14 Moorden

 

Robert hief zijn hand op.

Hij gebaarde naar Treggar en Wiliam dat er in de volgende kamer drie mannen zaten. Ineengedoken liep Treggar naar voren, het zwaard getrokken.

Wiliam stond achter hem, zijn bastaardzwaard in de aanslag. Het vreeswekkende wapen was in een kleine ruimte moeilijk te hanteren, dus hadden ze afgesproken dat hij als laatste naar binnen ging, opdat hij de anderen niet zou hinderen .

Robert haalde diep adem, en zei in stilte een gebed op aan alle goden die maar wilden luisteren. Hij ademde uit, stapte de kamer in en wierp zijn dolk naar de dichtstbijzijnde man. Meteen liep hij verder, nu de metgezellen van de stervende nog aarzelden, en kalm trok hij zijn zwaard.

 

Nog voordat de kling de schede geheel had verlaten, was Treggar al langs hem heen om de aanval in te zetten. De kapitein was een krachtdadig zwaardvechter, en ronduit genadeloos als het op vechten aankwam. Geen enkel vuil trucje om een tegenstander te verslaan werd geschuwd, iets wat Robert was gaan waarderen. De kapitein veinsde een hoge uitval, en toen het zwaard van de moordenaar omhoog ging om de slag te blokkeren, gaf Treggar hem een schop tussen de benen.

Letterlijk medelijdend kromp Robert ineen toen de man dubbel sloeg, maar hij stelde de doeltreffendheid van deze tactiek zeer op prijs. Voordat de moordenaar eraan kon denken zijn verdediging te herstellen, mepte de kapitein hem met zijn zwaardknop tegen het hoofd, en toen de moordenaar achterover sloeg, stak Treggar toe met de punt. Ook Robert had zijn tegenstander al gauw uitgeschakeld.

Wiliam kwam de kamer binnen. 'Dat zijn er zestien, met inbegrip van de vier die jullie in de stallen hebben gedood,' zei de jonge luitenant.

'Dus nog maar een stuk of honderdvierendertig te gaan,' merkte Robert op, en hij trok de dolk uit de eerste die hij had gedood. 'Het gaat er nog steeds vrij hectisch aan toe, maar zodra ze de lijken gaan vinden, gaan ze naar ons op zoek.'

'Er komt iemand aan!' waarschuwde Treggar.

'Geen tijd om de lijken te verstoppen,' zei Robert. 'Die kant op!' Hij wees naar een zijgang. Ze zetten het op een lopen.

Ze renden door een reeks kamers die door de moordenaars werden gebruikt, met brandende fakkels in de muurhouders. In de derde kamer stuitten ze op een enkele man, die verrast opkeek. Hij stierf voordat hij besefte dat het vijanden waren toen Treggar in het voorbijgaan uithaalde met zijn zwaard.

Op een T-splitsing hielden ze halt. Rechts brandden fakkels, links was het donker. 'Hierheen,' zei Robert, naar links wijzend.

Ze stormden de donkere gang in, maar even later moesten ze vanwege de duisternis hun tempo vertragen. Achter hen klonken geluiden van achtervolgers.

'Hou je hand tegen de linkermuur,' zei Robert. 'Aan de rechterkant zit een lelijke scheur in de vloer. Als je bij de muur blijft als ik het zeg, kan je erlangs.'

'Hoe ben je daar achter gekomen?' vroeg Wiliam.

'Met vallen en opstaan.' Verder ging hij er niet op in.

Niettemin verloor Wiliam bijna zijn evenwicht toen zijn rechtervoet een paar stappen verder geen ondergrond trof. Hij was blij met de waarschuwing, want de tocht die door het gat omhoog kwam, gaf hem de indruk dat het diep was.

Ze bereikten een reeks kleine vertrekken. 'Ik denk dat dit cellen of opslagruimten zijn geweest,' verklaarde Robert, 'maar alle deuren zijn weg.'

'Ik zie geen steek,' zei Treggar.

'Ik evenmin,' gaf Robert toe, 'maar in mijn vorige beroep was het lonend om goed te onthouden waar je al eerder was geweest, ook al was dat in het donker en op de tast. Hou je hand op de muur.'

'Waar gaan we heen?' vroeg Wiliam.

'Een plek waar we vermoedelijk wel een tijdje veilig zijn.'

'Vermoedelijk?' vroeg Treggar.

'Dit zijn niet bepaald ideale omstandigheden, kapitein,' reageerde Robert korzelig. 'Er zijn geen daken, en er is maar een klein stuk verlaten riool om ons in te verstoppen. Dit is massief steen en metselwerk, en we zitten vijftig voet onder de grond. Onze keuze aan schuilplaatsen is beperkt.'

Ze liepen de gang door, tot Robert zei: 'Loop naar de rechtermuur en hou je hand erop. Kom dan achter me aan.'

Ze volgden zijn instructies op en kwamen in een nieuwe gang.

'Ondanks de schaarste heb ik een plekje gevonden,' zei Robert.

'Wat dan?' vroeg Wiliam. 'Een vluchtgat?'

'Nee,' antwoordde Robert. 'We zijn er.'

'Waar?'

'De vorige keer dat ik hierlangs kwam, had ik een fakkel bij me. Recht boven ons zit een barst in het plafond, een scheur in het gesteente, en die leek groot genoeg om ons er een poosje in schuil te houden.'

