5 Geheimen

 

Robert bewoog.

Zijn linkerslaap klopte - daar moest hij tegen de straatstenen zijn geslagen toen hij viel- evenals de rechterkant van zijn gezicht. Hij probeerde overeind te komen, en zijn hoofd bonsde. Zijn polsen waren op zijn rug gebonden, en hij was geblinddoekt.

'Ah, er komt beweging in,' zei een zware stem.

Door ruwe handen werd hij rechtop op de vloer gezet. 'Iets te drinken?' vroeg de zware stem.

'Ja, graag,' antwoordde Robert, en zijn stem klonk hem vreemd ijl in de oren.

'Wat is hij toch beleefd, hè?' zei iemand anders in de kamer lachend, maar hij werd meteen sissend tot stilte gemaand.

'Geef hem wat water,' zei de eerste spreker.

Het duurde even voordat iemand een beker water tegen Roberts lippen drukte. Hij nam een klein slokje, om zijn keel te smeren en tijd te winnen om bij zijn positieven te komen. De mist in Roberts hoofd trok langzaam op.

'Voel je je al wat beter?' vroeg de zware stem.

Robert haalde diep adem. 'Ja hoor, Walter, al had je mijn aandacht best wat vriendelijker mogen trekken dan met een dreun in mijn smoel.'

De zware stem grinnikte. 'Ik zei toch dat hij het zo door zou hebben, stelletje sukkels. Haal die blinddoek nou maar weg.' Robert knipperde met zijn ogen toen hij weer kon kijken, en hij zag drie mannen bij hem staan in wat alleen maar een kelder kon zijn. Er stonden tonnen en kratten, opgetast tegen een blinde muur, en onder stoffig zeildoek waren andere goederen opgeslagen. 'Hoe staat het leven, Robbie?' vroeg de man met de zware stem.

'Best aardig, Walter, tot... hoe lang geleden? Een uur?'

Walter pakte Robert bij de schouders, tilde hem overeind en draaide hem om. Vervolgens maakte hij het touw los waarmee zijn handen waren vastgebonden. 'Neem het ons niet kwalijk, maar je was nogal moeilijk bij te houden.'

'Als je wilde praten, Walter, zijn er andere manieren.'

De man wierp een blik op zijn metgezellen. 'Het is niet meer zoals vroeger, Robbie. Een hoop problemen in de stad.' Walter Blont was een van de betere zware jongens van de Snaken, opgeleid door Ethan Graves. Gewoonlijk was het een kalme man, die zijn werk bezag als een ambachtsgezel het zijne, zonder woede of haat. Hij had een onopvallend, rond gezicht, en in zijn zwarte haardos waren al wat grijze haren zichtbaar.

Robert nam even de tijd om naar Blonts metgezellen te kijken.

Beiden zagen eruit als regelrechte gildestrijders: dikke nek, brede schouders en benen als boomstammen. Allebei waren ze waarschijnlijk in staat om met de blote vuist iemand de schedel te splijten. Geen van tweeën zag er bepaald intelligent uit, maar Robert wist dat dat misleidend kon zijn. Het tweetal was hem onbekend, maar hij wist zeker dat het niet de twee waren die hem in het bierhuis waren gevolgd. 'Dat waren toch geen mannetjes van jou, die mij achtervolgden?'

'Nee,' antwoordde Walter. 'Maar die gingen zo op in hun bezigheid dat ze niet in de gaten hadden dat wij hén weer volgden.' Hij grijnsde, en zijn scheve gele tanden maakten zijn uiterlijk iets dreigender. 'Er lopen vandaag de dag allerlei nieuwe bendes in Krondor rond. Iedere week arriveren er meer vechters bazen en kleerkasten per schip en karavaan. Iemand is hier een heus leger aan het verzamelen.'

Robert ging zitten op een krat. 'Begin eens bij het begin, Walter.'

Blont nam plaats op een andere krat en wreef nadenkend over zijn kin. 'Eigenlijk is het een paar maanden geleden begonnen. Je hebt gehoord van die vent die ze de Kruiper noemen?'

Robert knikte, waar hij onmiddellijk spijt van kreeg toen het in zijn hoofd begon te bonken.

