat een eenpersoonsbed, maar er ligt niemand op. Vlug loopt hij naar het raam en zet dat open. Ziezo! Hij sluipt naar een andere kamer. Daar staat een tweepersoonsbed. Het is netjes opgemaakt en … leeg. Ook hier opent hij het buitenraam. Dit zou weleens de slaapkamer van Teunis en Maaike kunnen zijn, denkt hij. Ineens schaamt hij zich een beetje. Hij voelt zich een echte inbreker. Maar ik ga toch niets stelen, denkt hij dan. Ik wil Teunis en Maaike alleen maar helpen.

Edwin sluipt weer verder. Achter de laatste deur zit de badkamer en ook daar is niemand aanwezig. Teunis en Maaike zijn in ieder geval niet boven, stelt hij vast.

Hij loopt de trap af. Daar weet hij wel hoe het huis in elkaar zit. Hij is al eens binnen geweest. Eerst maar naar de keuken, denkt hij. Even schrikt hij als hij in de keuken komt. Er staat iemand voor het raam, maar meteen daarop ziet hij dat het Peter is, die vrolijk zijn hand opsteekt. Edwin haalt zijn schouders op naar Peter ten teken dat hij nog niemand heeft kunnen ontdekken.

Peter wijst naar een draairaam.

O ja, da's waar ook, denkt Edwin, eerst een raam open voor alle veiligheid. Even later stroomt de frisse nachtlucht naar binnen en kan hij Peter weer spreken.

‘Niemand te zien’, fluistert hij. ‘Het lijkt wel of ze echt niet thuis zijn. Ik kijk nog even in de kamer en de bijkeuken.’

Edwin loopt door de keuken naar de bijkeuken en vervolgens weer via de keuken terug naar de kamer, maar Teunis en Maaike blijven onvindbaar. Voor hij weer naar boven gaat, voelt hij nog aan de toiletdeur, maar ook die gaat gewoon open en er is niemand aanwezig.

Voor hij weer naar boven gaat, sluit hij het keukenraam. Peter staat er niet meer.

Ook boven sluit hij de ramen en loopt weer naar de kamer die op het balkon uitkomt. Op die kamer ontdekt hij een vaste kast die hem niet eerder is opgevallen. De sleutel zit in het slot. Edwin doet de deur open en meteen valt er iets hards tegen hem aan. Van schrik springt hij achteruit. Het is een vlaggenstok met vlag, die meteen uitrolt over de vloer. Edwins hart klopt even in zijn keel. Maar dat zakt snel af. Vlug rolt hij de vlag weer op en zet hem terug in de kast, waar verder niet veel bijzonders in te vinden is.

Hij sluit alle ramen. Dan klimt hij naar buiten en zet het raam weer vast op het haakje.

Even later staat hij bij Peter op de begane grond.

Tor wrijft met zijn snuit tegen Edwins broek. Hij is blij hem weer te zien.

‘Er is dus echt niemand thuis. Het lijkt wel of ze zijn gevlucht of zo, anders laat je je eten toch niet zo staan?’

Peter knikt en zegt: ‘Er is echt iets vreemds aan de hand. Eergisteren was Teunis ook al anders dan ervoor, zei je toch?’

‘Ja, ik weet het ook niet, maar laten we nu eerst Tim gaan halen’, zegt Edwin.