17 Misleiding
De banieren wapperden in de wind.
Vanuit het fort hadden ze de paarden tot het uiterste gedreven om het dichtstbijzijnde Koninkrijkse garnizoen te bereiken in zes dagen tijd in plaats van acht. Arutha wees naar het kleine fort aan de kust van de Baai van Shandon. Het zand wervelde door de heuvels en de paarden stampten ongeduldig bij het vooruitzicht van vers water en voer.
'Zo te zien hebben we gezelschap,' zei Robert.
Tijdens de rit was hij langzaam hersteld, en al was hij lang niet zo vief als hij met bedrust zou zijn geweest, zijn verwondingen waren grotendeels genezen. Hij was nog steeds beurs op meer plekken dat hij kon tellen, maar blijvend letsel had hij niet opgelopen.
'Kennelijk,' zei Arutha.
Toen Arutha vanuit Krondor naar deze basis in het zuiden van de baai was gevaren, had hij zijn schip laten wachten voor de terugreis. Maar nu lagen er nog drie andere schepen voor anker bij de kleine werf.
Robert lachte. 'Dat is Emus' schip toch?'
'De Koninklijke Panter, ja,' antwoordde Arutha. 'En de Koninklijke Adder en de Koninklijke Hinde. Dat is het grootste deel van zijn eskader.'
Ze reden het fort binnen, begroet door het garnizoen, dat voltallig was aangetreden en in de houding stond. De leidinggevende kapitein had een ontvangst voorbereid, maar Arutha had geen tijd. Hij steeg af en liep naar de rondbuikige man die zich naast de kapitein had opgesteld. 'Emus,' zei Arutha, 'aan welk lot hebben we te danken dat de admiraal van de Westelijke Vloot ons hier opwacht?'
Emus Trasks grijzende baard spleet in een grijns. In zijn ogen stond een vrolijke fonkeling die er, zoals Arutha en Robert inmiddels wisten, ook in het heetst van de strijd in te zien was, en hij antwoordde met zijn gebruikelijke bulderstem: 'Ik maak altijd even een rondje door de baai als ik naar het zuiden kom. Met zwaar weer tref ik in de luwte van de noordkust vaak een Keshische smokkelaar en soms zelfs een piraat die wacht op een koopmans-schip om in een hinderlaag te lokken. En toen ik mijn gebruikelijke tochtje maakte, zag ik daar de Koninklijke Valk liggen, met in de mast het vaandel van het koninklijk huis. Dus vroeg ik me af: Wat doet Arutha in dit afgelegen hoekje van het Koninkrijk? En toen ben ik bijgedraaid en blijven wachten om daar achter te komen.'
'Nou, aangezien jij een sneller schip hebt, brengen we mijn spullen over naar de Panter.'
Emus grijnsde. 'Al gedaan.'
'Hoe snel kunnen we vertrekken?'
'Binnen het uur,' antwoordde Emus. 'En als je eerst wilt uitrusten, morgenvroeg.'
Pas toen had Arutha oog voor de kapitein van het garnizoen. 'Bedankt voor de ontvangst, kapitein, maar vanwege staatszaken moet ik zo snel mogelijk terug naar Krondor.' Hij draaide zich om naar kapitein Treggar. 'Laat de mannen en de paarden een dag rusten, en zodra de bagage-karavaan ons heeft ingehaald -'
'Voor de zoveelste keer,' zei Robert zachtjes. Onderweg had Arutha zijn eigen lastdieren onderschept en in het voorbijgaan de mannen bevolen rechtsomkeert te maken.
'- gaan ze aan boord van de Valk.'
'Begrepen, Hoogheid,' zei Treggar.
Laat op de tweede dag na het vertrek uit het fort had Wiliam met zijn sectie Arutha ingehaald, met een groot aantal documenten en verscheidene voorwerpen die vermoedelijk magische eigenschappen bezaten.
'Luitenant, breng alles mee wat je hebt gevonden en vaar met mij mee terug.' Arutha draaide zich weer om naar Emus. 'Wij vertrekken meteen.'