'Nou, al enkele maanden lopen we keer op keer tegen zijn mannetjes aan. Eerst waren ze alleen maar lastig. Toen begon het lelijk te worden.' Met een armzwaai wees Walter naar zijn metgezellen. Wij zijn zo'n beetje alles wat er van de zware jongens over is. Een paar nachten geleden kwamen ze bij Moeders binnen -'

'Konden ze bij Moeders binnen?' onderbrak Robert hem stomverbaasd.

'Alle schildwachten uitgeschakeld, hard en snel, geen tijd voor geleuter. Josh, Henry en ik hadden op dat moment ergens een akkefietje, en we werden besprongen in het riool, maar we waren de vier die ons wilden afmaken de baas.' Met zijn duim wees hij even naar de man links van hem. 'Josh kreeg voor de moeite een jaap over zijn ribben, en Henry moest mijn schouder dichtnaaien met een zeilmakersnaald en wat draad. We troffen Moeders in puin aan, en sindsdien hebben we ons gedeisd gehouden.'

'Het is oorlog buiten, jonker,' vervolgde de man die Henry moest zijn. 'Het is in het riool nog erger dan op het slagveld.'

'Soldaat?' vroeg Robert.

'Vroeger,' antwoordde Henry. 'Hele tijd geleden.'

Robert knikte weer, en trok een gezicht. 'Dat moet ik niet meer doen.'

'Neem me die dreun niet kwalijk,' zei Walter, 'maar je bent zo'n gladde jongen dat het de enige manier was om je hier te krijgen.'

Robert trok een grimas. Zijn hoofdpijn zou nog wel een tijdje duren. 'Je had me ook een briefje kunnen schrijven.'

'Dat denk je maar, en trouwens, zo vaak nemen we de oude routes niet meer, met al die halzensnijders en moordenaars in het riool.'

'Moordenaars?' vroeg Robert. 'Nachtraven?'

'Zou kunnen,' antwoordde Walter. 'Die zwarte pakkies die ze vroeger droegen heb ik niet gezien, maar het zijn gehaaide jongens, voor wie het moorden geen spelletje is.'

'Dat nemen ze uiterst serieus,' voegde Henry eraan toe. Walter knikte. We hebben ze alleen maar kunnen ontlopen omdat bijna niemand weet van deze plek. Het was een beetje een gok om achter jou aan te gaan, maar een van de bedelaars jochies die ons eten hierheen smokkelt, zag jou vandaag rondlopen en zei dat je deze kant uit kwam, dus hebben we het erop gewaagd. Ik weet nog dat jij door de hele stad kon zwerven zonder dat je door iemand werd gezien.'

Robert grijnsde meewarig. 'Dat kan ik nog steeds, maar tegenwoordig heb ik weinig reden om me te verstoppen. Ik werk voor de prins, weet je nog?'

'En daar ging het ons juist om. We hebben hulp nodig.'

'Wie, de Snaken?'

'Wat daarvan over is,' antwoordde Walter grimmig.

'Heeft de Oprechte Man een voorstel?' Zonder toestemming van de leider zou Walter het nooit wagen om voor de Snaken te spreken, wist Robert. Walter moest diens laatste boodschapper Zijn.

De drie mannen keken elkaar aan. 'Je hebt het dus nog niet gehoord?' zei Walter.

Wat?'

'Ze zeggen dat de Oprechte Man dood is.'

Terwijl hij langzaam de lucht uit zijn longen liet ontsnappen leunde Robert achterover. 'Dan is er aan een hoop dingen een einde gekomen, nietwaar?'

Walter haalde zijn schouders op. 'Je komt niet waar hij was zonder veel vijanden te maken. Als het waar is, wordt er in ieder geval heus wel ergens een pint op zijn heengaan gehesen.'

'Wie heeft er nu de leiding over de Snaken?'

'Niemand,' zei Walter. 'Waarschijnlijk zijn wij alles wat er van de zware jongens over is. Misschien zijn er nog een paar die zich net als wij gedeisd houden. De meesten zijn gedood toen Moeders werd overvallen. Ze hebben iedereen afgemaakt, Robbie. De zakkenrollers, de bedelaars, de hoeren en de straatschoffies.'

