9 Beslissingen

 

Arutha fronste zijn wenkbrauwen.

Hij stond aan de ene kant van hertog Radswils bed te kijken terwijl een priester van de Orde van Prandur de hertog onderzocht.

De priester was nog maar pas bij Arutha in dienst, door zijn orde geselecteerd om een jaar als Arutha's geestelijk raadsman te dienen. Deze post rouleerde langs de verscheidene grote tempels in de stad, die elk een raadgever stuurde voor een periode van één jaar - al werd er door sommige beleefd geweigerd - en dit jaar was het pater Belson.

De slankgebouwde, zwart-bebaarde geestelijke stond op. Zijn gewaad, in purperen en karmozijnrode tinten, glinsterde in het fakkellicht. 'Er is sprake van zowel infectie als iets anders, een magisch element dat de wond belet fatsoenlijk te genezen,' legde hij de prins uit. Vervolgens keek hij Wiliam aan. 'Het poeder dat op de wond is gesprenkeld, was groen, zei u?'

'Ja, pater,' antwoordde Wiliam. Nog geen uur geleden was hij in het paleis teruggekeerd, hondsmoe en vies. Toen de versterking onder kapitein Treggar na zonsopgang bij de herberg was gearriveerd, had de genezer in het gezelschap van de soldaten meegedeeld dat hij niet in staat was de conditie van de hertog te verbeteren, en had kapitein Treggar op het hart gedrukt de hertog zo snel mogelijk naar Krondor te brengen. De kapitein had een achter de herberg staande wagen geconfisqueerd om de hertog en zijn familieleden te vervoeren, en terwijl de wagen voor het vervoer van de hertogelijke familie geschikt werd gemaakt, had Wiliam verslag uitgebracht. Nadien had Treggar niets tegen hem gezegd, behalve rechtstreekse bevelen met betrekking tot de terugkeer naar Krondor.

Wiliam wachtte zwijgend af, terwijl de priester de hertog nogmaals onderzocht. 'Ik beschik over magie om de besmetting weg te branden,' zei hij tegen Kazamir, die naast zijn vaders ziekbed stond, 'maar net als de meeste magie die door mijn tempel wordt gepraktiseerd, werkt het niet bepaald zachtzinnig.'

'Maar het werkt wel?' vroeg de jonge prins, zichtbaar bezorgd, al probeerde hij dat verborgen te houden.

'Ja, maar het laat een litteken achter.'

'Mijn vader heeft al zo veel littekens. Doe wat u moet doen om zijn leven te redden.'

Belson knikte. 'Hoogheid, ik verzoek u om een komfoor en een schoon mes dat ik kan verhitten.'

Arutha liet de benodigde spullen halen, en knikte naar Robert. Robert wenkte Wiliam. 'Kom even mee.'

Wiliam liep met Robert mee, en toen ze buiten hertog Radswils slaapkamer stonden, zei Robert: 'Goed gedaan, Willie.'

Met open mond van verbazing keek Wiliam hem aan. 'Goed gedaan? Wie zegt dat?'

Robert grijnsde. 'Kapitein Treggar zegt dat. Volgens hem is het zeer prijzenswaardig dat je de helft van je compagnie, en meer nog, de familie van de hertog, in leven hebt weten te houden.'

Wiliam zuchtte. 'Ik had gedacht dat ik oneervol uit het leger zou worden ontslagen. Ik heb helemaal niet het idee dat ik iets prijzenswaardigs heb gedaan. Het enige waar ik aan denk, zijn de mannen die zijn omgekomen.'

'Niet om de oude veteraan uit te hangen,' zei Robert, 'maar ik heb in mijn leven al genoeg oorlog meegemaakt om te weten dat je daar waarschijnlijk nooit overheen groeit. Hou alleen goed in gedachten dat je een militair bent, en dat je er in dat vak niet zonder meer van uit kunt gaan dat je erg oud wordt. Kom mee.'

'Waar gaan we heen?'

