Epiloog

ONTMOETINGEN

 

Krijsend vlogen er zeemeeuwen over.

Het was druk op de koninklijke kade, waar Robert zich met zijn drie metgezellen haastte naar een schip aan de andere kant van de aanlegsteiger dat op het punt stond af te varen. Verscheidene schepen in de haven lichtten reeds het anker om te vertrekken op het avondtij. Aan boord van de vaartuigen buiten de haven werden de zeilen al gehesen, en andere schepen werden van hun ankerplaatsen gesleept door sloepen, onder leiding van de havenmeester en zijn loodsen.

Onder aan de loopplank van de Koninklijke Panter bleven Robert, Graves, Kat en Limm staan, waar twee wachters salueerden en de jonker van de prins door Emus werd begroet.

'Admiraal Trask, mag ik mijn metgezellen aan u voorstellen?' vroeg Robert formeel.

Emus grijnsde. 'Alsof ik hen niet al lang kende.' Hij knikte Ethan Graves en Limm toe, en bood Kat zijn hand aan. 'Ik heb begrepen dat er een kleintje op komst is?' zei hij met een zorgzame glimlach.

'Ja,' bevestigde ze, enigszins verlegen.

Robert glimlachte en gaf Graves een knipoog. Zo lang hij de dievegge had gekend, had hij haar nog nooit zien blozen.

'Nou, mijn lieverd, we hebben een hut voor jou en je man in gereedheid gebracht. Die knul kan in de hut van de scheepsjongen terecht.' Hij nam haar mee de loopplank op.

'Vaarwel, Kat!' riep Robert haar na.

Ze draaide zich om en zwaaide.

'Wij komen zo,' beloofde Ethan.

'Limm,' zei Robert, 'ik wil Ethan even onder vier ogen spreken.'

'Dan dank ik u, mijn allerbeste jonker,' zei de jeugdige dief. 'Ik sta voor de rest van mijn leven bij u in het krijt, heer.'

Robert deed zijn best niet te lachen om deze belachelijk formele, zij het oprecht gemeende bewoordingen. 'Vooruit, Limm, en geniet van je nieuwe start. Denk eraan, Durbin is heel anders dan Krondor, en het zal erg verleidelijk zijn om weer tot het lepe pad te vervallen.'

'Geen zorgen, jonker. U bent mijn held, en ik ga mijn leven inrichten naar het uwe. Als u boven diefstal en schurkenstreken uit kunt stijgen, kan ik het ook.'

'Ik hou hem wel op het rechte pad, Robbie,' zei Graves met een lach. 'En nu wegwezen, jij.' Hij gaf Limm een vriendschappelijke mep achter op het hoofd, en de jongen rende de loopplank op.

Robert wachtte tot de knul aan boord was, en nam Graves mee een eindje bij de twee wachters vandaan. Hij stak een hand in zijn tuniek en haalde er een beurs uit. 'Hier.'

'Ik kan geen goud van je aannemen, Robbie. Je hebt al veel te veel voor ons gedaan.'

'Je hebt het nodig om je te vestigen. Zie het maar als een voorschot.'

Graves knikte. 'Ik snap het. Bedankt.' Hij nam het goud in ontvangst en stak het in zijn tuniek.

'Emus zegt dat hij in Durbin twee kerels kent aan wie hij zijn leven durft toe te vertrouwen. Hij zal je laten weten hoe je met hen in contact kunt komen. De ene is een scheepsbevoorrader, en de andere een leverancier van etenswaren. Allebei kunnen ze berichten doorspelen aan Koninkrijkse schepen.'

'Ik heb al twee keer mijn eed gebroken,' zei Graves. 'Wat doet je denken dat ik me deze keer wel aan mijn woord hou?'

Robert haalde zijn schouders op. 'Niets, behalve dat ik je ken, Ethan, en weet waarom je het hebt gedaan. Ik zou je kunnen waarschuwen dat de toorn van de prins je zelfs in Durbin zal weten te vinden, maar dat is zinloos. Onbevreesder dan jij heb ik nog nooit iemand gezien...' - hij zweeg even - 'waar het zijn eigen veiligheid betreft.'

Graves wierp een blik omhoog, waar Emus zich aan dek stond uit te sloven om Kat en Limm in te palmen. 'Ik snap het.' Zijn gezicht betrok en zijn stem klonk kil.

Robert schudde zijn hoofd. 'Voor hen hoef je niet te vrezen, Ethan. Mijn woord erop.'

Graves ontspande zich.

