2 Krondor
De stoet reed naar de stad.
Donker afstekend tegen de late middagzon rezen de torens van Krondor op tegen een limoengele hemel. In het oosten kleurden de wolken rose en oranje in een schijnbaar zinderend blauw: De colonne achter de voorhoede van de prins versnelde de pas toen ze zich begaven door de zuidelijkste stadspoort, die het dichtst bij het paleis en de kazerne lag. Het verkeer in de wijk was normaal voor het tijdstip: enkele handelaars die hun wagens de stad in reden, terwijl boeren de stad verlieten om op weg naar huis te gaan.
Robert wees. 'Niet bepaald een warm onthaal, hè?'
Joolstein zag dat een paar nieuwsgierige voorbijgangers omkeken naar de naderende compagnie die Arutha door het paleis district begeleidde. Voor de rest werden ze door de burgerij genegeerd, wat al het geval was geweest sinds ze de buitenwijken van Krondor hadden bereikt. 'Arutha zal wel geen bericht hebben gestuurd dat we vandaag zouden arriveren.'
'Nee, het is iets anders,' zei Robert, terwijl de vermoeidheid van dagen van hem afviel toen hij werd gegrepen door nieuwsgierigheid.
Joolstein keek naar de gezichten van de mensen die aan weerskanten van de straat stonden om het gezelschap van de prins voorbij te laten, en zag hun verontrusting. Je hebt gelijk, Robert.'
In de hoofdstad van het Westelijke Rijk van het Koninkrijk der Eilanden was het nooit stil. Zelfs in de donkerste uren voor zonsopgang klonk er overal geluid. Iedere stad had haar eigen ritme, en dat van Krondor kende Robert even goed als zijn eigen hartslag. Hij kon het horen, en verstaan wat ermee werd gezegd: Er klopt iets niet. Het was nog een uur voor zonsondergang, maar het was stiller in de stad dan het hoorde te zijn.
Joolstein luisterde, en begreep wat Robert hoorde: een gedempte ondertoon, alsof iedereen wat zachter praatte dan gewoonlijk. Een schreeuw van een menner tot zijn muilezels was net iets korter, opdat diens stem niet te lang in de lucht bleef hangen en de aandacht op zich vestigde. De roep van een moeder tot een kind om naar huis te komen klonk kort en scherp, gevolgd door een zacht dreigende waarschuwing in plaats van luidkeels gesnerp.
'Wat denk je dat er loos is?' vroeg Joolstein.
'Daar komen we straks vanzelf wel achter,' antwoordde Arutha rustig van iets verderop, zonder om te kijken.
De jongemannen keken langs hun vorst heen en zagen bij de paleispoort een ontvangstcomité. Vooraan stond prinses Anita, glimlachend van opluchting om haar man ongeschonden terug te zien. Ondanks de tien jaren huwelijk en moederschap zag ze er nog steeds jong uit, en haar rode haar was opgestoken onder een grote witte hoed, die er in Roberts ogen eerder uitzag als een zeilschip dan iets anders. Het was echter de laatste mode, en het gaf geen pas om een grap te maken ten koste van de prinses, vooral niet wanneer haar tweede glimlach voor jou was bestemd.
Robert glimlachte naar haar terug en koesterde zich een ogenblik in de hartelijkheid van haar begroeting. Zijn jongensachtige verliefdheid op de prinses was gerijpt tot een diepe, blijvende genegenheid, en al was ze te jong om als een tweede moeder te worden beschouwd, ze speelde met gemak en humor de rol van oudere zus. En voor eenieder die hen kende was het zonneklaar dat zij Robert beschouwde als het kleine broertje dat ze nooit had gehad. Het ging zelfs zo ver dat de kinderen van de prinses Robert 'ome Robbie' noemden.
Rechts van Anita stond de tweeling, de prinsen Borric en Erland, met elkaar te stoeien, alsof het de twee negenjarigen onmogelijk was ook maar een moment rustig te zijn. De roodharige jochies waren intelligent, wist Robert, en ongedisciplineerd. Op een dag zouden ze behoren tot de machtigste edellieden van het Koninkrijk, maar voorlopig waren ze slechts twee onhandelbare kinderen die zich niet als prinsen wensten te gedragen en het liefste ervandoor gingen om nieuw kattenkwaad uit te halen. Vlak voor haar moeder stond prinses Elena, vier jaar jonger dan de tweeling. Haar gezicht was net zo verfijnd als dat van haar moeder, maar haar kleur was die van haar vader, donker en intens. Ze straalde bij het zien van haar vader aan het hoofd van zijn paleiswacht. Zwichtend voor de drang wees ze naar hem en zei: 'Daar is papa!'
Arutha hief zijn hand op en liet halt houden. Zonder te wachten op het officiële welkomstwoord van de ceremoniemeester sprong hij van zijn rijdier en rende naar zijn gezin. Nadat hij zijn vrouw had omhelsd, richtte hij zijn aandacht op zijn zoons en dochter.
Robert wees met zijn kin naar de erewacht en fluisterde tegen Joolstein: 'Willie heeft dienst.'
Wiliam, Pucs zoon, was cadet, als jonge officier-in-opleiding het vak aan het leren. Een blik met Robert uitwisselend knikte hij de jonker even toe.
De compagnie kreeg het bevel om in te rukken, en Robert en Joolstein stegen af. Meteen kwamen de stalknechten om de vermoeide rijdieren mee te nemen.
Als jonker werden ze geacht de prins op zijn wenken te bedienen, dus stelden ze zich rechts van Arutha op.