'Naar het kantoor van de prins.'

'Zo?' vroeg Wiliam, wijzend op zijn vieze verschijning.

Robert glimlachte. 'Ik heb met Zijne Hoogheid door het riool gekropen, weet je nog? Op dit moment hebben we meer aan snelheid van handelen dan aan reinheid van voorkomen.'

Bij de ingang van de woonvertrekken van de prins werd de deur voor hen geopend door een van de daar paraat staande hofjonkers. Robert ging Wiliam voor naar Arutha's ontvangstkamer.

Daar zaten prinses Anita en de tweeling op hen te wachten. 'Neef Willie!' riep Borric, vrijwel onmiddellijk gevolgd door Erland. De jongens sprongen op van de plek waar ze naar het voorleesverhaal van hun moeder hadden geluisterd en renden op de jonge militair af.

'Je hebt gevochten!' riep Erland. 'Geweldig!'

Met een frons keek Wiliam de negenjarige knul aan. 'Als je erbij was geweest zou je dat niet zeggen. We hebben goede mensen verloren.'

Dat kalmeerde de tweeling een beetje. 'Heb je iemand gedood?' vroeg Borric.

Wiliam knikte spijtig. 'Ja.'

Anita stond op. 'Robert, Wiliam en jij kunnen je even opfrissen voordat Arutha komt.' Ze wees naar een waskom die op een tafeltje in de hoek was neergezet. 'Ik berg die bengels even ergens anders op.'

'Eh, moeder... ' begon Erland.

Meteen legde Anita een vinger op haar lippen. 'Hofzaken. Jullie mogen Robert en Wiliam bij het eten lastigvallen.' Kijkend naar de twee jongelieden zei ze: 'Jullie komen toch?'

Robert knikte. 'Tenzij uw echtgenoot andere plannen voor ons heeft, natuurlijk.'

Wiliam liep naar de waskom en probeerde zich zo toonbaar mogelijk te maken. Er verscheen een hofjonker met een schoon wapenkleed, en hij trok zijn met bloed besmeurde exemplaar uit. Hij waste zijn gezicht, handen en hals, aangezien hij niet aan de koninklijke tafel wilde zitten alsof hij net uit het slachthuis kwam. Hij was nog bezig met het afdrogen van zijn gezicht en handen, toen prins Arutha binnenkwam. 'De hertog blijft in leven,' zei hij zonder inleiding. Met een zwaai van zijn hand gaf hij aan dat de twee jongemannen konden gaan zitten op de divan die zojuist door zijn vrouwen zoons was verlaten.

Ze namen plaats.

'Na alles wat er in de afgelopen weken is gebeurd, kan ik zien dat de soevereiniteit van ons rijk even ernstig wordt bedreigd als pas nog door de moredhel,' zei Arutha. 'Er wordt ongecontroleerd gemoord op straat, we zitten met een oorlog tussen criminele organisaties, iemand is categorisch de magiërs in de stad uit de weg aan het ruimen, en er zit een bende Keshische Izmalieten veel te ver ten noorden van onze grens met Groot Kesh.' Hij leunde achterover. 'Al met al is de situatie weer net zo ingewikkeld en onoverzichtelijk als ooit te voren.'

Robert zei niets, en toen Wiliam hem aankeek, schudde hij even met het hoofd om aan te geven dat hij de prins niet moest onderbreken met een opmerking of vraag.

Na een ogenblik stilte zei Arutha: 'Robert, ik heb een opdracht voor je.'

Robert glimlachte. 'Weer een?'

'Nee, dezelfde, maar nu nader omschreven.'

Wiliam bleef roerloos zitten, in de verwachting ieder moment te worden weggestuurd.

Arutha zag het aan zijn houding. 'Ik neem aan dat mijn vrouw jullie heeft uitgenodigd voor het eten?'

Wiliam knikte.

'Mooi, want jij gaat hier ook een rol in spelen.'

'Ik?' vroeg Wiliam.