'Ik bedoelde alleen dat verantwoordelijkheid je verandert. Kijk maar naar mij!' Robert grijnsde.

'In sommige opzichten verander jij nooit, Robbie de Hand,' zei de voormalige zware jongen, teruggrijnzend. 'Wat ga je doen met Walter en de anderen?'

'Niets,' antwoordde Robert. 'Ik ga morgen even bij hen langs in het riool om hun te vertellen dat ze veilig naar buiten kunnen komen. Ze zullen denken dat ze voor mij werken, maar ik ken die twee als een hond zijn vlooien. Zodra ze er wat aan kunnen verdienen, verlinken ze de boel.' Hij keek bedachtzaam. 'Trouwens, ik denk dat de Oprechte Man straks onverwachts weer opduikt, en dan zitten die twee weer veilig in de schoot van de Snaken voordat Moeders is herbouwd. Nee, het zijn kerels als jij die ik nodig heb, Ethan, en dat gaat een poosje duren, want kerels als jij zijn schaars.'

'Nogmaals bedankt.' Ethan stak zijn hand uit. 'Het is zeldzaam dat iemand een tweede kans in het leven krijgt. Een derde is een wonder.'

'Ach, misschien had Ishap andere plannen met je dan je dacht.' Graves knikte. 'Blijkbaar.'

'Begin een leuk herbergje als je in Durbin bent, misschien vlak bij het garnizoen en het gouverneurspaleis. Zo'n stek waar soldaten en lagere overheidsambtenaren in hun vrije tijd een biertje hijsen. Hou je prijzen betaalbaar, en luister naar alles wat er wordt gezegd.'

'Ik zal zien wat ik kan doen,' beloofde Graves.

'Aan boord met jou, dan,' zei Robert. 'Ik heb nog wat dingen te doen, vandaag.'

Ethan liep de loopplank op, waarna Emus het bevel gaf die in te halen en de trossen los te gooien. De bemanning gehoorzaamde prompt, en de havenloods op de boeg riep instructies naar de bemanning in de sloep om de Koninklijke Panter van de kade te trekken. Na een laatste blik op zijn oude vriend Ethan draaide Robert zich om en liep terug over de koninklijke kade. Hij koesterde ambities voor de lange termijn, en op een dag zou hij beschikken over spionnen in het paleis van de keizerin van Groot Kesh, maar voorlopig was hij verrukt over het feit dat hij Graves' medewerking had bij het vestigen van een spionnenkring in Durbin. Hiermee zou hij zijn model gaan uitproberen. Graves zou via Limm contact opnemen met de twee mannen die Emus had aangewezen, langs wie de boodschappen werden doorgegeven aan Koninkrijkse schepen die de haven van Durbin aandeden.

Toen hij de kade verliet, zag hij dat Jonathan Means hem stond op te wachten. De jonge stadswachter knikte een groet.

'Heb je hem gevonden?' vroeg Robert.

'Ja, jonker. Hij heeft een winkeltje aan het einde van het havenhoofd, met op het uithangbord twee gekruiste roeispanen en een anker. Hij is kaarsenmaker.'

'Heb je hem gesproken?'

'Nee,' antwoordde Jonathan. 'Ik heb van een afstand gekeken of de winkel open was, en ben toen hierheen gegaan.'

'Mooi,' zei Robert. 'Ga weer aan je gewone werk. En zorg dat je je vader bedankt dat hij heeft uitgeplozen dat deze man weer in de stad is.'

Jonathan vertrok, en Robert overwoog wat hij vervolgens zou doen. Bij gebrek aan een beter idee koos hij voor de brutale aanpak, en hij liep naar het winkeltje dat Jonathan had beschreven.

Onderweg, het uithangbord met het scheepsanker boven twee gekruiste roeispanen al in zicht, pijnigde Robert zijn hersens over wat hij zou zeggen. Na een korte aarzeling deed hij de houten winkeldeur open, wat een klein belletje deed rinkelen.

Een man van middelbare leeftijd, zijn haar echter al zo grijs dat het bijna wit was, keek om toen Robert binnenkwam. Hij was zwaargebouwd, maar niet dik. 'Ik ga bijna dicht, jongeman,' zei hij met licht gefronste wenkbrauwen. 'Kan het niet wachten tot morgen?'

'Ben jij Donald?' vroeg Robert.

De man knikte en leunde op de toonbank. Achter hem stonden spullen die iedere kaarsenmaker in het Koninkrijk verkocht: tonnen met spijkers, gereedschap, rollen touw, ankers en andere toebehoren.