Emus stapte opzij om plaats voor de prins te maken. 'Daar had ik al op gerekend, Arutha, dus we lichten het anker zodra je aan boord bent.'
Arutha wenkte, en zijn paard werd gebracht. De zadeltas met de boeken en papieren uit het fort gaf hij aan Wiliam, die al een tas met perkamenten en boeken in zijn handen hield. Daarop ging Arutha de anderen voor naar de waterkant, waar een sloep gereed lag om hen naar het admiraalsschip te roeien. Arutha, Wiliam en Robert klommen erin, gevolgd door Emus. Soldaten en matrozen duwden de boot het kalme water van de baai in.
Nog geen uur later waren ze aan boord en vertrokken de drie schepen met volle zeilen op het avondtij. Arutha en Robert namen de admiraalshut. Emus nam zijn intrek bij de Eerste Officier, en Wiliam bij een lagere officier. Tegen de tijd dat Robert had uitgepakt, kondigde een klop op de deur de komst aan van de admiraal.
Emus nam plaats aan zijn eigen tafel. 'Ik heb een kleine maaltijd besteld.' Met een blik op Robert voegde hij eraan toe: 'Robbie, mijn jongen, ik heb je wel vaker bont en blauw gezien, maar dit ziet eruit als een persoonlijk record. Mooi verhaal?'
Robert knikte. 'Misschien wel het mooiste tot nog toe.'
Arutha glimlachte naar zijn oude vriend. 'Ik ben blij je te zien, en niet alleen vanwege de snelle reis.'
Weer werd er geklopt, en Wiliam verscheen. 'Hoogheid,' zei hij begroetend. 'Admiraal.'
'Ik ken jou,' zei Emus. 'Jij bent de zoon van Puc. Hoe lang heb ik jou al niet meer gezien? Tien jaar?'
Wiliam kleurde een beetje. 'Zoiets, admiraal.'
'Nou, trek een stoel bij en ga zitten. Het eten zal-' Hij werd onderbroken door een klop op de deur. 'Binnen!' bulderde hij. De deur ging open en er verschenen twee matrozen met voedsel en drank. Nadat ze de maaltijd hadden opgediend, vertrokken ze. Emus nam een ferme teug uit een fles wijn. 'Nu dan, wat is er gebeurd?'
Arutha schetste de situatie, vanaf de schijnbaar willekeurige moorden in Krondor tot aan de overval op het hol van de Nachtraven. 'En zo hebben we een document, in een taal die Wiliam noch ik kunnen lezen, maar waarin wel de Hertog van Olasko wordt genoemd.'
'Laat eens zien,' zei de voormalige piraat. 'Ik heb wat woestijntaaltjes opgepikt toen ik nog ... langs de Keshische kust voer.'
Robert glimlachte. Schendert de piraat had in zijn jonge jaren net zo veel Keshische als Koninkrijkse havens overvallen.
'Het probleem is niet alleen dat dit een van de minder bekende dialecten is, maar ook dat de schrijver niet echt goed kon schrijven. Maar wat ik eruit kan opmaken, is dat het een moordopdracht is. Iemand betaalt - nee, dat is alleen een veronderstelling. Iemand heeft de moordenaars bevolen de Hertog van Olasko om te brengen.'
'Maar wij denken dat het een vals spoor is,' wierp Arutha tegen.
'Werkelijk?' vroeg Emus. 'Vertel.'
'De kroonprins van Olasko maakt ook deel uit van het gezel schap, en uit de verslagen over de aanval op de hertog blijkt dat ze in werkelijkheid achter hem aan zaten.'
Emus leunde achterover en las het document nogmaals. 'Er staan ook andere namen: Vladic, Kazamir en Paulina.'
'Leden van het Koninklijk Huis van Olasko,' zei Arutha.
