4 Verrassingen
Wiliam hield zijn blik recht vooruit.
Heel zijn doen en laten werd uiterst kritisch bekeken door zwaardmeester McWirth. In het afgelopen jaar had de oude militair altijd iets meer aandacht besteed aan Wiliams vorderingen dan aan die van de andere cadetten, maar nu hij aan het einde van de week zou worden bevorderd, scheen het dat ieder afzonderlijk woord en gebaar werd gewogen.
Wiliam schreef het maar toe aan het feit dat hij een uitzonderlijk leerling was geweest, misschien wel de beste van het garnizoen met het lange tweehandszwaard, en zeer bedreven in tactiek en strategie. Ook nam hij in overweging dat zijn merkwaardige situatie als lid van het koninklijk huis door adoptie ertoe had bijgedragen dat hij een 'speciaal project' van de zwaardmeester was. Maar hoe hij de afgelopen dagen ook zijn best deed om de oude leermeester te behagen, er scheen altijd iets aan hem te schorten. Ofwel een zwaardsteek was tijdens een oefengevecht een haarbreedte te laag, ofwel zijn besluit om een positie tijdens veldoefeningen te versterken was iets te prematuur. Even vroeg Wiliam zich af of de zwaardmeester iets tegen hem persoonlijk had, maar zette die gedachte weer vlug van zich af toen McWirth voor hem kwam staan.
'Laat geworden, cadet?' vroeg de oude soldaat vriendelijk. Wiliam voelde het zand van slaapgebrek nog knarsen in zijn ogen, maar meteen verdreef hij alle sporen van vermoeidheid. 'Laat genoeg, zwaardmeester!' antwoordde hij zo monter mogelijk.
'Moe, cadet?'
'Nee, zwaardmeester!'
'Mooi,' zei McWirth, en hij verhief zijn stem, opdat de hele compagnie cadetten hem kon verstaan. 'Want vandaag gaan we op oefening. Het dorpje Tratadon is door hele slechte mannen omsingeld, en we moeten in galop ernaartoe om de dochters van het dorp uit de klauwen van deze snoodaards te redden.' Weer keek hij naar Wiliam. 'Deze schandelijke lieden zijn uiteraard garnizoensveteranen, die zo'n stel dons kinnen als jullie het liefste diep beschaamd zien afdruipen, dus zorg dat ze worden teleurgesteld.'
'Ja, zwaardmeester!' riepen de cadetten als één man.
'Zwaarden en zadels binnen vijftien minuten!' schreeuwde de zwaardmeester.
Terwijl Wiliam er met zijn metgezellen vandoor ging, wierp hij even een blik op de paleisvleugel waar zijn vriend Robert waarschijnlijk nog lag te slapen. Hij stond op het punt om Robert in stilte te vervloeken, toen hij zich herinnerde dat deze hem niet had gedwongen om zo lang in De Bonte Papegaai te blijven, en dat het meisje, Talia, wel heel erg mooi was geweest. Vooral wanneer ze zo naar hem glimlachte.
Het was een vluchtige gedachte, want eenmaal in het arsenaal om zijn wapens en wapenrusting te halen, kreeg hij het te druk om aan iets anders dan de komende oefening te denken.
Robert keek neer op de binnenplaats waar de cadetten zich repten naar het arsenaal om zich voor hun oefening te velde uit te rusten. Met grote moeite was hij erin geslaagd niet in slaap te vallen terwijl hij het dagschema had zitten lezen, en zodoende wist hij dat Wiliam en de anderen een slopende dag voor de boeg hadden. Tratadon lag op een afstand van tien uur geforceerde mars, en de sectie die er de vorige avond op uit was gestuurd om de rol van bandieten te spelen, zou zich zeker al stevig hebben verschanst. McWirth zorgde er altijd voor dat zijn jongens precies wisten welke problemen ze in hun werk allemaal konden tegenkomen.
'Jonker?' klonk een zachte stem, die voorkwam dat Roberts mijmerijen verzandden in een dutje.
'Ja?' antwoordde Robert de jonge hofjonker, zichzelf weer tot alertheid dwingend.
'Zijne Hoogheid wacht op u in zijn kantoor.'
Robert knikte en schudde de loomheid van zich af die hem in slaap deed sukkelen zodra hij maar ergens ging zitten. Aangekomen bij de zijdeur van Arutha's werkvertrek, werd de deur door een andere hofjonker voor hem geopend, zodat Robert zonder oponthoud naar binnen kon.
