11 Tersluiks
Er was niemand in De Bonte Papegaai.
Op dit uur in de ochtend werd er nog niet gedronken. 'Lucas!' schreeuwde Robert.
Wiliam keek rond en werd een ogenblik later beloond toen Talia uit de keuken kwam. 'Wiliam!' riep ze, zichtbaar vergenoegd. 'Robert,' voegde ze eraan toe, en haar glimlach bleef bijna net zo stralend. 'Vader is afval naar de rivier brengen. Hij is zo terug, als jullie willen wachten.'
Wiliam glimlachte. 'Bedankt.'
Robert greep hem bij een elleboog om te voorkomen dat hij ging zitten. 'Als ik me niet vergis moet Talia straks boodschappen gaan doen op de markt, nietwaar, Talia?'
'Dat klopt, ja,' zei ze, opnieuw stralend. 'Ik zou op weg gaan zodra vader terug was.'
'Waarom ga jij niet met haar mee naar de markt, Wiliam, aangezien ik een paar dingen met haar vader onder vier ogen wil bespreken?'
Wiliam struikelde bijna over een stoel om Talia zijn arm aan te bieden. 'Als je geen bezwaar hebt?' vroeg hij.
Sierlijk liet ze haar arm door de zijne glijden. 'Nee, ik ben juist blij met het gezelschap.' Ze keek Robert aan. Je vindt het toch niet erg om alleen te blijven, jonker?'
'Nee, hoor, een poosje rust zou best welkom zijn.' Toen ze hem vragend aankeek, voegde hij er vlug aan toe: 'Het is de laatste tijd in het paleis erg hectisch geweest, met gasten en zo meer.'
Haar glimlach werd breder. 'O, ja. Ik heb gehoord dat er een oosters edelman in het paleis logeert.' Ze draaide Robert haar rug toe en keek Wiliam aan. 'Daar moet je me alles over vertellen.'
Achter Talia schudde Robert zachtjes zijn hoofd, om Wiliam te laten weten dat hij haar beslist niét alles moest vertellen. 'Wiliam kan zich vast nog wel herinneren hoe de dames van de oosterse hoven gekleed gingen, Talia.'
Wiliam liet zich mee naar buiten nemen, en Robert nam plaats om op Lucas te wachten. Lang duurde dat niet, want zoals Talia al had voorspeld, verscheen Lucas korte tijd later via de achterdeur. 'Talia!' riep hij. Toen zag hij Robert alleen zitten. 'Waar is mijn dochter?'
'Naar de markt met Wiliam. Ik heb haar gezegd dat ik op de zaak zou passen tot jij terugkwam.'
Met onheilspellende blik staarde Lucas hem aan. 'Jij voert iets in je schild, Robbie. Daar ken ik je inmiddels lang genoeg voor. Wat is het?'
Robert stond op en leunde naast Lucas tegen de tapkast. 'Iets wat een beetje gevoelig ligt, Lucas. Ik wil je iets vragen, maar dat kan ik pas doen nadat je me strikte geheimhouding hebt gezworen.'
Een tijdlang was Lucas stil. Wrijvend over zijn kin overwoog hij zijn antwoord. 'Kan ik eigenlijk niet doen tot ik weet wat het is. Ik heb verplichtingen, zoals je ongetwijfeld weet.'
Dat wist Robert inderdaad. Lucas was een van de weinige herbergiers in Krondor die zich kon handhaven zonder de bescherming van een machtig edelman, een gilde of de Snaken. Door de jaren heen had hij verscheidene bruikbare bondgenootschappen weten te sluiten, waaronder de vriendschap van enkele hooggeplaatste edelen in het Koninkrijk. Robert kende hij van zijn betrekkingen met de Snaken, al was Lucas erin geslaagd nimmer te diep onder hun invloed te raken. Hij had iets buitengewoon koppigs over zich, en het was algemeen bekend dat Lucas zich op versterking kon beroepen wanneer iemand hem onder druk probeerde te zetten. Uiteindelijk was het makkelijker om met Lucas samen te werken dan om hem ergens toe te dwingen.
