6 Verwarring
Op de binnenplaats klonk trompetgeschal.
Arutha ging zijn hoffunctionarissen voor naar het balkon dat uitkeek op de verzamelplaats. Nauwelijks had hij zijn plaats aan de rand ingenomen, of zwaardmeester McWirth salueerde en liet de cadetten in de houding springen.
Na een korte stilte sprak Arutha: 'Vandaag worden u jongelieden uw rang en sporen toegekend. U krijgt het voorrecht de titel "ridder" toe te voegen aan de rang die u verdient. Het is een oude titel, waarvan de oorsprong verloren is gegaan in de nevelen van geschiedenis en overlevering. Men gaat ervan uit dat de oorspronkelijke ridders de gezellen waren van een van de eerste vorsten van het Koninkrijk, een klein gezelschap van lieden die een eed hadden gezworen om de kroon met hun leven te verdedigen. En zo is het met u vandaag. In tegenstelling tot de soldaten die hun trouw zweren aan hun leenheer, wordt u door uw eed gebonden aan de kroon. Het is uw plicht eerbied te betonen aan alle edelen van dit land, en zo mogelijk hen bij te staan wanneer er een beroep op u wordt gedaan, maar in de eerste plaats liggen uw verplichtingen bij de koning in het oosten, en bij mijn ambt in het westen.'
Robert glimlachte. Zolang hij Arutha kende, had de prins nimmer persoonlijk aanspraak gemaakt op wat hij zag als zijn plicht aan het ambt dat hij bekleedde. Een ander zou wellicht hebben gezegd: 'Bij mij in het westen,' maar Arutha niet.
De prins vervolgde: 'Vandaag worden sommigen van u uitgezonden naar garnizoenen langs de grens, of naar de huizen van de edellieden die plaats hebben voor een jonge officier tot hun eigen zoon oud genoeg is om het bevel op zich te nemen. Een paar van u zullen in die huizen opklimmen tot de rang van zwaardmeester, of terugkomen naar Krondor wanneer die zonen volwassen zijn geworden. Anderen van u worden toegewezen aan de kastelen van de grensbaronnen, en sommigen van u blijven in Krondor. Maar de plek waar u dient, is van ondergeschikt belang. In de eerste plaats dient u het land, en zijn inwoners, waar u zich ook bevindt. Verlies dat nimmer uit het oog. Mogelijk vallen u in uw verdere leven bevorderingen en voorrechten ten deel, maar die bevorderingen en voorrechten zullen nimmer beloningen zijn. Het zijn eerder de middelen die u in staat stellen het Koninkrijk nader te dienen.' Arutha zweeg even, en sprak verder. 'In de oorlog tegen de Tsurani, die de geschiedenis is ingegaan als de Oorlog van de Grote Scheuring, stonden we tegenover een vijand met wie we nu in vrede leven. Maar de strijd was lang en verschrikkelijk, want zij die op het slagveld tegenover ons stonden, waren eerzame mannen, toegewijd aan hun dienst. Met diezelfde toewijding hebben we ons tegen hen geweerd, en dat was de redding van ons land.' Weer zweeg Arutha even, en vervolgde: 'Het doet mij deugd u welkom te heten in dienst van het Koninkrijk, jonge officieren.' Hij knikte naar McWirth.
'Wie bij naam wordt genoemd, komt naar voren om zijn sporen in ontvangst te nemen,' zei de zwaardmeester. Meteen daarop riep hij de eerste naam, en de betreffende cadet stapte naar voren. Twee vlakbij staande hofjonkers bevestigden vlug de sporen aan de laarzen van de cadet. Elf jonge officieren werden kort na elkaar opgeroepen, waarna hun een rang werd gegeven. Wiliam was de laatste van hen.
Rechts van Arutha stond Ridder-Maarschalk Gardaan. Zijn laatste officiële daad voordat hij zijn ambt neerlegde, was het toewijzen van de cadetten. Vier gingen er naar het noorden, naar de grensbaronnen. Vijf werden er uitgezonden naar verscheidene garnizoenen en huizen in het westen. Twee bleven er in Krondor. Wiliam was een van hen.
