3 Ontvangst
Robert wachtte.
Een hofjonker klopte op de deur, zijn jeugdige gezicht neutraal, zoals het een knul van twaalf, die voor het koninklijke woonverblijf was gestationeerd, betaamde. Een stem gaf hem toestemming het vertrek te betreden, en hij wachtte tot twee hofjonkers de rijk bewerkte houten deuren hadden geopend. Binnen zat de prins met zijn gezin aan het ontbijt. De onhandelbare tweelingbroers zaten elkander aan te stoten, in de veronderstelling dat dit hun ouders ontging. Een berispende blik van hun moeder bewees hun ongelijk, en ze maten zich weer een schijn van keurig gedrag aan. De kleine prinses zong een vrolijk liedje dat ter plekke aan haar fantasie ontsproot, onderwijl doelgericht lepelend in een kom warme pap.
Prinses Anita glimlachte naar Robert, die een buiging voor de familie maakte. 'Daar is onze jonker dan eindelijk,' merkte Arutha droog op. 'Ik hoop dat we vanochtend niet te veel beslag op je tijd leggen?'
Robert glimlachte terug naar de prinses, en keek de prins aan. 'Ik was op nogal ongepaste wijze gekleed voor een maaltijd met de koninklijke familie, Hoogheid. Het spijt me dat ik zo laat ben.'
Arutha beduidde Robert rechts van hem te komen staan, waar hij diende te wachten op de wenken van zijn vorst, tenzij hij om een boodschap werd gestuurd. Robert nam zijn plaats in, en genoot een ogenblik van de aanwezigheid van de enigen die hem in zijn leven als familie waren voorgekomen.
De Prins van Krondor en zijn jonker hadden een ongewone en unieke band met elkaar. Bij tijden waren ze evenzeer kameraden als meester en bediende, en soms gingen ze zelfs welhaast broederlijk met elkaar om. Niettemin bleef één ding altijd tussen hen bestaan: Robert vergat nooit dat Arutha zijn prins was en hij diens trouwe dienaar.
'Je ziet er moe uit,' zei de prins.
'Het is alweer een hele tijd geleden sinds ik een goede nachtrust heb genoten, heer,' reageerde Robert. 'De afgelopen nacht inbegrepen.'
'Wel, was het 't waard?'
'Enerzijds zeer,' antwoordde Robert. 'Anderzijds niet.'
Na een korte blik op zijn vrouwen kinderen vroeg Arutha zachtjes: 'Moeten we hier later over spreken?'
'Ik acht het geen geschikt onderwerp voor een tafelgesprek, als dat het antwoord op uw vraag is, Hoogheid.'
'Wacht dan op me in mijn kantoor,' zei Arutha. 'Ik kom over een paar minuten.'
Robert deed wat hem was gezegd en liep de korte afstand naar Arutha's werkvertrek, dat hij aantrof als altijd: opgeruimd en schoon. Hij liet zijn vermoeide lichaam zakken in een stoel aan Arutha's schrijftafel en leunde achterover.
Robert schrok wakker toen Arutha korte tijd later binnenkwam.
'Ingedut?' vroeg de prins op plagerige toon toen Robert overeind was geschoten.
'Het was een erg lange rit naar huis, Hoogheid, gevolgd door alweer een slapeloze nacht.'
Arutha wuifde Robert terug in zijn stoel. 'Rust uit terwijl we praten, maar val niet weer in slaap.'
'Heer,' zei Robert en nam weer plaats. 'Drie van mijn informanten worden vermist.'
Arutha knikte. 'Volgens die beste schout hebben we in Krondor weer te maken met een golf van moorden, en deze keer lijkt het alsof er geen patroon is. Maar het verdwijnen van jouw informanten zegt ons dat er iemand is die meer over ons weet dan wij over hem, en dat hij dat graag zo wil houden.'
'Ik zie ook geen patroon,' gaf Robert toe.
'Nog niet,' wierp de prins tegen. Er werd op de deur geklopt. 'Een moment,' riep Arutha en zei tegen Robert: 'Dat zal Gardaan zijn met de papieren voor zijn pensioen.'
'Dus hij gaat weg?' vroeg Robert.
Arutha knikte. 'Het spijt me hem te zien gaan, maar hij heeft zijn rust verdiend. Hij gaat terug naar Schreiborg om zijn laatste jaren door te brengen met zijn kleinkinderen, en een beter lot kan ik me voor niemand voorstellen. En ik neem aan dat hij gelijk heeft met zijn beschuldiging dat ik hem in feite niet veel meer laat doen. Hij stelt voor dat ik iemand met administratieve vaardigheden aanstel op die post, in plaats van een militair, zolang ik erop sta om zelf het toezicht over het leger te houden. En dit gesprek blijft binnen deze vier muren.'
Robert knikte zwijgend.
Wijzend naar de deur vervolgde Arutha: 'Laat Gardaan binnen op je weg naar buiten. Ga naar je kamer om te slapen. Vanochtend hoef je geen hofdienst te doen. Je hebt een drukke avond voor de boeg.'
'Weer op verkenning in de stad?' vroeg Robert.
'Nee, mijn vrouw heeft een bal ter ere van onze thuiskomst georganiseerd, en jij bent uitgenodigd.'
Robert rolde met zijn ogen. 'Kan ik niet beter nog wat gaan rondkruipen in het riool?'
