1 Proloog

 

Vertrek

 

Soldaten in gelid trokken langs de heuvelkam.

De bagage-karavaan was in twee delen opgesplitst, waarvan het eerste nu op weg ging met de gewonden en de doden die in Krondor met militaire eer zouden worden gecremeerd. Het stof wolkte op waar wielen rolden en laarzen stampten, op weg naar huis. Fijn zand vermengde zich met de scherpe rook van kampvuren die werden gedoofd. De opkomende zon straalde door de nevel, oranje en bleek goud, als kleurige lansen in een verder grijze ochtend. In de verte zongen vogels, zonder acht te slaan op de nasleep van de veldslag.

Arutha, Prins van Krondor, heerser over het Westelijke Rijk van het Koninkrijk der Eilanden, nam een ogenblik om te genieten van de verheven pracht van de zonsopgang en de serenade van de vogels. Gezeten op zijn paard keek hij naar zijn thuiswaarts kerende mannen. De gevechten waren gezegend kort, maar bloedig geweest, en al waren de verliezen beduidend minder dan verwacht, hij haatte het om ook maar één soldaat onder zijn bevel te verliezen. Een paar ogenblikken liet hij zijn frustratie en spijt verzachten door de schoonheid van het uitzicht.

Hij leek nog steeds op de jeugdige man die tien jaar geleden de troon van Krondor had bestegen, al was de tol die het leiderschap van hem had geëist zichtbaar in de rimpels rond zijn ogen en de geringe hoeveelheid grijs in zijn verder zwarte haar. Voor wie hem kende, was hij nog steeds vrijwel dezelfde, een bekwaam bestuurder, een militair genie en een uiterst plichtsgetrouw man die zonder aarzelen bereid was tot het uiterste te gaan om de laagste soldaat onder zijn bevel te redden.

Zijn ogen gingen van de ene naar de andere wagen, alsof hij de huiven met zijn blik kon doorboren, teneinde de gewonden eronder zijn dankbaarheid voor hun goede werk te betonen. Wie hem goed kende, wist dat hij in stilte zijn prijs betaalde, zonder uiting te geven aan de pijn van iedere verwonding die een soldaat in dienst van Krondor en het Koninkrijk werd toegebracht.

Arutha zette zijn spijtgevoelens van zich af en nam de overwinning in ogenschouw: De vijand, een betrekkelijk kleine troepenmacht van zwarte elfen, was zich reeds twee dagen geheel aan het terugtrekken. Een veel grotere strijdmacht was de toegang tot het Schemerwoud belet doordat Arutha's jonkers Robert en Joolstein een scheuringsmachine hadden verwoest. Dat had een magiër genaamd Patrus het leven gekost, maar door diens zelfopofferende daad waren de indringers ten prooi gevallen aan hun eigen interne conflicten. Delekhan, de veroveraar, was tezamen met Gorath, een moredhel-hoofdman die zich een hoogst eervol en waardig wezen had getoond, gesneuveld tijdens het gevecht om de Levenssteen. Arutha vervloekte het bestaan van dit eeuwenoude, mysterieuze relikwie onder de verlaten stad Sethanon en vroeg zich af of het geheim ervan ooit zou worden doorgrond en of hij nog zou meemaken dat het gevaar ervan definitief zou worden afgewend.

Delekhans zoon Moraeulf was gestorven aan een dolkstoot van Narab, eens een bondgenoot van Delekhan. Zoals met Narab overeen was gekomen, werden de zich terugtrekkende moredhel door de Koninkrijkse troepen niet geteisterd, zolang ze zich in noordelijke richting begaven. Er waren bevelen uitgevaardigd de moredhel een vrije doortocht terug naar huis te verlenen, zo lang ze op weg bleven.

De Koninkrijkse troepen in het Schemerwoud gingen nu uiteen naar hun verscheidene garnizoenen. Het merendeel keerde terug naar het westen, en een kleinere eenheid ging weer naar de grensbaronieën. Later die ochtend zouden ze vertrekken. Het voorheen geheime garnizoen ten noorden van Sethanon zou worden verplaatst naar een andere locatie.

Het zonlicht straalde op Arutha neer toen de ochtendnevel werd verdreven, tot alleen de rook en het stof de lucht nog bewolkten. Het werd al warm, en de kou van de afgelopen winter verdween al uit de herinnering. Zonder enig blijk van zijn onrust te geven, dacht Arutha na over deze laatste aanslag op de vrede in zijn Koninkrijk.