'Die moeten er dus ook aan geloven.' Emus bestudeerde het document nog even langer, en schoof het van zich af 'Nou, ik zou er nog maar iemand over raadplegen, Arutha. Laat er een deskundige naar kijken, want ik kan me best vergissen.' Na een moment van overpeinzing vervolgde hij: 'Maar het ziet er hoe dan ook naar uit dat iemand een oorlog wil ontketenen tussen Olasko en het Koninkrijk.'
'Wie dan?' vroeg Wiliam.
Emus keek hem aan, en zijn wenkbrauwen gingen omhoog. 'Zoek uit waarom, dan weet je vanzelf wie.'
Robert liet zich zakken tegen de rugleuning van zijn stoel. Starend uit de grote ramen naar de opkomende kleine maan, dacht hij na over wat Emus zojuist had gezegd. Zachtjes voor zich uit sprekend vroeg hij zich af: 'Waarom?'
Met stralend weer zeilden ze de haven van Krondor binnen. Emus had zowel zijn vaandel van de Admiraal van 's Konings Vloot in het Westen als het koninklijk embleem van de prins in top gehesen, en de andere schepen maakten de weg vrij naar de aanlegplaats van het paleis.
De immer alerte ceremoniemeester deRosa had een officiële wacht op de kade laten opstellen, die samen met de prinses en de kinderen het ontvangstcomité vormden. Arutha liet zich een minimum aan vormelijkheid welgevallen, en nam een ogenblik om zijn vrouwen zijn kinderen een voor een te omhelzen. Daarna verontschuldigde hij zich en nam Robert en Emus mee voor een vergadering met zijn staf.
Anita kende haar echtgenoot goed genoeg om te begrijpen dat het een dringende kwestie betrof, en ze nam de kinderen mee terug naar het koninklijk verblijf Arutha gaf te kennen dat zijn beste vertalers in de Keshische woestijntalen zich bij hem moesten melden zodra hij zich had omgekleed.
Wiliam nam afscheid van Robert en haastte zich naar het onderkomen van de vrijgezelle officieren, waar hij door de andere jongelieden met vragen werd bestookt terwijl hij voortmaakte om in bad te gaan en een schoon uniform aan te trekken.
Toen Wiliam nog vlug zijn laarzen poetste, kwam Gordon O'Donald de trap op. 'Wiliam! Mijn allerbeste vriend, hoe gaat het?'
Wiliam glimlachte. 'Allerbeste vriend?'
'Ik schrijf het op jouw conto dat Treggar een aantal weken is weggeweest. Ik kan niet zeggen dat het hier net de hemel was, maar het kwam er toch dicht in de buurt.'
Wiliam keek hem weifelend aan. 'Ik denk dat je iets te hard over de kapitein oordeelt, Gordon. Neem maar van mij aan: als het op vechten aankomt is hij degene die je aan je zij wilt hebben.'
Gordon wreef over zijn kin. 'Nou ja, als jij het zegt. Maar in ieder geval is het in de kantine een stuk rustiger geweest.'
Wiliam grinnikte. 'Hoe zie ik eruit?'
'Als een pas gewassen luitenant.'
'Mooi. Ik moet terug naar de raadzaal van de prins.'
'O, ik dacht dat je misschien op bezoek ging bij je vriendinnetje in De Bonte Papegaai.'
Wiliam rende de trap al af, en hij struikelde bijna, zo snel draaide hij zich om. 'Talia?'
'Ik heb haar een beetje in het oog gehouden terwijl jij weg was,' zei O'Donald. Toen Wiliams gezicht betrok, voegde hij er vlug aan toe: 'Als vriend, natuurlijk.'
'Natuurlijk,' herhaalde Wiliam met een onheilspellende glimlach.
Met een theatrale zucht zei O'Donald: 'En dat was maar goed ook, want dat meisje wou niets met me te maken hebben. En evenmin met iemand anders, volgens mij. Het lijkt erop dat je een liefje hebt, Wil.'
Wiliam kon zijn grijns niet inhouden. 'Echt?'
O'Donald gaf hem een duw. 'Laat de prins nou niet wachten. Je krijgt vast nog wel een momentje vrij om Talia te gaan bezoeken.'