'Leek groot genoeg?' zei Wiliam.

'Ik had de tijd niet om te gaan kijken,' antwoordde Robert.

'Help me eens omhoog.'

'In het donker?' vroeg Wiliam.

'Heb jij nog licht?'

'Nee.'

'Dacht ik al. Help me dan maar omhoog, alsjeblieft.'

Wiliam borg zijn zwaard op en stak zijn handen uit tot hij Roberts schouder raakte. 'Handen of schouders?'

'Ga op je knieën zitten, zodat ik op je schouders kan gaan staan. Als ik het zeg, sta je op.'

'Als jij het zegt.' Wiliam knielde neer.

Robert stapte op zijn schouders, balancerend als een acrobaat. 'Nu,' zei Robert, en Wiliam stond op, Robert bij de enkels vasthoudend.

'Laat los,' zei Robert, en Wiliam voelde het gewicht van zijn schouders verdwijnen. Even later zei Robert: 'Steek nu je hand recht omhoog, dan trek ik je op.'

Wiliam moest drie keer springen voordat Robert hem bij de polsen kon grijpen en hem omhoog kon trekken. Treggar volgde. Toen ze alle drie zaten, voorovergebogen in een lage, ondiepe ruimte boven het rotsplafond, vroeg Wiliam: 'Wat is dit voor een holte?'

'Weet ik niet,' antwoordde Robert. 'Soms zitten er barsten in gesteente die door water zijn uitgesleten.'

'Water moet ergens vandaan komen,' merkte Treggar op, 'en de afgelopen tijd is er in dit gebied niet veel water geweest.'

'We zitten onder de grond,' legde Robert uit, 'en misschien stond het water in de bron vroeger veel hoger. Weet ik veel. Maar ergens in het verleden is er hier in het plafond een gat ontstaan, en daar zitten we nu in.'

'Er zit zo'n vijftig voet rots tussen dit niveau en buiten,' bracht Wiliam naar voren. 'Misschien zijn er hierboven nog kamers.'

'Maar jij zei dat je nergens een trap hebt gevonden,' zei Treggar tegen Robert.

'In die twee kamers in het westelijke deel van deze gangen ligt toch al dat puin? Misschien zitten die trappen daarachter.'

'Wat doen we nu?' vroeg Wiliam.

'Wachten,' antwoordde Treggar.

Korte tijd later hoorden ze voetstappen door de gang dreunen, en er was licht te zien. Er renden mannen onder hen door, hun wapens in de aanslag, met fakkels in de hand. Allemaal droegen ze een zwarte wapenrusting, behalve de achterste, die in een priestergewaad was gekleed.

Nadat ze voorbij waren, hoorden de drie voortvluchtigen hen zoeken in nabije ruimten. Niemand zei een woord tot de geluiden van de zoektocht wegstierven.

'Toen die fakkels voorbij kwamen, heb ik boven ons wat losse stenen gezien,' zei Robert.

'Keek jij dan naar boven?' vroeg Wiliam verbaasd.

'Oude gewoonte,' verklaarde Robert. 'Als je 's nachts door het riool of over de daken rent, en er verschijnt plotseling licht, kijk je de andere kant op om niet te worden verblind.' Hij liet zijn hand langs het oppervlak boven zijn hoofd gaan. 'Dit is aangelegd,' zei hij. 'Het zijn stenen van anderhalve voet in het vierkant.'

'Dan zitten we zeker onder een vloer?' meende Treggar.

'Help eens duwen,' vroeg Robert, experimenterend met een van de stenen in het plafond.

Treggar kroop naar hem toe, stak zijn handen omhoog en duwde. Het regende mortel en gruis, en de steen ging omhoog. Er verscheen een spleet. Robert stak zijn hand erdoor om te voelen. 'Er zit hier een ruimte,' zei hij.

De andere stenen zaten veel steviger vast, zodat het wat moeite kostte, maar uiteindelijk kregen ze er nog twee van hun plaats en hadden ze voldoende ruimte om erdoor te klimmen. 'Stap deze kant op. Ik denk niet dat de stenen recht boven de plek waar we zaten ons gewicht kunnen dragen.'

Het rook muf in de ruimte, en het was er volslagen donker.

'Blijf hier staan tot ik heb verkend hoe groot deze kamer is,' zei Robert.

Wiliam en Treggar verroerden geen vin, en Robert ging behoedzaam op weg, langzaam lopend door de duisternis. Zijn tred was licht, maar in de stilte van de kamer konden ze horen waar hij ongeveer was. 'Ik heb een muur gevonden,' zei hij even later. Zijn stem klonk zo'n twintig voet weg. Daarna hoorden ze hem langs de muur lopen, zijn voetstappen tellend. 'De vloer voelt vast aan, behalve op de plek waar we erdoor zijn gekomen,' merkte hij afwezig op.

'Laat ons weten of je licht hebt gevonden,' zei Wiliam. 'Die duisternis is knap vervelend.'

'Daar wen je wel aan,' mompelde Robert. 'Ah.'

'Wat?' vroeg Treggar.

'Een deur. Van hout. Op slot.' Een paar tellen later werd er een vonk geslagen. 'We hebben licht,' zei Robert, en hij stak een oude fakkel aan die hij in een muurhouder had aangetroffen. Zijn vuursteen opbergend zei hij: 'Eens kijken wat we hier hebben.'