Robert had zijn praatje verscheidene malen gerepeteerd, en na een keer diep ademhalen stak hij van wal. 'We weten allebei dat de Snaken geen macht meer vormen. Ook weten we allebei dat iemand anders - die Kruiper - bezig is alle lepe klusjes in Krondor naar zich toe te trekken.'
Lucas knikte.
'En we weten, voor zover iemand dat kan bepalen, dat de Oprechte Man dood is.'
Lucas glimlachte. 'Niet zo haastig, Robbie. Het is een gladde. Misschien houdt de Oprechte Man zich alleen maar schuil.'
'Misschien wel, maar als hij zich schuilhoudt is hij zo goed als dood, want hij heeft de Snaken lelijk in de steek gelaten.'
'Misschien wel, maar misschien lijkt dat alleen maar zo.' Robert grijnsde. 'Heeft iemand je ooit verteld dat je een verrekt irritante gesprekspartner kunt zijn?'
'Ja, hoor,' antwoordde Lucas. 'Maar niet zo gek vaak.'
'Luister, ik ben op zoek naar... vrienden op de juiste plaatsen.'
Lucas begon te lachen. 'Nou, dan zou ik maar eens beginnen met de Prins van Krondor, jongen. Een beter geplaatst persoon kan ik me niet voorstellen.'
'Goedgeplaatst binnen Krondor, bedoel ik. Mensen die in een dusdanige positie verkeren dat ze dingen horen.'
Zwijgend dacht de herbergier diep over Roberts woorden na. 'Door de jaren heen heb ik er een zaak van gemaakt om doorgaans erg hardhorend te zijn, Robbie. Daarom doen er zo veel mensen zo graag zaken met mij. Er zijn er die vracht willen vervoeren zonder langs de douane van de prins of de helers van de Snaken te gaan, en soms ken ik de karavaan-drijver die de klus doet persoonlijk. Er zijn er ook die willen praten met iemand die hen normaal gesproken ter plekke zouden vermoorden, en soms kan ik hen dan zonder bloedvergieten tot elkaar brengen. Dergelijke dingen. Maar dat houdt allemaal op als er ook maar iemand is die denkt dat ik verklikker ben geworden.'
'Ik ben niet op zoek naar verklikkers, Lucas,' wierp Robert tegen. 'Daar heb ik er op iedere straathoek al genoeg van. Ik ben op zoek naar meer, naar iemand die ik kan vertrouwen. Ik ben op zoek naar betrouwbare informatie, niet naar geruchten of desnoods leugens om wat koperstukken te verdienen. En bovenal ben ik op zoek naar iemand op wie ik mij door dik en dun kan verlaten, wat hij ook tegen andere mensen zegt.' Hij keek Lucas recht aan. 'Ik denk dat je wel weet wat ik bedoel.'
Weer dacht Lucas eerst een tijdlang na. Toen slaakte hij een zucht. 'Het spijt me, Robbie, maar ik zou nooit voor iemand kunnen spioneren. Dat pad is me net iets te leep, ook voor iemand als ik.' Hij liep om de tapkast heen en ging erachter staan. 'Maar ik zal je wat vertellen. Ik zal nooit iets ondernemen tegen de Kroon. Ik ben soldaat geweest, en mijn jongens zijn voor het Koninkrijk gesneuveld. Dus daar heb je mijn woord op. En als ik iets opvang wat daarop lijkt, wel, laten we zeggen dat ik er dan voor zorg dat je dat snel te weten komt. Wat dacht je daarvan?'
'Beter zo dan niets,' zei Robert.
'Wil je een biertje?'
Robert schoot in de lach. 'Daar is het nog een beetje te vroeg voor. Nee, dan zeg ik maar gedag. Als Talia en Wiliam terugkomen, zeg Wil dan dat hij teruggaat naar het garnizoen en zich meldt, wil je?'