Zittend aan zijn schrijftafel wees Arutha op twee bekers en een grote pot. 'Ga je gang.'
Robert schonk in en werd begroet door het aroma van zwarte, Keshische koffie. Terwijl hij een lepeltje honing in de beker van de prins deed, zei hij: 'En dan te bedenken dat ik een paar jaar geleden koffie vreselijk vond. Tegenwoordig vraag ik me vaak af hoe iemand zonder koffie de ochtend door komt.'
Arutha knikte en nam zijn beker in ontvangst. 'Of zonder chocha.'
Robert haalde zijn schouders op toen de Tsuranese ochtend drank werd genoemd. 'Nooit echt van gehouden. Te bitter en te kruidig.'
Arutha wuifde hem naar een stoel. 'Over een kwartiertje hou ik hof, maar daar hoef jij vandaag niet bij aanwezig te zijn. Voor jou heb ik twee klusjes, het ene onbelangrijk, het andere wat minder.'
Robert knikte, maar zei niets.
'Hertog Radswil en familie willen op jacht,' vervolgde Arutha. 'Zeg onze jachtmeester een jachtgezelschap samen te stellen om de Prins van Olasko overmorgen te begeleiden voor een dagje jagen in de bergen.'
'Dat is het onbelangrijke klusje,' begreep Robert.
Arutha knikte. 'Ga kijken of je je vermiste agenten kunt vinden, en of je achter de oorzaak van al deze toestanden in de stad kunt komen. Dat vereist een wat subtiel gevoel voor diplomatie van jouw kant, want je moet beginnen bij de stadsgevangenis, met een beleefdheidsbezoekje aan schout Means.'
'Kom ik er nu eindelijk achter waarom hij op ons stond te wachten toen we terug in Krondor kwamen?'
Arutha wierp zijn jeugdige vriend een taxerende blik toe. 'Had je dat inmiddels dan nog niet uitgevist?'
Robert onderdrukte een geeuw; 'Daar heb ik het te druk voor gehad.'
Arutha leegde zijn beker en stond op. Ook Robert kwam overeind. 'Er zijn wat problemen tussen de stadswacht en de mannen van de schout. De schout was hier, gedeeltelijk om te klagen over de mannen van kapitein Guruth, vooral de sectie in het Armen-kwartier.'
'Aha,' zei Robert. 'Een jurisdictiegeschil.'
'Zoiets. Van oudsher houdt onze stadswacht zich bezig met de veiligheid van de stad, terwijl de mannen van de schout zich buigen over de misdaad, maar de laatste tijd zijn deze twee instanties over wat vrij onbeduidende zaken met elkaar in conflict geraakt. Enige rivaliteit is er altijd al geweest, maar het loopt nu uit de hand.'
'Wat wilt u mij daaraan laten doen, Hoogheid?'
'Ik wil het de kop in drukken voordat het uitdraait op gevechten tussen de beide facties.' Terwijl hij sprak, liep Arutha naar de deuropening van de ridderzaal. 'Kijk of je een manier kunt bedenken waarop beide partijen dit geruzie staken en hun aandacht richten op de moorden in de stad.'
Arutha verdween uit zijn kantoor voor het ochtendhof, en Robert bleef alleen achter. Nog even bleef hij staan, genietend van de laatste slok warme koffie, voordat hij zich omdraaide en de gang in liep. Hij had een hoop te doen, en zoals gebruikelijk niet veel tijd óm het te doen.
Krondor vroeg in de ochtend was Roberts favoriete plaats en tijd. Toen hij het paleis verliet, werd hij andermaal getroffen door de levendigheid van de prinsestad. De zon was een uur geleden opgekomen, en nu al wemelde het in de stad van de activiteit. Wagens reden naar de poorten voor een ontmoeting met binnenkomende of vertrekkende karavanen, of naar de haven voor de vracht die de schepen de haven binnenbrachten. Arbeiders gingen naar hun werk, handelaren begaven zich naar hun winkels, klanten gingen op weg voor hun boodschappen, en honderden andere burgers en bezoekers vulden de straten.
Een briesje vanuit de haven voerde de zilte oceaanlucht met zich mee, en Robert ademde diep in. Het verkwikte hem. Tegen het middaguur zouden de geuren van ieder stukje rottend fruit, vlees, bot en andere, minder smakelijke afvalproducten in de warme lucht te traceren zijn. Robert was in de stad geboren en getogen, en de stank op een warme dag in een wijk vol leerlooiers, stoffenververs, veehouderijen en hoenderhoven was een vanzelfsprekend gegeven en altijd op de achtergrond aanwezig, maar het ontbreken van die doordringende geuren werd toch beslist op prijs gesteld.