Na het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring had Arutha de Tsuranese magiërs op hun woord vertrouwd. Al bijna tien jaar verplaatsten ze zich nu vrijelijk tussen hun beider werelden, via verscheidene magische scheuringen. En nu voelde hij zich tot in het diepst van zijn wezen verraden. Hij had het volste begrip voor de gronden waarop Makala, een Tsuranese Grootheid, had getracht de Levenssteen te Sethanon te confisqueren, gedreven als hij was door het geloof dat het Koninkrijk beschikte over een krachtig vernietigingswapen, een machine van macht die de bezitter ervan in een oorlog het overwicht gaf. In Makala's plaats had hijzelf wellicht precies hetzelfde gedaan. Niettemin kon hij de Tsurani nu niet meer zomaar de vrije toegang tot het Koninkrijk verlenen, en dat betekende een einde aan bijna tien jaar handel en uitwisseling. Voorlopig zette Arutha de zorgen om het doorvoeren van de veranderingen die hij moest aanbrengen van zich af, maar uiteindelijk zou hij toch met zijn raadslieden rond de tafel moeten plaatsnemen voor het maken van een plan om de veiligheid van het Koninkrijk voor de toekomst te garanderen. En hij wist nu al dat vrijwel niemand blij met die veranderingen zou zijn.

Arutha keek naar rechts en zag twee zeer vermoeide jongemannen op hun paarden zitten. Hij gunde zich een van zijn zeldzame glimlachjes, amper meer dan het optrekken van zijn mondhoeken, hetgeen de vaak sombere uitdrukking op zijn nog jeugdige gezicht verzachtte. 'Moe, heren?' vroeg hij.

Robert, Eerste Jonker van de prins, ontmoette de blik van zijn vorst met een paar ogen waaronder zwarte kringen lagen. Samen met zijn vriend, jonker Joolstein, had hij een slopende rit achter de rug, ondersteund door magische kruiden die hen verscheidene dagen wakker en alert in het zadel hadden gehouden. Als nawerking van het langdurig gebruik van het middel lieten alle onderdrukte vermoeidheid en lichaamspijnen zich in één klap gelden. Beiden hadden de hele nacht geslapen, op kussens in Arutha's tent, maar waren uitgeput wakker geworden. 'Nee, Sire,' antwoordde Robert, brutaal en ad rem als altijd, 'zo zien we er altijd uit als we wakker worden. Alleen ziet u ons normaal nooit voor de koffie.'

Arutha schoot in de lach. 'Nog altijd even bijdehand, dus, jonker.'

Er kwam een wat kleine man met een donkere haardos en baard naar het drietal te paard gelopen. 'Goedemorgen, Hoogheid,' zei Puc, een buiging makend.

Arutha knikte beleefd terug. 'Puc, ga je met ons mee terug naar Krondor?'

Pucs gezicht stond zorgelijk. 'Niet meteen, Hoogheid. Eerst moet ik op Sterrewerf wat dingen onderzoeken. De activiteiten van de Tsuranese Grootheden met betrekking tot deze laatste aanslag op Sethanon hebben mij grote zorgen gebaard. Ik moet eerst zeker weten dat zij de enige betrokken magiërs waren en dat de in mijn academie verblijvende Grootheden vrij zijn van schuld.'

Arutha keek weer naar de wegrijdende wagens. 'We moeten inderdaad over de rol van de Tsurani in jouw academie praten, Puc, maar niet hier.'

Puc knikte instemmend. Ook al was iedereen binnen gehoorsafstand bekend met het geheim van de Levenssteen die zich onder de stad Sethanon bevond, het was verstandiger om er uitsluitend in afzondering over te spreken. En ook wist Puc dat Arutha zich grote zorgen maakte over het verraad van de Tsuranese magiër Makala, dat had geleid tot deze veldslag tussen het leger van de prins en een invasieleger van moredhelkrijgers. Naar verwachting zou Arutha zorg dragen voor een strenge controle op iedereen die door de scheuring - de magische poort - tussen Midkemia en Tsuranese thuiswereld Kelewan kwam.

'Dat zuilen we doen, Hoogheid. Maar eerst moet ik ervoor zorgen dat Katala en Gamina in veiligheid zijn.'

'Ik begrijp je bezorgdheid,' zei de prins. Pucs dochter Gamina was ontvoerd geweest en met behulp van magie naar een verre wereld overgebracht om Puc van Midkemia te lokken terwijl de Tsuranese magiër de Levenssteen probeerden te grijpen.