'Nou je het toch over hem hebt...' zei Lucas.
'Ja?'
'Hij deugt toch wel, hè?'
'Ja, hij deugt,' antwoordde Robert.
Lucas knikte, pakte een doek en begon zijn tapkast te boenen. 'Het is alleen... nou ja, zoals ik je al zei, Talia is de enige die ik nog heb. Ik wil alleen dat ze goed wordt behandeld, als je begrijpt wat ik bedoel.'
'Ik begrijp wat je bedoelt,' zei Robert grijnzend. 'En als iemand haar goed zal behandelen, dan is dat Wiliam wel.'
Lucas keek op. 'Zijn vader was toch hertog?'
Hardop lachend zwaaide Robert hem goedendag en vertrok.
Wiliam had het warm en voelde zich een beetje duizelig, en hij kon maar niet bepalen of hij verliefd was of gewoon oververmoeid. Hij had talrijke gesprekken met zijn ouders gevoerd over het onderwerp mannen en vrouwen, en had in zijn jeugd ook meer dan genoeg gehoord van de academiestudenten op Sterrewerf. In vele opzichten was hij veel bekender met de theorie van het liefdesleven dan de meeste jongemannen van zijn leeftijd, maar echter tevens beduidend minder ervaren.
Terwijl Talia kwebbelde over de laatste nieuwtjes probeerde hij geïnteresseerd te blijven, maar zijn gedachten dwaalden af. Zijn hele leven had hij al met meisjes doorgebracht, om te beginnen met zijn geadopteerde zusje Gamina. Maar al had hij als kind veel vriendinnetjes gehad, hij was nog maar één keer verliefd geweest.
Hij trachtte het beeld van Jazhara van zich af te schudden, en hoe meer hij zijn best deed, des te levendiger verscheen ze voor zijn ogen. Vier jaar ouder dan Wiliam was ze, en ze was op Sterrewerf komen studeren toen hij elf was. Dat was nu een half leven geleden, besefte hij. Eerst was ze afstandelijk geweest, de Keshische van adellijke geboorte, die uiteindelijk zijn kinderlijke adoratie met goed fatsoen had ondergaan, en zich bij tijd en wijle zelfs licht gevleid had gevoeld. Maar het jaar voordat hij naar Krondor vertrok, was alles veranderd. Hij was niet langer een onbeholpen knul, maar een sterke, intelligente jongeman, en voor korte tijd werd zijn interesse in haar beantwoord. Hun verhouding was stormachtig, intens, en uiteindelijk voor Wiliam pijnlijk geweest. Het was tot een vervelend einde gekomen, en hij wist nog steeds niet precies wat hun relatie zo wankel had gemaakt, en totdat hij had vernomen dat ze naar Krondor werd gezonden, had hij gemeend misschien wel nooit achter de reden te komen waarom ze hem de bons had gegeven. Nu zag hij een nieuwe ontmoeting met haar met vrees en met enige opwinding tegemoet.
'Je luistert niet,' doorbrak Talia zijn mijmerijen.
'Neem me niet kwalijk,' zei hij met een glimlach. 'Ik heb niet veel geslapen, de afgelopen nachten.' Toen ze haar voorhoofd fronste, voegde hij er vlug aan toe: 'Op missie voor de Kroon.'
Ze glimlachte, en nog steeds gearmd naderden ze de markt. 'Nou, geniet dan maar van de zonneschijn, dan doen we net alsof de prins en zijn missies heel erg ver weg zijn. En beloof me dat je vannacht fatsoenlijk slaapt, akkoord?'
'Ik zal mijn best doen,' antwoordde Wiliam. Hij keek naar haar profiel toen ze bleef staan om de gewassen te inspecteren die die ochtend de stad in waren gebracht.
Ze wees op een stapel grote goudkleurige uien. 'Ik neem er zes van die.'