Terwijl hij nogmaals diep en dankbaar ademhaalde, reed er een ossenwagen langs, en precies op dat moment gaf een van de ossen met een heldhaftige ontlading blijk van de flatulentie waar zijn soort om bekend stond. Robert trok zijn neus op en haastte zich weg, morrend over het kwaadaardige gevoel van humor der goden, dat honderden malen per dag werd gedemonstreerd in de kleine ellende en ongemakken der mensheid. Was het iemand anders overkomen, dan zou hij het hoogst komisch hebben gevonden.
Hij repte zich over de Koninklijke Markt, die niet echt een koninklijk predikaat genoot, maar zo werd genoemd omdat dit marktplein zich het dichtst bij het paleis bevond. De venters hadden hun goederen al uitgestald, en rond hun kramen verdrongen zich reeds kopers om de te koop aangeboden waren te inspecteren.
Lopend door de Hoogstraat liep hij op verscheidene kruispunten rond de opstoppingen van wagens en handkarren. Afwezig bedacht hij dat de stadswachters van de schout goed van pas zouden komen om 's morgens op de drukke kruispunten het verkeer te regelen. Tegen de middag zou het wat rustiger geworden zijn, maar op dit moment stonden er minstens tien wagenmenners, boeren en bezorgers tegen elkaar te schelden.
Zich wurm end door het gedrang van burgers en reizigers ontdekte Robert op de volgende hoek dat er een gevecht was uitgebroken. Twee wagens waren in elkaar verstrikt geraakt toen er een kar was omgevallen, waardoor een van de paarden schichtig achteruit was gesprongen en zijn wagen omver had gegooid. Twee stadswachters kwamen al aangerend en toen Robert het tafereel bereikte, werd hij opzij geduwd door iemand die schreeuwde: 'Maak plaats!'
Robert wankelde tegen een jonge vrouw aan met een mand vol graan, die op de grond viel toen ze haar evenwicht verloor. Woedend krijste ze dat ze een vergoeding eiste. Met wat verontschuldigend gemompel betaalde hij haar uit en draaide zich om, klaar om zich tegen de eerstvolgende lomperik te verdedigen.
Het bleek kapitein Guruth te zijn, de commandant van de paleiselijke stadswacht, een potige kerel met een zwarte baard, donkere ogen en een zware stem, die van nature al dreigend klonk. Die ten volle benuttend bulderde hij: 'Wat is hier aan de hand?'
Ogenblikkelijk werden de toeschouwers stil, maar de twee strijders staakten hun kloppartij niet. Twee met speren gewapende wachters renden langs hun kapitein, terwijl op hetzelfde moment de mannen van de schout arriveerden om in te grijpen. Al gauw waren de twee vechtenden ingerekend, en de kapitein draaide zich weer om naar de menigte. 'Allemaal doorlopen! Iedereen weer naar zijn werk, of we zoeken een plekje voor je in de paleiskerker!'
Vlug ging de menigte uiteen, en Guruth wendde zich tot Robert. 'Jonker?' zei hij op een toon alsof hij een verklaring voor Roberts aanwezigheid op deze onheilspiek verwachtte.
Nu Robert, nadat hij zomaar door de wachters opzij was geduwd, ook nog eens op die toon werd aangesproken, voelde hij zich verongelijkt, alsof hij als een indringer in zijn geboortestad werd benaderd. 'Ik doe een boodschap voor de prins,' zei hij, het stof van zich af kloppend.
De kapitein blafte een lachje, kort en zwaar. 'Nou, op weg dan maar weer, dan ga ik dit varkentje wel wassen.'
'Eigenlijk betreft mijn missie zowel uzelf als de schout. Als u zo vriendelijk wilt zijn om met mij mee te lopen naar zijn kantoor,' zei Robert, en hij wandelde weg zonder om te zien of de kapitein hem volgde.
Robert hoorde hem zijn mannen bevelen deze kwestie over te laten aan de mannen van de schout en mee te komen. Aan het regelmatige ritme van laarzen op steen hoorde Robert dat de kapitein en zijn mannen al achter hem aan kwamen. Hij verhoogde zijn tempo een weinig, om ervoor te zorgen dat ze er flink de pas in moesten zetten om hem bij te houden.