'Ik ben jonker Robert, van het prinselijk hof,' zei hij, en zweeg om te zien of er een reactie kwam.

De man gaf geen krimp. Uiteindelijk zei hij: 'Ik ken de inkoper van het paleis, jongen. Als hij jou niet heeft gestuurd, zeg me dan wat je komt doen, zodat ik thuis op mijn krent kan gaan zitten.'

Robert glimlachte. De man was niet in het minst onder de indruk, zoals Robert ook had verwacht. 'In feite ben ik vandaag de dag meer belast met het handhaven van de wet.'

Opnieuw geen reactie.

'Jouw naam bleek laatst op een lijst te staan.'

Even werden de knokkels waarmee de man op de toonbank leunde iets witter, maar verder bleef hij onbeweeglijk, en zijn gezicht onveranderd. 'Wat voor een lijst?' vroeg hij op vlakke toon, zijn lichtblauwe ogen op Robert gevestigd.

'Een lijst van mensen die kort geleden in de stad zijn vermoord.'

'De moorden? Daar heb ik van gehoord. Nou, zoals je ziet ben ik niet dood. Ik heb geen idee hoe mijn naam op zo'n lijst terecht is gekomen.'

'Waar ben je in de afgelopen vijf weken geweest?' vroeg Robert.

De man forceerde een glimlachje. 'Op bezoek bij familie aan de kust. Ik heb verscheidene mensen ingeseind. Het verbaast me dat niemand de stadswacht heeft verteld dat ik een maandje weg was.'

'Mij ook,' zei Robert. 'Maar misschien kan je me vertellen tegen wie je het hebt gezegd?'

De man haalde zijn schouders op. 'Een paar jongens in de kroeg. Ik heb het verscheidene scheepsinkopers verteld. En ook nog Mark de zeilmaker van hiernaast, de avond voor ik ging.'

Robert knikte. De zeilmaker zou het beslist op het laatste moment zijn verteld, en de andere lieden die hij had genoemd zouden ongetwijfeld moeilijk te benaderen zijn. 'Juist,' zei de jonker, 'maar aangezien jij ineens was verdwenen toen al die moorden werden gepleegd, was het niet onredelijk om aan te nemen dat jij een van de slachtoffers was.'

'Het zal wel,' zei de kaarsenmaker. 'Hebben jullie een einde aan het moorden gemaakt?'

'Grotendeels,' antwoordde Robert. 'Maar in het riool gaat het er nog steeds wat ruig aan toe, met dieven en zo, je weet wel hoe dat gaat.'

'Geen plaats voor eerlijke mensen,' zei Donald. 'Maar hoe zit dat bovengronds?'

'Net als vroeger, vóór de moorden, min of meer.'

'Goed om te weten,' merkte de man op. 'Maar als je niets meer te vragen hebt, jonker, dan ga ik nu graag naar huis.'

Robert knikte. 'Wij spreken elkaar vast nog wel eens.'

De man volgde Robert naar de deur, en terwijl die dichtging, ving Robert een laatste glimp op van 's mans gezicht. Robert dacht na. Hij was er vrijwel zeker van dat hij zojuist had gesproken met de Oprechte Man.

De Snaken keerden terug, en er zou nog steeds worden gevochten met de Kruiper en zijn mannen, maar nu de Nachtraven een zware slag was toegebracht, zou het voorlopig weer een stuk rustiger in de stad zijn.

Robert liep weg. Eén ding had Arutha hem goed geleerd: chaos biedt kansen, en terwijl de Oprechte Man zijn criminele koninkrijk aan het herbouwen was, maakte Robert een goede kans om een mannetje of twee bij de Snaken te krijgen. Met wat hij wist van de structuur binnen het dievengilde, was hij ervan overtuigd dat hij de juiste kandidaat goed genoeg kon voorbereiden om kritische blikken te weerstaan. Het probleem was alleen het vinden van een geschikte kandidaat.

Maar dat was van latere zorg, bedacht de gewezen dief. Op dit moment had hij nog vele andere dingen aan zijn hoofd, en Arutha had gevraagd of hij terugkwam naar het paleis wanneer hij Ethan en de anderen had uitgezwaaid.