Terwijl ze met de verkoper pingelde, keerden Wiliams gedachten terug naar de verschillen tussen Talia en Jazhara. Jazhara was een Keshische, afkomstig van het woestijnvolk, en naar Koninkrijkse maatstaven exotisch donker. Ze was een redelijk vaardig en zeer veelbelovend magiër, en vechten kon ze als de beste. Uit eigen ondervinding wist hij dat ze net zo snel met een gevechtsstok je schedel kon breken als een bezwering over je afroepen, en ze was de best geschoolde vrouw die hij kende. Ze sprak zeker tien talen en dialecten, kende de geschiedenis van zowel haar eigen land als van het Koninkrijk, en kon meepraten over wetenschappen, de koers van de sterren, en de mysteriën der goden.
Talia daarentegen was een zonnige, open persoonlijkheid, vol humor en gratie. Ze keek om, zag Wiliam naar haar staren en vroeg: 'Wat is er?'
Hij glimlachte terug. 'Ik bedacht alleen dat jij het knapste meisje bent dat ik ooit heb gezien.'
Ze bloosde. 'Vleier.'
Ineens werd hij verlegen en zei: 'Vertel me eens over... je jeugd. Je zei dat je was opgegroeid bij een orde van...?'
Ze glimlachte, gaf vier munten aan de verkoper en deed de uien in haar boodschappenmand. 'Ik ben opgegroeid bij een orde van de Zusters van Ka-meeni.'
Wiliams mond viel bijna open. 'Ka-meeni?' riep hij uit. Verscheidene marktgangers keken om om te zien wie de naam van de wraakgod had aangeroepen.
Ze klopte op zijn arm. 'Die reactie krijg ik wel vaker.'
'Ik dacht dat je was weggestuurd naar een abdij van een...'
'Wat vrouwelijker orde?' maakte ze zijn zin af.
'Zoiets, ja.'
'De Wraakzoeker wordt nu eenmaal door vrouwen gediend,' zei ze. 'En vader besloot dat als ik toch buiten de stad moest worden grootgebracht, dat ergens moest zijn waar ik mezelf zou leren verdedigen.' Met haar wijsvinger tikte ze even op zijn zwaardgevest. 'Die is een beetje groot naar mijn zin, maar waarschijnlijk zou ik er wel wat schade mee kunnen aanrichten.'
'Ongetwijfeld,' zei hij. De orden van Ka-meeni hielden zich voornamelijk bezig met het opsporen van boosdoeners om het recht alsnog te laten zegevieren. Hun meest zachtaardige bezigheden bestonden uit het helpen van plaatselijke stadswachters en schouten met het opsporen van misdadigers en hen gevangen nemen dan wel hun verblijfplaats bekend maken. Minder zachtaardig waren ze wanneer ze de plaatselijke wetten en het Koninkrijkse recht aan hun laars lapten om een booswicht op te jagen en terecht te stellen. En in het minst gunstige geval sloegen ze geen acht op de beweringen van hun prooi wanneer die volhield onschuldig te zijn. Volgens een vaak aangehaalde grap over de dienaren van Ka-meeni luidde hun motto: maak iedereen dood, en laat Ka-meeni de schuldigen van de onschuldigen scheiden. Dikwijls creëerden ze meer problemen dan ze oplosten.
Talia glimlachte. 'Ik weet wel wat jij denkt.'
Wiliam bloosde. 'Wat dan?'
'Ga ik er meteen vandoor, of wacht ik tot ze me haar rug heeft toegekeerd?'
Hij begon te lachen. 'Nee, hoor, helemaal niet. Alleen...'
'Doe me geen kwaad, Wiliam, en je hebt niets te vrezen.'
Haar glimlach was zo stralend en open dat hij wel moest lachen. 'Goed. Mijn woord erop.'
'Mooi zo,' zei ze, hem een stomp op zijn arm verkopend. 'Dan hoef ik je ook niet op te jagen om jou kwaad te doen.'
'Je maakt een grapje, hè?'