Het kantoor van de schout bevond zich op korte afstand van de plaats van de vechtpartij, vlak bij het Oude Marktplein. Het diende tevens als ingang van de stadsgevangenis, die zich ondergronds bevond in een grote kelderruimte, door tralies en deuren onderverdeeld in acht cellen, twee grote en zes kleine, om misdadigers van de algemene gevangenis bevolking gescheiden te houden. Op vrijwel ieder uur van de dag of nacht zaten er wel een handjevol dronkaards, zakkenrollers, vechtersbazen en andere herrieschoppers achter slot en grendel, te wachten tot de magistraat van de prins tijd voor hen had. De twee verdiepingen erboven waren de woonverblijven van de onderschouten die in de stad geen familie hadden.
Schout Wilfred Means keek op van de tafel waaraan hij zat te schrijven. 'Kapitein, jonker,' zei hij met een beleefd hoofdknikje, 'waaraan heb ik het genoegen te danken?' Aan zijn gezicht was te zien dat het hem in het geheel geen genoegen deed. De conflicten tussen zijn dienst en de stadswacht uit het paleis hadden gezorgd voor een koele verstandhouding tussen de schout en de kapitein, en van Robert moest Means al helemaal niets hebben.
Die houding ging terug tot Roberts jeugd, toen Robbie de Hand een doorn in het oog van de mannen van de schout was. Tot welke rang Robert ook mocht opklimmen, de schout zou hem altijd blijven beschouwen als een dief, en als zodanig verdacht.
Vlug verwierp Robert verscheidene benaderingen om in dit conflict te bemiddelen. Arutha had hem gezegd wat hij moest doen, maar de manier waarop liet hij over aan Robert. Eén ding hadden de kapitein en de schout in ieder geval gemeen, moest Robert toegeven: het waren beiden eerzame mannen, dus koos hij voor de directe aanpak. 'We zitten met een probleem, heren.'
De kapitein en de schout keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan. 'Probleem?' vroeg de kapitein.
'Omdat jullie overlappende, maar verschillende gezagsfuncties in de stad vervullen, beschikt ieder van u over informatie waar de ander misschien om zit te springen. Maar ik weet zeker dat u beiden op de hoogte bent van het ongebruikelijk hoge aantal moorden dat de laatste tijd in de stad is gepleegd.'
De schout snoof. 'Juist daarom kwam ik naar de prins toe zodra hij terug was, jonker,' zei hij op licht spottende toon.
Robert besloot er geen acht op te slaan. 'Zijne Hoogheid is bezorgd dat er meer achter deze golf van moorden zit dan op het eerste gezicht lijkt.'
'Dat is niet erg aannemelijk,' vond kapitein Guruth. 'Het aantal slachtoffers is hoog, maar er schijnt geen verband tussen de moorden te bestaan.'
Opnieuw gaf de schout uiting aan zijn gevoelens. 'Jij bent een soldaat, Guruth. Jouw jongens doen het uitstekend bij een vechtpartij, maar geen van hen verstaat de kunst om rond te snuffelen en op onderzoek uit te gaan. Daar zijn wij het beste in.'
Robert kon zijn lachen ternauwernood inhouden. De verklikkers die de schout in dienst had, werden vaak door de Snaken betaald om valse informatie door te geven, en wie van hen werkelijk waar voor zijn geld leverde, werd kort daarop drijvend in de baai gevonden. 'Ik weet niet wat Zijne Hoogheid tegen u beiden heeft gezegd met betrekking tot zijn meest recente optreden tegen de Broederschap van het Onzalige Pad en de Nachtraven.'
'Nachtraven!' riep Guruth uit. Hij vloekte. 'Die zijn net onkruid in een moestuin. Ik dacht dat we die tien jaar geleden al hadden uitgeroeid toen we de Dennenhof hadden afgebrand!'
Op dat moment besefte Robert dat hij iets over het hoofd had gezien. Guruth was een jonge soldaat geweest, waarschijnlijk nog sergeant of luitenant, toen Arutha en hij met een ploeg soldaten het hoofdkwartier van de Nachtraven te Krondor hadden verwoest. Daar, in de kelder onder een van de sjiekste bordelen van de stad, hadden ze een moredhel aangetroffen, en daar waren ze getuige geweest van de macht van de moredhelse tovenaarskoning Murmandamus, want elke verslagen Nachtraaf was uit de dood opgestaan om de strijd andermaal aan te gaan.