Met een flauw glimlachje keek Arutha zijn geadopteerde neef aan. 'Vind je dat je nalatig bent geweest?'

Wiliam knikte nogmaals.

'Het is nooit makkelijk om mannen onder je bevel te verliezen. Op je eerste missie kan dat vernietigend zijn.'

Wiliam knipperde de tranen weg die hem van opluchting dreigden te overmeesteren. 'Dank u, Sire,' zei hij zacht.

Geruime tijd bleef Arutha zwijgen, tot hij zei: 'Wat hier wordt gezegd, blijft tussen deze vier muren.'

Beide jongelieden knikten.

'Robert, al twee jaar loop je te spelen met het idee om een inlichtingendienst op te zetten.'

Robert zei niets.

'Ik wil dat je ophoudt met spelen en in ernst begint met het opzetten ervan. Onze Wiliam hier helpt je daarbij.'

'Ik, Hoogheid?'

Arutha keek hem aan. 'Hoe langer je in Krondor blijft, des te meer zul je gaan begrijpen dat vertrouwen een zeldzame luxe voor de troon is. Er zijn natuurlijk lieden die met iedere vezel van hun wezen trouw zweren, maar door hun eigen aard onbetrouwbaar zijn, omdat ze mentale reserves hebben waarvan ze zichzelf niet eens bewust zijn, tot het moment van de crisis komt. In de afgelopen twee dagen heb jij je karakter getoond, en daarbij ben je Pucs zoon.'

Ondanks zijn poging neutraal te blijven kijken, betrok Wiliams gezicht een weinig. 'Sire?' vroeg hij aarzelend.

'Ik weet dat je problemen met je vader hebt gehad, over je toetreding in mijn dienst. Je kunt ervan verzekerd zijn dat hij en ik er verscheidene malen over hebben gesproken. Maar waar ik op doel, is dat Puc bovengemiddeld trouw is aan dit land en koningshuis. Hij heeft dingen ervaren die jij en ik ons niet eens voor kunnen stellen, maar hij werkt voor een groter goed. Als ik jou niet ten volle kon vertrouwen, dan zou ik dat allang voordat je naar Krondor kwam hebben geweten. En trouwens, als een van de jongere officieren ben jij een van de laatsten van wie wordt vermoed dat hij een bijzondere rang aan dit hof bekleedt.'

'En ik?' vroeg Robert.

Arutha keek hem aan. 'In het openbaar blijf jij voorlopig gewoon jonker, maar wij weten allebei dat je de beperkingen van je gezag met regelmaat te buiten gaat, en mijn naam laat vallen wanneer dat naar jouw idee voordeel oplevert.'

Robert grijnsde slechts.

'Uiteindelijk - als jij en Joolstein dan allebei tenminste nog leven - zal ik jullie allebei bevorderen tot baron, maar ook al hebben jullie die rang in de afgelopen jaren al verscheidene malen verdiend, op dit moment zouden jullie door die promotie alleen maar meer gaan opvallen. Ik maak me zorgen over die mannen die jou een paar dagen geleden achtervolgden.'

Robert knikte. 'Ik ook. En aangezien er zich onder de vermoorden ook informanten van mij bevonden, zal ik erover na moeten denken door wie ik hen moet vervangen.'

'Daar kan hulpschout Means je bij helpen. Wat jij moet doen is een aantal- niet meer dan vijf - mensen aantrekken die je van naam en gezicht al kent. Dat worden degenen die informanten en spionnen binnen moeten brengen. Ik zal je ook naar alle andere steden in het Koninkrijk moeten sturen, en uiteindelijk zelfs naar het buitenland, zodat er een heus netwerk kan worden opgezet. Dat zal ons jaren kosten.' Hij stond op, en de twee jongemannen volgden zijn voorbeeld. 'Maar voorlopig zullen we eerst eens zien of je hier in Krondor een kleine inlichtingendienst op poten kunt zetten zonder dat je dat het leven kost.'