Robert zag een lichte frons op Wiliams voorhoofd toen dit werd aangekondigd, en verbaasde zich over dit ongenoegen. Krondor was de beste dienstplek in het Westelijke Rijk, zowel wat de gemakken als het politieke klimaat betrof. In het Oostelijke Rijk mocht het dan heel anders zijn, waar de voortdurende gevechten tegen hinderlijke buren, zo dicht bij de hoofdstad van het land, genoeg kansen boden om bij de kroon in de gunst te komen, maar in het westen begonnen en eindigden alle promoties en politieke gunsten in Krondor.
Arutha wendde zich tot Robert. 'Jij had wat in de stad te doen, geloof ik?'
Robert knikte. 'Meer dan genoeg. Wanneer word ik terug verwacht?'
'Zodra je me iets belangrijks te vertellen hebt,' zei Arutha terwijl hij zich omdraaide om weer naar binnen te gaan. 'Van nu af aan ben je geen eerste jonker meer.'
Robert struikelde bijna. 'Hoogheid?'
Terwijl hij het balkon verliet, en Robert hem volgde, verscheen er even een glimlach op Arutha's gezicht. 'Niet omdat ik kritiek op je heb, jonker, maar de laatste tijd heb je zo veel door het land gerend dat zowel meester deRosa als Jeroen bitter klagen dat ze de taken die jij hier hebt laten liggen, moesten zien te vervullen. Dus al blijf je mijn persoonlijke jonker, we benoemen iemand anders tot eerste. Trouwens, het toezicht over een groep knullen lijkt me een beetje tam na het bevel over een garnizoen.'
Robert glimlachte. 'Ergerlijk is een beter woord.'
Arutha begon te lachen, wat maar zelden voorkwam. 'Ergerlijk, dan. Nog één laatste opdracht, voor je ervandoor gaat. Morgen bij het eerste licht vertrekt het gezelschap van de Hertog van Olasko voor de jacht. Om redenen die ik niet begrijp, hebben ze gevraagd of luitenant Wiliam bij de wacht werd ingedeeld.'
Robert fronste zijn wenkbrauwen. 'Paulina?'
Aangekomen bij zijn schrijftafel nam Arutha plaats, en hij gebaarde dat deRosa de deur kon opendoen voor degenen die wachtten tot de prins zich aan zijn dagelijkse zaken wijdde. 'De prinses, ja. Ze gaat met haar vader en de prinsen mee op jacht. Hoezo?'
'Ze is op zoek naar een rijk of machtig echtgenoot.'
'De zoon van een hertog, met andere woorden.'
Robert knikte. 'Al denk ik niet dat iemand haar verteld heeft dat hertog Puc een beetje een... merkwaardige hertog is, naar algemene maatstaven.'
'Maar wel met goede connecties,' wierp Arutha tegen.
Robert grijnsde. 'Ja, dat is zo. Maar toch, ik denk dat ik vandaag maar wat tijd zal besteden om Wiliam op zijn taken voor te bereiden.'
Arutha keek van Robert naar de deur, waar de eerste groep rekestranten al door meester deRosa werd binnengeleid. 'Ik wil het niet weten,' zei de prins tegen Robert. 'Je weet wat er moet gebeuren, dus je doet je best maar.'
'Ja, Sire,' zei Robert, en hij verliet Arutha's kantoor. Haastig ging hij naar de verzamelplaats, om McWirth en Wiliam in te halen voordat de pas aangestelde luitenant op patrouille werd gestuurd naar het Dromendal of door de van bandieten vergeven gras- en boslanden tussen Krondor en Nes. Daarna zou hij Jonathan Means gaan opzoeken om te beginnen met de aanleg van zijn netwerk van spionnen.
Robert vond Wiliam in het cadettenverblijf, bezig met het weghalen van zijn spullen uit het kledingkluisje dat in de afgelopen zes maanden zijn complete garderobe en persoonlijke eigendommen had geherbergd. McWirth hield toezicht op het vertrek van de pas benoemde ridders, en zijn houding was veranderd. Hij keek naar de jongemannen als een vader naar zijn kinderen, vond Robert. Toen besefte hij dat er over een paar weken een nieuwe groep edelmanszonen, vooraanstaande Koninkrijkse officieren en veelbelovende jonge soldaten naar Krondor kwam, en de oude soldaat weer zou veranderen in een tiran die nooit tevreden was.