Wiliam was zo afgeleid door Gordons mededeling dat hij bijna van de trap viel. Ternauwernood ving hij zichzelf op de volgende trede op.
'Ga nou maar,' zei Gordon lachend. Je kunt de prins niet laten wachten.'
Wiliam rende door het arsenaal en over de verzamelplaats naar het paleis. Tegen de tijd dat hij er was, arriveerden ook de anderen in de raadzaal van de prins. Wiliam keek rond, en Robert beduidde hem met een armzwaai naast hem bij de prins te komen zitten. Tussen de prins en Robert stond een lege stoel, gereserveerd voor de Ridder-Maarschalk van Krondor en, sinds Gardaan met pensioen was, onbezet. Ook Emus nam deel aan de vergadering, evenals kapitein Guruth, schout Means en kapitein Issacs, die het bevel voerde over de Wacht van het Koninklijk Huis.
Arutha nam het woord. 'Ik heb zes scribenten die goed thuis zijn in de minder bekende Keshische dialecten op die tekstrollen gezet. Pater Belson van de Tempel van Prandur is de kist aan het bekijken en komt straks met zijn eerste bevindingen.' Hij keek naar de twee kapiteins en de schout. 'Voor degenen die niet bij ons waren, zal ik onze situatie uit de doeken doen.'
Zelfs na tien jaar in dienst van de prins kon Robert zich nog steeds verbazen over de manier waarop Arutha dacht. Hij wist precies hoe hij de noodzakelijke informatie moest overbrengen zonder verfraaiingen, maar met genoeg bijzonderheden om het gewicht van de verschillende onderwerpen duidelijk te maken.
Toen Arutha bijna klaar was met het schetsen van de achtergrond voor de twee kapiteins en de schout, kwam pater Belson de kamer binnen. 'Hoogheid,' begon de priester van Prandur, 'ik heb alle tot mijn beschikking staande kunsten aangewend, en voor zover ik kan bepalen is er niets magisch aan dat zegel. Het lijkt een simpel waszegel, slechts bedoeld om vast te stellen of de kist geopend is geweest.'
Arutha wuifde hem naar een lege stoel. 'We zuilen er na de vergadering naar kijken.' Hij richtte zich tot de groep. 'De wacht op de hertog en zijn familie wordt tot hun vertrek verdubbeld.'
Bij die woorden keek kapitein Issacs ongemakkelijk op. 'Sire, Zijne Excellentie is herstellende van zijn verwondingen, en hij klaagt over de manier waarop hij wordt bewaakt. Hij heeft... kennis gemaakt met een aantal dames, die hem... bezoeken.'
Arutha leek gevangen tussen irritatie en geamuseerdheid. 'Nou, het beste advies dat ik heb te bieden, kapitein, is om de hertog in herinnering te brengen dat zijn vrouw er beslist prijs op zou stellen dat hij wordt beschermd. Wellicht binnen gehoorsafstand van deze... dames die u noemde.'
Robert grijnsde, en Wiliam moest zijn best doen om zijn gezicht in de plooi te houden. Emus sloeg lachend met een hand op tafel. Hij wilde net iets zeggen, maar Arutha was hem voor. 'Waag het niet mij te vertellen dat ik altijd alle pleziertjes bederf, Emus.'
Emus schaterde het uit.
'We hebben het hart van de Nachtraven in dit gebied uitgerukt,' zei Arutha tegen kapitein Guruth en schout Means, 'maar we hebben hen niet allemaal onschadelijk gemaakt.'
Emus knikte. 'Die ellendelingen zijn net kakkerlakken. Zodra je het licht aansteekt, schieten ze weg in de schaduwen. Je ziet ze bijna niet, maar ze zijn er wel degelijk.'
Robert bleef grijnzen, maar Arutha toonde zijn ongenoegen over deze onderbreking. 'Zoals ik dus zei, hebben we hen niet allemaal onschadelijk gemaakt. Als ze de stad bereiken, of als ze al mensen hier hebben, kunnen ze een nieuwe aanval op de hertog plegen om zich van hun verplichtingen te kwijten.'