Arutha begon te lachen. 'Nee, jij gaat vanavond geïnteresseerd luisteren naar rijke kooplieden die je proberen te imponeren met hun verhalen over hun fiscale heldendaden, terwijl hun kleurloze dochters je met hun marginale charmes trachten te verleiden. Dat is een koninklijk bevel.' Hij pakte een document van zijn schrijftafel. 'En we hebben bericht dat er een oosters edelman onze kant uit komt voor een onverwacht bezoek. Dus die dienen we ook nog te vermaken. En moordpartijen in de stad bederven het plezier een beetje, vind je niet?' voegde hij er droog aan toe.
'Zeker, Hoogheid.' Robert opende de deur en liet Gardaan binnen, die hem begroetend toeknikte. De deur achter zich sluitend verliet Robert het vertrek.
Het hof was vrijwel leeg. Over enkele ogenblikken zouden deRosa en Jeroen de edelen, kooplieden en andere rekestranten de ridderzaal binnen laten. Met een hoffelijk knikje naar het tweetal haastte Robert zich door een andere zijdeur en liep terug naar zijn kamer. Hij mocht dan niet uitzien naar het zoveelste gala van prinses Anita, maar wel hoorde hij zijn bed luidkeels naar hem roepen. De afgelopen tijd in het noorden, en in het bijzonder de week die hij in het zadel had doorgebracht, hadden hun tol geëist.
Op een kruising met een andere gang trof hij een hofjonker, en hij gaf de jongen de opdracht hem een uur voordat de bel voor het avondmaal werd geluid te komen wekken. Robert arriveerde bij zijn kamer, ging naar binnen, en was binnen enkele minuten diep in slaap.
De muzikanten zetten een melodie in, en Arutha draaide zich met een buiging om naar zijn vrouw: Al ging het er minder officieel aan toe dan aan het hof te Rillanon, het prinselijk hof van Krondor was niettemin gebonden aan tradities. Eén daarvan was dat de prins en prinses het bal openden.
Arutha was een voortreffelijk danser, en dat verbaasde Robert geenszins. Niemand was zo lichtvoetig bij het zwaardvechten als de Prins van Krondor, en niemand had daarbij diens uitstekende gevoel voor balans en ritme. En de dansen waren eenvoudig. Robert had gehoord dat de hofdansen in Rillanon complex en formeel waren, maar hier in het landelijker westen werd aan het hof op dezelfde wijze gedanst als de boeren en burgers in het Westelijke Rijk deden, alleen met wat meer beheersing en wat minder lawaai.
Arutha en Anita knikten tegelijkertijd naar de kapelmeester. Die hield zijn dirigeerstokje omhoog en knikte naar zijn muzikanten, een verzameling strijkers, twee slagwerkers en drie man met fluiten van verschillende grootte. Er werd een levendig wijsje ingezet, en Anita stapte bij Arutha vandaan, zijn hand vasthoudend. Haar sierlijke japon waaierde uit toen ze een pirouette maakte, en bedreven stapte ze onder zijn arm door. Robert bedacht dat het maar goed was dat die gekke grote witte hoeden die de dames tegenwoordig droegen alleen voor overdag waren, want het kwam hem als hoogst onwaarschijnlijk voor dat ze met een dergelijk hoofddeksel op onder Arutha's arm door zou zijn gekomen. Hij moest glimlachen om het idee.
'Valt er iets te lachen, Robert?' Vlak bij hem bleek Jeroen te staan.
Roberts glimlach verdween. Vanaf de allereerste keer dat hij Jeroen had ontmoet, toen Robert nog maar net aan het hof was, had hij een hekel aan hem gehad. Na Jeroens eerste - en tevens laatste - poging hem te koeioneren, had Robert de oudere jongen tegen de grond geslagen en hem erop gewezen dat hij prins Arutha's persoonlijke jonker was en zich door niemand de les liet lezen. Die boodschap had hij benadrukt met de punt van een dolk - die van Jeroen zelf, behendig uit diens gordel geplukt zonder dat Jeroen het in de gaten had gehad.
Vanaf die dag was Jeroen voor Robert op zijn hoede geweest, al had hij af en toe nog geprobeerd de jongere jonkers op hun kop te zitten. Sinds hij deRosa's leerling was geworden, en naar alle waarschijnlijkheid de volgende ceremoniemeester zou zijn, was Jeroen zijn tirannieke gedrag ontgroeid, en was er een beleefde wapenstilstand tussen hem en Robert ontstaan. Robert zag hem nog steeds als een pietluttige kwast, maar vond hem stukken minder onhebbelijk als hij vroeger was geweest. En soms had hij zowaar zijn nut.
'Gewoon, iets wat me te binnen schoot over de mode,' antwoordde Robert.
Jeroen toonde een flauw glimlachje voordat hij weer ernstig werd. Hij drong niet verder aan, maar de geringe verandering in zijn gelaatsuitdrukking maakte duidelijk dat hij Roberts opmerking wel kon waarderen.
Het hof was op zijn weelderigst, en alle gasten hadden zich uitgedost naar de laatste Krondoriaanse mode. Robert vond deze jaarlijkse veranderingen van smaak maar raar en soms zelfs belachelijk, maar hij verdroeg ze stoïcijns. Dit jaar was op verzoek van de prinses ook het uniform van de wacht veranderd, aangezien de oude grijze wapenkleden tegenwoordig als te saai werden beschouwd. De erewacht die langs de muren stond opgesteld droeg lichtbruine tunieken - ergens tussen koper- en goudkleurig in - met een insigne van een zwarte adelaar boven een bergtop. Robert wist niet of hij deze breuk met de traditie wel kon waarderen, maar op de scharlakenrode staatsiemantel van de prins stond tenminste nog het oude wapen.