Wiliam keek op, en nog voordat Robert zijn mond kon opendoen zei hij: 'Krondor! Waarom?'
'Ik heb geen idee,' antwoordde Robert, 'maar ieder ander zou in jouw geval van vreugde een handstandje maken. Hier worden de carrières gemaakt, Wil.'
Wiliam keek alsof hij iets wilde zeggen, maar hij hield zijn mond nog even. 'Ik moet dit overbrengen naar het arsenaal.'
Daar hadden de vrijgezelle officieren een klein privévertrek, wist Robert. 'Ik help je wel even.'
Wiliam knikte, zijn gezicht nog steeds betrokken. Het kostte hem maar twee keer lopen om al zijn spullen naar het arsenaal te dragen, maar hij was blij met de hulp. Hij gordde zijn zwaard om, het enige voorwerp uit zijn opleiding dat hij mee zou nemen, en pakte een bundel kleren, die hij aan Robert gaf. Daarop pakte hij een tweede bundel met twee paar laarzen, een grote mantel en twee boeken, en knikte Robert toe om hem voor te gaan.
Robert draaide zich om en liep naar de deur, langs zwaardmeester McWirth. In de deuropening draaide Wiliam zich om. 'Zwaardmeester?'
'Ja, luitenant?' McWirths stem was kalm en vlak.
Robert keek om, zag Wiliams verbaasde gezicht en begreep dat het nog niet tot hem was doorgedrongen dat hij nu officier was en dat McWirth niet meer tegen hem hoefde te schreeuwen. Na een korte aarzeling zei Wiliam: 'Ik wou u alleen even bedanken voor alles wat u me heeft geleerd. Ik hoop dat ik u in de toekomst niet teleur zal stellen.'
McWirth glimlachte. 'Jongen, als er maar de kleinste kans bestond dat jij me in de toekomst zou teleurstellen, dan zou je die sporen nooit hebben gekregen.' Hij wees naar Wiliams laarzen, waar twee nieuwe zilveren sporen zijn hakken sierden. 'Je zult het er prima van afbrengen. Nou, maak voort en breng je spullen over naar het arsenaal, voordat de andere luitenants je zelf zien sjouwen en je ermee pesten dat je niet een van de hofjonkers of soldaten voor je hebt laten draven.'
Robert bleef een ogenblik roerloos staan, en schoot toen in de lach. Ineens besefte Wiliam dat hij als Ridder-Luitenant in het garnizoen een hofjonker of een van de soldaten de opdracht had kunnen geven om zijn uitrusting te gaan halen. Toen keek McWirth naar Robert. 'Of jou, jonker, dat je voor Wiliams knechtje speelt. Vooruit nu, allebei.'
'Ja, zwaardmeester,' zei Robert.
Grijnzend vertrok Wiliam uit het cadettenverblijf. 'Zal ik je benoemen tot mijn jonker, jonker?'
Met een frons van gespeelde ergernis keek Robert hem aan. 'Je krijgt een gouden soeverein van me als je dat voor elkaar krijgt, Sire,' zei hij sarcastisch. 'Als je zeker weet dat je een eigen jonker wilt, kan ik wel kijken of een van de minder begiftigde hofjonkers oren heeft naar een carrière met vrijwel geen gelegenheid tot promotie. En ik zou trouwens wel eens willen zien waar jij de fondsen vandaan haalde om hem te betalen.'
Ze bereikten het arsenaal en liepen door de grote deuren naar binnen, langs rekken met zwaarden, schilden, lansen en andere wapens. Achter in het gebouw hoorden ze de smid, bezig met het herstellen van wapens die tijdens oefeningen bot waren geraakt. Via de trap achterin kwamen ze op de bovenverdieping. Wiliam zette zijn bundel neer op de vloer en keek rond. 'Die kamer ziet er ongebruikt uit,' zei hij, wijzend naar een openstaande deur.
'Ik zal je een pak slaag besparen,' zei Robert. 'Je hoort te wachten tot de oudste vrijgezelle ridder je een kamer toewijst.' Hij wees naar het ogenschijnlijk lege vertrek. 'Die kamer is vrijwel zeker van kapitein Treggar.'