'Hebben ze de straatschoffies vermoord?' vroeg Robert ongelovig.

'Ik geloof dat ik Limm en twee of drie anderen later die nacht een rioolbuis in zag duiken, maar ik weet niet zeker of zij het waren. Ik ben ook niet gaan kijken, want ze waren op de vlucht voor een stuk of zes kerels. Misschien zijn ze ontkomen, maar iedereen die zich niet gauw genoeg uit de voeten had gemaakt is vermoord. Het nieuws verspreidde zich razendsnel, en iedereen die daartoe in staat was is ondergedoken of de stad uit gegaan.'

'Het waren geen kroegtijgers die dit hebben gedaan, jonker,' vervolgde Henry, 'en ook geen zware jongens zoals wij. Dit waren beroepsmoordenaars, die je nog geen tel gunden om te kikken of te vragen wat er loos was. Ze sneden je strot door en lieten je vallen, mannen, vrouwen, kinderen. De mensen aan de ene kant van het gebouw waren al dood voordat ze aan de andere kant in de gaten hadden dat er werd geknokt. Ze zijn een behoorlijk tijdje op jacht geweest in het riool, kan ik je vertellen. Wij hebben ons sindsdien hier verborgen gehouden.'

Robert keek rond. 'Is dit het smokkelaarshol?'

'Ben je hier dan al eens geweest?' vroeg Walter.

'Een paar keer, toen we samenwerkten met Gregor Tromp en zijn bende, toen Bas-Tyra regent was.'

'Dat weet ik nog,' zei Walter. 'Er zijn niet eens veel Snaken die dit weten te vinden, en sinds die nieuwe weg is aangelegd over de plek waar hierboven de oude molen is afgebrand, kan je er van bovenaf niet eens meer komen.'

'Zit er in die kratten nog iets te eten?'

'Zo ja, dan is het al heel lang bedorven,' antwoordde Josh. 'Deze schuilplaats is niet meer gebruikt sinds Tromp voor de Kroon is gaan varen.'

Robert knikte. 'Hoeveel anderen weten er van deze plek?'

Walter haalde zijn schouders op. 'Niet veel. Aangenomen dat ze nog leven, na de overval. Tromps mannen sjouwden de spulletjes meestal naar binnen en naar buiten, met maar een paar van ons.'

'Dan blijft dit ons geheimpje.' Robert stond op. Zijn knieën knikten. Met een hand tegen de muur hield hij zich overeind. 'Hoe laat is het?'

'Een uur na zonsondergang, zo ongeveer,' antwoordde Henry.

Robert vloekte. 'Ik moet terug naar het paleis, en door jullie zit ik er nu twee keer zo ver vandaan als toen ik begon.'

'Je kunt het beste naar de wachtpost twee straten verderop gaan en je door een paar wachters terug naar het paleis laten brengen.'

'Dat duurt te lang,' zei Robert. 'Trouwens, ik weet een manier om vlak bij het paleis te komen zonder dat iemand me ziet.'

Walter glimlachte, voor het eerst. 'Tja, zo was jij nu eenmaal, hè? Jij vond altijd wel een weggetje waar niemand wat van wist. Daarom kon jij ook altijd zonder een vrijbrief van de Nachtmeester die extra klusjes klaren.'

Robert glimlachte terug. 'Ik, werken zonder toestemming van de Nachtmeester?' zei hij, zogenaamd verongelijkt. 'Wat, en het gevaar lopen dat jullie me betrapten en in elkaar beukten? Dat zou ik toch nooit doen?'

'Nou, ik ben blij om te zien dat je je gevoel voor humor nog hebt,' zei Henry. Zijn blik ging van Josh naar Walter, en toen naar Robert. 'Wat moeten wij nu doen?'

'Hier blijven. Ik zal mijn best doen om voor de ochtend terug te zijn met wat te eten en te drinken voor jullie.'

'Waarom zou je dat doen?' vroeg Josh.

'Omdat jullie het hebben gevraagd,' antwoordde Robert. 'En omdat jullie van nu af aan voor mij werken.'

'Maar onze eed aan de Snaken -' begon Josh.