Zo was er bijvoorbeeld nog de kwestie om uit te vissen wie de Kruiper was. Robert raakte er steeds meer van overtuigd dat die zich niet in Krondor bevond, maar zijn bende vanuit een andere plaats bestuurde, misschien vanuit Queg of Kesh, of misschien zelfs vanuit de Vrijsteden. Kesh stond boven aan zijn lijstje, aangezien er een buitensporig groot aantal Keshiërs voor de Kruiper werkten. Ook moest er nog menige draad worden ontrafeld die de Kruiper met de Nachtraven verbond. Robert was het inmiddels met Arutha eens dat de Nachtraven er hun eigen plannen op na hielden. De bende in de woestijn leek in ieder geval meer op een klein leger dan op een groepje geoefende beroepsmoordenaars.

En dan nog de magie. Wie zat daarachter, vroeg Robert zich af.

Bij de havenpoort werd hij door twee saluerende soldaten doorgelaten. Zo veel raadsels en problemen. Maar toch, bedacht hij, hij leefde nog, hij was jong, en hij beschikte nog steeds over zijn scherpe verstand. Het kon jaren duren, maar uiteindelijk zou hij erachter komen wie al deze beproevingen op het Koninkrijk had losgelaten.

 

Het wezen was eens een levend mens geweest, een magiër met aanzienlijke macht. Hij zat nu op een troon van steen, diep in een labyrint van grotten. Het dreunen van de branding in de verte werd eerder gevoeld dan gehoord, want de geheime tempel stond aan zee, diep onder het waterpeil. Het gesteente in de grotten wasemde voortdurend vocht uit en de lucht was altijd klam.

Voor de troon stond een enorme, uit steen gebeitelde hand, met daarin een reusachtige zwarte parel. Ook stond er voor de troon een magiër, gekleed als een gewoon handelsman. Het wezen op de troon keek de magiër aan. De man met de haakneus was niet bang in het bijzijn van de ondode tovenaar - een liche, een mensachtige, in de oude taal. De bedienden van de liche waren al even kwaadwillig. Het waren de levende skeletten van zijn Doodswacht. Ook voor deze bewakers was de magiër niet bang.

'Je hebt gefaald,' sprak de liche tot de magiër. Zijn stem was even droog als het in de grot vochtig was.

Sidi draaide zich om, zwaaiend met een vinger. 'Nee, de Nachtraven hebben gefaald. Wij slagen altijd. Velen zijn gestorven, de Prins in Krondor haalt de onderste steen boven bij het zoeken naar wie daarvoor verantwoordelijk is, en speurt tevergeefs naar een patroon dat er niet is.'

'Maar is er genoeg onrust?'

De tengere magiër haalde zijn schouders op. 'Is er ooit genoeg onrust? Trouwens, iets te veel en de Ishapiërs veranderen hun plannen. En aangezien het me twintig jaar heeft gekost om op dit punt te komen, zie ik niet graag dat er onverwachts iets verandert zodat ik nog eens tien of twintig jaar moet wachten om het opnieuw te proberen. De goden mogen dan tijd genoeg hebben om te wachten, maar wij niet.'

Het wezen op de troon lachte, een krassend, gortdroog geluid. De huid op zijn gezicht stond strak over de schedel gespannen, en zijn polsen waren niet meer dan bot waar flarden huid van af hingen, zichtbaar toen hij naar de magiër wees. jij misschien niet, maar ik wel.'

Sidi boog zich voorover. 'Wees niet te trots op die goedkope dodenbezwering van je, Savan. Het heeft je broer ook geen zier geholpen toen Arutha's lievelingsspion hem naar de demon slingerde.'

'Ik dacht dat Neman iets zou hebben om zich op te concentreren toen ik hem het toezicht over de Nachtraven gaf. Hij was er niet aan toe om de demon te ontbieden. Hij was gek.'

'Jullie worden allemaal een beetje gek als je terugkomt van de doden,' zei Sidi. 'Dat schijnt onvermijdelijk te zijn. Daarom heb ik je hier ook eerst een paar jaar opgesloten toen je opstond uit het graf, weet je nog?' Hij maakte een ruim gebaar met zijn hand. 'Waanzin heeft zijn nut,' zei hij met een hoofdknik. 'In feite is het soms uiterst nuttig.' Met wijd opengesperde ogen draaide hij zich om, en de liche grinnikte. 'Wat?' vroeg Sidi.

'Jij bent al net zo gek als ik,' zei de ondode magiër.

Sidi begon te lachen. 'Misschien wel, maar dat kan me niet schelen.' Hij hield zijn hoofd schuin, alsof hij ergens naar luisterde. 'Hij is er.'

'Wie?' vroeg de liche.