Wiliam trok een grimas. Kapitein Treggar was een humorloze jongeman, die naar men zei een uitzonderlijk soldaat moest zijn geweest om zo lang op zijn post te blijven hangen als de opvliegende bullebak die hij was. Ook werd hij als ongewoon slim beschouwd, omdat hij al zo lang in het garnizoen had weten te blijven, met Gardaan aan het hoofd van de krijgsmacht.
Even later verscheen de pas bevorderde Ridder-Luitenant Gordon O'Donald, de jongste zoon van de Graaf van Malvehaven, met zijn bundel onder een arm. 'Vrije kamer?' vroeg hij.
'We wachten op Treggar,' antwoordde Wiliam.
Ter plekke liet Gordon zijn bundel vallen. 'Dat kan er ook nog wel bij.' In zijn stem klonk een zweem van het zangerige accent van het Kennararch-volk uit het voorgebergte van de Pieken van Stilte. Het was een breedgeschouderde jongeman, iets langer dan Wiliam en Robert, met rossig blond haar en blauwe ogen. Zijn huid was vrij bleek, met sproeten, zodat hij altijd verbrandde in de zon.
'Jullie lijken me allebei wat zuur voor iemand die zojuist de beste post in het westen heeft ontvangen,' zei Robert.
'Het westen,' herhaalde Gordon. 'Mijn vader, wed ik, heeft de prins gevraagd me hier te houden, zodat ik geen gevaar loop. Allebei mijn broers zijn gesneuveld in de oorlog, Malcolm bij het gevecht tegen de Tsurani aan het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring, in de Grijze Torenbergen, en Patrick bij Sethanon. Ik ben de jongste, en mijn vader doet zijn best om me in leven te houden tot ik kan erven.'
'In leven blijven is een waardig streven,' zei Robert spottend. 'Goed en wel voor wie hier is geboren, jonker, maar in het westen krijg je weinig kansen op promotie.'
Robert fronste zijn wenkbrauwen. 'Zeg het maar als ik me vergis, maar jij wordt op een dag toch graaf? Wat maak je je dan druk over promotie?'
'Wij zijn een klein graafschap in Malvehaven, en op het slagveld behaalde eer weegt zwaar in het oosten. Jullie hebben je gnomen en Broeders van het Onzalige Pad en zo, maar in het oosten schurken we voortdurend tegen de Oosterse Koninkrijken en Kesh. Daar kan je zo hogerop, en dat heb je ook hard nodig als je een staatshuwelijk moet organiseren.'
Robert en Wiliam keken elkaar grijnzend aan. 'Het gaat om een meisje!' zeiden ze allebei tegelijk.
'Wie is het?' vroeg Robert aan Gordon.
De zonnebrand op Gordons gezicht kon zijn blos niet verhullen. 'Rebecca, de dochter van mijn heer van Diep Tenter, en dat is een hertog, dus als ik ook maar een schijn van kans wil hebben om haar voor me te winnen, dan moet ik thuiskomen met genoeg glorie op mijn schouders om de koning te verblinden.'
Robert haalde zijn schouders op. 'Ach, het zal eens zo zijn geweest dat je in het westen geen fatsoenlijke oorlog kon krijgen, maar sinds ik in Krondor ben is dat al niet meer het geval.'
'In ieder geval zit jij op de beste plek in het westen om hogerop te komen,' merkte Wiliam op.
Van beneden klonken de voetstappen van een tiental paar zware laarzen. 'Pak je spullen op,' stelde Robert voor.
Een ogenblik later verscheen er een donkerharig hoofd, gevolgd door een paar brede schouders, toen Ridder-Kapitein Treggar de trap op sjokte, met achter zich de andere ongehuwde ridders. Hij zag de twee nieuwe luitenants op hem staan wachten, en fronste zijn wenkbrauwen. Toen hij Robert ontwaarde, trok hij een afkeurend gezicht. 'Wat is hier aan de hand?'
'We wachten tot we kamers krijgen toegewezen, kapitein,' antwoordde Wiliam.
De andere luitenants bleven de trap op komen tot de gang vol stond. Verscheidene fluisterden en een paar haalden de schouders op. Robert begreep dat ze afwachtten wat Treggar zou doen. Het verwachte afknijpen van de pas benoemde ridders verliep niet als voorzien.
Treggar wilde net zijn mond opendoen, maar Robert was hem voor. 'De prins zou graag zien dat Ridder-Luitenant Wiliam spoedig is ingericht, want hij heeft een bijzondere missie voor hem.'