De deur ging open, en een van de soldaten liet een schrijver binnen, die een buiging maakte. 'Hoogheid, ik heb de tekst gelezen die u als belangrijkste hebt aangeduid.' Het was een klein mannetje, in een eenvoudige blauwe tuniek en een grijze broek, en gewone zwarte laarzen. Zijn meest opvallende kenmerk was een neiging zijn ogen tot spleetjes te knijpen.
'Wat kan je me vertellen?' vroeg de prins.
'Admiraal Trask opperde de mogelijkheid dat de schrijver niet echt goed kon schrijven,' zei de klerk. 'Zo mag het er dan uitzien voor het ongeoefende oog, maar dat is echter niet het geval. In feite is het een hele slimme code.'
'Een code?'
'Geen geheimschrift, zoals de Queganen hanteren - en niet eens zo goed, mag ik wel zeggen - maar eerder een van te voren afgesproken reeks uitdrukkingen die naar mijn idee een bijbetekenis hebben. De namen van de hertog en zijn familieleden zijn duidelijk genoeg te lezen, maar andere relevante informatie is handig verpakt in zinsdelen die ogenschijnlijk vrij onschuldig zijn. Ik zal u een voorbeeld geven. "Onze heer gebiedt iedereen aanwezig te zijn bij het getij van groene vervulling." Getij van groene vervulling is duidelijk een bepaald tijdstip dat van te voren is afgesproken tussen de schrijver en degene voor wie het bericht was bedoeld. Hier nog een: "Het geschenk moet de genoemde bereiken voor hij vertrekt naar het kraaienbanket.'"
'Is er nog ergens een touw aan vast te knopen?' vroeg Arutha.
'Als u een gevangene had die deze sleutels kende, en als u die uit hem kon krijgen, zou alles meteen duidelijk worden. Maar het is volstrekt zinloos om zomaar te raden wat die willekeurige uitdrukkingen betekenen.'
'Lees er nog eens een paar voor,' zei Arutha.
'Eh...' begon de scribent, "'De meester dient bericht te krijgen vóór de koudste winternacht.'"
Robert knikte. 'Ik weet niet of het iets uitmaakt, maar er was vroeger een Keshische bende die slaven naar Durbin bracht. Ze noemden zich de Smartelijke Broeders of zoiets.'
'Broederschap der Smart,' verbeterde Emus. 'Die ben ik een paar keer tegen het lijf gelopen in de tijd dat ik... nog voor mezelf voer. Akelige lui. Maling aan iedere wet, ontvoerden zowel vrijgeborenen als gevangenen, die ze in Durbin op het slavenblok verkochten.'
'Van tijd tot tijd doken ze ook op in Krondor,' zei Robert, 'en zodra de Snaken wisten dat ze er waren, joegen ze hen er weer uit. Maar ik heb gehoord dat ze een code gebruikten waarbij een plaats een persoon was, een persoon een tijd, een tijd een plaats, dat soort dingen.'
'Dus dat "kraaienbanket" kan net zo goed een plek zijn als een gebeurtenis?' vroeg Arutha.
'Ja,' beaamde Robert. 'Niet dat het veel uitmaakt om dat te weten, maar ik zeg het toch maar even.'
Arutha leunde achterover. 'Misschien geen gek idee.' Hij keek de schrijver aan. 'Scheelt dat?'
'Misschien,' antwoordde de man. 'We hebben een aardige verzameling van dit soort uitdrukkingen uit een groot aantal documenten. Misschien vinden we iets door te zoeken naar gelijkluidende of identieke zinsdelen.'
Arutha wuifde hem weg met de woorden: 'Kijk ernaar, en kom morgenochtend melden wat jullie hebben gevonden.' Hij richtte zich tot de schout en de kapiteins Issacs en Guruth. 'Zoek in alle hoeken en gaten, en als jullie een van die moordenaars vinden breng je hem hier. En laat hem met niemand spreken.'