'Tot dusver is me dat nog steeds gelukt,' zei Robert.

'Dat is ook de reden waarom jij die opdracht krijgt, mijn jonge toekomstige hertog.'

Robert grijnsde om het oude grapje tussen hen. 'Ga je me op een dag dan echt tot Hertog van Krondor benoemen?'

'Misschien. Als ik je voor die tijd niet ophang.' Arutha ging hun voor naar de eetkamer. 'Al verwacht ik dat je uiteindelijk in Rillanon terecht zult komen als we dit netwerk kunnen uitbouwen tot de omvang die ik voor ogen heb. Het oosten is de plek waar we zo'n dienst nodig hebben, meer nog dan hier.' Het protocol negerend duwde Arutha de deuren zelf open.

Toen ze de deuren open zagen gaan, haastten de twee hofjonkers in de eetkamer zich naar de stoel van de prins. Wiliam nam zijn plaats in aan de voet van de tafel, naast Robert. Hij wierp een blik opzij om te zien hoe Robert dit allemaal opnam, en zag dat de jonge jonker al diep nadacht over de taak die hem was opgedragen.

'We zetten deze discussie op een later tijdstip voort,' zei Arutha, en hij richtte zijn aandacht op zijn vrouwen kinderen.

Prinses Elena zat schijnbaar tevreden zachtjes een liedje te zingen voor haar pop, die ze naast haar etensbord had neergezet. Zo nu en dan liet ze Robert en Wiliam weten dat de pop niet van de maaltijd genoot, voornamelijk vanwege het gedrag van de twee jongens naast haar.

Robert knikte naar Wiliam. 'Wedden dat die pop nog voor het einde van de maaltijd is ontvoerd?' fluisterde hij.

'Makkelijk gewonnen,' zei Wiliam met een taxerende blik op de ondeugende prinsen Borric en Erland. Het avondmaal verliep rustig en genoeglijk, en in antwoord op de vragen van Anita vertelde Wiliam over zijn missie, met weglating van de levendige details die niet geschikt voor al te jeugdige oortjes waren.

Na de maaltijd stond Arutha op en beduidde de twee jongemannen hem terug naar zijn kantoor te volgen. Terwijl ze de eetkamer verlieten en weer door de ontvangstrwmte liepen, hoorden ze achter hen een verontwaardigde kreet van de prinses, gevolgd door: 'Mammie! Borric heeft mijn pop!'

Robert haalde zijn schouders op. 'Zat ik er even naast, zeg. Ze heeft het eind van de maaltijd nog gehaald.'

Wiliam glimlachte. 'Ternauwernood.'

Toen ze bij de deur van Arutha's kantoorruimte kwamen, maakte Robert die voor hem open. De prins liep naar binnen, en Wiliam volgde toen Robert hem verder wenkte. Nadat hij de deur had dichtgedaan, ging hij bij Wiliam voor de schrijftafel staan.

Arutha wuifde hen naar een stoel. 'Ik heb hier lang over nagedacht, Robert, en hoe graag je hierin ook de vrije teugel zou willen hebben, toch wil ik dat je me raadpleegt over iedere agent die je wilt aanstellen.'

Robert knikte. 'Dat kost veel extra tijd, Hoogheid.'

'Weet ik, maar ik heb weinig zin om later agenten kwijt te raken vanwege de haast in het begin. Ik heb liever dat je terughoudender te werk gaat en betrouwbare mensen vindt.'

'Ik heb hier ook over nagedacht, Hoogheid,' zei Robert. 'Wat als we twee groepen agenten opzetten?'

'Hoe bedoel je?'

'Wat als ik een netwerk maak van verklikkers en wat dokwerkers, het soort kerels dat ik eerder heb aangesteld, alsof ik de mensen vervang die zijn gedood of gevlucht, terwijl ik tegelijkertijd ongemerkt een echt web van agenten samenstel?'