Er arriveerden nieuwe gasten, die een voor een opgingen in het feestgedruis. Robert boog zich naar Jeroen. 'De gebruikelijke gasten?' vroeg hij zachtjes.
Jeroen knikte. 'De plaatselijke adel, rijke kooplieden, enkele legerofficieren die de gunst van onze prins hebben verdiend.'
'Nog Keshiërs?' vroeg Robert.
'Een paar,' antwoordde Jeroen. 'Handelaars.' Hij keek Robert aan. 'Of had je een bepaald soort Keshiërs in gedachten?'
De dans kwam ten einde, en Robert schudde zijn hoofd. 'Nee, al had ik liever van wel.'
Als die opmerking Jeroens nieuwsgierigheid wekte, dan liet hij daar niets van merken. Robert was zijn ondoorgrondelijkheid gaan waarderen, want een ceremoniemeester had nu eenmaal veel te maken met idioten, van wie velen machtig en rijk. Het vermogen om overtuigend iets niet te horen, was iets wat Robert in zichzelf miste en wenste te cultiveren.
Toen de openingsdans was voltooid, ontstond er wat tumult aan de andere kant van de zaal. Arutha maakte een buiging voor Anita, bood haar zijn hand en begeleidde haar terug naar de verhoging.
Bij de ingang van de zaal klonk de galmende stoot van deRosa's ambtsstaf op de vloer, om de komst van een vooraanstaand persoon aan te kondigen. DeRosa's oude, maar nog krachtige stem schalde door de zaal. 'Uwe Hoogheden, heer Radswil, Hertog van Olasko!'
'Radswil van Olasko?' vroeg Robert.
'Dat spreek je uit als Rads-vil, stuk onbenul,' fluisterde Jeroen. 'Een van de Oosterse koninkrijken - een hertogdom, eigenlijk.' Met gespeelde minachting keek hij Robert aan. 'Raadpleeg eens een landkaart, mijn vriend. Het is de jongere broer van groothertog Vaclav, en de oom van de Prins van Aranor.' Op nog zachtere toon besloot Jeroen: 'Wat betekent dat hij een neef is van de Koning van Roldem.'
Er ging een golf van beroering door de zaal toen degenen op de dansvloer plaats maakten voor een potige kerel, die met zijn gevolg naar de verhoging liep waarop Arutha en Anita zojuist hadden plaatsgenomen. Robert nam de man in ogenschouw, en wat hij zag, beviel hem niet.
De hertog was een rouwdouwer, zag Robert, ondanks zijn mooie kleren. Een grote fluwelen muts, donkerbruin, die eruitzag als een bovenmaatse baret, hing omlaag tot op zijn schouder. Uit de grote zilveren broche die eraan bevestigd was, stak een lange witte veer naar achteren. Zijn zwarte jasje paste strak rond zijn tors, en Robert kon zien dat de brede schouders niet waren opgevuld. Dat versterkte zijn indruk dat heer Radswil zich moeiteloos staande zou weten te houden in de ruigste kroegen van de stad. Het geheel werd gecompleteerd door een zwarte maillot met kousen, alles van de beste kwaliteit. Het zwaard aan zijn zij was een rapier, die veel weg had van Arutha's wapen, en eveneens vaak was gebruikt. Het enige verschil was dat er op die van Radswil een met zilver en goud versierde kom zat.
Aan zijn linkerzij liep een jong meisje van een jaar of zestien, in een jurk die de creatie van de prinses naar de kroon kon steken, maar dan zo laag uitgesneden als nog net fatsoenlijk was. Robert bekeek haar gezicht. Ze was knap, maar ze had iets roofdierachtigs, met de ogen van een jager. Heel even was hij dankbaar dat Joolstein niet aan het hof was. Sinds hun jeugdjaren had Robert gegrapt dat meisjes nog eens Joolsteins dood zouden worden, en deze zag er daar gevaarlijk genoeg voor uit, ondanks haar jonge leeftijd.
Toen voelde Robert een paar ogen op zich gericht, en hij keek om te zien waar de bron van dat gevoel was. Aan Radswils rechterzij liepen twee jongemannen, van ongeveer zijn eigen leeftijd, voor zover Robert het kon bepalen. De man pal naast de hertog zag eruit als een jongere versie van Radswil: zwaar gebouwd, krachtig van lichaam, en blakend van zelfvertrouwen. De ander leek genoeg op hem om een jongere broer te kunnen zijn, maar hij was slanker, en hij had een dreigende glans in zijn ogen, die hij op Robert had gevestigd. Hij bestudeerde Robert zoals Robert het gezelschap bestudeerde, en intuïtief wist Robert waar deze jongeman mee bezig was: zoeken naar potentiële vijanden aan dit hof. Terwijl de hertog een buiging voor Arutha maakte, liepen Robert de koude rillingen over de rug.
Jeroen, nu in zijn rol als assistent van de ceremoniemeester, stapte naar voren. 'Uwe Hoogheden, mag ik u voorstellen: Radswil, Heer Steznichia, Hertog van Olasko.'
'Welkom aan ons hof, mijn heer,' sprak Arutha. 'Uw komst is wat onverwachts. We meenden dat u pas later in de week zou arriveren.'