Nu schoot zij in de lach. 'Ik ben alleen maar opgevoed door de Zusters van Ka-meeni, Wiliam. Ik ben nooit officieel in dienst getreden.'
Wiliam besefte dat ze het niet meende en begon te lachen. 'Daar had je me toch even te pakken.'
Ze liet haar arm weer door de zijne glijden, en samen liepen ze verder, de andere uitgestalde waren inspecterend. 'Ik denk dat ik je nog wel een keertje te pakken krijg,' zei ze zachtjes.
Wiliam verkoos die opmerking te negeren. Op dit moment wist hij niet wat hij moest denken. Hij genoot van het warme, licht verontrustende gevoel dat hij kreeg wanneer hij naar haar keek. Hij bewonderde haar donkere haren, haar blanke huid, haar rechte houding, en de jeugdige energie die uit scheen te gaan naar alles wat ze maar aanraakte. Het enige wat hij wilde was haar vlak bij zich houden en nooit meer aan iets vervelends hoeven denken.
'Luitenant!' klonk een bekende stem, zo vervelend als hij zich maar kon voorstellen. Hij keek om en zag kapitein Treggar met twee wachters naderbij komen. 'Kapitein!' zei hij, in de houding springend.
Op een toon die bijna grommend was, zei Treggar: 'Ik ben gestuurd om u en jonker Robert te halen, luitenant.' Zijn blik was vijandig, en hij scheen op een vechtpartij gebrand. 'Door Zijne Hoogheid,' voegde hij eraan toe, en meteen begreep Wiliam de ingehouden razernij die uit zijn hele houding sprak. Met een blik op Talia vervolgde Treggar: 'Ik begrijp dat u bezig bent, en nog geen tijd hebt gehad om uw wachtdienst in het paleis te vervullen, maar Zijne Hoogheid vond het zo belangrijk dat u bij hem kwam dat hij mij er persoonlijk op uit heeft gestuurd om de jonker en u te gaan zoeken.'
'Eh,' begon Wiliam, 'ik geloof dat jonker Robert nog in De Bonte Papegaai zit.'
'Nee, hij is hier,' klonk een andere stem.
Toen Wiliam omkeek, zag hij Robert op hen af komen lopen. 'Wat is er aan de hand, kapitein?' vroeg deze.
'Bevelen, jonker. De luitenant en u dienen direct met mij mee terug naar het paleis te gaan.'
Wiliam wierp een blik op Robert, die zei: 'Uitstekend.' Hij keek Talia aan. 'Neem het ons niet kwalijk, maar we moeten weg.'
Talia draaide zich om naar Wiliam. 'Ik heb genoten van onze tijd samen, Wiliam. Ik hoop dat je binnenkort weer langskomt.'
'Zeker,' zei Wiliam, en met een blik op Treggar voegde hij eraan toe: 'Zodra het dienstrooster het toelaat.'
Talia draaide zich om en vervolgde haar nauwkeurige onderzoek van de marktwaren, nog eenmaal over haar schouder glimlachend naar Wiliam.
'Jonker, als u zover bent?' zei Treggar.
Robert knikte en ging de anderen voor in de richting van het paleis.
Wiliam volgde een stap achter Treggar, op zijn beurt gevolgd door de twee soldaten. De spanning tussen hemzelf en de kapitein liep steeds hoger op, en binnenkort moest hij daar verandering in zien te brengen, want anders had hij een vijand voor de rest van de tijd dat hij in het leger zat.
Arutha keek de kamer rond. Kapitein Treggar en de twee soldaten die waren gestuurd om Robert en Wiliam te zoeken stonden wat afzijdig. Vier Krondoriaanse Padvinders - een apart elitekorps van spoorzoekers en baanmakers, verantwoordelijk aan hun eigen kapitein - keken naar de prins. 'Hier,' zei Arutha, wijzend op de landkaart, iets ten zuiden van de Baai van Shandon. 'Als onze informatie juist is, houden ze zich hier schuil.'