'Klinkt goed, maar je beseft toch wel dat degenen die je openlijker aanstelt als eersten worden gestraft voor de daden van je echte spionnen?'

'Ja,' zei Robert. 'Maar dit is geen spelletje, Hoogheid. Er worden nu ook al mensen vermoord, en iemand die bereid is om het goud van de Kroon voor dit soort zaken aan te nemen, weet met welk risico hij dat doet. Het is niet mijn bedoeling om iemand als lokeend dienst te laten doen. En als ik net sukkelig genoeg ben in het werven van mijn verklikkers en zware jongens, en zij net onbekwaam genoeg zijn om bij de vijand de indruk te wekken dat ze geen kwaad kunnen, dan hoeven ze de prijs voor ons andere werk misschien niet te betalen.'

'Het staat me niet echt aan,' zei Arutha, 'maar dat geldt wel voor meer dingen die met deze kroon te maken hebben.'

Tot dusver had Wiliam er zwijgend bij gezeten, en Arutha keek hem aan. 'Snap je dat?'

'Heer?'

'Ik bedoel: begrijp je dat het soms je plicht kan zijn om onsmakelijke, soms zelfs weerzinwekkende dingen te doen?'

Geruime tijd bleef Wiliam stil voordat hij antwoord gaf. 'Heer, in het afgelopen jaar heb ik goed geleerd wat het is om onder de wapenen te zijn. De opleiding was nog maar de helft. Het doden van mensen vormde het grootste deel van de andere helft, maar het zien sterven van kameraden, mannen wier veiligheid aan mij was toevertrouwd... Ik denk dat ik dat wel begrijp.'

'Mooi, want jij bent de enige jonge officier die ik volledig kan vertrouwen, buiten de normale eed van trouw aan de Kroon om. Je vader heeft zich nooit op zijn adoptie in de familie laten voorstaan - dat hoefde hij ook niet - maar het was een hoogst plechtig geschenk van mijn vader, ter ere van een jongen die hij dood had gewaand, maar die hij was gaan beschouwen als een waardig drager van onze familienaam. De kinderen noemen jou neef Willie, uit genegenheid, maar het is meer dan dat: je bent een conDoin. Als de verantwoordelijkheid die deze naam met zich meebrengt nog niet tot je was doorgedrongen, dan is het daar nu het moment voor.'

Wiliam leunde achterover toen het begrip hem daagde. 'Dat was inderdaad nog niet het geval, Hoogheid. Maar het begint geloof ik te komen.'

'Mooi,' zei Arutha met een halve glimlach. 'Robert zal dat proces ongetwijfeld versnellen, als het je tenminste niet het leven kost.'

'Wat moet ik doen, Hoogheid?' vroeg Wiliam.

'Studeren, leren, luisteren, oefenen, je werk doen. Maar van tijd tot tijd komt Robert je van je taken plukken om hem te helpen met wat hij maar van je verlangt. Terwijl je tijd hier verstrijkt, Wiliam, dien je iedere soldaat in dit leger te leren kennen, en in gedachten te houden aan wie je bijzondere taken zou kunnen toevertrouwen. De Wacht van het Koninklijk Huis is de laatste tijd een ceremonieel onderdeel geweest, maar het is tijd om daar verandering in te brengen. Uiteindelijk zal ik het duidelijk maken dat mijn persoonlijke wacht de elite van dit onderdeel is, maar nu nog niet, want dat zou op dit moment een signaal zijn voor degenen die achter alle onrust in de stad zitten.'

Arutha leunde achterover, zette zijn vingertoppen tegen elkaar en spande zijn vingers even, het enige nerveuze gebaar dat Robert hem ooit had zien maken. Na een ogenblik bedachtzaamheid zei hij: 'We hebben bewijzen genoeg van onheil in ons rijk. We weten niet of we ons tegenover één of meerdere vijanden bevinden. De Nachtraven? Staan ze in verbinding met die Izmalieten? Waarom zouden ze zo'n aanslag beramen? Als ze nauwkeuriger te werk waren gegaan, dan zou je hier vermoedelijk niet meer hebben gezeten, Wiliam.'