Anita onthaalde de jongemannen op een hartelijke begroeting, en keek Arutha aan. 'Ik weet dat ik me geen zorgen had hoeven maken. Je komt altijd weer bij me terug.'
Arutha's glimlach drukte zowel blijdschap als vermoeidheid uit. 'Altijd.'
Achter de koninklijke familie stond een groepje hofbeambten, en Arutha knikte hen begroetend toe. Aan hun gezichten kon hij zien dat hij in de raadzaal werd verwacht voordat hij zich kon overgeven aan een lang onderhoud met zijn gezin. Hij zag de schout van Krondor bij hen staan, en zuchtte. Dat kon alleen maar betekenen dat er ernstige problemen in Krondor speelden, want al was de schout een belangrijk functionaris in de stad, officieel maakte hij geen deel uit van Arutha's hof. Met een blik op Gardaan zei hij: 'Maarschalk, ga kijken wat de schout en de anderen willen, en kom over een half uur naar mijn vergaderkamer. Voordat ik me weer aan de tafel zet, wil ik eerst het reisstof kwijt.' Hij glimlachte naar Anita. 'En wil ik eerst een poosje voor mezelf om met mijn vrouwen kinderen te praten.' Hij boog zich naar Anita en kuste haar op de wang. 'Breng de kinderen maar naar onze woonkamer. Ik kom zo, lieverd.'
Anita nam de kinderen mee, en Arutha wenkte Robert en Joolstein. 'Er is ons nog steeds geen rust gegund.' Zijn blik ging naar de paleiswacht. 'Onze Wiliam ziet eruit alsof hij dringend iets te vertellen heeft, dus ga maar eens uitzoeken wat dat is. Ik zal wel een andere versie van hetzelfde verhaal te horen krijgen in de raad. Als het nodig is om rond te neuzen in de stad, doe dat dan, en wees voor het einde van het avondmaal terug.' Toen keek hij Robert aan. Je weet wat je moet doen.'
Robert knikte. Toen hij met Joolstein wegliep, vroeg die: 'Wat betekende dat?'
'Wat?'
'Je weet wat je moet doen?'
'O, gewoon iets waar Arutha en ik aan hebben gewerkt nadat jij naar Tyr-Sog was gestuurd voor-'
'Ik weet wel waarom ik naar Tyr-Sog ben verbannen,' onderbrak Joolstein hem met vermoeide stem. 'Maar al te goed,' voegde hij eraan toe, denkend aan de naderende terugreis naar dat koude en eenzame oord aan de noordgrens.
Robert gaf een teken aan de wachter die het bevel over de cadetten voerde. De man sprong in de houding en schreeuwde: 'Leden van het hof!'
De cadetten stonden al in de houding, maar ze schenen nog iets verder te verstrakken toen de twee jonkers naderden.
Robert knikte ter begroeting naar zwaardmeester McWirth. 'Hoe is het vanmiddag met de cadetten, zwaardmeester?'
'Een waardeloos zooitje, jonker, maar een paar van hen zuilen het misschien toch nog overleven om dienst te mogen nemen in mijn leger!'
Robert glimlachte wat zuur om deze opmerking, aangezien de zwaardmeester en hij niet bepaald goed met elkaar overweg konden. Als lid van Arutha's hofhouding maakte de jongeman geen deel uit van het leger, en hij deed zijn zwaardoefeningen samen met de prins - in feite was Robert Arutha's favoriete oefenpartner, aangezien hij als een van de weinigen in de stad even snel met het zwaard was als Arutha. En met zijn rang als jonker werd hij vaak belast met de leiding over soldaten die onder de zwaardmeester waren opgeleid, en dat stak de oude militair.
Maar toch, bedacht Robert, McWirth deed zijn werk uitstekend, en hij leverde goede officieren af, vooral degenen die werden gekozen voor de Wacht van het Koninklijk Huis, want dat waren stuk voor stuk uitmuntende soldaten. Tijdens zijn reizen had Robert zowel het beste als het slechtste van het leger gezien, en hij twijfelde er niet aan dat deze soldaten behoorden tot de beste van het Westelijke Rijk.
'Als u met hem klaar bent, wil ik graag even spreken met de neef van de prins, zwaardmeester.'
De stugge oude militair wierp Robert een onheilspellende blik toe, en eens te meer was Robert dankbaar dat hij nimmer onder het toeziend oog van de zwaardmeester had hoeven staan. McWirth draaide zich om en schreeuwde: 'Ingerukt! Cadet Wiliam, aantreden!'
Terwijl de andere cadetten op weg naar hun kazerne gingen, kwam Wiliam voor de zwaardmeester staan. 'Heer!'
'Een van de leden van het hof wil je spreken, naar het schijnt.' Hij glimlachte naar Robert en Joolstein. 'Een goede dag nog, jonkers.' Toen keek hij Wiliam weer aan. 'En als je klaar bent, verwacht ik je terug bij de andere cadetten, of anders mag je tijdens het eten je uitrusting verzorgen, is dat duidelijk?'
'Heer!' antwoordde Wiliam, saluerend. De oude zwaardmeester beende weg, en Wiliam liep naar Joolstein en Robert.
'Is er nog nieuws?' vroeg Robert.
'Heel veel.' Wiliam was een wat kleine man, zij het langer dan zijn vader, met donkerbruine haren en ogen. De jongensachtige trekken in zijn gezicht waren verdwenen in de maanden die hij in dienst van het leger was geweest, en zijn schouders waren breder geworden. Hij kon dodelijk omgaan met het tweehandszwaard, dat voor de meeste soldaten een lastig wapen was, en zijn ruiter kunst werd als uitzonderlijk beschouwd. 'Ik word volgende week bevorderd!'