'- is niets meer waard als er geen Snaken meer zijn,' onderbrak Robert. Hij liep naar de muur tegenover de ingang naar het riool. 'Als de Oprechte Man door een of ander godenwonder toch nog terugkomt, zijn jullie niet langer aan mij gebonden. Ik weet wat het is om je eed aan hem te breken. Er zijn er niet veel die dat overleven. Maar als hij niet meer opduikt, wel, dan heb ik iets voor jullie te doen waarmee je de kost kunt verdienen en aan de goede kant van de wet kunt blijven.'

'De goede kant van de wet?' vroeg Josh.

'Stel je voor,' merkte Henry op.

Met zijn vinger wees Robert hen een voor een aan. 'Jullie hebben alle vrienden nodig die je kunt krijgen, en op dit moment ben ik misschien wel de enige die jullie hebben.'

Walter knikte eenmaal met het hoofd. 'Daar heb je gelijk in, Robbie.'

'Van nu af aan is het Jonker Robert.'

'Ja, jonker,' antwoordde Walter. 'Ik heb 'm door.'

Robert betastte de muur tot hij vond waar hij naar zocht. Hij trok aan een grendel, en er knarste een deur open die eruitzag als een willekeurige groep stenen in de muur.

'Ik wist niet eens dat die er zat!' riep Walter uit.

'Er zijn er ook maar weinig die het wel weten,' reageerde Robert. In de opening bleef hij staan. 'Luister, als ik over een paar dagen nog niet terug ben, ga dan uit van het ergste. In dat geval zijn jullie weer op jezelf aangewezen, en stel ik voor dat je naar de schout gaat en hem vertelt wat je weet. Means is een harde, maar hij is wel eerlijk.'

'Dat laatste weet ik niet, maar dat eerste kan ik wel beamen,' zei Walter. 'We zullen erover nadenken als het niet anders kan.'

Robert knikte en ging door de deur, die hij achter zich dicht trok. In volslagen duisternis ging hij op de tast verder. Hij wist dat het slechts honderd stappen was door een langzaam omhoog lopende tunnel naar een valluik in de vloer van de vroegere voorraadkelder onder het huis dat bij de afgebrande molen hoorde. Gelukkig voor Robert liep de weg daar niet overheen, en werd het luik aan nieuwsgierige blikken onttrokken door dicht struikgewas en onkruid.

Eenmaal bovengronds liep hij door het donker in de richting van het paleis, de doorgaande straten mijdend. Vlak ten noorden van het paleis nam hij de noorderpoort en haastte zich langs een verrast opkijkende wacht die hem herkende. De vraag die de man had willen stellen bleef in de lucht hangen, aangezien Robert niet wachtte om hem aan te horen.

Robert bereikte het plein dat het paleis scheidde van de rest van de stad en repte zich naar de poort. De twee dienstdoende wachters wilden hem juist tegenhouden toen ze hem herkenden. 'Jonker Robert?' vroeg een van hen. 'Zijn er problemen?'

'Altijd,' antwoordde Robert, en hij gebaarde dat de poort moest worden geopend. Een van de soldaten bediende hem op zijn wenken, en zonder verder commentaar liep hij langs hem heen.

Boven aan de trap naar het paleis wenkte Robert de eerste de beste hofjonker die hij in het oog kreeg. 'Breng de prins bericht dat ik terug ben en naar hem toe kom zodra ik me toonbaar heb gemaakt.'

De jongen trok zijn neus op voor de rioollucht die als een bijna tastbare walm rondom Robert hing, maar al gauw liet zijn hofopleiding zich weer gelden. 'Ja, jonker!' bevestigde hij zijn opdracht, en rende weg zo snel hij kon.

Robert beende verder naar zijn kamer en trok daar zijn kleren uit. Later zou hij uitgebreid in bad gaan, maar voorlopig moest hij zich maar behelpen met een korte wasbeurt aan de lampetkom.

Tien minuten later stapte Robert zijn kamer weer uit, en trof dezelfde hofjonker, teruggekeerd van de prins. 'Jonker!' zei de jongen. 'Zijne Hoogheid verwacht u in zijn kantoor.'