Wiliam knikte beamend.

'En dan hebben we natuurlijk nog de vraag,' vervolgde Arutha, 'waarom de magiërs worden vermoord.'

'Het zou aardig zijn als Puc of Kulgan hier was,' merkte Robert op.

Arutha knikte afwezig. 'Puc wil me een nieuwe hof magiër sturen. Na die kwestie met Makala en de Tsuranese Grootheden, en nu dit gedoe met gedaanteverwisselingen en de moordaanslagen op de magiërs... ' Hij zuchtte. 'Ik denk dat Puc gelijk heeft. Ik zal hem laten weten dat hij dat Keshische meisje hierheen kan sturen.'

Wiliams ogen werden groot. Jazhara!'

'Ja,' zei Arutha.

'Maar dat is -'

'Weet ik,' onderbrak Arutha. 'Het nichtje van heer Hazara-Khan.' Hij wierp een blik op Robert. 'Die is, naar ik vermoed, jouw tegenhanger aan het hof van Groot Kesh.'

'Dat is te veel eer,' wierp Robert tegen. 'Het zal me tien jaar kosten voor ik net zulke goedgeplaatste agenten heb als hij.'

'Heb je bezwaar tegen haar komst?' vroeg Arutha aan Wiliam. 'Nee... het is alleen... een verrassing, Hoogheid.'

'Hoezo?'

Wiliams blik schoot even heen en weer. 'Nou, ze is Keshisch, en familie van het invloedrijkste geslacht in het noorden van het keizerrijk. En... ze is nog jong.'

Arutha moest lachen. 'En Robert en jij zijn oude veteranen?'

Wiliam begon te blozen. 'Nee... het is alleen dat ik mijn hele leven tussen magiërs heb verkeerd, van wie de meesten al oudere mannen met veel ervaring waren. Ik ben alleen...'

'Alleen wat?' vroeg de prins.

'Verbaasd over mijn vaders keus, meer niet.' Daar dacht Arutha even over na. 'Waarom?'

'Er zijn oudere, ervarener magiërs op Sterrewerf.'

'Wie?'

'Wie?' herhaalde Wiliam.

'Wie is volgens jou een geschiktere keus?'

'Ik... wel... verscheidene.' Razendsnel ging Wiliam in gedachten alle magiërs te Sterrewerf af die als raadslid van de prins in aanmerking zouden komen. Al gauw besefte hij dat de meesten ofwel te zeer verdiept waren in hun eigen studiegebied om de vereiste taken met de nodige toewijding te vervullen, ofwel de sociale vaardigheden misten om als harmonieus lid van de hofhouding te kunnen functioneren. 'Eigenlijk kan ik niemand anders verzinnen,' zei hij na een tijdje. 'Körsh en Watume zijn ook Keshiërs, en die hebben het te druk met het besturen van de academie. Zolan Husbar en Kulgan zijn te oud. Er zijn er nog wel een paar, maar Jazhara is zowel vertrouwd met de hofpolitiek als de mystieke kunsten.'

'Ben je bang voor verraad?'

'Nee,' antwoordde Wiliam zonder aarzelen. 'Dat nooit. Als ze trouw zweert aan uw kroon, Hoogheid, dan zal ze dat blijven tot in de dood.'

'Dat dacht ik al.' Arutha keek Wiliam een ogenblik aan. 'Er is nog iets wat je me niet hebt vertelt, maar dat zal ik voorlopig laten rusten.' Hij wendde zich tot Robert. 'Ik zal een speciale rekening voor je openen voor alles wat je nodig hebt voor het nieuwe netwerk van spionnen. Ik wil een wekelijks rapport, ook al luidt dat: "Niets gebeurd deze week." En dan ben ik niet blij met dat bericht.'

