8 Aanval

 

De bedienden snelden toe.

Wiliam gaf Matthews een teken om nog voor het donker de omgeving van de herberg te verkennen, terwijl de bedienden zich met de hertog en zijn familie naar binnen spoedden. Na de aanval van de magiërs had Wiliam vlug de situatie in ogenschouw genomen, verscheidene conclusies getrokken, en een besluit genomen.

De eerste conclusie was dat er twee of drie zeer machtige magiërs een overval hadden beraamd die tot in de puntjes was voorbereid en uitgevoerd, wat inhield dat ze wisten dat de hertog zou komen. Met een wee gevoel in zijn maag vroeg Wiliam zich af of er een spion in het paleis zat, of dat gewoon iemand het gezelschap de stad had zien verlaten en met magische middelen bericht vooruit had gestuurd. Hij wou dat Robert er was, want dat soort verwikkelingen was meer zijn afdeling. Het lag gewoon niet in Wiliams aard om alle mogelijke wendingen van een situatie te overwegen. Zijn sterke punt was de krijg: tactiek en strategie, logistiek en bevoorrading, verdediging en aanval.

Een andere conclusie was dat hij zeven van zijn twintig mannen was verloren, samen met de helft van de bedienden. Volgens de verslagen hadden er minstens vijfentwintig grote panters tegelijkertijd aangevallen, met als resultaat dat er al tien man dood op de grond lagen voordat ze merkten dat er sprake van een aanval was. Dankzij prins Vladics scherpe verstand waren de hertog, Paulina en Kazamir gered. Hij had de tafel omgegooid, de anderen bevolen erachter te kruipen, en alles gedood wat er maar overheen trachtte te komen.

Andere bijzonderheden wekten verwarring. Sommige bedienden zeiden mensen tussen de panters te hebben gezien, gekleed in het zwart, terwijl anderen daar geen gewag van maakten. Hertog Radswil, Kazamir, Paulina en prins Vladic meldden allemaal dat ze geen mannen in het zwart hadden gezien.

Aangezien Wiliam de hertog te zwaar gewond achtte om helemaal terug naar Krondor te rijden, had hij besloten ruiters naar de stad te sturen, terwijl ze in de herberg bleven wachten op versterking. Hij had gevraagd of er een genezer met de extra wachters mee kon worden gezonden. Met een keurig aangelegd noodverband had sergeant Matthews het bloeden van Radswils schouder weten te minderen, maar het bloed vloeide nog steeds, en de hertog werd zwakker.

Ook prinses Paulina scheen hulp nodig te hebben, maar Wiliam had geen flauw idee wat hij kon doen. Ze zat stilletjes met grote ogen voor zich uit te staren, eerder een angstig kind dan een jonge verleidster.

De avond viel, en haastig inspecteerde Wiliam de mannen en de paarden. Ze waren ruim voorzien van proviand en wapens, maar van de elf overgebleven soldaten - hij had er drie naar de stad gestuurd - waren er drie gewond. Samen met de twee prinsen beschikte hij over twaalf weerbare mannen om de herberg te verdedigen, mocht er een nieuwe aanval volgen. Op de herbergier en diens gezin kon hij zich niet verlaten. In deze situatie waren niet-strijders eerder tot last dan tot hulp.

Toen hij klaar was met de inspectie en terugging naar de herberg, dacht Wiliam koortsachtig na. Alles wat hij over magie had geleerd, wist hij van zijn jeugd op Sterrewerf, een georganiseerde gemeenschap van magiegebruikers die in principe alle kennis deelden. Maar hij kende ook verhalen, doorgaans gehoord van jonge studenten maar afgedaan als hersenspinsels, over duistere praktijken en geheime riten, bedoeld om kwade machten aan te roepen. Voor iedere magiër die naar Sterrewerf was gekomen om deel te nemen aan iets luisterrijks, waren er anderen weggebleven vanwege hun eigen wantrouwen, en weer anderen hielden zich afzijdig vanwege hun eigen duistere ambities.