Robert haastte zich naar Arutha's werkvertrek, klopte en ging naar binnen. Staande naast de deur trof Robert een hoogst ongemakkelijk kijkende jongeman in het stadswachtuniform aan. De prins zat achter zijn schrijftafel.

'Deze jongeman was naar jou op zoek,' zei Arutha, met een hoofdknik naar de stadswachter wijzend. 'Toen niemand je kon vinden, heeft Gardaan hem naar mij toe gestuurd. De wachter zei dat jij een afspraak met hem had om te praten over een kwestie die de schout en jij belangrijk achtten. Hij maakte zich een beetje bezorgd over het feit dat je er op het afgesproken tijdstip niet was.'

'En terecht,' glimlachte Robert, 'want ik werd tegen mijn wil vastgehouden.'

Arutha's gezicht bleef onbewogen, maar in zijn stem klonk een zweem van geamuseerdheid door. 'Naar het schijnt heb je me echter de moeite bespaard om de wacht erop uit te sturen om je te redden.'

'Mijn cipiers en ik zijn tot overeenstemming gekomen.'

Arutha gaf aan dat hij kon gaan zitten.

Voordat hij plaatsnam, keek Robert naar de jongeman. 'Jij bent Jonathan Means?'

'Ja, jonker,' antwoordde de jonge stadswachter. Hij was van ongeveer dezelfde leeftijd als Wiliam, maar hij gaf al blijk van een zekere hardheid die Robert goed kende uit de jaren dat hij nog voor stadswachters op de loop was. In de aanwezigheid van de prins mocht de zoon van de schout dan een onbeholpen knul zijn, maar Robert was ervan overtuigd dat Jonathan Means zich in een vechtpartij uitstekend zou weten te handhaven.

'Het verhaal van je ontsnapping hoor ik later wel,' zei Arutha. 'Wat ik nu moet weten is wat er in mijn stad aan de hand is.'

'Niet veel goeds,' antwoordde Robert. 'Zoals Jonathan en de andere stadswachters ongetwijfeld kunnen bevestigen, is er de laatste tijd een ogenschijnlijk zinloze golf van moorden geweest. Zoals u zelf al zei, lijkt er willekeurig te worden gemoord, maar volgens mij is er wel degelijk een patroon, alleen zien we dat tot nog toe over het hoofd.'

'Maar jij hebt enig idee, nietwaar?' vroeg Arutha.

Robert knikte. 'De Kruiper. Het blijkt dat hij een nieuwe poging heeft ondernomen om de Snaken uit te schakelen, en voor zover ik heb gehoord en gezien is hij daarin geslaagd.'

'Maakt het uit of de ene bende vechtersbazen en zakkenrollers wordt vervangen door een andere?' peinsde Arutha hardop. 'Dan worden de mensen nog steeds in elkaar geslagen en beroofd.'

'Afgezien van mijn band met de Snaken en mijn vriendschap met velen van hen afzonderlijk, is er toch zeker enig verschil. De Snaken zijn dieven. Die komen in velerlei gedaanten voor, van degenen die je beurs van je gordel snijden zonder je te storen in je overpeinzingen welke zijden sjaal je op de markt nu zult kopen, tot degenen die je gewoon een knal voor je kop geven als je met een stuk in je kraag naar huis toe stommelt. Er zijn bedelaars, straatschoffies, hoeren, en jongens die, zoals ikzelf eens, er goed in zijn een huis binnen te dringen en te stelen wat van waarde is zonder de bewoners wakker te maken. Maar moordenaars zijn het zeker niet.'

'Ik heb wel eens anders gehoord,' merkte Arutha op.

'O, van tijd tot tijd zal een van de zware jongens net iets te hard slaan, of wordt er iemand wakker met een dief in zijn huis. In het gevecht dat er dan ontstaat, kan er wel eens iemand neergestoken worden met een dolk, maar de opzet is nooit moord geweest. Daar was de Oprechte Man erg duidelijk in, want moord trekt veel meer aandacht dan hem lief was.'

Arutha dacht na over het contact dat hij jaren geleden had gehad met degene die naar zijn vermoeden de Oprechte Man was. Zijn intuïtie zei hem dat Robert gelijk had. 'En die Kruiper en zijn mannen?'