De kamer was veertig bij veertig voet, en langs de muren stonden lege wapenrekken. In het midden van de ruimte stonden ook nog twee rekken, zonder de lange speren die daar eens op gebruik hadden gewacht.

'Als de wapensmederij hieronder zit...' peinsde Robert hardop.

'Dan bewaarden ze hier de reservewapens,' maakte Treggar zijn gedachte af.

Robert stak de fakkel weer in de muurhouder en ging naar de deur. 'Die loopt vast naar de verzamelplaats hierboven.' Hij probeerde de deur. 'Hij zit vast.' Na een kort onderzoek opperde hij: 'Laten we de scharnieren eens proberen.'

Wiliam en Treggar trokken hun dolken en begonnen de eeuwenoude ijzeren scharnieren te bewerken. 'Als we nou wat olie hadden,' merkte Wiliam op, 'dan misschien.'

'Ik ga wel even halen,' zei Robert.

'Waar?' vroeg Treggar.

'Hier beneden,' Robert liep terug naar het gat in de vloer.

'Jij bent gek,' zei Treggar.

'Waarschijnlijk wel,' reageerde Robert, en verdween uit het zicht.

Wiliam en Treggar keken elkaar aan en gingen zitten wachten.

 

De tijd verstreek langzaam, tot ineens Roberts stem in het donker klonk. 'Steek me eens een hand toe.'

Vlug liep Wiliam naar het gat, ging liggen en stak zijn hand naar beneden. Na een paar keer misgrijpen in de duisternis had Robert hem te pakken en kwam omhoog.

'Hier,' zei hij, een kruikje aan Wiliam gevend. 'Olie.'

'Ik hoorde je niet eens, tot je riep,' zei Wiliam.

'Het was ook niet de bedoeling dat je me hoorde,' antwoordde Robert zachtjes. 'Er waren wat slecht gehumeurde lui naar me op zoek, en toen ik hen eenmaal had afgeschud, mochten ze me hier niet naar boven horen klimmen.'

'Hoe is het beneden?' vroeg Treggar.

'Ze zijn de boel nu voor de tweede keer aan het uitkammen. Ze hebben vast iemand boven bij de oude put neergezet, en aangezien er niemand omhoogkwam, hebben ze de conclusie getrokken dat we nog steeds ergens binnen moeten zitten. Waarschijnlijk denken ze dat het onze Padvinder Edwin is, die hier hun mannen een voor een aan het vermoorden is. Maar vroeg of laat krijgt een van die slimme jongens toch een keer het vermoeden dat er een doorgang is naar dit niveau, en dan gaan ze iedere vierkante duim plafond aan een nader onderzoek onderwerpen.'

'Dus uiteindelijk vinden ze ons,' begreep Wiliam.

'Vrijwel zeker,' beaamde Robert. 'Maar betrapt worden is nooit mijn grootste zorg geweest.'

'Wat dan wel?' snoof Treggar.

Robert haalde een zware koevoet van twee voet lang te voorschijn. Hij knikte naar de scharnieren. 'Olie.' Terwijl Wiliam olie over het bovenste scharnier goot, vervolgde Robert: 'Betrapt worden voordat Arutha bericht heeft gekregen. Zolang wij hier aan het rondrennen zijn, hebben ze het beneden veel te druk met ons vangen om zich goed voor te bereiden op Arutha's komst. Als alles goed gaat, worden degenen die terugkomen op de hielen gezeten door Krondoriaanse soldaten en komen ze terecht voor een gebarricadeerde deur, terwijl ze binnen geen tijd hebben om hem voor hen open te maken.'

'Was dat het plan?' vroeg Treggar.

'Het oude plan,' zei Robert. 'Als deze deur uitkomt waar ik denk, heb ik een nog beter plan.'

Met de olie en de koevoet kregen ze de pennen uit de scharnieren. Treggar stak de koevoet tussen de deur en de stijl en gaf een ruk. Er klonk een dof gekras, en de deur kwam in beweging, maar bleef op zijn plaats. 'Ze hebben hem goed vastgezet,' merkte de militair op.

'Kapitein, mag ik even?' vroeg Wiliam.

De kapitein overhandigde de koevoet aan de breedgeschouderde jongeman.

Wiliam keek naar de deur en bracht de koevoet naar een positie iets boven zijn schouders. Hij trok hard omlaag, en de deur week. Nogmaals gaf Wiliam een harde ruk, en weer kwam de deur in beweging, en Wiliam viel achterover toen de koevoet losschoot.

Robert en Treggar sprongen weg toen de deur uit de sponningen leek te vliegen en tollend met een harde klap op de stenen vloer viel. Er wolkte fijn stof op, dik als rook, en ze sloegen alle drie aan het hoesten.

'Kijk,' zei Wiliam.

De oorspronkelijke ruimte was uitgehouwen vlak onder de verzamelplaats van het oude fort. Achter de deur liep een helling omhoog naar het rots plateau, en boven aan de helling hing een valdeur parallel aan de vloer. De dwarsbalk die de valdeur dichthield, was zodanig vastgezet dat hij met twee touwen of kettingen kon worden losgetrokken. De ijzeren ooggaten waren nog steeds heel, maar de touwen waren in de loop der eeuwen volledig vergaan. Robert bekeek de deur. 'Slim,' zei hij tenslotte. 'Hij scharniert hier en daar,' - hij wees naar de andere kant - 'zodat hij op de helling valt als je hem openmaakt.'