De hertog maakte een buiging. 'Mijn verontschuldigingen, Hoogheid,' zei hij met diepe stem, met slechts een licht accent. We kregen gunstige wind vanaf Opardum, en kwamen een week voor op schema aan in Salador. In plaats van daar te blijven, zijn we meteen verder getrokken. Ik hoop dat we Uwe Hoogheden geen onnodige overlast bezorgen?'
Arutha schudde zijn hoofd. 'Geenszins. We kunnen u alleen geen passend welkom bereiden, dat is alles.'
De hertog glimlachte, maar Robert kon geen hartelijkheid in dat gebaar ontdekken. De man was beschaafd en welopgevoed, maar in de kern was hij de vechtersbaas die Robert op slag in hem had herkend. 'Neemt u mij niet kwalijk, Hoogheid, ik nam aan dat het gala van vanavond voor ons was bedoeld.'
Anita's gezicht verstrakte even, en de hertog keek haar aan. 'Hoogheid, ik maak een grapje. De kwestie is onbelangrijk. Wij bezoeken u alleen uit eerbied voor de troon. We zijn op weg naar de Keshische havenstad Durbin. Daarvandaan willen we op avontuur in de Trollenbergen, waar, naar we begrepen hebben, het wild behalve talrijk ook exotisch is. Ieder blijk van uw gastvrijheid is voor ons een zegen die onze verwachtingen overtreft.'
Robert zag Jeroen ietwat verstijven. De pietluttige ex-jonker hechtte overdreven veel belang aan het protocol, en de hertog had een verontschuldiging van Arutha weten weg te wuiven met een belediging, zonder dat het opviel. Deze man was dus allesbehalve beschroomd in de nabijheid van een prins.
Anita was opgegroeid aan het hof, en bekend met de fijne kneepjes van de hoofse omgang. Alles wat ze nu ten antwoord op deze kleinering zei, zou haar situatie alleen maar verergeren. Daarom neigde ze slechts haar hoofd. 'Ik neem aan dat de subtiliteiten uit het oosten aan ons hier in het westen verspild zijn. Wilt u ons aan uw gezelschap voorstellen?'
Weer maakte de hertog een buiging en hij keerde zich tot de jongste van de twee mannen. 'Hoogheid, mag ik u mijn neef voorstellen, Zijne Hoogheid Vladic, zoon van mijn broer de aartshertog, erfgenaam van de troon en Kroonprins van Olasko, Prins van het Koninklijk Huis van Roldem.' Na deze woorden deed de jonge man een stap naar voren en maakte een buiging ter begroeting van de Prins en Prinses van Krondor. 'En dit is Kazamir,' vervolgde de hertog, 'mijn zoon en erfgenaam van mijn huis, eveneens Prins van het Koninklijk Huis van Roldem.' De andere jongeman maakte een soepele buiging, met precies de juiste hoeveelheid eerbied die iemand van zijn rang aan prins Arutha verschuldigd was. Met een vloeiende beweging draaide de hertog zich om. 'En dit is mijn dochter Paulina, Prinses van het Koninklijk Huis van Roldem.'
Arutha knikte hen toe. 'U bent allen welkom in Krondor.' Hij gaf een klein teken aan Jeroen, die zich wegrepte om gastenverblijven voor de hertog en zijn gevolg in orde te maken. Weer moest Robert toegeven dat Jeroen goed was in zijn werk. Hij twijfelde er niet aan dat de gasten hun kamers gelucht en voorzien van wijn en kleine spijzen zouden aantreffen, met bovendien een klein legertje hofjonkers om hen op hun wenken te bedienen.
'We vieren dat we veilig zijn teruggekeerd van problemen in het noorden,' legde Arutha uit. 'U bent van harte welkom om op het gala te blijven.'
De hertog glimlachte. 'Mijn dank. Afgaande op de berichten en geruchten die we onderweg van Salador naar Krondor hebben vernomen, zullen het geen kleinigheden zijn geweest. En een gala is de passende wijze om de veilige terugkeer van een prins te vieren. Maar ik ben vermoeid van de reis en vraag uw toestemming mij terug te mogen trekken. De kinderen willen echter na onze lange reis misschien wat genieten van muziek en vertier.'
Robert besefte dat het geen voorstel betrof, maar een bevel. Zijn twee nakomelingen maakten een buiging voor hun vader, terwijl de kroonprins nog even voor zich uitkeek en toen zijn hoofd licht neigde. Radswil maakte een buiging voor de prins en trok zich terug voordat Arutha in de gelegenheid was om toestemmend te wuiven. Meester deRosa onderschepte de hertog en zijn hovelingen bij de deur en begeleidde hen naar de gastenvleugel.
'Jonker Robert, wilt u ervoor zorgen dat onze gasten iets te drinken krijgen?' vroeg Arutha.
Robert maakte een buiging, stapte van de verhoging en stelde zich met een hoffelijke buiging beschikbaar voor de kinderen van de hertog. Zich scherp bewust dat de volgorde waarin de drie jongelieden waren voorgesteld overeenkomstig hun Olaskese status was, zei Robert: 'Prins Vladic, prinses, prins, mag ik u iets te drinken aanbieden?'
Door licht toegeknepen ogen keek Vladic hem een tijdlang aan, voordat hij knikte.
Met de soepelste beweging die Robert ooit had gezien, had prinses Paulina haar arm al door de zijne gehaakt voordat hij haar zijn hand had kunnen aanbieden, wat een veel hoffelijker gebaar zou zijn geweest. Door deze vrijpostigheid werd hij bijna van zijn stuk gebracht. 'Zeg eens, jonker,' vroeg Paulina, terwijl ze naar de grote tafel liepen waar de drankjes werden ingeschonken, 'hoe komt het dat u de prins persoonlijk dient?'