'Gefeliciteerd,' zei Joolstein. 'Ik word verbannen.'
Verbaasd keek Wiliam hem aan. 'Alweer?'
Robert schoot in de lach. 'Nog steeds. Arutha had begrip voor zijn redenen om zonder toestemming terug te komen, maar vond het toch niet genoeg om hem vervroegd uit het koude noorden terug te roepen.'
Joolstein fronste zijn wenkbrauwen. 'Morgenochtend vertrek ik weer naar Tyr-Sog.'
'Er is iets raars aan de hand in de stad,' zei Robert. 'Heb jij er iets over gehoord, Willie?'
Alleen Robert, Joolstein en Arutha's familieleden noemden Wiliam bij die naam, iets wat hij niemand anders toestond. 'Vreemde dingen,' antwoordde hij. 'Ze houden de cadetten druk bezig, zodat we niet veel omgaan met de anderen in het garnizoen, maar je vangt wel eens wat op. Het schijnt dat er een ongebruikelijk groot aantal mensen in de stad dood is aangetroffen in de afgelopen week.'
Robert knikte. 'Dat verklaart waarom de schout op de prins stond te wachten.'
'Gewoonlijk doet hij dat niet, nu je het zegt,' besefte Joolstein. Robert stond een ogenblik in gepeins verzonken. Meer dan eens had schout Wilfred Means zijn pad gekruist toen Robert zijn vak als dief had uitgeoefend. Een paar keer had het zelfs niet veel gescheeld of hij was diens gast in de Oude Stadsgevangenis geweest. De schout erkende Robert als jonker van de prins, en behandelde hem met het respect dat bij zijn functie hoorde, maar van enige hartelijkheid was volstrekt geen sprake. Plots doemde voor Roberts geestesoog het beeld op van een jongere Wilfred Means, woedend omhoogkijkend naar een van dak tot dak springende Robert, terwijl zijn snor bijna trilde van razernij om Robbies ontsnapping.
Maar de schout was zeer standvastig in zijn werk, en deed zijn best om de misdaad in Krondor zo veel mogelijk in de hand te houden. Naar alle maatstaven die Robert kon bedenken, was Krondor een rustige stad, en in tegenstelling tot menig voorganger was Wilfred Means er de man niet naar om zich te laten omkopen.
Dat hij persoonlijk had staan wachten om de prins te spreken zodra hij terug was, betekende dat er iets ernstigs was gebeurd, iets wat volgens de schout Arutha's ogenblikkelijke aandacht vereiste. 'Ga jij maar weer aan je werk,' zei Robert afwezig tegen Wiliam. 'Jool en ik moeten terug naar Arutha.'
'Nou, Jool,' zei Wiliam, 'dan wens ik je weer vaarwel, als je morgenochtend al naar het noorden vertrekt.'
Joolstein rolde met zijn ogen, en drukte toen Wiliams uitgestoken hand. 'Pas een beetje op deze schurk, Wiliam. Het zou me aan het hart gaan als iemand hem vermoordde terwijl ik het niet kon zien.'
'Jammer dat je de bevordering moet missen,' zei Wiliam.
Robert grijnsde. 'Maak je geen zorgen, Willie. Ik bouw wel een feestje voor je, en al moeten we het zien te stellen zonder de overdreven reputatie van deze schelm als magneet voor mooie meisjes, we komen heus wel wat knappe smoeltjes tegen die vol ontzag komen staren naar iemand met een gloednieuw officiersinsigne.'
Ondanks zichzelf moest Wiliam blozen. 'Pas goed op jezelf, Jool.'
Joolstein nam afscheid van hem, en toen Wiliam terug naar de kazerne rende, zei hij: 'Zag je die blos? Ik wed dat die knul nog nooit met een vrouw is geweest.'
Robert gaf zijn vriend een por met zijn elleboog. 'Niet iedereen is zo vroegrijp als jij, Jool.'
'Maar hij is al bijna twintig!' verbaasde Joolstein zich.
'Het is een schrandere jongen, en nog best een knappe knul ook,' wierp Robert tegen. 'Tegen de tijd dat jij weer terug bent, zal er best een hoop veranderd zijn.'
'Denk je?'
'Tuurlijk,' zei Robert terwijl ze het paleis binnengingen. 'Ik weet zeker dat ik in de komende vijf jaar wel een gewillig meisje voor hem weet te vinden.'
Op slag was Joolsteins grijns verdwenen. 'Vijf jaar?' Met grote ogen keek hij Robert aan. 'Je denkt toch niet dat Arutha me daar vijf jaar lang weg laat rotten, wel?'
Robert moest lachen om de zorgelijke blik van zijn vriend. Terwijl de twee jongemannen zich repten naar de vertrekken van de prins, haalde Joolstein met zijn elleboog uit naar Robert, die de stoot behendig ontweek, en even waren het weer jonge jongens.
Robert en Joolstein bereikten Arutha's vergaderzaal net toen de prins terugkwam van zijn korte bezoek aan zijn vrouwen kinderen. Hij beende doelbewust door de korte gang die zijn woonvertrekken scheidde van de raadzaal en het formele hof. Robert maakte voort om zich achter zijn leenheer aan te sluiten, met Joolstein op zijn hielen. Aan weerszijden van de deur naar de raadzaal stonden twee hofjonkers, en een van hen deed snel open, opdat Arutha naar binnen kon.