Sommige verhalen vertelden over magiërs die toverdrankjes en talismans met kwade uitwerkingen verkochten, of krankzinnige goden dienden. Veel van de riten waarover werd gefluisterd, waren walgelijk en bloedig, en tot die middag had Wiliam die verhalen opgevat als vertelsels voor rond het kampvuur, om kinderen bang te maken. Maar nu had hij begrepen dat sommige echt waar moesten zijn.

Verdiept in gepeins over magie kwam hij de herberg binnen. Zich terug naar het heden roepend, zag hij dat twee soldaten de man Sidi onder bewaking hielden. 'Waarom ben jij nog steeds hier?' vroeg Wiliam.

'De herbergier zei dat hij hier morgen een bekend handelaar verwachtte,' antwoordde de man met de haakneus. 'Ik vond het veiliger om onder de bescherming van zijn bewakers met hem mee naar het noorden te reizen dan de weg alleen af te leggen.' Met een blik op de bedienden die de gewonden behandelden, voegde hij eraan toe: 'En zo te zien had ik daar groot gelijk in.'

Heet welde de argwaan in Wiliam op. 'Die man waar jij gisteren mee hebt zitten eten, die zichzelf Jaquin Medosa noemde, die heeft ons overvallen.'

Als de man van de aanval wist, dan speelde hij zijn verbazing overtuigend. 'Was hij een bandiet?'

'Nee, een magiër. En hij was met vrienden.'

'Ik dacht al zoiets,' zei Sidi. 'Hij sprak terloops over een soort macht die hij diende, maar ik dacht dat hij alleen maar indruk op me wou maken, zodat ik aan zou bieden om zijn maaltijd te betalen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Hij zag er nou niet echt uit als een bandiet.'

Wiliam kwam tot de slotsom dat hij geen reden had om deze man van medeplichtigheid te verdenken, want waarom zou hij anders nog steeds hier in de herberg zijn?

'U hebt geluk gehad, luitenant,' vervolgde Sidi. 'Door het vele reizen wat ik doe, weet ik een beetje over magie, en zonder afweer of een andere bescherming kan zelfs een klein beetje magie al dodelijk zijn.'

Wiliam hield zijn hand omhoog en toonde de ring die hij van Robert had gekregen. 'Dit heeft mijn leven gered. Ik droeg hem voor een heel andere reden, maar de op mij gerichte bezwering werd er genoeg door afgewend om de magiërs te kunnen doden.'

Hij speurde Sidi's gezicht af naar een reactie op het nieuws dat de magiërs waren gedood, maar al wat Sidi zei was: 'Magiërs? Meer dan één?'

Wiliam knikte. 'Allemaal dood.'

'U hebt heel erg veel geluk gehad.'

Er kwam een bediende de trap af. 'Luitenant, het gaat slechter met de wond van de hertog.'

Wiliam liep al naar de trap, maar werd tegengehouden door Sidi's hand op zijn arm. 'Mag ik met u mee? Ik beschik over wat vaardigheden als genezer.'

Wiliam aarzelde even, maar knikte toen.

'Ik heb wat medicijnen in mijn reistas, in mijn kamer.'

Wiliam wenkte een soldaat, liet hem met Sidi meegaan en repte zich naar de kamer van de hertog.

Het was de grootste kamer in de herberg, maar desondanks vrij klein. De hertog lag in bed, zijn gezicht bleek en nat van het zweet. Een ogenblik later kwam Sidi binnen met een grote leren schoudertas. Kazamir en Vladic keken toe terwijl anderen plaats maakten om de man bij de hertog te laten. Sidi zette de tas naast de hertog op het bed en onderzocht de wond. 'Het is ziek aan het worden,' zei hij. 'Er is iets onnatuurlijks werkzaam.'

'Het was ook geen natuurlijk beest dat hem verwondde,' zei Wiliam zacht.