'Oud Keshisch trucje,' wist Treggar. 'Ik had het nog nooit gezien, maar de oude Ridder-Maarschalk, Dulanic, heeft ons eens verteld over een gevecht hier in de woestijn, waarbij ze een fort innamen. Toen ze over de muren kwamen, was het alsof de verdedigers allemaal dood waren. Ze gingen naar binnen en sloegen kamp op, en die nacht schenen de Keshiërs vanuit het niets te voorschijn te komen.' Hij keek de kamer rond. 'Hij zei nog dat we altijd naar schuilplaatsen als deze moesten zoeken wanneer we ons in een soortgelijke situatie bevonden.' Hij liep naast Robert de helling op en streek met zijn handen onderzoekend over de deur. 'Waarschijnlijk ligt er een stuk oliedoek en een laag zand op dit oude hout, dik genoeg om goed te moeten luisteren wilde je het holle geluid eronder horen.'

'Met daarbij nog een paar eeuwen stof,' mompelde Robert terwijl hij het gewicht van de deur op de dwarsbalk testte. 'Die komt niet van zijn plaats als we er niet een paar touwen aan vast kunnen maken.'

'En dan nog hebben we paarden nodig om die balk onder al dat gewicht vandaan te trekken.'

Robert ging zitten. 'Misschien.' Nogmaals onderwierp hij de balk aan een onderzoek. 'Tenzij we die klampen kunnen losmaken.'

Wiliam hield de koevoet omhoog. 'Het is te proberen.' Enthousiast ging hij aan de slag, en even later zei hij: 'Het hout is erg droog. Het splintert met gemak.' Hij bleef eraan werken tot een van de twee klampen wegviel en luid kletterend op de stenen helling terechtkwam. Meteen stortte Wiliam zich op de tweede klamp, die hij ook in korte tijd had losgewrikt. De balk volgde, op de vloer dreunend en van de helling af stuiterend, zodat Robert eroverheen moest springen. Wiliam viel plat op zijn rug, en Treggar sprong opzij.

Een tijdlang bleef Wiliam roerloos liggen, in de verwachting dat de deur boven op hem zou vallen, maar er gebeurde helemaal niets. Hij rolde zich om, kroop een stukje weg, kwam overeind en liep de helling af. 'Had die deur niet naar binnen toe open moeten draaien?'

'Eigenlijk wel,' vond ook Treggar. Hij liep de helling weer op, maar Robert hield hem tegen. 'Zou ik niet doen. Hij kan ieder moment losschieten.'

Treggar duwde Roberts hand weg. 'Geloof ik niets van.' Hij liep naar de rand van de deur, waar die aan de sponning vastzat, en keek in de spleet ertussen. Vervolgens trok hij zijn dolk, stak die tussen de deur en de stijl en peuterde er iets tussenuit. Toen hij terugkwam bij zijn metgezellen, hield hij een reepje van iets bruins omhoog. 'Modder.'

'Modder?' vroeg Wiliam. 'Hier?'

'Het regent niet veel in deze streek,' gaf Treggar toe, 'maar het regent wel. En door de jaren heen is er stof en zand over die deur heen gewaaid, dat is natgeregend, en in de hitte opgedroogd.'

'Baksteen,' begreep Robert, en nam het reepje van Treggar over. 'Boven die deur ligt een laag van dit spul van misschien wel drie duimen dik.'

'Maar wat houdt die deur dan op zijn plaats?' vroeg Wiliam. 'Zuigkracht,' antwoordde Robert. 'Meer dan eens heb ik iets zwaars uit de modder moeten trekken, en als je niet eerst iets aan de zuigkracht doet, krijg je het haast niet voor elkaar.'

'Dus we zitten vast?' vroeg Wiliam.

Robert keek rond. 'Niet per se.' Hij liep naar een van de grote rekken. 'Help eens mee, dan slepen we deze naar de voet van de helling.'

Dat deden ze, en toen hij op de door Robert gewenste plek stond, zei hij: 'Breng nu die dwarsbalk hierheen.' Al gauw had hij de balk klem gezet tussen de onderkant van de valdeur en het zware rek. 'Het houdt die deur niet tegen, maar in ieder geval krijg ik zo de tijd om weg te wezen als hij omlaag begint te komen.'

'Wat ga je dan doen?' vroeg Treggar.

'Ik ga wat van die modder wegbikken, zodat de deur met wat extra gewicht van boven losschiet.'

'Je bent gek,' zei Treggar.

'Kom je daar nu pas achter?' Robert liep de helling op. 'Achteruit. Als hij gaat, wil ik vrij baan over de helling.' Hij ging ijverig en voorzichtig aan de slag, en na een tijdje richtte Wiliam zijn aandacht op het gat in de vloer, om in de gaten te houden of ze werden ontdekt.

'Dat moet genoeg zijn,' vond Robert na een uur.

Wiliam keek hem aan. 'Waarvoor?'

Robert glimlachte. 'Om vlug los te schieten als ik dat wil.'

'Weer een nieuw plan?' vroeg Treggar.

'Altijd,' grijnsde Robert. 'Nu dan, heeft een van jullie enig idee hoe laat het inmiddels is?'

'Ik zou zeggen rond middernacht,' zei Treggar, 'plus of min een kwartiertje.'

'Mooi.' Robert ging zitten. 'Dan wachten we.'