Degenen die de strijd van die nacht in de kelder onder de Dennenhof hadden overleefd, zouden het nooit vergeten. Velen van hen die het riool onder de stad waren ingegaan om naar dat rovershol op zoek te gaan, waren in de vlammen omgekomen.
Guruth keek Robert aan. 'U weet wat ik bedoel, jonker.' Robert knikte. 'Ja, ik weet het nog.' Met een zucht vervolgde hij: 'Maar zoals we onderweg naar Armengar hebben geleerd, en later nogmaals bij Kenting Rush, zijn de Nachtraven talrijk, en zodra je het ene broeinest hebt verwoest, duikt er ergens anders weer een op.'
'Dus we hebben een moordenaarsgilde in de stad?' zei de schout. Hij was tien jaar geleden niet bij de gevechten aanwezig geweest, maar had genoeg bijzonderheden gehoord om Robert en Guruth met enig respect te bezien.
'Dat is wel waarschijnlijk,' antwoordde Robert, 'al heeft niemand expliciet vermeld dat hij een Nachtraaf heeft gezien.'
'Dat verbaast me niets,' gaf de schout toe. 'Gewoonlijk willen ze ook niet gezien worden. Een hoop lui denken dat ze gebruik maken van magie.'
'Niet geheel bezijden de waarheid,' zei Robert. 'Toen ze met Murmandamus samenspanden, hadden ze soms die Zwarte Slachters bij zich, en die bedienden zich in ieder geval van duistere krachten.' Wat Robert zich voornamelijk van deze magische lijfwacht van Murmandamus kon herinneren, was dat ze moeilijk te doden waren. Hij haalde zijn schouders op. 'Maar voor zover we hebben gemerkt, hadden de lui die we laatst in Kenting Rush hebben uitgeschakeld geen bindingen met magiërs. En ze zijn allemaal keurig doodgegaan.'
Met een scheve grijns keek Guruth hem aan. 'Maar u hebt de lijken toch maar verbrand.'
Robert grijnsde terug. 'Dat hebben we inderdaad maar gedaan, voor de zekerheid.'
'Wat wenst de prins van ons?' vroeg de schout, nu overtuigd dat er ernstige zaken speelden.
Robert had geen specifieke instructies, maar nu hij de kapitein en de schout op een gemeenschappelijke vijand had gericht, zou het gunstiger zijn om hen vrede te laten sluiten. 'Zijne Hoogheid is bezorgd over de mogelijkheid dat deze Nachtraven worden gezonden door een vreemde mogendheid.' Hij keek de kapitein aan. 'U zou er goed aan doen uw mannen uit de stad weg te halen en ze te concentreren bij de poorten, en te patrouilleren in de buitenstad en de naburige dorpen. Verdubbel de wacht aan de stadspoorten en inspecteer alle wagens, handkarren en lastdieren die er verdacht uitzien. En iedereen die zich niet behoorlijk kan identificeren en geen goede reden heeft om naar Krondor te komen, dient te worden vastgezet en ondervraagd.' Tegen de schout vervolgde hij: 'Met alle mannen van de kapitein buiten de muren, moet u de patrouilles in de stad opvoeren. En u dient zes man te sturen om de douane te helpen met het inspecteren van de vracht en passagiers die via zee de stad in komen.'
In nog geen minuut tijd had Robert genoeg werk gecreëerd om alle stadswachters onder kapitein Guruth en onder schout Means de dag dat ze het levenslicht aanschouwden te laten vervloeken. Maar op die manier hadden de beide compagnieën weinig tijd over om bij ieder wissewasje te ruziën over de jurisdictie.
Nu moest hij nog een bezoekje brengen aan het douanekantoor om de staf te laten weten dat er zes stadswachters kwamen helpen met het inspecteren van vracht en passagiers. 'Nadere instructies ontvangt u via de prins,' zei hij.
'Verder nog iets, jonker?' vroeg Guruth.
'Nee, kapitein, maar ik wil de schout nog even onder vier ogen spreken.'
'Dan ga ik weer. Ik moet een nieuw dienstrooster opstellen en de wachters vertellen dat ze voorlopig buiten de stad opereren.' Hij salueerde naar Robert en de schout en verliet het kantoor.
De schout keek Robert verwachtingsvol aan. 'Jonker?'