Robert dacht even na over zijn woorden, en vroeg aan Jonathan: 'Heeft de schout je verteld waarom ik je hier heb laten komen?'

'Nee, hij zei alleen dat u een stadswachter op het paleis had ontboden, en dat ik dat moest zijn.'

'Ik vroeg hem naar iemand die wist hoe hij informatie van anderen kon krijgen zonder hun voeten boven een vuurtje te moeten roosteren.'

Voor het eerst sinds hij in het kantoor stond, toonde de jongeman een glimlachje. 'Ik heb wel een paar verklikkers die me vertrouwen.'

Robert keek de jongeman geruime tijd aan en nam toen een besluit. Hij wendde zich tot Arutha. 'Ik zal hulp nodig hebben, Hoogheid. Ik heb Jonathans vader en kapitein Guruth voorlopig zover dat ze weten wie er de zeggenschap heeft over welk gebied van de stad.'

'Mooi,' zei Arutha.

Vervolgens beschreef Robert wat hij op zijn verkenningstocht door de stad had gezien, en vertelde tot in detail over de twee mannen die hem hadden achtervolgd voordat Walter hem had gestrikt. Daarna gaf hij Walters beschrijving van de mannen die Moeders hadden overvallen. 'Dus als ik voor Zijne Hoogheid iets wil kunnen betekenen, dan heb ik meer mannen nodig zoals Jonathan en Walter en zijn maten. Ik heb mijn eigen compagnie nodig.'

'Een compagnie?' Arutha's gezicht betrok een beetje. 'Jonkers hebben zelden het bevel over een compagnie, Robert.'

Robert grijnsde. 'Ach, zoals u weet is het nog maar een paar weken geleden dat ik het bevel voerde over het hele garnizoen in Noordwacht.'

Arutha beantwoordde Roberts grijns met zijn bekende halve glimlach. 'Tja, daar kan ik niets tegen inbrengen.'

'Misschien is compagnie het verkeerde woord. Het zouden hoe dan ook te veel mensen zijn, maar ik heb er wel wat meer nodig zoals Jonathan hier, mannen die voor mij werken, maar die niet opvallen wanneer ze hier en daar worden gezien.'

'Leidt dat niet tot bezwaren?' vroeg Jonathan aan de prins. 'Hoogheid?' voegde hij er snel aan toe.

'Niet als ik het zeg,' zei Arutha. 'Je vader hoeft niet te weten wat je precies doet voor de Kroon, alleen dat je zo nu en dan wordt weggeroepen van je gewone taken om te helpen bij het nemen van wat veiligheidsmaatregelen.'

'Ik denk een man of twaalf,' zei Robert, 'en misschien ook een paar vrouwen, als ze uit het goede hout zijn gesneden.'

'Welk hout is dat?' vroeg Arutha.

'Slim, taai, in staat om voor zichzelf te zorgen, en trouw.'

'Trouw aan jou?' vroeg Arutha.

Geruime tijd zweeg Robert voordat hij antwoordde: 'Bij sommige mensen die ik ga benaderen staat trouw aan de Kroon niet erg hoog in hun vaandel, Hoogheid. Persoonlijke trouw via een gezworen eed is veel tastbaarder voor hen. Er zijn er bij aan wie ik mijn leven zou toevertrouwen, maar die, als het erop aankomt, zomaar hun hielen kunnen lichten wanneer ze alleen met een eed aan de natie zouden zijn gebonden. Ideaal is misschien anders, maar zo ligt het nu eenmaal.'

Arutha knikte. 'Je weet dat ik al een tijdlang heb gespeeld met het idee van een inlichtingendienst om de Keshiërs lik op stuk te kunnen geven. Meer dan eens hebben de koning en ik gesproken over de moeilijkheden met betaalde informanten en nieuwtjesventers. Wat hun ambassadeur aan ons hof ook beweert, Kesh heeft altijd een oog op het noorden gericht om de oude provincie Bosania en het Dromendal terug te veroveren.'

Robert glimlachte. 'Met wat ze verder nog in handen kunnen krijgen.'

Arutha knikte. 'Wat me op dit moment de meeste zorgen baart, is het nieuws van de vernietiging van de Snaken, want als we dat in verband brengen met jouw confrontatie met de Kruiper en de Nachtraven in Kenting Rush, kan ik maar één conclusie trekken.'