Wat Treggar had willen zeggen, bleef onuitgesproken. In plaats daarvan wees hij: 'Einde van de gang. We komen kamers te kort, dus jullie moeten er eentje delen tot er iemand trouwt of wordt overgeplaatst.'
'Ja, kapitein,' zei Gordon, lopend door het gedrang van officieren.
'Bedankt, kapitein,' zei Wiliam, en hij volgde Gordon.
'Ik wacht hier op u, luitenant,' riep Robert hem na.
'Van uw gebruikelijke gebaande pad afgedwaald, jonker? Ik heb gehoord dat u de laatste tijd vaker in het riool zit dan in het paleis.'
Robert staarde de kapitein een tijdlang aan. Hij had diepliggende, donkere ogen, en er lag niets dan woede en minachting in zijn blik. Zijn zware wenkbrauwen schenen permanent tot één dikke streep gefronst, behalve wanneer hij op appèl stond voor de Ridder-Maarschalk of de prins. Er werd wel gefluisterd dat er regelmatig een jongere officier of iemand uit het paleisgarnizoen na het vallen van de avond werd uitgenodigd voor een pak slaag omdat hij Treggar had ontriefd. 'Ik ga waar mijn prins me stuurt,' zei Robert uiteindelijk op vriendelijke toon. Even kwam hij in de verleiding om Treggar uit te dagen, maar zijn jarenlange ervaring met bullebakken zei hem dat hij dit gevecht niet kon winnen. Als hij de kapitein in het bijzijn van de andere officieren in verlegenheid bracht, zou diens afkeer omslaan in haat, en wat er verder van Treggar ook kon worden gezegd, hij was een belangrijk lid van het paleisgarnizoen. Overigens zou hij naar alle waarschijnlijkheid iedere kleinering, al of niet ingebeeld, afreageren op Gordon en Wiliam.
Toen ze zagen dat de gein die voor de nieuwe officieren op het programma stond niet doorging, zwierven de andere officieren uit over hun eigen kamers of de trap af naar hun dienstplek. Even later verschenen Wiliam en Gordon weer.
Wiliam keek Robert aan. 'Wat voor een missie, Robert?'
Met een ruk draaide Treggar zich om. 'Als u een hoveling aanspreekt, luitenant, doet u dat bij zijn titel,' snauwde hij. Na een korte pauze voegde hij eraan toe: 'Wie het ook mag zijn.'
'Ja, kapitein,' zei Wiliam. 'Wat voor een missie, jonker?'
'U gaat met een escorte van twaalf man mee op jacht met de gasten van Zijne Hoogheid. Meldt u met het escorte een uur voor zonsopgang bij de jachtmeester.'
'Ja, jonker.'
Kijkend naar Wiliam zei Robert: 'Kom vanavond naar me toe voordat u zich terugtrekt voor de nacht, luitenant. Misschien heb ik nog wat laatste instructies voor u.'
'Ja, jonker,' zei Wiliam.
Robert draaide zich om en vertrok snel. Het enige wat hij met treuzelen opschoot, was dat Treggar er nog meer de pest in zou krijgen. Waarschijnlijk zou hij Wiliam nog voor het vallen van de avond opzadelen met een of ander vervelend klusje, omdat hij van zijn lolletje was beroofd. Robert kende dit soort bullebakken. Uiteindelijk zouden Wiliam en Gordon zelf met Treggar tot een vorm van verstandhouding moeten zien te komen.
Terwijl hij de binnenplaats overstak, bedacht Robert dat Wiliam daar taai genoeg voor was. Hij kon zich wel handhaven. Robert vermoedde dat Gordon op zijn eigen manier ook wel van zich af kon bijten. Trouwens, Treggar was al een hele tijd vrijgezelle officier, dus hij wist precies wat hij wel en niet kon doen in de vrijgezellenkantine. Als hoofd had je niet alleen voorrechten, maar ook verantwoordelijkheden, en als Treggar werkelijk grof was, dan zou Gardaan hem allang van die plek hebben verwijderd. Want één ding wist Robert zeker over Arutha en zijn Ridder-Maarschalk: geen detail was zo onbeduidend dat het hun aandacht lang wist te ontsnappen. Problemen werden snel ontdekt en aangepakt.