Daar scheen Sidi even over na te denken. 'Tijdens mijn reizen heb ik vaker wonden gezien die niet wilden genezen. Sommige huurmoordenaars gebruiken dolken met een gif erop, en ook bepaalde dieren kunnen wonden maken die daarna niet meer genezen. Mijn kennis van dergelijke dingen is beperkt, maar wel heb ik een poeder dat de schadelijke werking vertraagt tot u hem naar een tempel hebt gebracht.'

'Richt je tot mij, man, ik ben nog niet dood,' zei de hertog.

'Mijn verontschuldigingen, heer,' zei Sidi. 'Toen ik u gisteren zag, begreep ik dat u iemand van een zekere stand bent. Ik vrees dat ik te schuchter ben om zo'n verheven persoon direct aan te spreken.'

'Mijnheer de hertog van Olasko, deze man heet Sidi, en hij zegt dat hij misschien kan helpen.'

'Doe wat je kunt,' zei de hertog, die nu met de minuut bleker werd. 'Alstublieft,' voegde hij eraan toe.

Sidi maakte zijn schoudertas open en haalde er een buideltje uit. 'Dit gaat zeer doen, mijn heer.'

'Dat moet dan maar.'

Het vlees rondom de wond was nu wit en opgezet, en uit de wond zelf sijpelde bloed en een dun, witachtig vocht. Het stonk naar gangreen. Sidi maakte het buideltje open en strooide royaal een groen poeder over de wond. De hertog zoog lucht tussen opeengeklemde tanden door. Kazamir boog zich langs Wiliam en pakte zijn vaders hand, en de hertog greep die stevig vast, terwijl de tranen hem in de ogen sprongen.

'Bij de goden!' zei hij zwak. 'Alsof het een brandijzer is.'

Sidi knikte. 'Daar lijkt het ook op, mijn heer. Het poeder brandt de infectie weg. Het werkt niet altijd, maar het heeft in het verleden al eens geholpen.'

De hertog liet zich achterover zakken. 'Ik denk dat ik nu maar ga slapen.'

Een voor een verlieten ze de kamer, behalve Kazamir, die bij zijn vader bleef. Terwijl de anderen langs de trap naar beneden gingen, nam Vladic Wiliam apart. 'Luitenant, hoe is de situatie?'

Wiliam besloot dat het de beste koers was om niets achter te houden. 'We beschikken over twaalf zwaarden, en deze herberg is te verdedigen. Morgen moet er halverwege de ochtend versterking arriveren, en ik heb gevraagd om een genezer met de soldaten mee te sturen, dus uw oom zal het naar alle waarschijnlijkheid overleven.'

'Vooropgesteld dat we nog leven als de versterking arriveert.' Hij keek Wiliam aan. 'Verwacht u nog een aanval?'

Wiliam haalde diep adem en blies de lucht langzaam weer uit. 'Ik weet niet wat ik moet verwachten, dus bereid ik me voor op het ergste.'

'U zei eerder dat u wat verstand heeft van magie. Wat kunt u over de aanval vertellen?'

'Mijn vader is Hertog van Sterrewerf, en daar heb ik mijn jeugd doorgebracht. Ik heb een hoop gezien en nog veel meer gehoord. Onder die drie die ons aanvielen, bevond zich minstens één, en naar alle waarschijnlijkheid twee zeer machtige magiërs van het Mindere Pad. Degene die uw oom heeft weggelokt...' Wiliam zweeg een ogenblik. 'Sommige magiërs verbinden zich aan een totemdier, in ruil voor bepaalde vermogens. Een daarvan is het vermogen om de gedaante van het totemdier aan te nemen. Hoe langer de magiër in dierlijke gedaante is, des te meer gaat hij denken als dat dier, dus is het geen ongevaarlijke onderneming. Maar hoe machtiger de magiër, des te machtiger het dier. Die grote zwarte panter zegt ons dat die Jaquin Medosa een zeer machtig beoefenaar van de magie was. Ik denk dat ze hem op Sterrewerf misschien wel kennen onder een andere naam, want een magiër van de Pantertotem die zo bedreven is, geniet zeker enige bekendheid.'