'Iemand die ons gaat brengen wat we de afgelopen twintig jaar hebben gezocht, Savan. Ik wil niet dat hij deze grot betreedt. Hij is er nog niet aan toe om jou of je dienaren te zien, of om te weten aan wie hij trouw zal zijn. Wanneer ik het hem heb gegeven, en het een tijdje op hem in heb laten werken, misschien dan. Ik ga nu.'

'Laat hem zweren ons te dienen!' riep de ondode magiër hem

'Binnenkort.'

Sidi liep de tunnel door naar de gang die hem boven bracht. De piraat die ze Beer noemden, zocht zich nu in een bootje een weg tussen de wrakken voor het rotsuitsteeksel dat de Weduwpunt was gedoopt. Sidi zou hem ontmoeten op het strand voor de geheime ingang naar de Zwarte-Pareltempel. Uiteindelijk, dacht Sidi, als Beer zijn missie had volbracht en zijn nut had bewezen, zou hij de tempel binnengaan om zijn trouw aan Sidi te zweren.

Maar tot die tijd liet Sidi hem in de veronderstelling dat hij gewoon een opdracht had aangenomen, net als de Nachtraven jaren lang hadden gedacht, tot ze erachter kwamen dat ze veel meer dienden dan hun onbeduidende familie- en clanbetrekkingen. Tegen de tijd dat Beer de waarheid ontdekte, zou het al te laat zijn.

Bij de geheime ingang aangekomen tastte Sidi diep in een zak in zijn gewaad en haalde een amulet te voorschijn. De zware ketting was gemaakt van glanzend brons, dat echter merkwaardig donker oogde en onmogelijk kon worden opgepoetst. Op de amulet stond een gezicht, de afbeelding die was gekozen door de dienaren van de Naamloze, de demon met de vossenkop die hun binding met het demonenrijk verzorgde.

Zo veel te doen, en zulke onbetrouwbare gunstelingen. Sidi ontgrendelde de schuifdeur die in de rotswand van het klif verborgen zat. Hij moest toch eens iemand zien te vinden die echt betrouwbaar was. Maar hij moest voor zichzelf toegeven dat het gebrek aan betrouwbare ondergeschikten nu eenmaal de prijs was voor het koesteren van geheimen. Geen van Sidi's dienaren wist waar hij werkelijk aan werkte, en evenmin waren ze op de hoogte van de werkelijke bron van zijn duistere krachten. Terwijl de deur weggleed, bedacht Sidi dat het leuk zou zijn om eens iemand in vertrouwen te nemen, iemand die meer kon zijn dan een onwetende pion. Maar nog voordat de deur geheel was geopend, had hij dergelijke gedachten alweer van zich afgeschud.

De westenwind blies zeewater in zijn gezicht, en hij hield zijn hand omhoog om zijn ogen af te schermen tegen de ondergaande zon, bloedrood aan de horizon. Voor de punt lag een schip voor anker, een oude Quegse krijgsgalei, veroverd op zee, zwart en onheilspellend afstekend tegen de zonsondergang.

De roeier zocht zich een weg tussen de boven het water uit stekende masten door, de laatste zichtbare restanten van schepen die in zwaar weer tegen de rotsen waren geslagen en zo deze landtong haar naam hadden gegeven. Slechts een enkeling kwam vrijwillig naar de Weduwpunt, die daardoor een uitstekende uitvalsbasis vormde om schepen te bestoken. De piraat die naderbij kwam was vertrouwd met deze wateren, waarop hij vaak had geplunderd.

Terwijl de sloep door de branding werd gegrepen en aan land werd geduwd, bekeek Sidi nogmaals het reliëf op de amulet. De robijnrode ogen in de vossenkop gloeiden nu. Het had Sidi jaren gekost om het voorwerp te maken dat hij straks aan de piraat ging geven, maar het zou Beer beschermen tegen priesterlijke magie en lichamelijk geweld. Zolang hij het droeg, zou hij onkwetsbaar zijn. Bovendien stelde het de meester in staat in zijn dromen te fluisteren, en Beer in zijn macht te krijgen.

Ondanks de tegenslag in de woestijn en de mislukking om de Oprechte Man in Krondor uit de weg te ruimen, verkeerde Sidi in jubelstemming, want binnenkort zou hij in het bezit zijn van het allermachtigste voorwerp op deze hele wereld, en als het eenmaal zover was, kon zijn werk namens de ware meester pas echt beginnen.

Terwijl de grote piraat uit de boot stapte en door het zilte nat naar Sidi waadde, koesterde Sidi de magiër zich in het vooruitzicht op de ultieme overwinning.