In de zaal werd Arutha begroet door ceremoniemeester Briano deRosa. Rechts van hem stond huisknecht Jeroen, zijn assistent. Jeroen en zijn opzichter bogen als één man voor de prins. Jeroen had vroeger samen met Robert en Joolstein tot de jonkers behoord, en Robert had zich als allereerste geweerd tegen de oudere knul, die de andere jongens danig op hun kop zat. Tegenwoordig was Jeroen in de leer bij deRosa, om hem op te volgen als de man die belast was met de dagelijkse beslommeringen aan het hof, en die tevens optrad als hoofdbestuurder van het paleis. Robert moest toegeven dat hij met zijn overdreven aandacht voor details geknipt voor die taak zou zijn.
'Ik ben erg moe, en zou vroeg met mijn gezin willen eten,' zei Arutha. 'Laten we bewaren wat we kunnen voor het officiële hof van morgen. Wat duldt geen uitstel?'
DeRosa knikte en keek op. 'Zullen we wachten op de Ridder-Maarschalk?' zei hij, toen hij diens aanwezigheid miste.
Op dat moment kwam Gardaan binnen. 'Neemt u mij niet kwalijk, Hoogheid. Ik wilde er eerst zeker van zijn dat de mannen voor hun paarden en hun wapens zorgden, voordat ik hierheen kwam.'
Arutha fronste zijn wenkbrauwen en trok een mondhoek op tot de vertrouwde halve glimlach. 'Je bent geen sergeant meer, Gardaan. Je bent de Ridder-Maarschalk van Krondor. Je hebt anderen om ervoor te zorgen dat de mannen en rijdieren fatsoenlijk worden ingekwartierd.'
Gardaan knikte. 'Dat is ook iets wat ik met u wilde bespreken.' Met een blik op de anderen in de raadzaal voegde hij eraan toe: 'Maar dat kan wachten tot na de vergadering van vanavond. Hoogheid?'
Met een hoofdknikje gaf Arutha zijn toestemming.
DeRosa haalde twee documenten tevoorschijn. 'Tijdens uw afwezigheid zijn er twee communiqués van Groot Kesh per koerier gebracht, Hoogheid, met betrekking tot weinig dringende zaken, maar ze vereisen wel een officieel antwoord.'
Arutha wuifde ze naar Robert. 'Die lees ik vanavond wel, en morgenvroeg stel ik meteen een antwoord op.'
DeRosa gaf ze aan Robert, die ze onder zijn arm stak zonder ernaar te kijken.
Daarop keek de ceremoniemeester naar de schout, die naar voren stapte en een buiging maakte. 'Hoogheid, ik vrees dat ik verslag moet doen van een golf van brutale moorden die tijdens uw afwezigheid in uw stad zijn gepleegd.'
Een tijdlang dacht de prins zwijgend over deze woorden na. 'Dan spreekt u dus over iets wat mijn persoonlijke aandacht behoeft? Want moord is niets ongewoons in onze stad.'
'Inderdaad, Hoogheid. Verscheidene vooraanstaande lieden zijn 's nachts in hun bed vermoord; de keel afgesneden terwijl hun vrouw naast hen lag te slapen.'
Arutha keek naar Robert en knikte even met het hoofd. Robert wist wat de prins dacht: Nachtraven.
Al bijna tien jaar lang had de stad geen last meer van het moordenaarsgilde gehad. De moordenaars die door Murmandamus' ondergeschikten waren gehuurd, waren aan het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring verdwenen. Een paar maanden geleden waren de eerste geruchten over hun terugkeer in omloop gekomen. Kort daarna waren ze plotseling in het Koninkrijk opgedoken. Robert had hun huidige leider gedood, maar maakte zich geen illusies dat de Nachtraven zomaar weg zouden gaan. Als er hier in Krondor een afdeling van hen bestond, zouden ze beslist al hebben gehoord van de dood van ene Navon du Sandau, eertijds een koopman uit Kenting Rush. Het onthullen van zijn ware identiteit had Robert bijna het leven gekost in een duel, en het was slechts te danken geweest aan de uren oefenen in het zwaardvechten met Arutha dat Robert had gewonnen.
Met een bezorgd gezicht vroeg Arutha de schout: 'Wat hebben uw mannen ontdekt?'
'Niets, Hoogheid. Van sommige slachtoffers wat men kon verwachten: lieden met vijanden vanwege hun bekendheid in hun vak. Maar anderen waren alleen maar van belang voor hun gezin. Er is geen logisch verband tussen deze moorden te leggen. Ze lijken... willekeurig.'
Arutha leunde achterover en overwoog wat hem was verteld. In razend tempo bekeek en verwierp hij verscheidene mogelijkheden. 'Willekeurig?' zei hij uiteindelijk. 'Mogelijk hebben we gewoon nog niet in de gaten wat er achter de keuze van slachtoffers zit. Laat uw mannen morgenochtend teruggaan voor het ondervragen van de familieleden van de slachtoffers, degenen die met hen hebben gewerkt, hun buren en verder iedereen die hen vlak voor hun dood nog kan hebben gezien. Mogelijk hebben we een belangrijk gegeven over het hoofd gezien omdat we niet beseffen dat het belangrijk is. Stuur een schrijver met uw mannen mee om de gesprekken te noteren. Wellicht ontdekken we toch nog een verband tussen deze moorden.' Hij zuchtte, en zag er vermoeid uit. 'Keer terug naar uw post, schout. Kom morgenochtend na het hof bij me terug, dan zullen we deze kwestie uitgebreid bespreken. Ik wil de rapporten van uw mannen morgenavond op mijn schrijftafel.'