'Ik moet er zeker van zijn dat ik nooit meer kwetsbaar ben vanwege een familielid.' Veelbetekenend keek Puc de prins aan. 'Aan Wiliam kan ik niet veel doen, maar ik kan er wel voor zorgen dat Gamina en Katala op Sterrewerf veilig zijn.'

'Wiliam is soldaat en loopt door de aard van zijn beroep gevaar.' Toen glimlachte Arutha naar Puc. 'Maar hij is zo veilig als een soldaat maar kan zijn, omringd door zes compagnieën van de Krondoriaanse Wacht van het Koninklijk Huis. Pogingen om jou via Wiliam te chanteren, zuilen niet makkelijk zijn.'

Op Pucs gezicht viel af te lezen dat het zijn instemming niet had. 'Hij had zo veel meer kunnen zijn.' Zijn blik smeekte Arutha in stilte er iets aan te doen. 'En dat kan nog steeds. Het is voor hem nog niet te laat om met me mee terug naar Sterrewerf te gaan.'

Arutha keek de magiër aan. Hij had begrip voor Pucs frustratie en zijn ouderlijke wens om zijn zoon thuis bij zijn gezin te zien. Maar zijn stem liet geen enkele twijfel bestaan omtrent zijn bereidheid namens Puc in te grijpen. 'Ik weet dat jullie een meningsverschil over zijn keuze hebben, Puc, maar ik laat het aan jou om dat in je eigen tijd uit te werken. Zoals ik je al heb gezegd toen je je bezwaren tegen Wiliams indiensttreding kenbaar maakte: hij is lid van het koninklijk huis door adoptie en een vrij man van volwassen leeftijd, dus er bestond geen enkele reden zijn verzoek te weigeren.' Voordat Puc kon tegensputteren, hief hij zijn hand op. 'Ook niet als gunst aan jou.' Zijn toon verzachtte. 'Trouwens, hij heeft het in zich om een meer dan gemiddeld soldaat te worden. Best begaafd, eigenlijk, volgens mijn zwaardmeester.' Arutha veranderde van onderwerp. 'Is Owyn al terug naar huis?' Owyn Belefote, de jongste zoon van de baron van Timons, was in de afgelopen tijd een waardevol bondgenoot van Robert en Joolstein geweest.

'Bij het eerste licht. Hij zei dat hij het goed moest maken met zijn vader.'

Arutha maakte een gebaar naar Joolstein, al bleef hij Puc aankijken. 'Ik heb iets voor je.' Toen Joolstein niet op zijn wenk reageerde, verplaatste Arutha zijn blik naar Joolstein. 'jonker, het document?'

Joolstein bleek bijna in het zadel in slaap te zijn gevallen, maar hij schrok wakker toen de stem van de prins zijn wazige gedachten doorbrak. Hij bracht zijn paard dichter naar Puc en overhandigde hem een perkament.

Arutha zei tegen Puc: 'Met mijn handtekening en zegel benoem ik je hiermee tot de hoogste autoriteit inzake alle kwesties met betrekking tot magie aangaande het Westelijke Rijk.' Met een flauw glimlachje voegde hij eraan toe: 'Het zal weinig moeite kosten om Zijne Majesteit ertoe te brengen dit voor het gehele Koninkrijk te bekrachtigen. Al jaren heb je ons oor op dit gebied, Puc, maar dit verleent je het gezag dat je nodig hebt, mocht je te maken krijgen met een andere edelman of rijksofficier zonder dat ik naast je sta. Hiermee ben je officieel benoemd tot magiër aan het hof te Krondor.'

'Mijn dank, Hoogheid.' Puc scheen op het punt nog iets te zeggen, maar aarzelde.

Arutha hield zijn hoofd schuin. 'Hoor ik een maar?'

'Maar ik moet bij mijn gezin op Sterrewerf blijven. Er is daar zo veel te doen dat ik niet in Krondor kan komen dienen, Arutha.'

Arutha zuchtte. 'Begrepen. Maar dan heb ik nog steeds geen magiër aan het hof, als jij je intrek niet in het paleis wilt nemen.'

'Ik zou Kulgan kunnen sturen om je aan je hoofd te zeuren,' opperde Puc met een glimlach.

'Nee, mijn vroegere leraar is niet zo gevoelig voor rangen en standen en zou me voor het aangezicht van mijn hof een schrobbering geven. Dat is slecht voor het moreel.'