'En die is?'

'Er staat iets groots te gebeuren. En daar hebben we nog maar een heel klein stukje van gezien.'

Robert knikte. 'Ik ben bang dat het zoiets zou kunnen zijn. Ik had gedacht dat we eindelijk klaar waren met de Nachtraven, nadat we hun leider in Cavelldorp hadden gedood.'

'Ik heb het vermoeden dat we er nog achter zullen komen dat hij slechts een van de vele leiders was, Robert,' zei Arutha afwezig. 'In al die jaren na ons eerste contact met de Nachtraven, heeft er één ding aan me geknaagd, en pas nu besef ik wat dat is geweest.'

'Wat dan?' vroeg Robert, een blik met Jonathan uitwisselend.

'Er zijn te veel moordenaars,' antwoordde Arutha.

Robert kon hem niet volgen. Zijn wenkbrauwen fronsend, zei hij: 'Te veel?'

Arutha stond op, en Robert volgde zijn voorbeeld. Tijdens het spreken wilde de prins nog wel eens ijsberen, en met Jonathan in de kamer wilde Robert zich geen vrijheden permitteren.

'Moordenaars worden voor verscheidene doeleinden ingezet,' begon Arutha. 'Ten eerste: afpersing. Ze sturen een briefje waarin een bedrag wordt geëist om je niet te vermoorden, en als je niet betaalt, maken ze je af. Ten tweede: om iemand uit de weg te ruimen. Uit wraak, uit winstoogmerk of om politieke redenen.'

'U vergeet ten derde,' zei Robert.

Meteen wuifde Arutha die opmerking weg. 'Nee, dat ben ik niet vergeten. Maar godsdienst-fanatisme sluit ik uit, omdat de tempel van Lims-Kragma zich jaren geleden officieel van deze Nachtraven heeft gedistantieerd, en de tempel van Guis-wan heeft zijn eigen karakteristieke type moordenaars, en deze moorden dragen niet het kenmerk van een rituele Bloedjacht.'

 

Robert begon te blozen. Arutha was zelden onvolledig voorbereid in zijn beraad. 'Ik geef mijn vergissing toe.'

'Als winst het motief was, dan zouden we door minstens één verontruste burger op een dergelijke bedreiging moeten zijn gewezen,' vervolgde Arutha. 'Dus dat sluiten we ook uit. Houden we over: moord voor een betere positie.'

'Maar voor wie?'

'Precies. Waarom willekeurige burgers vermoorden en een poging doen de Snaken te elimineren?'

Even bleef het stil, en Robert besefte dat het geen retorische vraag betrof. Arutha wilde zijn mening horen. 'Ik heb geen hypothese over de willekeurige burgers, die, zoals we al vermoeden, niet zo willekeurig zijn als het lijkt. En wat het laatste betreft: de enige reden om de Snaken uit te roeien, is ofwel om hun plaats in te nemen, ofwel om te voorkomen dat ze iets zien.'

Arutha wees naar Robert. 'Precies. Wat is het meest waarschijnlijk?'

Robert slaakte een zucht van vermoeidheid. 'Hun plaats innemen, denk ik. Als geheimhouding het doel is, doe je dat niet echt door het vermoorden van tientallen dieven, vechtjassen, hoeren, en straatkinderen. Dan ga je gewoon ergens heel stilletjes heen, en zorg je ervoor dat het stilletjes blijft. Er zijn tientallen plekken in de bossen en de bergen vlakbij om als basis te gebruiken, binnen een paar dagen rijden van de stad, waar zelfs een grote groep mensen niet opvalt. Nee, als ze de Snaken uit het riool willen hebben, dan willen ze de georganiseerde misdaad in de stad overnemen.'

'Mee eens,' zei Arutha. 'En hoe breng je dat in overeenstemming met wat we tot dusver van de Nachtraven hebben gezien?'

Robert onderdrukte een geeuw: 'Niet. Ze schijnen te werken voor de Kruiper, maar het ziet er ook naar uit dat ze hun eigen belangen hebben.'