'Waarom zouden machtige magiërs uit zijn op mijn dood?'

'De redenen om een prins te vermoorden zijn even talrijk als de ambitieuze lieden in uw land, Hoogheid,' antwoordde Wiliam. 'Elk van die redenen kan het motief zijn.'

'Een huurmoordenaar?'

'Dat denk ik wel. Het is de beste verklaring die ik kan verzinnen, tenzij u vijanden hebt die goede betrekkingen met magiërs onderhouden. Anderen aan Arutha's hof zijn beter van dat onderwerp op de hoogte dan ik. Ik kan u alleen maar mijn vermoedens geven, en die zijn niet veel waard.'

De prins staarde in de verte. 'U hebt me al een heleboel gegeven, luitenant.' Toen keek hij Wiliam in de ogen. 'Maar vannacht?'

'Als het er maar drie waren, zijn we veilig. Ook al hadden ze het overleefd, dan nog zouden ze te uitgeput zijn om achter ons aan te komen. Het duurt verscheidene dagen om uit te rusten van het ontbieden van zo'n groot aantal totemdieren. Daarom waren ze met zijn tweeën. De derde was er voor de bescherming van degenen die de dieren bestuurden.'

Vladic knikte. 'Hoe komt het dat u niet door zijn magie werd getroffen?'

Wiliam hield zijn hand omhoog. 'Deze ring heeft me beschermd.'

'Een goede talisman. Maar waarom draagt u hem?'

Wiliam begon te blozen. 'Eh, in feite heb ik hem gekregen van een vriend, opdat ik beter bestand zou zijn tegen de charmes van uw nichtje, en mijn hoofd bij het werk kon houden.'

Vladic trok een mondhoek omhoog. 'U zult het nog ver brengen, luitenant.' Hij keek de trap af. 'We moeten eten. Ik betwijfel dat het een rustige nacht zal worden.'

'Hoezo, Hoogheid?' vroeg Wiliam, achter hem aan lopend.

'Dat degenen die deze doorwrochte hinderlaag hebben opgezet geen alternatief plan hadden voor het geval dat de eerste aanval mislukte, is te veel om op te hopen. Zo veel geluk kunnen we niet hebben.'

'Dat is waar,' zei Wiliam, en nog voordat hij onder aan de trap was gekomen, speelden er al verscheidene verdedigingsstrategieën door zijn hoofd.

 

Wiliam had bij alle mogelijke ingangen van het gebouw mannen opgesteld. De twee soldaten die voor de paarden zorgden, had hij naar binnen geroepen, aangezien ze in de stal het kwetsbaarst waren. Er stonden twee soldaten bij de keukendeur, en twee bij de voordeur. Beide deuren waren afgesloten met een zware eiken balk, al zouden de ijzeren beugels aan weerszijden van de voordeur alleen een toevallige voorbijganger tegen kunnen houden: het ijzer was verroest, en met één flinke duw zouden de klinknagels uit de houten wand schieten. Ook bij de beide ramen op de begane grond stonden mannen. Sergeant Matthews hield boven de wacht voor de deur van de hertog, met een andere man aan het raam aan het einde van de gang, dat uitkeek op het stalerf achter de herberg.

De overige mannen sliepen onder de tafels in de gelagkamer, in het harnas, met de wapens binnen handbereik. Tijdens zijn opleiding was het Wiliam maar een paar keer gelukt in zijn wapen rusting in slaap te vallen, dus rekende hij erop dat hij daar altijd wel moeite mee zou blijven houden, tenzij hij een stuk vermoeider was dan de vorige keren dat hij het had geprobeerd.