'Wiens moreel?' vroeg Robert zachtjes.

'Het mijne, natuurlijk,' antwoordde Arutha zonder de jonker aan te kijken. 'Maar zonder gekheid,' vervolgde hij tegen Puc, 'het verraad van Makala toont me de wijsheid van mijn vaders beslissing om een raadsman aan te stellen voor magische aangelegenheden. Kulgan heeft zijn pensioen verdiend, dus als jij of Owyn het niet wordt, wie dan?'

Daar dacht Puc even over na. 'Ik weet wel iemand die geschikt zou kunnen zijn om je in de toekomst te adviseren. Er is alleen één probleem.'

'En dat is?' vroeg Arutha.

'Ze komt uit Kesh.'

'Dat zijn twee problemen,' merkte Arutha op.

Puc glimlachte. 'Je vrouw en zuster kennende, had ik gedacht dat de raad van een vrouw Zijne Hoogheid niet vreemd voor zou komen.'

Arutha knikte. 'Dat is het ook niet. Maar aan mijn hof zal het voor velen... moeilijk zijn.'

'Ik heb nooit gemerkt dat jij je erg druk maakte over de mening van anderen wanneer jij je iets in je hoofd had gehaald, Arutha,' zei Puc.

'De tijden veranderen, Puc,' verzuchtte de prins. 'En ik word er niet jonger op.' Even staarde hij zwijgend naar het volgende contingent van zijn leger dat op weg ging. Toen keek hij Puc weer aan, een wenkbrauw vragend opgetrokken. 'Maar een Keshische?'

'Niemand zal haar er ooit van beschuldigen dat ze zich heeft aangesloten bij deze of gene factie binnen het hof,' beloofde Puc.

Arutha grinnikte. 'Je maakt een grapje, hoop ik?'

'Nee, dat meen ik. Ze is uitzonderlijk getalenteerd, ondanks haar jonge leeftijd. Ze is ontwikkeld en welopgevoed, leest en schrijft verscheidene talen en heeft een opmerkelijke beheersing van de magie; precies de eigenschappen die je in een raadslid nodig hebt. En bovenal is zij de enige van al mijn studenten die de gevolgen van magie in een politieke context kan begrijpen, aangezien ze in Kesh een opleiding aan het hof heeft genoten. Ze komt uit de Jal-Pur en weet eveneens hoe de zaken er in het westen voorstaan.'

Arutha scheen er geruime tijd over na te denken. 'Kom zodra je kunt naar Krondor om me meer te vertellen. Ik zeg niet dat ik uiteindelijk niet zal instemmen met je keus, maar voor die tijd heb ik wat meer overtuiging nodig.' Hij toonde zijn halve glimlach en keerde zijn paard. 'Maar toch, de gezichten van de edelen aan het hof wanneer er een vrouw uit Kesh komt binnenwandelen, weegt misschien wel op tegen het risico dat dat met zich meebrengt.'

'Ik sta volledig voor haar in, mijn woord erop,' zei Puc.

Arutha keek over zijn schouder. 'Je meent dit heel ernstig, hè?'

'Jazeker. Jazhara is iemand aan wie ik het leven van mijn familie zou toevertrouwen. Ze is maar een paar jaar ouder dan Wiliam en is al bijna zeven jaar bij ons op Sterrewerf, dus ik ken haar al een derde van haar leven. Je kunt haar vertrouwen.'

'Dat zegt veel,' zei Arutha. 'Erg veel, eigenlijk. Kom naar Krondor als je kunt, dan praten we uitgebreid verder.' Hij wenste Puc vaarwel en draaide zich om naar Robert en Joolstein. 'Heren, we hebben een lange rit voor de boeg.'

Joolstein kon zijn leed nauwelijks verbergen bij de gedachte aan nog meer tijd in het zadel, zij het in een minder razend tempo dan een paar dagen geleden.

'Een ogenblikje, als Zijne Hoogheid het toestaat,' zei Robert. 'Ik wil hertog Puc graag even spreken.'

Met een handgebaar gaf Arutha toestemming en reed met Joolstein verder.

Toen de prins buiten gehoorsafstand was, vroeg Puc: 'Wat is er, Robert?'

'Wanneer ga je het hem vertellen?'

'Wat?' vroeg Puc.

Ondanks zijn intense vermoeidheid wist Robert zijn vertrouwde grijns op te brengen. 'Dat het meisje dat je wilt sturen het achternichtje van heer Hazara-Khan van de Jal-Pur is.'