'Waarop?' vroeg Wiliam.

'Tot het handjevol mannen dat boven bij de put op wacht staat van verveling in slaap valt.'

 

Robert drukte zich tegen de muur tussen twee grote rijen planken, zich inspannend om één te worden met de geringe schaduw ertussen. Bij de put stond een man eenzaam op wacht, verveeld een appel schillend terwijl hij van tijd tot tijd rondkeek.

Robert overwoog zijn mogelijkheden. Hij kon zijn dolk gooien, maar de kans op een dodelijke worp was klein. Hij kon de man bestormen, maar hij vermoedde dat er vlakbij anderen waren, die met een enkele kreet gewaarschuwd konden worden.

Vlak voordat de wachtpost verscheen, was Robert de keuken in gegaan, zodat Robert de enige voor handen zijnde schuilplaats was ingedoken. Roerloos bleef hij staan, hopend dat de moordenaar hem in de schaduwen op de stenen muur niet zou opmerken.

De man keek een andere kant op, en Robert reageerde zonder er bij na te denken. Langs een van de planken liep hij rond een groot slagersblok dat tussen de planken en de put in stond.

De man keek op toen Robert nonchalant naar hem toe liep. Robert glimlachte. 'Hallo,' zei hij, het enige woord dat hij kende in het Keshische woestijndialect.

De man knipperde even met zijn ogen. 'Hallo?' zei hij terug, en stelde een vraag in de taal die ze de moordenaars hadden horen gebruiken.

Robert had een dolk achter zijn pols, en toen de man zijn vraag herhaalde, sneed hij hem de keel open.

Met een gorgelend geluid greep de man naar zijn hals en viel achterover in de put.

Aangespoord door stemmen van vlakbij sprong Robert op de rand van de put en herhaalde zijn eerder uitgevoerde kunststukje door de schacht in te springen en zijn benen op te trekken. Met zijn knieën en schouders klemde hij zich vast tussen de muren van de oude gemetselde koker. Een zachte zucht van pijn ontsnapte aan zijn lippen toen hij merkte hoe blauw zijn schouders en knieën nog waren van de vorige keer dat hij deze stunt had uitgehaald.

Duim voor pijnlijke duim schuifelde hij naar boven tot hij vlak onder de rand hing. Lang kon hij daar niet blijven, en de hemel lichtte al op, dus begon hij aan de laatste paar voet. Hij luisterde, maar hoorde niets. Behoedzaam gluurde hij over de putrand, en zag vlakbij zes schildwachten, vier duidelijk in slaap, en de andere twee rustig pratend, hun aandacht gericht op elkaar, niet op de put.

Hooguit tien voet zaten ze bij de put vandaan, dus als hij eruit klom, zou hij door een van beiden vrijwel zeker worden opgemerkt. Hij koos voor een gevaarlijke koers.

Hij draaide zijn rug naar de twee mannen toe en liet zich langzaam over de rand van de put glijden. Mocht een van beiden een blik zijn kant op werpen, dan zouden ze de vervorming van de putrand in het eerste ochtendschemer mogelijk over het hoofd zien. Als ze echt zijn kant op keken, zouden ze hem zeker in het oog krijgen. Hij hoopte maar dat ze er na al die uren vruchteloos wacht houden van overtuigd waren geraakt dat er niemand langs deze kant zou komen.

Nadat Robert zijn schouders over de rand had gewerkt, liet hij zich door zijn eigen gewicht langzaam omlaag glijden. Als het lot hen vriendelijk gezind was, had Edwin inmiddels óf de andere Padvinder, óf Arutha's verkenners bereikt. Zo ja, dan kwam Arutha in de loop van de volgende dag of de dag erna. Zo niet, dan stond Robert maar liever niet te lang stil bij hun kansen om hier ooit nog levend vandaan te komen.

Hij zette zijn handen op de grond en liet zich voorzichtig omlaag glijden. Zo stil als hij mogelijkerwijs kon draaide hij zich om en ging met zijn rug tegen de bakstenen van de put zitten. Hij trok zijn zwaard, haalde diep adem, en de pijn in zijn rug en knieën negerend sprong hij op.

Het duurde even voordat zijn aanwezigheid doordrong tot de twee pratende mannen, en langzaam kwamen ze overeind terwijl Robert er op een holletje vandoor ging.

Een van hen schreeuwde, en de anderen werden wakker, langzaam, slaperig vragen stellend. Robert rende recht op de plek af waar volgens hem de valdeur moest zijn, luisterend naar een hol geluid.

Dat bleek echter zinloos, aangezien er door het geschreeuw niets anders te horen viel, maar wel voelde hij op een bepaald punt de grond enigszins veren. Hij bleef staan, draaide zich om en sprong een stukje terug.

De aarde onder zijn voeten leek een stukje mee te geven. Vlug deed hij een paar stappen achteruit en dook ineen, alsof hij wachtte op de mannen die op hem af kwamen gerend. Ze vertraagden hun opmars, en met een schok besefte hij dat ze zich wilden verspreiden om hem te omsingelen.

Meteen draaide hij zich om en rende weg, als plotseling in paniek, en achter hem werden er bevelen geschreeuwd.

Vervolgens klonk er een luid gekraak en een klap. Robert keek om en zag hen alle zes door de valdeur vallen. Zo snel hij kon rende hij terug. Al waren ze in eerste instantie in het voordeel, Robert en zijn metgezellen stonden tegenover een overmacht van twee tegen een.