De schout maakte een buiging en vertrok.
Arutha keek deRosa aan. 'En verder?'
'Niets wat niet kan wachten, Hoogheid.'
Arutha stond op. 'Het hof gaat uiteen tot het tiende uur van de dag van morgen.' DeRosa en Jeroen verlieten de zaal, en Arutha wendde zich tot Gardaan en de jonkers. 'Nu dan, Gardaan, waar wilde je me over spreken?'
'Hoogheid, ik heb uw huis al sinds mijn jeugd gediend. Ik ben soldaat en sergeant geweest onder uw vader, en kapitein en maarschalk onder u. Het wordt tijd dat ik terugga naar Schreiborg. Ik wil met pensioen.'
Arutha knikte. 'Aha. Kunnen we dit bespreken tijdens de maaltijd?'
'Als u wilt,' antwoordde de Ridder-Maarschalk.
'Dat wil ik. Joolstein, jij kunt je maar beter vast gaan voorbereiden op je vertrek van morgenochtend. Ik zal reisbescheiden naar je kamer laten brengen. Vertrek met de ochtend-patrouille naar Sarth. Als ik je voor die tijd niet meer zie: een goede reis naar Tyr-Sog.'
'Dank u, Hoogheid,' antwoordde Joolstein zo neutraal mogelijk.
Arutha wendde zich tot Robert en zei andermaal: 'Je weet wat je moet doen.' Daarop keerde hij zich met Gardaan in de richting van het woonverblijf van de koninklijke familie, terwijl de twee jonkers de andere kant op liepen.
Toen ze buiten gehoorsafstand waren, deed Joolstein de prins na: "Je weet wat je moet doen." Nou, waar gaat het over?'
Robert slaakte een zucht. 'Het betekent dat ik vannacht niet aan slapen toekom.'
'Is dat jouw manier om me te vertellen dat het me geen bliksem aangaat?' vroeg Joolstein.
'Ja,' antwoordde Robert. Verder zei hij niets meer terwijl ze verder liepen naar de vleugel van het paleis waar ze hun kamers hadden. Bij de deur van Joolsteins kamer zei Robert: 'Waarschijnlijk zie ik je ook niet meer voordat je weggaat, dus zorg dat je je niet laat vermoorden.'
Joolstein schudde hem de hand, en omhelsde toen zijn vriend. 'Ik zal mijn best doen.'
Robert grijnsde. 'Mooi, dan zien we je met een beetje geluk met het Midzomerfestival, vooropgesteld dat je niets uithaalt waardoor Arutha je daar langer laat blijven.'
'Ik zal me gedragen,' beloofde Joolstein.
'Dat is je geraden,' voegde Robert hem toe. Hij verliet zijn vriend en haastte zich naar zijn eigen kamer. Als lid van het prinselijk hof had Robert recht op een eigen onderkomen, maar aangezien hij slechts jonker was, bleef het bij een bescheiden vertrek, met een bed, een tafel om aan te schrijven of een eenzame maaltijd te eten, en een houten kledingkast met een dubbele deur. Robert sloot zijn kamerdeur achter zich af en kleedde zich uit. De reis kleren die hij droeg, waren veel te opvallend voor wat hij ging doen. Hij trok zijn kledingkast open, schoof een stapeltje wasgoed opzij, en vond daaronder wat hij zocht. Een donkergrijze tuniek en een donkerblauwe broek, vaak versteld en opgelapt, en veel viezer ogend dan ze in werkelijkheid waren. Nadat hij zich had omgekleed, trok hij zijn oudste laarzen aan en liet een degelijke, maar eenvoudig ogende dolk in zijn laarsschede glijden. Aldus vermomd als straatschuimer glipte hij de deur van zijn kamer uit. Bedienden en wachters mijdend koos hij zijn weg naar de paleiskelder. Kort daarop liep hij door een geheime gang die het paleis verbond met het stadsriool, en toen de avond over Krondor viel, liep Robbie de Hand weer over de Dievenheerbaan.
De zon was al onder tegen de tijd dat Robert aankwam op het punt waar het riool van het paleis overging in het stadsrioolstelsel. De hemel mocht dan nog een tijdlang licht zijn, maar onder de straten was het reeds zo donker als de nacht. Overdag waren er plekken in het riool waar daglicht binnenviel, door scheuren in gewelven vlak onder de grond, of door gaten waar straatstenen ontbraken of afvoerkanalen waren aangebracht.
Maar na zonsondergang was het in het hele stelsel pikkedonker, met uitzondering van enkele plekken met een eigen lichtbron, dus alleen een ingewijde kon zich veilig door de doolhof van gangen begeven. Vanaf het moment dat hij het paleis verliet, wist Robert precies waar hij zich bevond.
In zijn tijd als lid van het dievengilde, de Snaken, had Robert zich alle overlevingskunsten eigen gemaakt die de harde wereld waar hij in leefde, de omstandigheden en zijn eigen scherpe verstand hem hadden kunnen leren. Geluidloos liep hij naar een geheime bergplaats die hij zelf had ingericht en verplaatste een namaaksteen. Die was gemaakt van doek, hout en verf, en zou zelfs in beter licht dan zich hier ooit zou voordoen een kritische blik doorstaan. Hij zette de valse steen neer en haalde een lantaren te voorschijn. In het geheime kluisje had Robert ook een extra stel slothaken gelegd, evenals wat andere dingen die in het paleis nogal uit de toon zouden vallen, zoals wat bijtende middelen, klimspullen, en enkele minder gangbare wapens. Oude gewoonten leerde je nu eenmaal niet zomaar af.