Overwegend waar hij als eerste naar toe zou gaan, liep hij de poort door. Een van de wachters salueerde losjes, en ineens bleef Robert staan. Hij had het paleis verlaten via de westerpoort, eens de hoofdingang, maar nu hoofdzakelijk gebruikt voor ceremoniële ontvangsten, processies uit de stad, heilige-dagenrituelen en dergelijke, terwijl het meeste handelsverkeer van en naar het paleis nu door de havenpoort en de oosterpoort liep.
Aan de overkant van het plein dat de westgrens van het paleisterrein markeerde, stond een groot huis. Tussen het huis en de poort stond een fontein van bescheiden grootte, maar eeuwenoud. De fontein werd beschouwd als een soort historisch monument, omdat hij de eerste was die in de stad was gebouwd, in opdracht van een van de allereerste prinsen. Robert keek aandachtig naar het huis. Het indrukwekkende exterieur beloofde een flink aantal kamers. En voor zover hij wist, stond het al jaren leeg. Meteen verbeterde Robert zichzelf: het stond niet leeg, het werd alleen niet gebruikt. Van tijd tot tijd waren er activiteiten rondom het huis te bespeuren, zoals een nieuw verflaagje op het houtwerk of het ijzeren hek, of herstel aan de stenen in de buitenmuur. Maar nu was het duidelijk dat iemand er zijn intrek ging nemen.
'Wat gebeurt daar?' vroeg hij de wachter bij de poort, knikkend naar het huis.
'Weet ik niet. Sinds gisteren rijden er wagens af en aan, jonker.'
'Dat huis is al dicht zo lang ik het me kan herinneren,' zei een andere wachter, die aan de andere kant van de poort stond. 'Ik weet alleen niet wie de eigenaar is.'
'Het is het eigendom van de Tempel van Ishap,' zei Robert. Beiden wierpen hem een blik toe, maar geen van hen vroeg hoe hij dat wist. Robert maakte er een gewoonte van om alles over de stad te weten, en geen van beide wachters twijfelde aan zijn woorden.
'Gewoonlijk houden ze zich afzijdig,' mompelde Robert half in zichzelf. 'Ik vraag me af waar dit voor is.'
Beide poortwachters begrepen dat het een retorische vraag betrof en deden er het zwijgen toe, en Robert richtte zijn aandacht weer op een ouder probleem: de Nachtraven.
Robert dook op vanuit een steegje tussen twee gebouwen in kleren die veel minder stijlvol waren dan die waarin hij het paleis had verlaten. Door de stad verspreid had hij verscheidene geheime bergplaatsen met kleren, wapens en geld, ter voorbereiding op een veelheid van mogelijkheden. Opgaan in het gewone gepeupel was een algemene noodzaak voor de jonker van de prins.
Hij liep door de middagdrukte in de handelswijk van de stad, vlak bij de plek waar die onofficieel overging in het Armenkwartier. Niemand kon op een plattegrond of decreet precies aangeven hoe de stad in wijken was ingedeeld, maar iedereen die in Krondor woonde, wist waar het marktgedeelte ophield en de haven begon, waar de Havenkant overging in Visstad, en waar de andere onofficiële wijken aan elkaar grensden. En de wetenschap waar de ene wijk ophield en de andere begon, was van cruciaal belang voor iemands gezondheid en veiligheid, wist Robert.
Aan de overkant van de nietszeggende straat die het Koopmanskwartier van het Armenkwartier scheidde, betrad hij de laatstgenoemde wijk, waar de straten leken te krimpen, te versmallen. Aan weerszijden rezen gebouwen op, met amper genoeg tussenruimte voor een handkar. Het was er altijd een beetje schemerig, behalve wanneer de zon op zijn hoogste punt stond.
Aan Roberts houding en tred veranderde niets toen hij zijn vroegere woonstee betrad, maar aan zijn gewaarzijn wel degelijk. In de armenwijk van de stad was het overdag bijna net zo druk als in de andere stadsdelen, maar het was er veel gevaarlijker. De gevaren lagen minder voor de hand dan 's nachts, maar vanwege hun subtiliteit waren ze mogelijk des te dodelijker. Vrijwel onmiddellijk bespeurde Robert de onrust die de wijk doordrong. Blikken werden steelser geworpen dan gewoonlijk, mensen liepen net iets gehaaster dan normaal. Er werd op gedempte toon gesproken en vreemden werden aandachtig geobserveerd. De moorden maakten de achterdochtige bevolking nog argwanender.