'U zei zojuist tegen de kapitein dat uw mannen de kust verstonden om rond te snuffelen en informatie te vergaren, dus vroeg ik me af of er eentje bij is die opvallend goed is in het uitvissen van wat er in de stad gaande is.'
Means leunde achterover en streelde een snor die niet langer rossig, maar grijswit was. In zijn haar zat nog wel wat bruin, maar verder was ook dat grijs en wit van kleur. Zijn ogen toonden echter dat hij op de punten waar het op aankwam nog niets aan kracht had ingeboet: hij kon nog steeds een dief in de val laten lopen, en hij was nog steeds gevaarlijk met zwaard en knuppel. 'Onze Jonathan,' zei hij uiteindelijk. 'Die kan iedere verklikker laten zingen als een vogeltje.'
'Met alle respect, schout, maar is hij te vertrouwen? Gelet op wat de geschiedenis ons heeft geleerd, en zo.'
'Ik begrijp wat u bedoelt, jonker,' antwoordde de schout. De Nachtraven hadden in het verleden bewezen in het leger en zelfs in de paleisstaf te kunnen infiltreren. 'Maar u kunt de knul vertrouwen. Het is mijn jongste zoon.'
'Wel,' grijnsde Robert, 'dat zal ik dan maar doen. Is hij hier?'
'Nee, hij is vrij tot zonsondergang. Zal ik hem naar u toesturen in het paleis?'
'Alstublieft. Vóór de wisseling van de wacht met zonsondergang moet ik wel weer terug zijn. Laat hem maar naar het kantoor van de Ridder-Maarschalk gaan. Als ik daar niet ben, laat ik wel bericht achter waar hij me kan vinden.'
'Mag ik vragen waar u een van mijn stadswachters voor nodig heeft, jonker?'
Robert grijnsde weer. 'Onze geschillen uit het verleden hebben ons weerhouden van samenwerking, schout. Ik ben van plan daar verbetering in te brengen.' Toen verdween zijn grijns. 'Ik heb inmiddels al voor meer dan honderd levens genoeg moord en doodslag gezien. Ik zou wel eens willen weten wie er achter al deze schijnbaar willekeurige moorden zit, en als het even kan wil ik er een einde aan maken.'
De schout knikte en liet een nietszeggende grom horen. 'Als u het zegt, jonker.'
Robert wenste de schout een goede dag en vertrok. Op zijn gemak zwierf hij door de stad, zo onopvallend mogelijk rondkijkend naar zijn vermiste agenten. Hij bracht een bezoek aan het douanekantoor in de haven, zei tegen de eerste klerk dat ze binnenkort zes stadswachters konden verwachten, en maakte duidelijk dat het hem meer te doen was om de passagiers dan om de vracht. Smokkelen was dan wel een ernstig vergrijp, maar vergeleken bij moord toch eerder een overtreding dan een misdrijf. De douaneofficier knikte afwezig, en Robert begreep dat hij over een dag of twee terug moest gaan om te zien of de noodzakelijke veranderingen waren gemaakt. Hij had als kind van veel dingen gedroomd - rijkdom, macht, roem - maar hij had geen moment gedacht aan de bureaucratische rompslomp die daarmee gepaard ging.
Robert vervolgde zijn zwerftocht door de stad, hier en daar discreet neuzend naar een spoor van zijn informanten. Een of twee van hen hielden zich misschien schuil, maar het feit dat er drie verdwenen waren en één vermoord was, hield vrijwel zeker in dat ze allemaal dood waren. En dat betekende waarschijnlijk dat iemand wist dat er verklikkers voor de jonker van de prins werkten, en ook nog wie het waren. Bij de implicaties hiervan stond hij maar het liefst zo kort mogelijk stil.
Met het vallen van de avond dreven er wolken binnen vanaf de Bitterzee. In korte tijd was Krondor in duisternis gehuld. Het voelt meer als mist dan regen, bedacht Robert terwijl hij zich terug haastte naar het paleis. En nog een akelige mist ook.
Zoals de ochtend zijn favoriete tijd van de dag was, zo waren de late middag en de vroege avond naar zijn idee het akeligst. Het wemelde op straat van de vermoeide burgers en bezoekers. Mensen die de hele dag hadden gewerkt, spoedden zich nu naar winkels om vóór sluitingstijd hun boodschappen te doen. Beschonken lieden zwalkten luidruchtig door de straten, en met het vallen van de duisternis kropen de minder smakelijke bewoners van de stad uit hun holen.