Vlak bij de valdeur nam hij een sprong en draaide zich in de lucht om, zodat hij neerkwam met zijn gezicht in de richting van de helling.

Door de aangekoekte modder was de linkerkant van de deur niet helemaal naar beneden gevallen. Vanwege de onvaste en gekromde ondergrond waren de mannen over elkaar heen getuimeld. Robert keek nu in het donkere binnenste van de schuilkamer, waar in het licht van een enkele fakkel Wiliam en Treggar met twee bewakers in gevecht waren.

Ineens zakten Roberts hielen weg en gleed hij uit. Met een daverende klap kwam hij terecht op de houten deur, gleed een stuk naar beneden en kegelde twee moordenaars omver die net overeind krabbelden.

Robert gleed verder en zag dat een van de vijanden langs hem heen omhoog probeerde te klimmen in plaats van te vechten. Robert maaide met zijn zwaard, maar miste, en de man sprong langs hem heen de helling op.

Meer aandacht kon hij de vluchteling niet schenken, aangezien er een andere moordenaar naast hem oprees, naar hem houwend met een kromzwaard. Zijn enige keus was zich achterover laten vallen, met zijn hoofd op de harde stenen helling, terwijl het zwaard over hem heen zoefde. Languit liggend stootte Robert omhoog met zijn zwaard en doodde de man.

Hij kwam overeind en zag een in het zwart geklede rug tegenover zich. Zonder aarzelen haalde Robert uit. Zijn hoofd bonsde en hij was nog duizelig van de klap waarmee zijn hoofd op de stenen was beland.

Treggar stond over een gevelde moordenaar heen, duellerend met een andere. Wiliam zwaaide met zijn zwaard naar een man, terwijl hij een tweede trappend op afstand hield.

Robert besprong een van de mannen tegenover Wiliam en werkte hem tegen de grond, terwijl Wiliam de ander uitschakelde. 'Er gaat er eentje vandoor!' riep Robert.

'Die is voor mij!' schreeuwde Wiliam terug. Hij sprong over zijn stervende tegenstander heen en rende de helling op.

Nadat Robert en Treggar de laatste moordenaar hadden gedood, kwamen ze net op tijd boven aan de helling om Wiliam door de oostelijke ingang te zien verdwijnen. 'Ga hem achterna,' zei Robert, 'en als hij met die vent heeft afgerekend, neem hem dan mee.'

'Waarheen?'

'Naar Arutha,' antwoordde Robert. 'Mijn oorspronkelijke plan was terug de stal in gaan, de deur dichthouden terwijl Arutha de mannen buiten een kopje kleiner maakte, en dan de deur opendoen zodat hij de rest in de pan kon komen hakken.'

'En wij moesten dan die deur met ons drieën verdedigen?'

'Daarom wilde ik ook de verschillen wat kleiner maken, kapitein.'

'En nu?'

'Ga naar Arutha, laat hem twintig man door het gat in deze kamer naar binnen sturen, en vanuit het oosten het fort bestormen. Laat hem met een stormram de oosterpoort inbeuken. Dan maken ze zich zo druk over het behoud van die deuren dat ze niet eens in de gaten hebben dat jij met de anderen hier naar binnen komt.'

'Wat ga jij dan doen?'

'Hen bezighouden,' antwoordde Robert. 'Als ze deze weg naar boven vinden, zijn we een groot voordeel kwijt.'

Treggar keek alsof hij iets wilde zeggen, maar knikte slechts. Hij draaide zich om en rende achter Wiliam aan.

Robert nam nog één teug frisse lucht, draaide zich toen om en daalde weer af in het oude fort.

 

Wiliam had op Sterrewerf nooit tot de beste hardlopers onder de kinderen behoord, en in Krondor evenmin tot de snelste cadetten, maar wel had hij altijd een goed uithoudingsvermogen gehad. En daar zou hij nu een beroep op moeten doen om de moordenaar in te halen, want die was duidelijk sneller. Plots besefte Wiliam dat de moordenaar een fout had gemaakt, door te kiezen voor de oude rivierbedding naar de gang langs de westkant, waar Wiliam en de anderen het fort binnen waren gekomen. Was hij de andere kant op gerend, dan zou hij wellicht bondgenoten buiten de oosterpoort hebben aangetroffen, of op de deuren hebben kunnen bonzen om de aandacht te trekken en snel hulp te halen. Maar nu had Wiliam een kans.

Hij zag de moordenaar verderop, waar de bedding breder werd en langzaam begon af te buigen naar het noorden. Heuvelafwaarts rennend kon Wiliam zien dat de man al langzamer liep. Opwinding dan wel angst had hem in eerste instantie snelheid verleend, maar inmiddels vertraagde hij tot een behoudender tempo, met lange, soepele stappen.

Wiliam wist niet zeker of de man wel wist dat hij werd achtervolgd, aangezien hij geen enkele maal achterom had gekeken. Wiliams hart bonsde en zijn ogen prikten. Hij knipperde het zweet eruit. Zijn ademhaling was gelijkmatig, maar hij had een erg droge keel, en zijn hele lijf deed zeer. Gebrek aan slaap, water en voedsel begonnen hun tol te eisen.