Terstond werd Robert door twee dingen getroffen. Er was iets met haar, misschien de geur van een exotisch parfum, dat zijn bloed sneller deed stromen. Plots ervoer hij een felle begeerte. En dat op zijn beurt wekte wat Robert al sinds lange tijd zijn narigheidsknobbel noemde. Paulina was best een knap meisje - velen zouden haar zelfs echt mooi vinden - en zeker een van de aantrekkelijkste op het gala, maar Robert was al heel lang gewend aan de verlokkingen van vrouwelijk schoon, en zo uitzonderlijk mooi dat hij zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken voelde was ze niet.
Hij wierp een blik op de twee jongemannen en zag een lichte geamuseerdheid in Kazamirs blik, en een neutraal masker op het gezicht van Vladic.
Vlug richtte hij zijn aandacht weer op haar. 'Ik heb mijn functie gekregen als beloning voor een dienst aan de kroon.'
Ze maakte zich een ietsje losser. 'O?' zei ze. Voor zover een enkel woord boekdelen kon spreken, was dat bij haar het geval.
Robert schonk haar zijn allercharmantste glimlach. 'Ja. U weet het niet, natuurlijk, omdat u uit zo'n ver land komt, maar voordat ik in dienst van de prins kwam, was ik een dief.'
Het kostte de prinses een immense wilsinspanning om niet van Robert terug te deinzen. Haar verstarde glimlach zag er bijna pijnlijk uit. 'Werkelijk?' zei ze, terwijl achter haar Kazamir zijn lachen inhield. Zelfs Vladics mondhoeken werden iets opgetrokken tot een zweem van een glimlach.
Op dat moment viel Roberts oog op Wiliam, die bij de tafel met verfrissingen stond opgesteld. 'Mag ik even iemand aan u voorstellen, Hoogheid?' Hij wenkte de jonge cadet, en toen Wiliam vlak bij hen stond, zei Robert: 'Hoogheid, het is mij een eer aan u voor te stellen: Wiliam conDoin, zoon van de hertog van Sterrewerf en neef van onze prins. Hij wordt binnenkort gepromoveerd tot Ridder-Luitenant in het prinselijke leger.'
Op slag was de houding van de prinses weer veranderd en was ze andermaal levendig en charmant. Wiliam werd rood, en nu wist Robert zeker dat de prinses over iets meer beschikte dan alleen haar onmiskenbare lichamelijke kwaliteiten.
'Wellicht kan de cadet me wat meer van het paleis laten zien, terwijl u mijn broer en neef onderhoudt, jonker Robert?'
Robert wierp een blik op zwaardmeester McWirth, die vlak bij de verhoging stond, en met een hoofdgebaar gaf hij aan dat Wiliam als gastheer op diende te treden. Het gezicht van de oude zwaardmeester verzuurde enigszins, maar hij knikte. Wiliam, de prinses zou vast graag de wandtapijtengalerij en prinses Anita's tuinen zien.'
Zo glad als een aal in water maakte de prinses zich los van Robert en stak haar arm door die van Wiliam. 'En hoe zal ik u noemen, jonge ridder?' vroeg ze.
'Wil, Hoogheid. Mijn vrienden noemen me Wil.'
Terwijl Wiliam de prinses meenam naar de zaal met wandtapijten, wees Robert de beide prinsen op de drankjes en lichte spijzen op de tafel. De kroonprins nam een bokaal wijn en proefde. 'Erg goed,' vond hij. 'Zwartheide?'
Robert knikte. 'Ik geloof van wel. Onze beste wijnen komen meestal daarvandaan.'
'U drinkt niet mee?'
Robert glimlachte. 'Ik heb dienst.'
Kazamir knikte. 'Dat kan ik begrijpen. Overigens hebt u dat erg handig opgelost. Maar weinig jongemannen zouden het gezelschap van mijn zus zo makkelijk hebben opgegeven.'
'Dat wil ik wel geloven,' zei Robert. 'Er is iets met haar...'
Vladic keek Robert weer onderzoekend aan, en opnieuw kreeg Robert het gevoel dat hij als mogelijke tegenstander werd ingeschat. 'U bent opmerkzaam, jonker,' zei Vladic. 'Mijn nicht heeft er behoefte aan door een groot aantal mannen te worden bewonderd, en daartoe maakt ze gebruik van middelen die haar natuurlijke aantrekkingskracht versterken.'
'Aha,' zei Robert. 'Magie. Een amulet of een drankje?'
'Haar linkerhand. Een ring, die ze heeft gekocht van een vrouw die in ons land wat liefhebbert in dergelijke snuisterijen. Ik vrees dat deze behoefte aan mannelijke aandacht uiteindelijk tot grote moeilijkheden voor haar toekomstige echtgenoot zal leiden.'
'Dan kan ze maar beter iemand trouwen die beschikt over grote vaardigheden met het zwaard, of anders over een grote dosis geduld.'
Vladic knikte en dronk van zijn wijn. Daarop nam hij een dun schijfje meloen van een schotel en nam er een hapje van. Een kleine verandering in zijn gezicht gaf blijk van zijn waardering voor het fruit. 'Het hof hier in het westen is een verfrissende verandering na de diverse omgevingen die we ten oosten van Salador hebben aangetroffen.'
Robert knikte. 'Dat zal beslist. Ten westen van Malachskruis is het heel anders. Ik heb niet zo veel tijd in het oosten doorgebracht, maar het is er...'