Robert stond naast de prins, en zijn ogen volgden de kleine letters van het regeltje: "Vallei der Dolenden", vlak onder een oudere inscriptie in een Keshisch alfabet dat hij niet kon lezen. 'Dat lijkt me nog steeds een flinke hoeveelheid terrein om te verkennen, Hoogheid.'
Met een armzwaai wees Arutha op de vier Padvinders. 'Ze vertrekken binnen het uur.'
'We hebben de kaart in ons geheugen geprent, Hoogheid,' zei een van hen.
Arutha knikte. 'Deze mannen volgen jullie op een dag afstand.' Met zijn vinger prikte hij op een punt enkele mijlen ten oosten van de vallei. 'Hier moet je naar hen zoeken. Een van jullie dient iedere nacht contact te leggen.'
'Ja, Hoogheid,' zei de leider van de Padvinders saluerend. Met een gebaar beduidde hij zijn metgezellen te vertrekken.
Alleen achtergebleven met Robert, Wiliam, Treggar en de twee soldaten, zei Arutha: 'Kapitein, stel een strijdplan op. Zeg iedereen die het wil horen dat we op oefening gaan in het zuidwesten en het noordoosten. Intussen selecteert u tweehonderd van onze beste mannen, met uitsluiting van iedereen die niet al minstens vijf jaar in dienst is geweest.'
Robert knikte instemmend. Er waren al eens drie Nachtraven in het garnizoen te Noordwacht geïnfiltreerd.
'Laat het voorkomen dat de selectie naar willekeur verloopt, maar aan het einde van de eerste dag neem ik die tweehonderd man mee naar het zuiden. Kapitein Leland voert de rest mee naar het noordoosten, dus verzin een geloofwaardig probleem om het opsplitsen van mijn troepen te verklaren.'
Kapitein Treggar knikte. 'Sire, als ik vragen mag?'
Arutha knikte.
'Zou het niet beter van pas komen wanneer de Ridder-Maarschalk het probleem behandelt?'
'Ridder-Maarschalk Gardaan gaat met pensioen, kapitein. Morgenmiddag houden we een afscheidsparade. Daarna vertrekt hij op het avondtij naar Schreiborg.'
Robert grijnsde. 'Een afscheidsfeestje, vanavond?'
Arutha keek zijn jonker aan. 'Ja, maar daar ben jij niet bij.'
Robert zuchtte theatraal. 'Ik ben teleurgesteld, Sire.'
'Ik leg u het probleem nog vóór de parade voor, Hoogheid,' beloofde Treggar.
'Nee, dat kom je vanavond nog voor zonsopgang doen,' beval Arutha. 'Een uur na zonsondergang vertrekken jullie met zijn vijven met een karavaan richting Kesh. Op de splitsing bij de Baai van Shandon slaan jullie af in westelijke richting naar deze oude karavaanroute.' Hij wees naar een kleine stippellijn op de oude landkaart. 'Jullie vertrekken een dag later dan de Padvinders, en jullie reizen langzaam, zodat jullie drie dagen na de Padvinders arriveren op dit punt.' Nogmaals priemde zijn vinger op de kaart. 'Dan hebben zij de tijd om onze prooi te lokaliseren.'
'En als het zover is, zit u op een halve dag afstand achter ons,' concludeerde Robert.
'Juist,' beaamde Arutha. Weer keek hij even de kamer rond. 'Als jullie bericht krijgen, gaan jullie zo snel mogelijk naar de plek waar de Padvinders het Nachtravennest hebben gevonden. Laat onderweg duidelijke sporen achter. Jullie dienen alle schildwachten te elimineren en alle barrières op te ruimen, want deze keer wil ik met mijn beste soldaten in één keer door om dat moordzuchtige ongedierte te verpletteren.'