Robert sloeg af naar een nog smallere straat, een steeg met hier en daar een deur of een houten trap naar een bovenverdieping. Aan het einde van de steeg zag hij iemand gekromd staan om spullen op een tweewielige pony-kar te laden. De deur waarnaar hij op weg was geweest stond open.
Robert trok zijn dolk en hield hem zodanig dat hij verborgen bleef achter zijn pols. Met een snelle beweging kon hij hem paraat hebben. Binnen reikwijdte van de gekromde gedaante bleef hij staan. 'Sophia?'
De gedaante draaide zich om en verhief zich in haar volle lengte. Robert ontspande zich. De vrouw had grijs haar, met net genoeg van de oorspronkelijke kleur om te zien dat ze in haar jeugd donkerbruin was geweest. Ze had haar handen in een afwerend gebaar geheven, maar al gauw ontspande ook zij zich. 'Robbie. Je jaagt me de stuipen op het lijf. Ik was er bijna in gebleven.'
Robert liep naar de kar en wierp een blik op de deur. 'Ga je weg?'
'Zodra ik deze laatste bundel heb vastgesjord.'
'Waar ga je heen?'
'Weet ik niet, en ik denk ook niet dat ik iemand in Krondor wil laten weten waar ik terechtkom, Robbie.'
Robert bekeek haar gezicht. Knap was ze nooit geweest - terecht was ze in haar jeugd een paard genoemd - maar met haar krachtige houding en sterke lichaam viel Sophia wel op, en dat had haar door de jaren heen een redelijk aantal minnaars opgeleverd, rijk en arm. Maar Sophia's handel in bezweringen, talismans en toverdrankjes had haar veroordeeld tot een eenzaam leven, met slechts een paar vertrouwde vrienden, zoals Robert.
Hij knikte. 'Als je wilt verdwijnen kan ik dat begrijpen, maar als het mag zou ik best willen weten waarom.'
'Je hebt gehoord over de moorden. Dat hoef ik je niet te vragen. Als jonker van de prins moet je dat weten.'
'En jij bent bang om bij de overledenen te gaan behoren?'
Ze knikte. Terwijl ze haar blauwe jurk recht trok, pakte ze een zwarte sjaal van de kar en ging de deur van haar kleine onderkomen dichtdoen. 'Wat mogelijk wel aan je aandacht is ontsnapt, is dat degenen die geen lid van de Snaken waren en toch uit de weg zijn geruimd - om redenen die jou ongetwijfeld bekender zijn dan mij - de beoefenaars van de kunst waren.'
'Magiërs?' vroeg Robert, ineens zeer geïnteresseerd in wat de vrouw te zeggen had.
'Vijf, voor zover ik weet. De meeste namen zeggen je waarschijnlijk niets, omdat ze in afzondering praktiseerden. Wij treden niet zo in de openbaarheid als die lui op Sterrewerf, Robbie. Sommigen van ons geven de voorkeur aan een rustig bestaan.'
'En de anderen?'
'Die beoefenden kunsten die door de machthebbers niet graag worden gezien.'
'Zwarte magie?'
'Zo boosaardig nou ook weer niet. Maar stel dat er een koopman is die de lading graan van een concurrent wil laten rotten voordat die kan worden verscheept, of een gokker die de uitkomst van een belangrijk spel wil beïnvloeden. In die behoeften kan altijd worden voorzien.'
'Voor een prijs,' merkte Robert op.
Sophia knikte. 'Iemand is de magiërs in Krondor aan het elimineren, Robbie.'
Robert keek rond. 'Hoeveel zijn er nog?'
'Help me even met keren,' zei Sophia. 'Dat had ik eigenlijk moeten doen voordat ik met inladen begon.'
Toen de kar was omgedraaid, stapte ze tussen de twee trekbomen en pakte die op. Hij wist wel beter dan haar zijn hulp aan te bieden. Van alle vrouwen die hij kende, was Sophia misschien wel het meest op haar onafhankelijkheid gesteld. 'Je moet een klein paard of een pony hebben om dat ding te trekken.'