'Beschaafder?' viel Kazamir bij.
Robert glimlachte. 'Ik wilde ouder zeggen, maar als u de voorkeur aan beschaafder geeft, zal ik mijn ongelijk bekennen.'
Vladic glimlachte, en voor het eerst sinds hun ontmoeting merkte Robert dat de jongeman zich iets ontspande. 'Ach, het zal een kwestie van perspectief zijn, wed ik. Onze landen zijn erg oud, terwijl dit Westelijke Rijk nog maar betrekkelijk jong is. In Olasko hebben we in geen eeuwen een elf of gnoom gezien. Er liggen nog zes andere staten van enige grootte tussen de verre noorder-landen en Olasko.'
'Elfen zijn interessant,' ging Robert daarop in. 'En gnomen heb ik voor de rest van mijn leven al meer dan genoeg gezien.'
'Ik heb gehoord dat ze niet bepaald intelligent zijn, maar dat ze een goede jachtprooi vormen,' waagde Kazamir op te merken.
'Och, als je het leuk vindt te jagen op iets dat kan terugschieten.' Robert haalde zijn schouders op. 'Ik kom uit de stad, en heb weinig ervaring met de jacht. Ik zie er de sport ook niet van in.'
'Het verlevendigt een saai leven,' verduidelijkte Vladic.
Robert grijnsde. 'Zo saai heb ik het leven nooit gevonden, dus dat zal dan de reden wel zijn dat ik niet jaag.'
'Dan bent u een gelukkig man,' vond Kazamir. 'Wij kennen eveneens onze oorlogen, maar verder is er maar weinig voor een man die hunkert naar wat spanning.'
'Mijn neef is als het overgrote deel van onze adel: altijd openlijk op zoek naar roem,' zei Vladic. 'Maar de vaardigheid met het zwaard en de boog, en de uitdaging van de jacht, die komen op de tweede plaats.' Hij wees naar de verhoging, waar Arutha iets in het oor werd gefluisterd door een van de plaatselijke edellieden. 'Die edelman daar zoekt een ambt, een geschikte echtgenoot voor een dochter, een bondgenoot tegen een vijand, of iets anders bij uw monarch. Intrige vormt een belangrijk onderdeel van het leven aan mijn vaders hof.'
Robert begon te lachen. 'Dat is jonkheer Randolf van Zilversstee. Ik denk dat hij de prins ervan probeert te overtuigen dat deze een van zijn hinderlijke buren moet dwingen hun vee van de Zilverssteese weidelanden te halen.'
Kazamir blafte een ruw klinkende lach. 'Een wel heel kleine intrige, kennelijk, neef.'
Vladic leek een beetje geprikkeld dat hij zo werd bespot, maar hij zei niets.
'Blijft u lang in Krondor?' vroeg Robert.
Kazamir haalde zijn schouders op. 'Vader heeft dit bedacht als een rondreis door het westen, dus ik verwacht hier wel een paar dagen te blijven voordat we verder gaan. Hij wil gaan jagen in de Trollenbergen, waar grote everzwijnen moeten zitten, evenals wilde trollen, en zelfs, als het waar is, draken.'
Robert kon zijn lachen amper inhouden. 'Nadat ik zelf een keer een draak heb gezien, zou ik zeggen dat je gek moet zijn om er naar een op zoek te gaan.'
Kazamirs gezicht betrok. 'Gek?'
Vlug spreidde Robert zijn handen in een verontschuldigend gebaar. 'Een grap, en duidelijk een smakeloze. Het is alleen dat draken nog veel erger zijn dan hun reputatie. Wie erop gaat jagen kan maar beter een heel leger meenemen.'
Kazamirs gezicht verzachtte wat, maar Robert wist niet zeker of hij zich niet langer beledigd voelde. 'Zelfs trollen dienen zo mogelijk te worden vermeden,' vervolgde hij. 'De laaglandtrollen mogen dan weinig meer dan wilde dieren zijn, maar ze vormen bij de jacht een groter gevaar dan een leeuw of een beer, want ze zijn sluwer, en ze jagen in groepen. Hun bergverwanten spreken een taal en gebruiken wapens. Als je daarop gaat jagen, kan je er verzekerd van zijn dat ze de rollen trachten om te draaien.'
'Interessant,' was Vladics enige commentaar. 'Hoe is de jacht in dit gebied?' vroeg hij toen.
'Ja,' zei Kazamir, plotseling geïnteresseerd. 'Leeuwen, misschien?'
Robert haalde zijn schouders op. 'In het noorden, in het voorgebergte van de Calastius, is een redelijke hoeveelheid wild te vinden. Dichter bij de Koningsheerbaan is dat stukken minder, maar als je eenmaal hoger in de heuvels zit, zijn er herten, elanden, beren en panters in overvloed. Zo nu en dan komt er een basilisk uit de noordelijke bergen, en die is naar mijn smaak al draak genoeg.'
'Als we langer dan een paar dagen blijven, zou u dan een tocht naar deze bergen kunnen organiseren?' vroeg Vladic.
Robert knikte. 'Ik zal met de huisknecht gaan praten, die kan bij de jachtmeester en zwaardmeester gidsen en lijfwachten regelen. Op een dagreis afstand komt u in een erg ruig gebied waar nog steeds volop wild zit.'
Vladic keek vergenoegd, evenals zijn neef. 'Mooi. Ik zal er morgen met mijn oom over spreken. Afhankelijk van zijn plannen zal ik hem ertoe trachten over te halen eerst te gaan jagen in dat gebied alvorens te vertrekken.'