Robert stak de lantaren aan. Hij had nooit overwogen om een lantaren in het paleis te bewaren, uit vrees dat iemand hem de overgang van het paleisriool naar het stelsel onder de stad zou zien maken. Het bewaren van het geheim hoe het paleis vanuit het riool kon worden bereikt, was van het grootste belang. Op alle bouwtekeningen en plattegronden in het paleis, van de oorspronkelijke veste tot de laatste uitbreiding, stond aangegeven dat de twee stelsels nergens met elkaar in verbinding stonden, net zoals het stadsriool was gescheiden van het riool buiten de stadsmuren. Maar al gauw hadden smokkelaars en dieven de koninklijke plattegronden doen verouderen, door het maken van doorgangen om de stad in en uit te komen.
Robert draaide de kous van de lamp omlaag en klapte de luikjes dicht tot er nog maar een klein streepje licht door naar buiten viel, dat voor hem echter genoeg was om veilig zijn weg door het riool te zoeken. Hij kon het ook zonder licht, wist hij, maar dat zou hem ernstig ophouden, aangezien hij dan de hele weg op de tast langs de muren moest gaan, en hij had vannacht een aardige afstand af te leggen.
Vlug controleerde Robert of hij alles ordentelijk had achtergelaten, voor het geval er toevallig iemand anders hier voorbij zou komen. Even stond hij stil bij de noodzakelijkheid van alle veiligheidsmaatregelen die de oorzaak was van deze vreemde paradox: de Koninklijke Bouwmeesters spendeerden veel tijd en goud aan het repareren van het stadsriool - dat even snel door Snaken en anderen weer werd beschadigd om een clandestiene doorgang te creëren waar geen koninklijk toezicht bestond. Vaak was Robert degene die de nieuwe bressen aantrof, en zo nu en dan maakte hij zich schuldig aan het verzwijgen van een ervan, wanneer dat hem zo uitkwam, mits dat de veiligheid van het paleis niet in gevaar bracht.
Bedenkend dat er veel meer kwam kijken bij de verantwoordelijkheden als lid van het prinselijk hof dan hij zich had voorgesteld toen hij nog maar net tot jonker was benoemd, haastte de vroegere dief zich naar zijn eerste afspraak.
De dag brak al bijna aan toen Robert op zoek ging naar zijn laatste contact. Inmiddels maakte de jonker zich ernstige zorgen. De eerste drie informanten die hij had opgezocht, bleken vermist. In het havengebied was het ongewoon stil. Zelfs het rumoer dat gebruikelijk mocht heten voor een wijk vol herbergen en taveernen was niet te horen. Het Armenkwartier was duidelijk een niemandsland, en de meeste vluchtwegen en toegangen van de Snaken waren geblokkeerd en afgesloten.
Van de Snaken had Robert geen spoor gezien. Dat op zich was niet geheel ongebruikelijk. Hij was niet de enige die ongezien door het riool en over straat kon zwerven. Maar vannacht was er nog iets anders aan de hand. Normaal gesproken werd er ook door anderen van het riool gebruik gemaakt. Bedelaars die geen Snaken waren, hadden hun plekken waar ze ongestoord konden slapen. Smokkelaars verplaatsten vracht van geheime aanlegplaatsen in de grotere afvloeiingsbuizen naar kelders verder in de stad. Bij dergelijke activiteiten hoorden geluiden, die weliswaar voor het ongeoefende gehoor verloren gingen, maar gewoonlijk waren ze er wel. Vannacht was het echter overal stil. Slechts het kabbelen van water, het scharrelen van ratten en zo nu en dan het ratelen van machinerieën, zoals waterraden, pompen en sluisdeuren, was in de tunnels te horen.
Iedereen in het riool hield zich schuil, begreep Robert. En dat duidde op moeilijkheden. In het verleden hadden de Snaken bij moeilijkheden bepaalde delen van het riool afgesloten, vooral in de omgeving van het Armenkwartier, om de wegen naar Snakenrust, dat door de leden van het dievengilde Moeders werd genoemd, te barricaderen. Gewapende zware jongens namen posities in en wachtten tot de crisis voorbij was. Anderen, die niet tot het gilde behoorden, hielden zich eveneens schuil tot de problemen achter de rug waren. Buiten die omsloten gebieden was iedereen in de tunnels vogelvrij. De laatste keer dat dergelijke omstandigheden zich hadden voorgedaan, was geweest in het jaar dat volgde op het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring, toen prinses Anita gewond was geraakt en Arutha de staat van beleg had afgekondigd.
Hoe langer hij door de straten en het riool eronder zwierf, hoe meer Robert ervan overtuigd raakte dat de situatie ernstig was.
Hij keek rond om te zien of hij niet werd bespied, en liep een steeg in. Aan het einde ervan had iemand wat houten kratten tegen een bakstenen muur gezet als schuilplaats tegen wind en regen. Onder die kratten lag een roerloze gedaante. Toen hij een van de kratten een stukje verschoof, vloog er een zwerm vliegen op. Nog voordat hij 's mans been had aangeraakt, wist Robert al dat hij niet sliep. Voorzichtig keerde hij het stille lichaam om van Ouwe Edwin, een gewezen matroos wiens liefde voor de fles hem zijn broodwinning, familie en iedere vorm van waardigheid had gekost. Maar, vond Robert, zelfs een straatrat als Edwin verdiende beter dan dat hem de strot werd afgesneden als een kalf dat werd geslacht.