'Kan ik niet betalen,' antwoordde ze terwijl ze al haar wereldse bezittingen de steeg uit bracht.
'Ik kan je het geld voor een paard toch... lenen, Sophia? Je bent altijd vriendelijk voor dit brutale straatschoffie geweest.'
Ze glimlachte, en de jaren vielen van haar af. 'Brutaal ben je nooit geweest. Oervervelend, dat wel, maar nooit brutaal.' Haar glimlach verdween. 'Nee. Dan zou ik dat beest alleen maar te eten moeten geven. Maar bedankt voor het aanbod.'
Aangekomen op de hoek hield Sophia halt. 'Maar ik heb je nog niet eens gevraagd wat jou naar mijn deur bracht.'
Robert begon te lachen. 'Een klein magisch probleempje, eigenlijk.' Hij vertelde over de uitwerking van prinses Paulina's amulet op Wiliam. 'Als mijn jonge vriend meer tijd in haar gezelschap door moet brengen, zou het hem goed van pas komen als hij iets had om haar charmes te weerstaan.'
Sophia grinnikte. 'Charmes. Ja, ja. Maar misschien heb ik wel wat dat je vriend kan helpen.' Ze zette de bomen neer en liep naar de achterkant van de kar. 'Had het maar gezegd voordat ik dit had ingeladen,' zei ze terwijl ze het af dekzeil dat ze net had vastgeknoopt weer losmaakte. Ze haalde een kleine zak te voorschijn en rommelde erin rond. 'Ik heb een goed drankje, maar dat werkt niet langer dan een paar uur.' Toen hield ze een kleine ring omhoog. 'Maar dit is misschien veel beter.' Het was een simpel ding van zilvergrijs metaal, opgesmukt met een enkele dofrode halfedelsteen. Ze gaf hem aan Robert. 'Het beschermt de drager tegen een verscheidenheid aan kleine betoveringen en bezweringen, en vast ook het soort waarvan de jongedame zich bedient. Tegen zwaardere dingen doet hij niets, maar op zijn minst zal het de invloed van het meisje beperken tot wat ze van moeder natuur heeft meegekregen.'
Robert nam de ring in ontvangst. 'Bedankt. Wat krijg je van me?'
'Voor jou is het gratis,' zei ze. Ze maakte het dekzeil weer vast.
'Vanwaar deze plotselinge vrijgevigheid?' vroeg Robert.
'Jij hebt voor mij ook wel eens wat gedaan, Robbie. Zie het maar als een afscheidsgeschenk.' Ze pakte de trekbomen weer op en trok haar kar de steeg uit, de straat op die haar uiteindelijk het Armenkwartier uit zou brengen.
Robert sprong opzij voor twee jongens die voorbij renden. Even vroeg hij zich af of ze hem hadden willen bestelen, waarbij de ene zijn beurs lossneed terwijl de andere met de beurs wegliep, maar toen zag hij dat het slechts stadsjochies waren die voor de lol aan het rennen waren.
Hij klopte op zijn beurs om zich ervan te vergewissen dat die inderdaad nog op zijn plek zat, en haalde hem toen van zijn riem af. 'Laat ik jou dan ook een afscheidsgeschenk meegeven,' zei hij en stopte de buidel onder het dekzeil in de wagen. 'Je hebt toch geld nodig om je te vestigen, waar je terechtkomt.'
Ze glimlachte en haar blauwe ogen straalden. 'Je bent een echte vriend, Robbie.'
'Laat me weten waar je bent neergestreken, zodra je denkt dat het veilig is, Sophia.'
'Zal ik doen,' zei ze, en ze nam de brede weg in de richting van de oosterpoort.
Robert keek haar na tot ze was verdwenen in de drukte van de stad, en ging toen terug naar het paleis. Wat hij verder die middag ook ging doen, eerst moest hij een babbeltje gaan maken met de prins.
Hij had nog steeds slechts een vaag idee van wat er achter de schijnbaar willekeurige moorden op de burgers van Krondor schuilging, maar het feit dat veel van hen beoefenaars van magie waren, diende onmiddellijk onder Arutha's aandacht te worden gebracht. De middagzon brandde heet, maar diep in zijn botten voelde Robert een sluipende kou.