Robert keek naar Arutha, maar zei niets. Hij begreep dat de prins op dit moment dacht aan zijn prinses, in zijn armen, op hun trouwdag, met de schicht van een moordenaar in haar rug, de dood nabij terwijl Arutha niets kon doen. 'We zullen alles in gereedheid brengen, Hoogheid,' zei hij tenslotte. Hij nam de anderen mee de kamer uit.
'Jonker, waarom ik?' vroeg kapitein Treggar
'De prins heeft mij nog nooit zo'n opdracht toegewezen.'
Robert haalde zijn schouders op. 'U bent achter ons aan gestuurd, dus jullie drieën weten al dat Wiliam en ik op een bijzondere missie gaan. Door jullie met ons mee te sturen, wordt het aantal mensen dat van onze werkelijke bedoelingen op de hoogte is tot een minimum beperkt. Nachtraven hebben de irritante gewoonte om onverwachts op de meest onwaarschijnlijke plaatsen op te duiken, en daarom is het belangrijk het aantal mensen dat over deze missie weet zo klein mogelijk te houden.' Er fonkelde iets in Treggars ogen, en vlug zei Robert: 'En Zijne Hoogheid zou u beslist niet hebben uitgezocht als hij niet het volste vertrouwen in u had.' Hij keek rond. 'Onderweg hebben we nog gelegenheid genoeg om u volledig op de hoogte te brengen, kapitein. Voorlopig dient u eerst een overtuigend probleem voor het garnizoen te verzinnen, en ik moet nog wat voorzorgsmaatregelen treffen.'
'Voorzorgsmaatregelen?' vroeg Wiliam.
'Het zal ons al moeilijk genoeg vallen om een bende beroepsmoordenaars te besluipen, luitenant,' verduidelijkte Robert. 'Zeker als we gewapend en wel met wapperende strijdbanieren aan komen rijden. We zullen ons moeten vermommen.' Hij keek uit het raam. 'Het is nu bijna middag. Als we met zonsondergang moeten vertrekken, heb ik maar weinig tijd.'
Kapitein Treggar knikte. Jonker.' Tegen Wiliam zei hij: 'Luitenant, u komt met mij mee.'
'Heer,' zei Wiliam, en sloot achter de kapitein aan toen die met de twee soldaten wegliep.
Robert ging een andere kant op, terug naar zijn favoriete poort, de dienstuitgang, waar hij het paleis uit kon komen zonder te veel aandacht op zich te vestigen. Drie adressen moest hij af voordat hij vertrok: de zoon van de schout, drie zware jongens in een schuilplaats in het riool, en daarna moest hij in korte tijd nog aardig wat dingen kopen.
Er joeg zand en stof over het plateau, waar een groepje reizigers, twee ezels, een kameel en een kleine kudde geiten zich verdrongen rond een overbelaste wagen. Nomaden, wellicht, op het eerste gezicht, of een familie op weg naar een verafgelegen dorp, tol en grenswacht op de bewaakte heerbaan mijdend.
Wiliam zat ineengedoken in zijn woestijnkleren, de kap over zijn hoofd getrokken om het stekende zand zo veel mogelijk uit zijn ogen, oren, neus en mond te houden. 'Kapitein, worden we in de gaten gehouden?' riep hij boven het lawaai van de wind uit.
'Als ze zijn waar we denken dat ze zijn, zitten ze nu naar ons te kijken!' schreeuwde kapitein Treggar terug.
Drie dagen eerder hadden ze ten zuiden van de Baai van Shandon het kamp verlaten. Prins Arutha volgde op twee dagreizen afstand, aan het hoofd van tweehonderd bereden soldaten. Ergens in het dwarrelende zand van het tafelland waren vier Padvinders op zoek naar de ruïne van een oud Keshisch fort.
'Je ziet er schattig uit, lieverd,' zei Robert tegen Wiliam.
'Hè?'
Robert verhief zijn stem om boven de wind uit te komen. 'Ik zei: je ziet er schattig uit, lieverd.'