De drie mannen salueerden en vertrokken.
Arutha stond op, en onmiddellijk volgden de anderen aan tafel zijn voorbeeld. 'Laten we eens gaan kijken naar die kist. Pater, als u mee wilt gaan, voor het geval er magie is die u toch nog over het hoofd hebt gezien?'
De priester van Prandur knikte.
Wiliam en Robert sloten zich aan achter de prins, en Arutha vroeg: 'Ga je ook mee, Emus?'
'Alsof je me kan tegenhouden,' antwoordde Emus lachend.
Ze liepen naar een grote opslagruimte die door de koninklijke familie voor diverse doeleinden werd gebruikt. Momenteel stond hij half vol met meubels, kisten oude kleren, speelgoed dat de koninklijke kinderen waren ontgroeid, en andere familie-eigendommen.
'Misschien moeten we hem in de onderste kerker zetten voordat we hem openmaken,' opperde Robert.
'Kijk eerst maar naar het slot, jonker. Als je denkt dat het gevaarlijk is, zullen we dat doen.'
Robert haalde zijn gereedschap te voorschijn, opgerold in een strook leer. Hij knoopte de bundel los, rolde hem uit en pakte een peilstift. Nadat hij het slot aan een nader onderzoek had onderworpen, zei hij: 'Er zit een beveiligingsmechaniekje, maar het is alleen maar een naald, echter vrijwel zeker giftig.' Hij pakte een ander instrument en stak het in het slot. Na even proberen hoorde iedereen in de kamer een scherpe klik. Meteen trok Robert de stift terug en knipte de naald af met een klein nijptangetje. Hij stond op. 'Iedereen achteruit, voor het geval dat.' Robert haalde de beugel van het slot en maakte de kist open.
Meteen werd het donkerder in de kamer, alsof er een wolk voor ieder licht in de ruimte schoof. Er kwam een zuchtje wind uit de kist, en er bolde een donkere vorm uit op. Het was een menselijke gedaante, maar dan zonder diepte, alsof er een schaduw midden in de lucht hing, zonder op een oppervlak te vallen. Even leek de vorm het vertrek rond te kijken, toen stapte hij uit de kist en vloog naar de deur.
Iedereen stond als aan de grond genageld van verbazing, tot Robert riep: 'Hou hem tegen!'
Arutha trok zijn zwaard, evenals Wiliam en Emus. Wiliam was de enige die zich tussen de zwarte entiteit en de deur bevond, en hij probeerde hem tegen te houden door zijn zwaard naar voren te steken. De schaduw liep dwars door het zwaard, alsof het er niet was.
'Erachteraan!' schreeuwde Arutha.
'Wat is dat voor iets?' vroeg hij aan Robert.
'Dit heb ik nog nooit gezien,' liet Emus zich ontvallen.
'Ik ook niet,' zei Robert, 'maar ik heb er wel over gehoord.'
'Wat is het dan?' herhaalde Arutha zijn vraag.
'Een schaduwsluiper. Een magische moordenaar. Die kist was zo makkelijk te openen omdat iemand wilde dat hij hier werd geopend!'
'Het zal je anders moeilijk vallen om mij ervan te overtuigen dat die moordenaars zich hebben laten afslachten opdat wij die kist hierheen konden slepen,' zei Arutha, achter de schaduw aan rennend, die dwars door een dichte deur heen liep.
Ze trokken de deur open en keken de gang erachter in. Het zwarte wezen was nergens te zien. 'Dat geloof ik ook niet, Hoogheid,' zei Robert, 'maar misschien waren ze van plan die kist ergens heen te brengen waar wij hem zouden vinden - daar!' Hij wees de gang in.
'Wat?' vroeg Arutha.
'Beweging in de schaduwen.'
'Ik zie niets,' zei Emus.
Robert rende de gang al in, met Arutha op zijn hielen. 'Al had je er recht naar gekeken, admiraal,' riep Robert, 'dan nog zou je niets hebben gezien!'