Hij zat aan de tafel waaraan ze de dag ervoor hadden gegeten, te gespannen om aan slapen te kunnen denken. Terwijl hij de gebeurtenissen van die dag tientallen malen door zijn hoofd had laten spelen, was hij zijn besef van tijd kwijtgeraakt. Beter had hij het er niet van af kunnen brengen, maar ondanks die wetenschap had hij voor zichzelf het gevoel dat hij te kort schoot in zijn taak. Er waren mannen omgekomen, boven lag een edelman van een naburig land ernstig gewond in bed, en hij had ternauwernood weten te voorkomen dat hij iedereen was kwijtgeraakt. Kapitein Treggar zou beslist iets tegen hem te zeggen hebben gehad.

Zijn gedachten dwaalden af, en hij dreigde weg te doezelen in zijn stoel toen hij wakker schrok van iets wat vlak naast hem bewoog.

Het bleek de man Sidi, die zei: 'Het was niet mijn bedoeling u te storen, luitenant.'

'Dat maakt niet uit. Ik moet toch wakker blijven.'

'Als ze komen, duurt het nu niet lang meer. Over twee uur komt de zon al op.'

Daar had de vreemdeling gelijk in. Vlak voor het krieken van de ochtend waren de mannen het slaperigst, en de meeste bevelhebbers maakten van die wetenschap gebruik wanneer ze konden.

De duisternis in de kamer werd verdreven door slechts één kaars, en in het halfdonker keek Wiliam de vreemde man onderzoekend aan. 'Wat doet u voor de kost, als ik vragen mag?'

'Ik woon in een dorpje vlak bij Haldenhoofd, een stadje in de buurt van Weduwpunt.'

Wiliam kende de streek, al was hij er maar één keer geweest. 'Ruig gebied.'

'Soms wel, maar dat komt me goed van pas.'

'In welke zin?'

De man haalde zijn schouders op. 'Ik ben handelaar. Voorwerpen, zeldzame delfstoffen, soms informatie. Mensen en anderen, zoals gnomen en trollen, verkopen mij dingen in ruil voor andere spullen die ik heb.'

'Je bent toch niet per ongeluk wapenhandelaar, wel?' vroeg Wiliam op scherpe toon.

'Ik heb andere zaken die trollen en gnomen op waarde schatten,' antwoordde Sidi. 'Het hoeft niet per se smokkelwaar te zijn wat je aan hen kunt verkopen.'

Wiliam zuchtte. 'Neem me niet kwalijk dat ik zo wantrouwig doe, maar gezien de omstandigheden -'

'Begrijpelijk. Ik heb zitten eten met de man die uw gezelschap heeft overvallen. En ik handel inderdaad in zaken die velen met argwaan zouden bezien.'

Wiliam staarde naar de deur alsof die ieder moment kon worden ingeramd. 'Zouden ze nog komen?' vroeg hij zich afwezig af.

'We zullen het zo weten,' zei Sidi.

De minuten kropen voort, tot een van de schildwachten zei: 'Luitenant!'

Wiliam veerde op en trok zijn zwaard. 'Ja?'

'Er beweegt iets buiten,' antwoordde de soldaat.

Wiliam spitste zijn oren. Een tijdlang viel hem niets bijzonders op, maar toen hoorde hij het. Er liep buiten iets of iemand rond de herberg, vermoedelijk om de ramen te inspecteren.

Plotseling klonken er rennende voetstappen, en met een luid gekraak vloog de deur naar binnen. Het was niet nodig om alarm te slaan, want de mannen rolden al met de wapens in de hand onder de tafels vandaan waar ze hadden liggen slapen.

Vier man hadden een dikke boomstam gebruikt als stormram, die ze nu lieten vallen. Met hun blote handen stortten ze zich op Wiliam, Sidi en twee soldaten, om ruimte te maken voor vier gewapende mannen die achter hen de gelagkamer binnenstormden. Wiliam schopte een aanvaller in het kruis en haalde met zijn zwaard uit naar de man achter hem. Sidi stond met een dolk in de hand tegenover een man die nog bezig was een gekromd zwaard te trekken.