Als de kleinste van het gezelschap was Wiliam gekleed in het gewaad van een Beni-Shazdavrouw; De twee soldaten, eveneens als vrouw verkleed, lachten om Wiliams ingehouden ergernis vanwege Roberts opmerking. Sinds de jonge luitenant op de eerste dag van hun reis vrouwenkleren had gekregen, had de jonker af en aan ten koste van Wiliam gegrapt, en Wiliam had de fout gemaakt uiting te geven aan zijn klachten, terwijl de ervarener soldaten gewoon zonder commentaar de jurken aan hadden getrokken. Sindsdien was Robert ongenadig geweest.
Inmiddels had Wiliam begrepen dat klagen geen enkele zin had, en hoofdschuddend ging hij weer op zijn hurken zitten. 'Nog maar een paar dagen geleden wandelde ik over de markt met het mooiste meisje van Krondor aan mijn arm, goud in mijn beurs, en een stralende toekomst in het vooruitzicht. En nu zit ik hier... met een stel sjofele ploerten. En met dit schitterende uitzicht, natuurlijk.' Hij wuifde om zich heen naar het kale landschap.
'Ik ga je slaan,' zei Treggar. 'Val neer en kruip weg als ik het doe.'
Ineens haalde hij uit, en zijn vuist schampte langs Wiliams schouder. Wiliam viel om, en Treggar boog zich over hem heen. 'Ze kunnen ons niet horen, denk ik!' schreeuwde Treggar. 'Hooguit het geluid van mijn stem, maar niet de woorden!'
'Waar zitten ze?' vroeg Robert, zonder zich te verroeren.
'Op de tweede heuvelkam in het westen, jonker. Iets ten noorden van het pad. Ik zag net iets tegen de wind in bewegen, en even later nog een keer.'
'Iedereen kent zijn rol,' zei Robert.
De twee soldaten liepen bedrijvig rond, als om ervoor te zorgen dat alles in het kamp veilig was voor de wind.
'Kruip bij me vandaan,' schreeuwde Treggar, 'buig naar me op je knieën, sta dan op en ga de geiten verzorgen!'
Wiliam deed wat hem was gezegd.
Treggar liep naar de wagen, een in een zeer wijde mouw gehulde arm als windscherm omhoog gehouden. Daar pakte hij iets wat er van een afstand uitzag als een volle wijnzak, waar hij met veel vertoon een ferme teug van nam. Vervolgens ging hij met zijn rug tegen een van de wielen zitten, in de luwte van de wagen. 'Kom nu hierheen en doe alsof je om vergeving smeekt, en terwijl je dat doet, kijk je naar die heuvelkam of je iets ziet bewegen.'
Dat deed Wiliam, buigend en zijn handen opheffend in een verzoenend gebaar. 'Ik zie niets, kapitein.'
'Nog een keer buigen!'
Terwijl Wiliam weer boog, kroop Robert naar de zijkant van de wagen, en terwijl hij deed alsof hij er iets uit haalde, speurde hij de heuvelkam af. Even later zag hij het, een flauwe beweging tegen het ritme van de wind in. 'Ze kijken,' zei Robert.
'Hou maar op met buigen, luitenant,' zei Treggar.
Wiliam kwam weer overeind. 'Ik zal wat eten rond gaan delen.'
'Zorg dat je mij en de jonker eerst bedient, en daarna pas de andere "vrouwen".'
Zonder te lachen bleven de soldaten met hun ogen de heuvels in het westen afspeuren, onderwijl de indruk wekkend dat ze aan het werk waren.
'Als het goed is, worden we vannacht door een van de Padvinders benaderd, en als we geluk hebben, weten ze al precies waar die schoften zich ophouden.'
De rest van de avond bleven ze de rol van een reizende familie spelen. Een uur na zonsondergang ging de wind liggen, en boven een klein vuurtje kookten ze een bescheiden maaltijd. Daarna legden ze zich te rusten, en wachtten af. Bij het eerste licht van de volgende ochtend was de Padvinder nog steeds niet geweest.