Alle andere gedachten uit zijn hoofd bannend, dwong hij zichzelf het tempo te verhogen, en merkte dat hij langzaam terrein won op de moordenaar. Wiliam had geen idee waar hij was, en evenmin hoeveel verder hij nog moest rennen naar het pad dat ten noorden van de bedding liep. Mogelijk was het slechts enkele ellen verder dan de plek waar de moordenaar nu rende, maar misschien ook nog een mijl. Hij wist het niet.

Inmiddels had hij de afstand tussen hemzelf en de man gehalveerd. Het scheelde nog amper honderd el toen de moordenaar over zijn schouder keek. Misschien had hij gehoord of gevoeld dat Wiliam achter hem aankwam, maar wat de reden ook mocht zijn, hij wist nu dat hij achterna werd gejaagd.

De man verhoogde zijn snelheid, en Wiliam vocht tegen een opwelling om op te geven. Maar hoe Roberts plan ook mocht luiden, het was duidelijk dat de jonker de moordenaars niet wilde laten weten dat het fort nu bereikbaar was via het plateau.

Wiliam stormde verder, zonder acht te slaan op het brandende gevoel in zijn benen en zijn hart dat op het punt scheen uit zijn borstkast te barsten. Die moordenaar moest ook moe zijn, bedacht hij. En toen schoot hem te binnen waarom hij niet mocht falen. De prins moest hiervan weten; van het fort, van de ingang, en van de demon. Hij dacht aan zijn plicht, en aan degenen die hij beschermde: de koninklijke familie, het gewone volk van de stad, de bedienden in het paleis - en toen dacht hij aan Talia. Hij herinnerde zich de demon die tijdens de bloedige riten was verschenen, en hij zwoer te zullen sterven voordat hij zou toestaan dat haar zoiets gruwelijks zou overkomen.

Langzaam liep hij op de moordenaar in. In het besef dat hij terrein won, onderging hij een vervoering die alle vermoeidheid verjoeg. Het was duidelijk dat de moordenaar uitgeput raakte en zich weldra moest verdedigen.

De rivierbedding werd breder, en nu kon Wiliam het pad zien waar ze afscheid hadden genomen van de twee soldaten die met de geiten en de wagen verder waren getrokken.

Aangekomen op het pad aarzelde de moordenaar in zijn keuze van richting, en op dat moment bezegelde hij zijn lot. Hij moest zich omdraaien om te vechten.

Dat deed de man, en een kromzwaard trekkend zette hij zich schrap. Hij had duidelijk verwacht dat Wiliam zou blijven staan om zijn eigen wapen te trekken, maar in plaats daarvan trok Wiliam al rennend zijn bastaardzwaard, en met een strijdkreet hief hij de lange kling boven zijn hoofd.

Geschrokken sprong de moordenaar opzij, maar hij hield het hoofd koel. Hij pareerde Wiliams slag en draaide zich bliksemsnel om terwijl Wiliam glijdend door het zand tot stilstand kwam en zich ook omdraaide.

De twee mannen doken ineen, elkaar aankijkend. Met zijn linkerhand trok de moordenaar een dolk, die hij vasthield als om te pareren, wat tegen Wiliams lange zwaard echter gekkenwerk zou zijn. Wiliam bleef op zijn hoede, want de moordenaar zou vast niet aarzelen het mes te gooien zodra hij een mogelijkheid zag. Hij twijfelde er niet aan dat de man met allebei de handen goed kon vechten.

De moordenaar was kleiner dan Wiliam, en door zijn knieën te buigen vormde hij een nog kleiner doelwit. Zo bleef hij staan, afwachtend wat Wiliam zou doen.

Wiliam cirkelde naar links, op zoek naar een opening. Uitgerust, was Wiliam met zijn lange zwaard even snel als anderen met een gewoon zwaard, maar nu was dat niet aan de orde. Hij wist dat hij maar een keer of drie kon uithalen voordat hij aan 's mans genade was overgeleverd.

Wiliam sprong naar voren, zijn zwaard zwaaiend naar de rechterkant van de moordenaar. Hij hoopte dat die zou pareren met het kromzwaard, dat door de klap misschien zou breken.

Kennelijk was de moordenaar zich van dit gevaar bewust, want in plaats daarvan sprong hij naar achteren, en Wiliam greep het moment aan om de aanval door te drukken. De zwaai van zijn kling onderbrekend bracht Wiliam het wapen omhoog, de punt vlak naast de hand met de dolk.

De moordenaar wierp het mes, recht op Wiliams keel gemikt wanneer hij zijn zwaard door had laten zwaaien.

Nu ketste het lemmet af op Wiliams schouder, vlak naast de hals. Net boven de maliënkolder die hij over zijn tuniek heen droeg, sneed het mes in het spierweefsel. 'Verdomme!' hijgde Wiliam. Zijn ogen traanden van de pijn.

Hij had geen tijd om lang stil te staan bij de pech dat de dolk hem niet één duim verder naar rechts had getroffen, waar hij slechts maliën zou hebben geraakt, want meteen na de worp stormde de moordenaar op hem af.

Ternauwernood wist Wiliam zijn zwaard omhoog te brengen om het kromzwaard op te vangen. De lucht werd hem uit de longen geslagen toen de moordenaar met zijn schouder tegen Wiliams borst beukte, waardoor ze over elkaar heen vielen.