De gewapende mannen bleken veel geduchtere vijanden dan het viertal dat als eerste door de deur was gekomen. Die waren door Wiliams mannen al gauw uitgeschakeld, maar de gewapende aanvallers rukten behoedzaam op. Ze waren allemaal gekleed in het zwart, met een losse hoofddoek die alleen de ogen onbedekt liet. Ze droegen wijde pofbroeken, waarvan de pijpen in lage zwarte laarzen waren gestopt. Hun zwarte hemden zaten strak rond de hals en polsen, en hun wapens waren zwart gemaakt. 'Weg van de deuropening voor het geval er buiten boogschutters staan!' schreeuwde Wiliam.

De man tegenover hem haalde uit met zijn kromzwaard, dat Wiliam opving met zijn tweehandswapen. Het geluid van metaal op metaal schalde door de kamer. Daarop viel zijn tegenstander aan langs de andere kant, en Wiliam besefte dat de man naar zwakke plekken zocht. Opzettelijk liet hij zijn verdediging zakken, in de verwachting dat de derde uithaal onmiddellijk zou worden gevolgd door een felle slag over zijn zwaardkling heen naar zijn borst.

De man staarde hem geschokt aan toen Wiliams zwaardpunt hem in de borst trof. Al vroeg in zijn opleiding had Wiliam gemerkt dat de meeste zwaardvechters het langzwaard beschouwden als een houwwapen en geen rekening hielden met de gevaren van de punt. Hij had dit punt zo veel mogelijk uitgebuit door vaak zijn zwaard te gebruiken als een degen of een rapier. Zoals menig instructeur reeds had gezegd: de houw verwondt, maar de steek is dodelijk.

Nauwelijks was de man op de vloer neergevallen of Wiliam zag twee mannen in het zwart de trap op rennen. Hij stormde achter hen aan, en trof hen boven worstelend met Matthews en twee soldaten. Wiliam velde de ene van achteren, terwijl de andere de soldaat naast Matthews doodde.

Matthews wist de aanvaller te verwonden, maar de pijn verbijtend draaide de man zich met een ruk om, waarbij hij de sergeant naar Wiliam slingerde. Een ogenblik in elkaar verstrikt geraakt zagen ze de man tegen de deur van hertog Radswils kamer beuken. De deur knalde naar binnen toe open, waarbij houtsplinters als kleine projectielen door de lucht vlogen. Vanuit de kamer naast die van de hertog klonk een gil.

'De prinses!' schreeuwde Wiliam, en hij duwde Matthews naar de kamer van de hertog. Toen bracht hij zijn voet omhoog en schopte tegen de deur van Paulina's kamer. De schok dreunde door zijn been omhoog tot in zijn heup, maar de deur gaf mee en zwaaide open.

Paulina zat in de hoek, ineengedoken met gebalde vuisten voor haar gezicht, schuilend voor de splinters van het ingebeukte houten vensterluik. Van buiten sprong juist een in het zwart gehulde krijger naar binnen. Wiliam rende naar voren, zijn zwaard als een lans met beide handen voor zich uit houdend.

De man stierf zonder een kik te geven.

Wiliam knielde neer naast de prinses, die hem vol ontzetting aankeek. 'Ben je ongedeerd?' riep hij haar toe, alsof hij met zijn harde stemgeluid voorbij haar angst kon reiken.

Ze staarde hem aan en schudde zachtjes haar hoofd. Hij nam aan dat ze bedoelde dat haar niets mankeerde. Zonder enig idee hoe het er in de rest van de herberg aan toe ging, kon hij alleen maar zeggen: 'Blijf hier zitten tot iemand je komt halen.'

Hij rende naar de kamer ernaast, waar hij Vladic, Kazamir en Matthews aantrof bij twee dode moordenaars. De hertog lag, half bij bewustzijn, te staren naar zijn zoon en neef, alsof hij niet goed wist wie ze waren.

Aangezien hij geen onmiddellijk gevaar meer zag, zei Wiliam: 'Sergeant, kom met mij mee.'