Het kleverige, nog niet helemaal geronnen bloed zei Robert dat hij nog niet zo lang geleden was vermoord, waarschijnlijk rond het krieken van de vorige dag. Hij wist zeker dat zijn andere vermiste contactpersonen een soortgelijk lot hadden ondergaan. Ofwel degene die achter de problemen in de stad zat was willekeurig aan het moorden geslagen - en dan waren Roberts informanten wel hoogst onfortuinlijk geweest - ofwel iemand was Roberts agenten in Krondor systematisch aan het uitroeien. De logica dicteerde het laatste als de meest waarschijnlijke verklaring.
Robert stond op en keek omhoog. De nacht liep ten einde, en een grijs licht uit het oosten kondigde de dageraad reeds aan. Er was nog één plek waar hij misschien een antwoord kon vinden zonder in aanraking met de Snaken te komen.
Robert wist dat de prins jaren geleden een afspraak met de Snaken had gemaakt, vlak voordat hij bij Arutha in dienst was gekomen, maar van de bijzonderheden was hij niet op de hoogte. En tussen Robert en de Snaken was een zekere verstandhouding gegroeid: hij zat hen niet in de weg, en zij bleven uit zijn buurt. Wanneer hij dat nodig vond, kwam en ging hij naar believen in het riool en op de daken van de stad, en keken zij de andere kant op. Maar geen moment had hij de illusie gekoesterd dat hij welkom zou worden geheten wanneer hij het waagde terug in Snakenrust te komen. Je was een Snaak of je was het niet, en al bijna veertien jaar lang had hij zich geen Snaak meer kunnen noemen.
Robert zette het plan om een bezoekje aan Moeders te wagen van zich af en besloot naar die ene plek te gaan waar hij wellicht wat nieuws kon vernemen.
Hij ging terug naar het riool en liep vlug naar een plaats onder een zekere herberg, aan de grens van het armste deel van de stad en een iets respectabeler wijk, bewoond door arbeidersgezinnen. Achter wat neerhangende algendraden zat een geheime hendel, en nadat hij die had bediend, voelde Robert een stuk steen schurend opzij zwaaien.
De 'steen' was gemaakt van gips op dik zeildoek, en verborg een smalle ingang naar een korte tunnel. Eenmaal in de tunnel, met het geheime paneel achter zich gesloten, opende Robert de luiken van de lantaren. Hij wist vrijwel zeker dat hij van alle vallen in de korte doorgang op de hoogte was, maar vanwege het sleutelwoord 'vrijwel' nam hij toch de grootste voorzichtigheid in acht.
Aan het andere einde van de tunnel stuitte hij op een dikke eikenhouten deur, met, zoals hij wist, aan de andere kant een trapje naar een kelder onder de herberg. Hij inspecteerde het slot, en toen hij zich ervan had vergewist dat er niets was veranderd, peuterde hij het behendig open. Nadat hij de bevredigende klik had gehoord, duwde hij behoedzaam de deur op een klein kiertje, voor het geval er aan de andere kant een nieuwe val was opgesteld. Er gebeurde niets en vlug beklom hij de trap.
Boven betrad hij de donkere kelder, vol vaten en zakken. Hij liep door de doolhof van voorraden en nam de houten trap naar de begane grond van het gebouw, die uitkwam op een provisiekast achter de keuken. Hij deed de deur open.
De gil van een jonge vrouw snerpte door de lucht en een ogenblik later vloog er een kruisboogschicht door de ruimte die Robert een fractie van een tel te voren nog had ingenomen. Terwijl de splinters uit de deur vlogen, maakte Robert een koprol over de vloer en kwam met opgestoken handen overeind. 'Kalm aan, Lucas! Ik ben het!'
De herbergier, die in zijn jonge jaren soldaat was geweest, had de kruisboog opzij gesmeten en was al bezig zijn zwaard te trek ken. Hij aarzelde even en liet toen zijn zwaard terug in de schede glijden terwijl hij op Robert toeliep.
'Idioot!' siste hij, alsof hij bang was zijn stem te verheffen. 'Wou jij soms dood?'
'Eerlijk gezegd, niet,' antwoordde Robert. Hij liet zijn handen zakken.
'Hoe moest ik nou weten dat jij het was die in die kleren stiekem door mijn kelderdeur naar binnen kwam sluipen? Je had best even bericht mogen sturen dat je zo zou komen. En anders had je gewoon nog een uurtje moeten wachten tot je als een eerlijk man door de voordeur naar binnen kon.'
'Nou, eerlijk ben ik wel,' zei Robert, door de keuken lopend.
Via de tapkast ging hij de lege gelagkamer binnen, waar hij rondkeek en plaatsnam op een stoel. 'Min of meer.'
Bij wijze van grijns trok Lucas een mondhoek op. 'Meer dan menig ander. Wat doe jij kruipend als een rat door het riool?'
Robert wierp een blik op de jongedame die hem en Lucas naar de gelagkamer was gevolgd. Ze had zichzelf weer in de hand, nu de indringer een vriend van de herbergier bleek te zijn. 'Het was niet mijn bedoeling je zo te laten schrikken.'
Ze haalde nog een keer diep adem. 'Nou, het is je anders wel uitstekend afgegaan.' Ze stond rechtop, en haar rode kleur van de schrik deed haar blanke huid afsteken tegen haar donkere haar. Ze leek rond de twintig jaar te zijn.