De vlammende pijn in zijn schouder verbijtend liet Wiliam zich bij de moordenaar vandaan rollen en krabbelde overeind. Pijn schoot door hem heen toen de moordenaar hem in zijn gezicht schopte, waardoor hij achterover sloeg. De wereld tolde en de hemel werd geel en rood.

Vechtend om bij bewustzijn te blijven merkte Wiliam met een schok dat hij zijn zwaard was kwijtgeraakt. Nauwelijks kwam hij overeind of hij kreeg weer een klap, en zijn hoofd galmde van de pijn. Half bewusteloos, was hij zich nog amper gewaar van het gewicht dat op zijn borst terechtkwam.

Moeizaam knipperend met zijn ogen om zijn zintuigen tot gehoorzaamheid te brengen keek Wiliam omhoog en zag zijn dood naderen. De moordenaar stond over hem heen gebogen, een voet stevig op Wiliams borst geplant, zijn kromzwaard opgeheven voor de genadeslag.

In de fractie tussen de herkenning van zijn benarde situatie en de gedachte dat hij iets moest doen - de laars van de moordenaar grijpen om hem uit evenwicht te brengen - en het besef dat hij daarmee te laat zou zijn, zag Wiliam de moordenaar een ogenblik verstijven, en daarna neervallen.

Boven hem verscheen een gedaante in een maliënkolder die wat weg had van die van Wiliam zelf. Het duurde even voordat hij kapitein Treggar herkende.

De kapitein borg zijn zwaard op en knielde naast Wiliam neer. 'Kan je me verstaan?'

Wiliam knipperde met zijn ogen. 'Ja,' wist hij krakend uit te brengen.

'Kan je staan?'

'Weet ik niet,' fluisterde Wiliam. 'Help me overeind, dan merken we het vanzelf.'

Treggar bracht een hand onder Wiliams arm en hielp hem op de been. 'Laat eens kijken,' zei de kapitein, duidend op Wiliams wond. Al gauw had hij zijn oordeel klaar. 'Dat overleef je wel.'

Wiliams hoofd tolde nog steeds, en zijn benen waren als rubber. 'Dat is goed nieuws.'

'Maar die snee blijft voorlopig branden als de hel, tot we hem kunnen verzorgen.' De kapitein scheurde een stuk van zijn tuniek en drukte het hard tegen de wond. Wiliams knieën knikten, maar Treggar hield hem overeind. 'We hebben geen tijd om je flauw te laten vallen, luitenant.'

'Nee, kapitein,' zei Wiliam zwak.

'We gaan op zoek naar de prins, en als ik je moet achterlaten, zal ik dat doen ook.'

'Begrepen, kapitein.' Wiliam haalde een paar keer diep adem. 'Ik zal mijn best doen.'

'Dat weet ik, Wil,' zei Treggar. 'Kom op, en laten we hopen dat we de prins hebben bereikt voordat die moordenaars ons vinden.'

Wiliam keek rond. 'Waar is Robert?'

'Die is weer terug naar binnen. Hij zei dat hij hen liever ging laten zoeken naar hem dan naar ons.'

Wiliam zei niets, maar diep van binnen vroeg hij zich af of hij een dergelijke moed bezat. Robert mocht blij zijn als hij de tijd overleefde waarin ze naar de prins moesten zoeken en met hem terug kwamen.

Ze vertrokken in oostelijke richting, eerst langzaam, maar steeds sneller naarmate Wiliam bij zijn positieven kwam.

 

Robert keek rond. Hij had een poosje de tijd genomen om de stenen op te ruimen die waren gevallen toen Wiliam en hij de tegel boven de spleet in het plafond weg hadden gehaald. Met het gruis kon hij weinig doen, dus veegde hij het wat in het rond met zijn voet.

Niet tevreden, maar berustend in het feit dat hij zijn best had gedaan, haastte hij zich in de richting die hem zou brengen waarheen hij wilde, zonder te worden belaagd door een leger woedende kerels in het zwart met een groot wapenarsenaal tot hun beschikking.

'Ruthia,' zei hij zachtjes, de godin van het geluk aanroepend, 'ik weet dat ik onze relatie bij tijden heb misbruikt, en dat ik al veel te lang niet meer in uw heiligdom ben geweest, maar als u in de gelegenheid bent om nog één keertje iets voor me te doen, dan zweer ik dat ik deze keer veel trouwer met mijn gebeden zal zijn.'

Hij sloeg een hoek om en stapte een grote ruimte binnen, maar net te laat merkte hij dat er aan weerszijden van de deuropening mannen roerloos stonden te wachten. Met een ruk draaide hij zich om, en werd begroet door twee naar hem wijzende zwaardpunten, terwijl er vanuit drie andere deuren nog eens zes moordenaars de kamer in stormden.

Eén blik leerde hem dat verzet geen zin had, dus liet hij zijn zwaard vallen en stak zijn handen omhoog. 'Ruthia,' mompelde hij zachtjes, 'zo nadrukkelijk hoefde uw nee nou ook weer niet te zijn.'

Een van de moordenaars deed een stap naar voren en gaf Robert met de rug van zijn hand een dreun in het gezicht. Robert sloeg tegen de stenen vloer, en de man schopte hem genadeloos tegen de ribben.

De schamele inhoud van zijn maag uitbrakend zei Robert hoestend: 'Ruthia, wat ben je soms toch een kreng.' Toen schopte de man hem tegen het hoofd, en hij verloor het bewustzijn.