Puc gniffelde binnensmonds. 'Dat dacht ik te bewaren voor een wat gunstiger moment.' Toen keek hij Robert nieuwsgierig aan. 'Hoe weet jij dat?'

'Ik heb zo mijn eigen bronnen. Arutha heeft het vermoeden dat heer Hazara-Khan betrokken is bij de Keshische inlichtingendienst in het westen - wat hij vrijwel zeker ook is, voor zover ik weet. Maar goed, Arutha denkt erover om de Keshische dienst te pareren met een eigen organisatie - maar dat weet je niet van mij.'

Puc knikte. 'Begrepen.'

'En aangezien ik ambities koester, acht ik het verstandig om van deze zaken op de hoogte te blijven.'

'Dus je hebt rondgeneusd?'

'Zoiets,' antwoordde Robert schouderophalend. 'En zo veel Keshische vrouwen van adel uit de Jal-Pur die Jazhara heten zijn er nou ook weer niet.'

Puc begon te lachen. 1ij schopt het nog ver, Robbie, als je tenminste voordien niet wordt opgehangen.'

Terwijl hij teruglachte scheen de vermoeidheid van Robert af te glijden. 'Je bent niet de eerste die dat zegt, Puc.'

'Ik zal het hem binnenkort vertellen,' beantwoordde Puc Roberts oorspronkelijke vraag. Hij wuifde in de richting van Arutha en Joolstein. 'Ik zou hun voorsprong maar niet te groot laten worden.'

Robert knikte en wendde zijn paard. 'Je hebt gelijk. Goede dag, mijnheer de hertog.'

'Goede dag, jonker.'

Robert gaf zijn paard de sporen, en het dier galoppeerde achter Arutha en Joolstein aan. Terwijl Arutha even wegreed om met Ridder-Maarschalk Gardaan te overleggen over de verspreiding van het leger, haalde Robert Joolstein in.

'Waar ging dat over?' vroeg Joolstein toen Robert naast hem inhield.

'Een vraagje voor hertog Puc.'

Joolstein geeuwde. 'Ik zou zo een hele week kunnen slapen.' Dat ving Arutha op toen hij weer naar hen toe reed. 'Je kunt een hele nacht slapen in Krondor, als we terug zijn, jonker. Daarna ga je op weg naar het noorden.'

'Naar het noorden, Sire?'

'Je bent zonder toestemming teruggekomen uit Tyr-Sog, al geef ik toe dat je er een goede reden voor had. Nu het gevaar is geweken, moet je terug naar baron Moyiets hof en de termijn van jouw dienst aldaar volmaken.'

Joolstein kneep zijn ogen dicht alsof hij pijn leed. 'Ik had gedacht...'

'Dat je je onder die straf vandaan had gewurmd,' maakte Robert zachtjes de zin af.

Arutha kreeg medelijden met de uitgeputte jongeling. 'Wees Moyiet gedienstig en ik zal je eerder terugroepen naar Krondor. Mits je geen rare dingen doet.'

Joolstein knikte, zonder commentaar, en Arutha gaf zijn paard de sporen om voorop te gaan rijden.

'Wel,' zei Robert, 'je kunt tenminste nog een nacht in een warm bed slapen voordat je gaat.'

'En jij dan?' vroeg Joolstein. 'Had jij niet nog wat te doen in Krondor?'

Robert deed zijn ogen even dicht, alsof nadenken hem vermoeide. 'Ja, er waren wat problemen met het dievengilde. Maar niets om jou mee lastig te vallen. Niets wat ik niet alleen afkan.'

Joolstein snoof, maar hield zijn mond. Hij was te moe om een schimpscheut te bedenken.

'Ja,' mijmerde Robert, 'na deze lelijke kwestie met de Tsurani en de moredhel, zal dit geval met de dieven in Krondor best saai zijn.'

Joolstein keek zijn vriend aan en zag dat Robert in gedachten al bezig was met de problemen die de Snaken - het dievengilde - veroorzaakten. En met schrikbarende zekerheid wist Joolstein dat zijn vriend de spot dreef met iets ernstigs, want Robert stond bij de Snaken op de dodenlijst, omdat hij het gilde had verlaten om de prins te gaan dienen.

En er was nog iets anders aan de hand, voelde hij. Maar toen besefte Joolstein: met Robert was altijd nog iets anders aan de hand.