Eens had hij ook behoord tot degenen die zich nu uit hun schuilplaatsen waagden, de inwoners van de nacht, die aasden op de eerlijke en hardwerkende burgers, als ze niet op elkaar aasden. Als hij een vrijbrief van de Nachtmeester der Snaken had, zou niemand van die haveloze broederschap hem lastig vallen, en zelfs zij die geen lid van het dievengilde waren zouden hem dan met rust laten, aangezien de bescherming van de Snaken geen kleinigheid was.
Nu was hij vazal van de prins, en al voorzag hem dat van een ander soort bescherming, voor degenen die zich vroeger als zijn broeders hadden beschouwd was hij daardoor allerminst veilig, want Robert had zijn eed aan de Snaken gebroken om de prins te waarschuwen tegen een aanslag op diens leven, en zodoende had hij hoogverraad gepleegd jegens het gilde. De bijzonderheden waren Robert niet helemaal bekend, maar wel wist hij dat Arutha een soort regeling had weten te treffen om hem het leven te red den, en aldus was hij opgenomen in de koninklijke hofhouding. Ondanks dat wonder maakte Robert zich geen illusies. Al kon hij nog steeds goed overweg met menig Snaak als persoon, door het gilde was hij ter dood veroordeeld. Om een conflict met de prins te vermijden, negeerden de Snaken dit vonnis en verdroegen ze beleefd zijn aanwezigheid, verder niet. Hij kwam en ging nog steeds naar believen door het riool en over de daken als dat nodig was, maar zodra hij een dreiging voor de Snaken ging vormen, zou het doodvonnis in een oogwenk worden voltrokken.
Robert werd het beu om zich een weg te banen door het gedrang in de binnenstad en besloot via wat achteraf-straatjes een stuk van de weg naar het paleis af te snijden. Als hij snel was, kon hij nog op tijd in het paleis zijn om in de keuken wat te eten te bietsen en naar het kantoor van de Ridder-Maarschalk te gaan voordat Jonathan Means er arriveerde. Het feit dat zijn informanten nergens in de stad te bekennen waren, baarde hem meer zorgen dan hem lief was, en hij hoopte dat Jonathans verklikkers wat licht op de zaak zouden kunnen werpen.
Hij dook de ruimte tussen twee gebouwen in - een spleet die te smal was om een steeg genoemd te kunnen worden - en rende naar de volgende straat, stak die over en betrad een echte steeg.
De gebouwen aan weerszijden waren twee verdiepingen hoog, zodat het was alsof hij door een donkere kloof liep. Het was er vies en er hing een muffe, zurige lucht, maar de steeg bracht hem tot vlak bij de haven. De straat waar hij op uitkwam, liep parallel aan de kade, en via de havenpoort kon hij op het terrein van het paleis komen.
Hij sloeg juist de hoek om naar de Kaarsenmakerstraat, die naar het paleis voerde, toen hij merkte dat hij werd gevolgd. Er was iemand achter hem de steeg uit gekomen.
Robert wist wel beter dan om te kijken, maar hij kon haast niet wachten om een glimp van zijn achtervolger op te vangen. Even hield hij halt voor een uitstalraam van een winkel, en hij hoorde dat zijn achtervolger ook bleef staan. In de vervormde weerspiegeling van het glas kon hij niet vaststellen wie het was. De weinige mensen die hem voorbij liepen waren vissers, nettenknopers, havenarbeiders en de andere types die je bij de waterkant kon verwachten, en Robert begon al te kijken of hij niet ergens een stadswachter zag.
De laatste gelegenheid om door te steken naar een andere straat was hij zojuist gepasseerd. Hij liep flink door, en vertraagde toen plots zijn pas, luisterend naar degene die hem volgde.
Het waren er twee, wist bij nu zeker. Hij kon de voetstappen van zijn achtervolgers duidelijk onderscheiden van die van de andere mensen die hem passeerden of tegemoetkwamen.
Zijn oog viel op een bierhuis, De Gewonde Panter. Hij versnelde zijn pas, alsof bij laat was voor een afspraak, en liep recht op de deur af.
Binnen knipperde bij met zijn ogen tegen de rook. De schoorsteen was kennelijk al geruime tijd niet meer geveegd, en verscheidene bezoekers rookten pijp of tabaksigaren. Robert had deze gewoonte nooit kunnen waarderen, en het was hem een raadsel dat iemand ervan kon genieten.