Plotseling vloog er een bol van vuur over hen heen, die stil bleef hangen in de hoek waar de gang naar rechts liep. Alle schaduwen verdwenen in het felle licht, behalve de mensvormige schaduwmoordenaar, die in sterk contrast stond afgebeeld.
Arutha en de anderen keken om en zagen pater Belson met zijn handen omhoog staan, alsof hij de vuurbol bestuurde. 'Prandurs vuur brandt zuiver, Hoogheid. Ik weet niet of ik dat ding tegen kan houden, maar ik kan u wel laten zien waar hij zich verborgen houdt!'
'Mee erachteraan, pater!' riep de prins.
'Hoogheid, waar gaat hij naartoe?' vroeg Wiliam.
'Naar de plek waar Zijne Excellentie, de hertog van Olasko zich momenteel bevindt,' antwoordde de prins.
'Hij is op weg naar de gastenvleugel,' zei Robert.
Arutha haalde het wezen in en sloeg ernaar met zijn zwaard. De kling zwiepte dwars door de schaduwgedaante heen, die even aarzelde, zijn kop bewoog alsof hij rondkeek en verder liep.
'Je hebt in ieder geval zijn aandacht getrokken,' zei Robert, 'maar gewond schijnt hij niet te zijn.'
'Alle suggesties om dat ding tegen te houden zijn welkom!' riep Arutha.
'Blijven slaan,' opperde Emus.
Nogmaals haalde Arutha de bewegende schaduw in en hij maaide verscheidene malen met zijn rapier. De schaduw kromp ineen, draaide linksom, rechtsom, en vluchtte toen in een rechte lijn naar het plafond, waar hij afstak als een geschilderd silhouet. Even bleef hij zo hangen, voordat hij zijn tocht hervatte.
Op dat moment ging de vuurbol uit, en het wezen verdween in de schaduwen.
Robert wees. 'Daar!'
'Als ik nog zo'n bol werp, kan ik daarna misschien niet zo veel meer uitrichten,' waarschuwde pater Belson.
'Weet u een bezwering om dat monster tegen te houden, pater?' vroeg Arutha, in versnelde wandelpas achter Robert aan lopend.
'De meeste bezweringen van mijn orde die voor de strijd zijn bedoeld resulteren doorgaans in extreme schade, Hoogheid.'
'Ik ben bereid het paleis in brand te steken om een oorlog te voorkomen, pater.'
'Maar misschien haalt het niets uit,' wierp de priester tegen.
'Zal ik vooruit rennen om de wacht in te schakelen?' stelde Wiliam voor.
'Waarvoor?' vroeg Arutha zich af. 'Met hun wapens kunnen ze hem toch niet tegenhouden.'
Robert rende nog steeds voorop, zijn blik op het plafond gevestigd om de entiteit niet uit het oog te verliezen.
'Uit de weg!' schreeuwde Emus toen ze in een drukkere gang kwamen.
De bedienden en de op de hoeken gestationeerde wachters keken vreemd op bij het zien van hun monarch en verscheidene leden van zijn raad, langsrennend met de blik gericht op het plafond. Toen ze omhoog keken, zagen ze slechts een lichte flikkering van schaduwen, verder niets.
'Nu begrijp ik in ieder geval wie de magiërs in Krondor vermoordden en waarom,' merkte Robert op.
'Zodat de prins niemand kon halen om dat ding tegen te houden?' vermoedde Wiliam.
'Of om de kist te onderzoeken met andere magie dan de goede pater gebruikt,' begreep Emus.
'Wat weet je nog meer over die wezens?' vroeg Arutha aan Robert.
Zonder zijn ogen van de over het plafond glijdende schaduw af te halen, antwoordde Robert: 'Alles wat ik ervan weet is wat ik gehoord heb van de oude straatmagiërs die me over die dingen hebben verteld. Denken kan hij niet. Eenmaal onderweg houdt hij niet meer op tot zijn prooi is gedood of hijzelf is vernietigd.'