'Je nieuwe serveerster?' vroeg Robert.
'Mijn dochter, Talia.'
Robert leunde achterover. 'Lucas, je hebt geen dochter.'
De eigenaar van De Bonte Papegaai nam tegenover Robert plaats. 'Ga in de keuken even kijken of er niets aanbrandt, Talia.'
'Ja, vader,' zei ze en vertrok.
'Ik heb wél een dochter,' zei Lucas tegen Robert. 'Toen haar moeder stierf, heb ik haar naar mijn broer gestuurd, op zijn boerderij bij Looierbeek.'
Robert glimlachte. 'Je had liever niet dat ze hier opgroeide?'
'Nee,' zuchtte Lucas. 'Het gaat er hier nogal eens ruw aan toe.'
'Goh, Lucas,' veinsde Robert onwetendheid, 'daar heb ik nooit iets van gemerkt.'
Met een beschuldigende vinger priemde Lucas in zijn richting. 'Veel minder smakelijke types dan jij hebben op die stoel gezeten, Robbie de Hand.'
Robert hief zijn handen op alsof hij zich overgaf. 'Dat geef ik toe.' Zijn blik ging naar de keukendeur, alsof hij er dwars doorheen kon kijken. 'Maar ze komt op mij niet echt over als een meisje van het platteland, Lucas.'
Lucas leunde achterover en streek met een benige hand door zijn grijzende haar. Zijn hoekige gezicht verried dat het hem irriteerde uitleg te moeten geven. 'Ze heeft gestudeerd bij een zusterschap daar in de buurt, en ze is langer in hun abdij geweest dan ze koeien heeft gemolken. Ze kan lezen, schrijven en rekenen. Het is best een pienter kind.'
Robert knikte waarderend. 'Loffelijk. Al betwijfel ik of jouw klanten die kwaliteiten net zo kunnen waarderen als... de meer voor de hand liggende.'
Lucas' gezicht betrok. 'Het is een net meisje, Robert. Op een dag trouwt ze met een fatsoenlijke man, niet zo'n sjofele .. nou ja, je kent het type. Ik zorg voor een bruidsschat, en...' Hij dempte zijn stem, zodat hij in de keuken niet kon worden gehoord. 'Robert, jij bent de enige van wie ik weet dat hij wat fatsoenlijke jongens kent, nu je in het paleis woont, en zo. In ieder geval sinds Laurie ervandoor is gegaan en zich in Salador tot hertog heeft laten benoemen. Kan jij ervoor zorgen dat mijn kleine meid het juiste type knul ontmoet? Ze is pas een paar dagen in de stad, maar nu al voel ik me zo groen als een rekruut op zijn eerste basiskamp. Nu haar broers in de oorlog zijn gesneuveld, is zij de enige die ik nog heb.' Hij keek de goed onderhouden, maar niet bepaald beschaafde gelagkamer rond. 'Ze verdient veel beter dan wat ik haar kan bieden.'
Robert grijnsde. 'Vast wel. Ik zal zien wat ik kan doen. Ik zal wat jongens die in aanmerking komen meenemen voor een pint, en voor de rest moet de natuur maar zorgen.'
'Maar niet Joolstein!' zei Lucas. 'Die hou je maar thuis.'
Robert schoot in de lach. 'Geen zorgen. Die rijdt op dit moment waarschijnlijk net de poort uit, op weg voor een lange detachering in Tyr-Sog.'
Talia kwam terug uit de keuken. 'Alles is klaar, vader.'
'Goed zo, meisje,' antwoordde hij. 'Gooi de zaak maar open, dan kan iedereen naar binnen voor een ontbijt.'
Terwijl ze wegliep, zei Lucas tegen Robert: 'Jij laat je niet bijna tegen mijn kelderdeur nagelen om te komen babbelen over mijn meisje en de jongens aan het hof, dus voor de draad ermee. Wat brengt jou hier?'
Alle humor verdween uit Roberts gezicht. 'Er woedt een oorlog in het riool, Lucas. En iemand heeft wat vriendjes van me vermoord. Wat is er aan de hand?'
Lucas knikte. 'Ik wist dat je me dat vroeg of laat zou komen vragen. Ik had je eigenlijk al eerder verwacht.'
'Ik ben gisteravond pas in de stad teruggekomen. Ik was weg met de prins... wat dingen oplossen.'
'Nou, Arutha zou er goed aan doen de problemen wat dichter bij huis te zoeken, want hij heeft ze hier voor het oprapen. Het fijne weet ik er niet van, maar volgens de geruchten wordt er in het riool en in de haven aan de lopende band gemoord. Het zijn zowel burgers als Snaken die het loodje leggen. Ik heb gehoord dat Keshiërs een eigen winkeltje zijn begonnen in gebouwen die vroeger van Koninkrijkse kooplieden waren, en dat er nieuwe knokploegen in de haven zijn. Niemand weet wat er aan de hand is, behalve dat de Snaken zijn ondergedoken en zich schuil houden. Al een week lang heb ik er niet eentje gezien. En de meeste van mijn vaste klanten komen later en vertrekken eerder, om voor het donker veilig thuis te kunnen zijn.'
Robert boog zich naar voren. 'Wie zit erachter, Lucas?'
Lucas keek rond, alsof hij bang was door een onzichtbare macht te worden afgeluisterd. Zachtjes zei hij: 'Het is iemand die zichzelf de Kruiper noemt.'
Robert zakte terug op zijn stoel. 'Waarom verbaast me dat nou niet?' mompelde hij.