Vlug ging hij naar de tapkast en wrong zich tussen twee matrozen, die allebei wat morden maar toch plaats voor hem maakten. Rechts van Robert stond een tengere kerel met een gezicht vol moedervlekken, maar ondanks zijn geringe postuur hadden zijn ogen iets dat op gevaar duidde. De man aan zijn andere kant was een reusachtige bruut, zeker zo groot als Ridder-Maarschalk Gardaan. Robert keek recht voor zich uit. 'Bier, graag!' riep bij naar de kastelein.
De man had een gezicht als van versleten schoenleer, en door de wallen onder zijn ogen zag bij eruit alsof bij op het punt stond staande in slaap te vallen. Hij knikte, schonk een stenen beker vol en zette hem voor Robert op de tapkast. Robert betaalde hem en nam een slok. Het bier was te warm en te bitter, maar bij deed alsof bij ervan dronk.
De deur ging open, en Robert wist dat nu minstens één van zijn achtervolgers binnenkwam. Hij ving een glimp op van twee mannen, allebei in gewone arbeiderskleren, knipperend met hun ogen in de rokerige lucht, op zoek naar Robert.
'Ikke niet, hoor,' zei Robert op luide toon tegen de grote zeeman links van hem.
De man draaide zich naar hem toe en keek op hem neer. 'Wat niet?' Hij was duidelijk dronken en slecht gehumeurd.
'Ik heb dat niet gezegd, hoor,' antwoordde Robert.
'Wat heb jij dan niet gezegd?' vroeg de man, ineens geïnteresseerd.
'Dat was hij.' Robert wees naar de deur. 'Hij en zijn vriend.'
'Maar wat heb jij dan niet gezegd?' herhaalde de dronkaard, nu geërgerd door een gesprek dat hij maar moeilijk kon volgen.
'Ik heb niet gezegd dat jij de dronken zoon van een Keshische rothoer was.'
De man greep Robert bij de tuniek. 'Wat zei je daar?'
'Dat was ik niet, die dronken zoon van een Keshische rothoer tegen je zei,' hield Robert vol. Hij wees weer naar de deur. 'Dat waren zij.'
Met een brul was de matroos al op weg naar de twee mannen die Robert hadden gevolgd. Robert keek naar de gevaarlijk ogende man rechts van hem. 'Je had eens moeten horen wat ze over jou zeiden.'
De man grijnsde slechts. 'Als je wilt dat ik die twee van je nek afhaal, dan zul je moeten dokken, jonker.'
Robert slaakte een zucht. 'Ken je mij?'
'Ik loop al een tijdje mee, Robbie de Hand.'
'Hoeveel?'
'Voor jou, vijftig gouden soevereinen.'
'Nee, voor dat bedrag moet je ze meenemen op een lange reis. Hoeveel voor tien minuten?'
'Tien.'
'Top,' zei Robert. Achter hem klonk geschreeuw en gekraak.
Inmiddels maakten al diverse kroegbezoekers zich uit de voeten voor het gevecht, en er vloog een stoel over de tapkast, die achter de kastelein verscheidene flessen kapotsloeg.
Ondanks zijn slaperige voorkomen was de kastelein kwiek genoeg om leunend op één hand over de tapkast te springen, met in zijn andere een flinke knuppel. 'Dat motten we hier niet!' schreeuwde hij.
Vlug viste Robert tien gouden munten uit zijn beurs en legde ze op de tapkast. De tengere man streek ze op, trok een dolk en draaide zich om naar het gekrakeel.
Robert aarzelde geen moment. Het voorbeeld van de kastelein volgend sprong hij over de tapkast, maar dan de andere kant op. Hij rende naar de achterdeur en dook een opslagruimte in. Door de jaren die hij op straat had doorgebracht, beschikte Robert over een betrouwbare kaart van Krondor in zijn hoofd, zodat hij wist dat er achter deze kroeg geen steeg liep, maar een erf lag met een doorgang naar de haven.
Hij stormde door de opslagruimte, langs een deur die uitkwam op de keuken, en nam de deur naar het achtererf. Twintig voet verderop wenkte een grote poort met dubbele deuren. In volle vaart rende hij ernaar toe, tilde de grote houten dwarsbalk uit de twee ijzeren beugels en liet hem op de grond vallen. Hij stapte eroverheen, duwde de poort open, en liep tegen een gehandschoende vuist aan, die hem als graniet op de onderkaak trof.
Roberts ogen rolden omhoog in hun kassen, en hij sloeg tegen de straatkeien.