'Er bestaan tegenmaatregelen voor bepaalde magie,' wist de geestelijke, 'maar ik heb geen idee wat hiervoor nodig is, en ik heb niet echt de tijd om mijn superieuren in de tempel te raadplegen, of om de andere orden om hulp te vragen.'
'Misschien weet ik iets,' zei Wiliam.
'Wat dan?' vroeg Arutha.
'Zeker ben ik er niet van, maar ik heb een idee.'
'Niet zo verlegen, Wil,' spoorde Robert hem aan. 'We naderen de gastenvleugel.'
'Hij heeft twee mogelijkheden om iemand te doden, volgens mij. Of hij materialiseert zich om de hertog te vermoorden zoals een mens dat zou doen, met een wapen, of door hem te wurgen, of -'
'Hem zijn nek te breken,' onderbrak Emus. 'Goed, dat is duidelijk. Ga door.'
'Of hij moet de hertog... iets aandoen, met een vergif, een ziekte of iets dergelijks.'
'Pater,' vroeg Arutha, 'als hij de hertog treft met een ziekte of zoiets, kunt u dan helpen?'
'Dan hou ik de hertog in leven,' beloofde de priester. 'In ieder geval lang genoeg om andere genezers in het paleis te ontbieden.'
'En als hij vaste vorm aanneemt?' vroeg Robert, inmiddels bijna aangekomen bij de grote deuren naar het verblijf van de hertog. 'Maak de deuren open!' schreeuwde hij naar de twee soldaten die er de wacht hielden.
'En als hij vaste vorm aanneemt?' herhaalde Emus de vraag voor Arutha.
'Dan maken we hem af,' antwoordde de prins.
Vooruit rennend commandeerde Wiliam de wachters de deuren open te maken voordat Robert de flikkerende schaduw op het plafond uit het oog verloor. Enkele ogenblikken later bereikten ze het vertrek van de hertog. Zonder acht op die deur te slaan, gleed het schaduwwezen verder de gang door. Bij een andere ingang bleef hij hangen. 'Maak die deuren open!' schreeuwde Arutha.
Na een korte aarzeling gehoorzaamden de wachters, maar tijdens dat korte moment gleed het wezen tussen de bovenkant van de deuren en het kozijn door.
Vladic, Kroonprins van Olasko, veerde rechtop in zijn bed. De vrouw naast hem kroop weg onder de dekens, als om zich te verstoppen. 'Wat heeft dit te betekenen?' riep Vladic uit.
Robert keek omhoog naar het plafond, en toen de kamer rond. 'Pater, alstublieft,' zei hij op dringende, smekende toon.
De priester liet een nieuwe vuurbol verschijnen, en Vladic deinsde terug. 'Wat is dit?' Hij stapte uit bed en greep zijn zwaard.
'Daar!' riep Robert toen het wezen weer scherp afstak, ineengedoken op de muur achter Vladic.
Onmiddellijk sprong Wiliam naar voren, greep Vladic beet en trok de prins weg.
Op dat moment stapte de schaduw omlaag van de muur op de vloer. Voor ieders ogen zwol hij op, kreeg vorm, en werd vast.
Arutha ging voor Vladic staan. 'Neem me niet kwalijk, Hoogheid.'
Zonder acht op zijn eigen naaktheid te slaan, hield Vladic zijn zwaard in de aanslag. 'Wat is dat?'
'Iets wat kennelijk niet is gesteld op uw aanwezigheid,' antwoordde Robert, die bij Arutha kwam staan. Ook hij had zijn zwaard getrokken.
De schaduwgedaante leek nu definitief tot vaste vorm gekomen te zijn en zag eruit als een man zonder gezicht, haar of ander kenmerk. De huid was gitzwart; geen enkel licht werd erop weerkaatst.
Arutha haalde uit, en terwijl het wezen aarzelend bleef staan, sneed het zwaard van de prins dwars door hem heen.
Toen sprong het wezen op prins Vladic af.