Kazamirs glimlach werd iets breder. 'Ik vermoed echter dat u beter tevens voor wat afleiding voor mijn zuster kunt zorgen terwijl wij weg zijn.'
Roberts frons wekte een lach bij Kazamir. 'Ik denk dat ik dat maar aan prinses Anita over zal laten,' zei de jonker. 'De jongelieden aan het hof zouden mogelijk wat problemen ondervinden bij de begeleiding van uw zuster.'
'Toch had u er geen moeite mee haar over te dragen aan die jonge cadet,' merkte Kazamir voorzichtig op.
Robert boog zich naar hem toe en sprak op samenzweerderige toon: 'Wil heeft nog niet zo veel... ervaring. Hoe aantrekkelijk uw zuster ook mag zijn, voor iets meer dan wat onhandige hofmakerijen zou ze zelf het initiatief moeten nemen, lijkt me. En voor zover ik dat kan bepalen, zal ze dat niet doen.'
Lachend gaf Kazamir hem een klap op de schouder. 'U mag dan van het platteland zijn, Robert, maar uw begrip van zekere subtiliteiten is dat beslist niet. Ja, mijn zuster is op zoek naar een echtgenoot met uitstekende betrekkingen, en zal haar kansen daarop niet door onbezonnenheden laten verminderen. Haar man zal haar rein in het huwelijksbed verwachten, en dat zal ze ook zijn. Maar voor die tijd zal ze menig jongeman erg ongelukkig maken.'
Gezien Roberts achtergrond was zijn kijk op dat soort dingen veel minder kritisch. Als sinds zijn jeugdjaren had hij al te veel vrouwen gekend om met het idee rond te lopen dat die er andere maatstaven op na dienden te houden dan mannen. Niettemin kende hij genoeg mannen, van adel en uit de burgerij, die daar anders over dachten om zich van die opvatting bewust te zijn. 'Leidt dat thuis niet tot problemen, gezien haar gebruik van... middelen om haar charme te versterken?'
'De meeste mannen in Olasko zijn doodsbang voor haar vader,' zei Vladic. Hij zette zijn geleegde wijnbokaal neer en weigerde beleefd toen een van de bedienden hem wilde bijschenken. 'In mijn vaderland durven slechts enkelen zijn toorn te trotseren.'
Robert haalde zijn schouders op en knikte instemmend. 'Dat lijkt me een wijze houding, als ik een burger van uw natie was. De hertog komt me voor als een zeer geducht tegenstander.'
Kazamirs glimlach verdween. 'En laat dat voor iedereen duidelijk zijn, Robert.'
Robert wist zeker dat deze opmerking eerder bedoeld was voor Vladic dan voor hem.
Toen keerde Kazamirs glimlach terug. 'Niettemin is het voor de mannen van mijn natie erg verleidelijk om een buit als mijn zuster na te jagen.'
Robert knipperde verrast met zijn ogen. 'Buit?'
'Zoals ik al zei, wij zijn wat avontuurlijk aangelegd in Olasko. Het jagen op vrouwen staat in even hoog aanzien als het jagen op holenberen.'
'Een interessante manier van uitdrukken,' zei Robert zo neutraal mogelijk. 'Ik denk dat mijn vriend Joolstein zich er zeer thuis zou voelen.'
'Jaagt hij op vrouwen?'
'Onophoudelijk,' antwoordde Robert.
'Dan stel ik me voor dat hij een zeer geoefend zwaardvechter is,' merkte Vladic op.
'Dat is hij ook, maar waarom?'
Kazamir gaf antwoord: 'Omdat er in mijn vaderland van een jongeman wordt verwacht dat hij zo veel mogelijk vrouwen behaagt, terwijl het tevens zijn plicht is de eer van zijn zus met het zwaard te verdedigen wanneer een andere man die bezoedelt.'
Robert grijnsde. 'Dus er wordt in Olasko nogal wat geduelleerd.'
Knikkend grijnsde Vladic terug. 'Voortdurend.'
'Gelukkig is mijn vriend Joolstein op weg naar het noorden om voor geruime tijd te dienen langs de grens,' zei Robert. 'Het spektakel dat u hem op een vroege, kille ochtend aan uw zwaard zou moeten rijgen, wordt ons dus tenminste bespaard. Ik slaap graag uit als ik de kans krijg.'
'Ik ook,' zei de kroonprins. 'Gezien de lengte van de reis die we vandaag hebben gemaakt' - hij keek de zaal rond - 'en de geringe kans dat ik tegen het einde van het gala een ontvankelijke vrouw van stand heb ontmoet, zal ik me maar eens terugtrekken.'
Ook Kazamir keek de zaal rond. 'Daar sluit ik me bij aan. Een warm bed is me vanavond liever dan wat drinken en geflirt.'
Meteen wenkte Robert een hofjonker, en toen de jongen kwam, droeg Robert hem op de prinsen Vladic en Kazamir naar hun gastenverblijven te brengen. Hij wenste hun een goede nachtrust en ging terug naar de verhoging.
De muzikanten speelden nog steeds. Nauwelijks stond hij weer naast Arutha, of hij hoorde tussen de muziek door de stem van de prins. 'Wat denk je van dit bezoek?'
Robert sprak net hard genoeg om zich voor de prins verstaanbaar te maken. 'Merkwaardig. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de hertog op zoek is naar een geschikte huwelijkskandidaat voor zijn dochter en dat hij zich onderwijl de geneugten van de jacht laat smaken.'