Arutha knikte. 'Herinner je je die valse Nachtraven nog, die Joolstein aantrof in het riool toen hij Gorath naar het paleis bracht?'

'Ik heb het verhaal gehoord,' antwoordde Robert.

'Hebben we ooit vastgesteld voor wie die werkten?'

Robert haalde zijn schouders op. 'Die waren dood, dus Jool zal het hun niet hebben gevraagd, en toentertijd ging ik ervan uit dat ze werkten voor degenen die wilden voorkomen dat Gorath het paleis bereikte. Inmiddels ben ik er meer van overtuigd geraakt dat ze probeerden om uw leger het riool in te lokken.'

'En in beide gevallen moesten de Nachtraven daar de schuld van krijgen,' zei Arutha. 'Ik heb een theorie. Stel dat de Nachtraven voor de Kruiper werkten wanneer hun dat uitkwam, misschien omdat het met hun eigen belangen overeenkwam, of domweg om in hun eigen behoeften te voorzien. Per slot van rekening is het niet goedkoop om in allerlei schuilplaatsen, verspreid door het hele Koninkrijk, je manschappen van voedsel en wapens te voorzien. Stel dat de Kruiper hen om een of andere reden is gaan vrezen. Dan zou het volkomen logisch zijn dat hij hen wil laten opdraaien voor wat hij en zijn bende halzensnijders in Krondor aan het doen zijn geweest.'

'Dus samengevat zit er meer dan één moordenaarsbende in de stad?' zei Robert. 'Die Nachtraven en een andere bende huurmoordenaars?'

'Kennelijk,' antwoordde Arutha. 'Maar het lijkt meer op een klein leger huurlingen, als we af kunnen gaan op de aantallen die we tot dusver zijn tegengekomen.' Arutha ging weer zitten. 'Neem Jonathan hier onder je vleugels, en begin met het opzetten van een netwerk om informatie te verzamelen. Ik zal je niet vertellen hoe je het moet doen, maar ik waarschuw je wel alleen mensen uit te kiezen die slim genoeg zijn om er niet op te worden betrapt dat ze voor jou werken, en die trouw genoeg zijn om je niet voor een handvol goud te verlinken. Ik zal de kosten op me nemen, en je bent alleen aan mij verantwoording verschuldigd.'

Vervolgens keek hij Jonathan aan. 'Vertel je vader dat je van tijd tot tijd voor mij werkt, maar niet de bijzonderheden, en zeg hem dat als je je post verlaat, of niet op komt dagen voor de wacht, het op mijn bevel is.'

'Sire,' zei de jongeman knikkend. Met een klein glimlachje voegde hij eraan toe: 'Leuk zal hij het niet vinden, maar hij zal doen zoals Zijne Hoogheid beveelt.'

'Jij krijgt je compagnie, jonker,' zei Arutha.

Robert grijnsde. 'Mag ik dan nu wat gaan eten en slapen?'

'Ja, maar morgenochtend ga je aan de slag.'

Terwijl hij naar de deur liep, vroeg Robert: 'Hoe maken onze gasten uit Olasko het?'

'Ik stuur de hertog en zijn kroost op een jachtreisje naar de bergen,' antwoordde Arutha. 'Dan zijn we hen een week of zo kwijt, en daarna houden we nog één gala, voordat we hen vaarwel zwaaien naar Durbin.'

Robert maakte een buiging. 'Hoogheid.'

'Voor ik het vergeet,' hield Arutha hem bij de deur staande, 'wees morgenvroeg op tijd. We bevorderen de cadetten tot officier, en het wordt een formeel ochtendhof.'

Robert hield zijn grijns intact, maar inwendig kreunde hij. Tegen de tijd dat hij had gegeten en in bad was geweest, zou hij nog maar een kleine vijf uur kunnen slapen voordat hij weer op moest.

Jonathan maakte een buiging voor de prins en volgde de jonker het kantoor uit. Robert stapte opzij, zodat een van de hofjonkers de deur dicht kon doen, en zei tegen Jonathan: 'Kom mee naar de keuken, dan eten we samen. Zo kunnen we praten, en win ik een extra half uurtje slaap.'

Met een glimlach liep de jonge stadswachter naast Robert mee naar de keuken.