Robert knikte. 'Er zijn drie vragen die we zo snel mogelijk moeten zien te beantwoorden. Ten eerste: wat is het verband tussen de Nachtraven en de Kruiper? Ten tweede: wat is het doel achter al deze schijnbaar willekeurige moorden? En ten derde: waarom worden er magiërs vermoord?'

Arutha stond op, en de jongemannen volgden ijlings zijn voorbeeld. 'Ik moet een bezoekje brengen aan de hertog van Olasko en familie. Voeg maar aan dat lijstje toe waarom een gast uit een bevriende natie zo ver van huis is overvallen.'

'Vier dingen,' bevestigde Robert.

Zonder te wachten tot Robert de deur voor hem opende, deed Arutha dat zelf. 'Kom morgenochtend aan het hof, jullie allebei.'

Nadat de prins door de gang was vertrokken, vroeg Wiliam aan Robert: 'Heb ik me net érg voor schut gezet?'

'Niet zo heel erg,' antwoordde Robert met een glimlach. 'Wat hebben dat meisje en jij samen?'

Wiliam staarde naar de vloer. 'Dat is een lang verhaal.'

'We hebben de tijd, dus vertel maar.'

'Ik heb helemaal geen tijd, ik moet me gaan melden.'

'Heb je al gedaan,' wierp Robert tegen. 'Treggar en de andere officieren weten dat je bij Arutha was. Van nu af aan, als je bij mij of bij de prins bent, weten de anderen in het garnizoen alleen dat je op een bijzondere missie gaat. Verder niet.'

Wiliam slaakte een zucht. 'Toen ik hier kwam, dacht ik dat ik na mijn opleiding naar een grenspost zou vertrekken.'

Robert schoot in de lach. 'Je bent de neef van de prins, ook al is dat alleen maar door adoptie. Je dacht toch niet dat hij een conDoin weg liet rotten in een oord als Hoogstein of IJzerpas, wel?'

'Nee, maar ik heb mezelf nog nooit gezien als lid van het koninklijk huis.'

'Op een eiland midden in dat enorme meer kan ik me dat goed voorstellen.'

Wiliam geeuwde. 'Nou, als ik me dan toch niet meer hoef te melden, kan ik wel wat slaap gebruiken.'

'Nog niet,' zei Robert, en hij sloeg een arm om Wiliams schouder. 'We hebben nog een klusje op te knappen.'

'Een klusje? Nu?'

'Ja,' antwoordde Robert. 'En trouwens, ik wil dat verhaal horen over jou en die Jazhara.'

Wiliam zei niets, maar hij wierp een blik ten hemel en vroeg zich in stilte af: Waarom ik? 

 

Robert opende de deur van de lawaaierige herberg. Onderweg had Wiliam hem verteld over zijn relatie met de vrouwelijk magiër die van het eiland naar het hof zou worden gestuurd.

'Dus, je ziet, het was eigenlijk vrij kinderlijk allemaal, en ze deed er erg vriendelijk over, maar op zijn zachtst gezegd was het vreselijk gênant. Ik weet niet eens wat ik moet zeggen als ze komt.'

'Hoe oud was je toen?'

'Zestien.'

Robert keek de herberg rond. 'Ik begrijp het denk ik wel. Je zult het met me eens zijn dat mijn kijk op dat soort dingen anders is. Op die leeftijd was ik al... erg vertrouwd met vrouwen, in zowel de goede als de slechte zin van het woord.' Hij wees. 'Daar is een tafeltje.'

Wiliam en Robert drongen zich langs verscheidene groepen mannen die aan hoge tafels langs de muren stonden te drinken, en tussen grotere ronde eettafels door. Hier en daar was er wat te eten geserveerd, maar de meeste aanwezigen dronken alleen maar, voornamelijk bier, maar sommigen ook wijn.

'Waarom zijn we hier?' vroeg Wiliam terwijl ze gingen zitten.