Ze renden de trap af, en zagen drie soldaten dood op de vloer liggen, met languit naast hen vijf in het zwart geklede krijgers. Twee soldaten, zichtbaar gewond, hadden de laatste indringer in een hoek gedreven. Hij stond met zijn rug tegen de muur, een kromzwaard in de rechterhand, een dolk in zijn linker.

'Pak hem levend!' schreeuwde Wiliam.

Toen hij zag dat hij geen kant meer op kon, bracht de man zijn dolk omhoog en sneed met één snelle beweging zijn keel door.

De twee soldaten en Wiliam deinsden terug, geschokt door deze actie. Na een korte aarzeling knielde Wiliam naast de man neer. Zijn ogen staarden omhoog en zijn leven vloeide weg met het bloed dat uit zijn hals gutste.

'Fanatiekelingen!' schold een van de soldaten. Hij hield zijn zwaard in zijn linkerhand, en zijn rechterarm hing slap.

Wiliam keek op. 'Ja, fanatiekelingen,' zei hij.

De andere soldaat hield zijn bloedende zij vast met een bebloede hand. 'Wie waren dat, luitenant? Nachtraven?'

'Nee, dat denk ik niet,' antwoordde Wiliam. Hij had enig idee wie wel, maar achtte het beter om daar niets over tegen zijn mannen te zeggen. Hij stond op. 'Laten we de boel weer gaan beveiligen.'

De twee mannen knikten, en een van hen probeerde een saluut, maar Wiliam wuifde hem weg. 'Ga jezelf laten verbinden.'

Wiliam inspecteerde de keuken. Behalve de lijken van de herbergier, zijn vrouwen het dienstmeisje, lagen er nog drie moordenaars dood, evenals de twee schildwachten die hij daar had gepost.

Wiliam stak zijn hoofd buiten de deur naar het stalerf en zag dat de hemel in het oosten al oplichtte. Hij hoorde de paarden snuiven in de stal, en prees zich gelukkig dat hij geen mannen nodeloos in de stal had ingezet. Twee of drie man minder in de herberg, en ze hadden het wellicht niet overleefd.

Terug in de gelagkamer keek Wiliam rond. 'Ik mis iemand,' zei hij tegen Matthews. 'Waar is Sidi?'

'Verdwenen tijdens het gevecht,' antwoordde een van de soldaten. 'Stond met een dolk tegenover een van die lui, en toen ik die vent had uitgeschakeld, rende hij de nacht in zonder ook maar dankjewel te zeggen.'

Wiliam knikte. 'Gezien de omstandigheden kan ik hem dat niet eens kwalijk nemen. Misschien komt hij nog terug.' Wiliam betwijfelde het. Voor zover hij van de man had begrepen, begaf die zich regelmatig langs de grenzen van de wet, en na zo veel doden zou er beslist een gerechtelijk onderzoek worden ingesteld. Wiliam keek Matthews aan. 'Hoe staan we ervoor?'

'We hebben nog vijf man, plus u en ik, heer.'

'De zon komt op. Ik denk dat we veilig zijn tot de versterking arriveert.'

'Ik zal voor de mannen zorgen, heer. U kunt wel wat rust gebruiken.'

'We kunnen allemaal wel wat rust gebruiken,' zei Wiliam. Hij begon de lijken uit de herberg te trekken. 'Sergeant, ik wil dat de moordenaars worden gefouilleerd.' Hij was er vrijwel zeker van dat ze niets dan zwaarden en dolken zouden vinden, dus geen persoonlijke spullen, juwelen of iets anders waaruit hun identiteit kon worden opgemaakt.

Terwijl Matthews de mannen ging verzorgen, bracht Wiliam de eerste aanvaller naar buiten. Hij knielde naast het lijk neer, trok de hoofddoek weg en wrikte de mond open. De tong bleek uitgesneden.

Wiliam ging op zijn hurken zitten en schudde zijn hoofd. Kijkend in zuidelijke richting zei hij bij zichzelf: 'Waarom komen Keshische beroepsmoordenaars een Olaskese prins vermoorden?'