'Op het eerste gezicht,' herhaalde Arutha, zijn blik nog steeds gevestigd op de dansenden.
'Aangezien er in dit deel van het Koninkrijk maar weinig zonen van geschikte stand zijn - niet boven de leeftijd van tien jaar, tenminste - blijft er bij nadere inspectie echter weinig van die reden overeind.'
'Welke andere reden kan jij dan verzinnen?'
'Nou, de zoon zegt dat ze in de Trollenbergen willen gaan jagen op draken en trollen, maar dat gaat er bij mij maar moeilijk in. Nog maar een paar weken geleden hebben we bij Romnee tegen trollen gevochten, en er zitten er daar nog zeker genoeg om de hertog en zijn metgezellen voor de rest van hun leven bezig te houden. En wat de draken betreft: zelfs de dwergen gaan er niet naar op zoek. Pas als er eentje vanzelf opduikt, gaan ze er met de hele gemeenschap op af. Nee, de hertog mag dan gek genoeg zijn om echt op draken en trollen te willen jagen, maar dat is niet de reden voor zijn komst naar het westen. Ik heb het vermoeden dat de werkelijke reden voor deze reis in Durbin ligt.'
Wat zou hij in Durbin moeten? Er zijn twintig Keshische havensteden die hij in het oosten kan aandoen.'
Robert haalde zijn schouders op. 'Als we wisten wat hij in Durbin ging zoeken, wisten we ook meteen waarom hij liegt.'
Arutha wierp hem een blik toe. 'Je vermoedt iets.' Zijn aandacht ging terug naar de dansvloer.
Robert knikte. 'Maar daar kan ik nog niets over zeggen. Ik heb alleen het vage gevoel dat dit allemaal met elkaar te maken heeft: deze moorden, de verdwijning van burgers, de komst van deze buitenlandse edelman.'
'Als je de rode draad in dit alles hebt ontdekt, laat het me dan weten.'
'Als allereerste.'
'Heb je geslapen?'
'Eerder op de dag, ja,' antwoordde Robert, en hij wist wat er nu kwam.
'Mooi,' zei Arutha, 'dan weet je wat je moet doen.'
Robert knikte, maakte een buiging voor de prins, stapte opzij om een buiging voor de prinses te maken, en liep naar de uitgang. Terwijl hij de zaal verliet, wenkte hij een hofjonker met zich mee. Met de jongeman op zijn hielen haastte hij zich naar de zaal met wandtapijten, maar die was verlaten. Vlug liep hij verder naar de prinsessentuin en trof daar een hoogrode Wiliam naast prinses Paulina, die zich aan zijn arm had vastgeklampt en babbelde over de bloemen.
'Ahum,' zei Robert.
De opluchting op Wiliams gezicht was overduidelijk, en Robert maakte een buiging voor de prinses. 'Hoogheid, deze hofjonker zal u naar uw verblijf brengen. Uw vader en broer hebben zich al voor de nacht teruggetrokken.'
'Maar het is nog vroeg,' zei het meisje pruilend.
'Als u dat liever heeft, brengt hij u terug naar het gala. Maar cadet Wiliams aanwezigheid is elders gewenst.' Ze scheen te willen protesteren, maar Robert voegde eraan toe: 'Door de prins.'
Ze fronste haar voorhoofd, toverde toen een glimlachje te voorschijn en keek Wiliam aan. 'Bedankt dat je mijn gids hebt willen zijn. Jammer alleen dat het tot een vroegtijdig einde is gekomen. Misschien hebben we nog tijd om dit op een later tijdstip voort te zetten?'
'M-mijn vrouwe,' stamelde Wiliam.
Robert werd gegrepen door een golf van begeerte toen het meisje vlak langs hem heen liep terwijl hij een buiging maakte. Toen ze wegliep, verdween het gevoel.
Robert keek om en zag Wiliam knipperen met zijn ogen, duidelijk in verwarring. 'Gaat het, Willie?'
'Weet ik niet,' antwoordde hij, nog steeds knipperend. 'Toen we samen waren... Ik weet niet hoe ik uit moet leggen hoe ik me toen voelde. Maar nu ze weg is...'
'Magie,' verklaarde Robert.
'Magie?'
'Volgens haar broer bedient ze zich van magie,' legde Robert uit. 'Om haar charmes te verhogen.'
'En moet ik dat geloven?' zei Wiliam.
'Wat een vreemde reactie voor iemand die is opgegroeid op een eiland vol magiërs,' merkte Robert op, en de jonge soldaat bloosde weer. 'Geloof het nou maar.' Hij legde zijn hand op Wiliams arm. 'Ik moet een karweitje gaan klaren voor Arutha, en zo te zien zou jij best een biertje kunnen gebruiken.'
'Dat wel,' zei Wiliam, 'maar ik moet terug naar het cadettenverblijf.'
'Niet als je met mij meegaat,' wierp Robert tegen.
'Hoe kan ik aan een biertje komen terwijl ik iets voor Arutha ga doen?'
Robert grijnsde. 'Ik moet hier en daar een beetje rond gaan koekeloeren, en de beste smoes die ik daarvoor kan verzinnen, is dat ik met een vriend op kroegentocht ben.'
Met een zucht van berusting verliet hij samen met zijn vriend de tuin, er zo kort mogelijk bij stilstaand wat de reactie van zwaardmeester McWirth op Roberts plannetje zou zijn.