Robert maakte een zwaaibeweging met zijn hand. 'Gedeeltelijk om te kijken wat we kunnen zien.' Wiliam fronste zijn wenkbrauwen, want hij had geen flauw idee waar Robert het over had. 'En gedeeltelijk omdat jij, zittend in dat kleine kamertje met die andere jonge luitenant...'

'Gordon,' hielp Wiliam.

'Ja, Gordon... waarschijnlijk alleen maar diep wanhopig of iets dergelijks zou worden vanwege jouw afhandeling van de missie - die vrij goed was, wat je er ook van vindt. En tenslotte' - Robert wuifde met een hand - 'omdat ik Talia had beloofd jou mee te nemen hierheen.'

'Je hebt wat -' begon Wiliam, maar Talia was al bij hen.

'Robert, Wiliam, wat leuk om jullie te zien. Wat mag het zijn?'

'Twee biertjes, graag,' zei Robert.

Vlak voordat ze zich omdraaide om hun bestelling te gaan halen, keek ze Wiliam even glimlachend aan.

'Zie je wel,' zei Robert.

'Wat?'

'Ze vindt je leuk.'

Wiliam keek om en zag haar lopen door het gedrang. 'Denk je?'

'Weet ik zeker.' Robert boog zich over de tafel, kneep even broederlijk in Wiliams arm en leunde achterover. 'Geloof me maar. Ze ziet een prins in jou.'

'Wat?' zei Wiliam, nu helemaal in de war. 'Heb je haar gezegd dat ik een prins ben?'

Robert schoot in de lach. 'Nee, zaagselhoofd. Een prins van een kerel. Een aantrekkelijke jongeman.'

'O,' zei Wiliam, achterover leunend. Toen keek hij Robert aan. 'Dus je denkt echt dat ze me leuk vindt?'

Robert kon zijn lachen nauwelijks inhouden. Talia kwam terug met twee kroezen, en terwijl ze die neerzette, bewonderde Wiliam het knappe meisje, maar keek vlug een andere kant op toen ze zei: 'Je was me toch niet aan het ontlopen, hè, Wil?'

Wiliam keek haar aan, zag dat ze glimlachte, en glimlachte terug. 'Nee, ik was alleen op... een missie voor de prins.'

'Dan is het goed,' zei ze opgewekt. Ze streek de munten op die Robert voor het bier op de tafel had gelegd en liep weg.

Wiliam nam een slok en keek Robert aan. Voordat hij zijn mond kon opendoen, zei Robert: 'Ze vindt je leuk.'

'O,' reageerde Wiliam, zijn aandacht weer op zijn bier richtend. Robert grinnikte. Een paar minuten bleven ze zwijgend zitten.

Robert scheen afwezig de gelagkamer rond te kijken, maar Wiliam zag dat zijn ogen van de een naar de ander gingen, alsof hij hun gezichten in zijn geheugen wilde prenten of op zoek was naar iets bijzonders. 'We moeten weg,' zei hij uiteindelijk. 'Drink je bier op.'

'Waarom?'

Robert leegde zijn bierkroes en stond op. 'Nu.'

Wiliam nam gauw een laatste slok, stond op en volgde Robert. Terwijl ze door de menigte schuifelden, zag Talia hen vertrekken en riep hen na: 'Niet meer zo lang wegblijven, hoor!'

Wiliam zwaaide, maar Robert ging zo snel mogelijk naar de deur.

Buiten de herberg hield Robert zijn hand omhoog. 'Even wachten.'

'Waarop?'

'Op die kerel daar,' zei Robert, wijzend naar een man die over straat liep. 'Tot hij de hoek om is.'

De man sloeg de hoek om. 'Nu,' zei Robert. 'Opschieten.'

'Volgen we hem?'

'Briljant.'

'Waarom, bedoel ik.'

'Omdat hij me een paar dagen geleden met wat vrienden achtervolgde. En ik wil graag weten waarom.'

Wiliam zei niets, maar automatisch ging zijn hand naar de knop van zijn zwaard.