1 Ontsnapping

 

De geluiden van de achtervolging galmden door de donkere tunnels.

Limm was bijna buiten adem van zijn inspanningen om te ontkomen aan degenen die hem wilden vermoorden. De jonge dief bad tot Banath, de god der dieven, dat zijn achtervolgers niet zo goed de weg wisten in het riool van Krondor als hij. Hij wist dat hij hen niet eeuwig voor kon blijven en niet tegen hen kon vechten. Zijn enige hoop was om slimmer te zijn.

Paniek was nu zijn grootste vijand, wist de jongen, en hij vocht tegen de verschrikkelijke angst die hem dreigde te reduceren tot een doodsbang kind, dat zich vastklampte aan wat maar troost kon bieden terwijl hij zich schuilhield in de schaduwen, wachtend tot de mannen hem kwamen doden. Even bleef hij staan op een kruising van twee grote kanalen en sloeg toen linksaf, zich verder haastend door de duisternis van het onderaardse riool, een afgesloten lantaren zijn enige verlichting. Hij hield het schuifraampje op de kleinste stand, want hij had maar een minieme hoeveelheid licht nodig om te weten welke kant hij op moest. In sommige delen van het riool viel licht van boven, door roosters of door spleten in gewelven of kapot plaveisel. Een beetje licht scheelde een heleboel wanneer je je een weg zocht door de stinkende sluippaden onder de stad. Maar er waren ook hele stukken waar volslagen duisternis heerste en waar hij zo blind was als iemand die zonder ogen was geboren.

Hij kwam uit op een plek waar de rioolbuis een stuk smaller werd, wat de stroming van het afvalwater door dit gebied vertraagde. Limm beschouwde het als een soort dam. Hij bukte zich teneinde zijn hoofd niet tegen de bovenkant van de kleinere opening te stoten en rende verder, met zijn blote voeten spetterend door het vieze water dat zich aan het einde van de grotere buis verzamelde tot het hoog genoeg stond om af te vloeien door de roestige pijp.

Wijdbeens schommelend liep Limm verder, met zijn voeten op de zijkanten van de ronde doorgang, aangezien er over nog geen tien voet een lelijke uitstroom kwam naar een enorm kanaal dat zo'n zes el lager liep. Hard eelt voorkwam dat de tandvormige neerslag op het steenwerk in zijn voetzolen sneed. Bij een kruispunt met een lange, rechte tunnel sloot de jongen de lantaren af. Hij wist precies waar hij was en vreesde dat het geringste licht door zijn achtervolgers kon worden gezien. Op de tast sloeg hij de hoek om naar de volgende tunnel. Die was tientallen ellen lang, en zelfs de vaagste vonk kon over grote afstand worden opgemerkt.

Zo snel hij kon op deze ongemakkelijke manier repte hij zich verder en voelde de lucht zuigen waar het water onder hem klaterend wegviel door een gat in de buis waarin hij zich bevond. Vlakbij kwamen er verscheidene andere loosbuizen uit op dit gebied, dat bij de plaatselijke dieven bekend stond als de Put. Het geluid van al dat vallende water galmde door de smalle buis, zodat het moeilijk te bepalen was waar het precies vandaan kwam, dus hij liep langzaam verder. In dit stuk kon een misrekening van zes duim leiden tot een dodelijke val.

Zo'n tien voet verder kwam Limm bij een rooster, waar hij bijna tegen aan botste, zo ingespannen luisterde hij naar degenen die achter hem aan kwamen. Hij hurkte neer om zichzelf zo klein mogelijk te maken, voor het geval er licht in de tunnel werd gespiegeld.

Slechts enkele ogenblikken later hoorde hij stemmen, de woorden eerst nog onverstaanbaar. Toen hoorde hij een man zeggen: '...kan zo ver niet zijn. Het is nog maar een kind.'

'Hij heeft ons gezien,' zei de leider, en de jongen wist heel goed wie de spreker was. Hij had de beeltenis van die man en degenen die hem dienden in zijn geheugen gegrift, al had hij hen slechts enkele tellen gezien voordat hij zich had omgedraaid om te vluchten. Hoe de man heette wist hij niet, maar wel wat voor een man het was. Limm had zijn hele leven tussen dergelijke mannen geleefd, al waren er misschien maar een paar zo gevaarlijk.

Limm koesterde geen illusies omtrent zijn eigen vermogens. Tegen dergelijke mannen kon hij het onmogelijk opnemen. Vaak toonde hij zich onversaagd, maar dat was valse bravoure, om sterkere tegenstanders ervan te overtuigen dat het toch net iets lastiger zou zijn om hem uit de weg te ruimen dan het in werkelijkheid was. Zijn bereidheid om de dood in de ogen te kijken had de jongen bij meer dan een gelegenheid de hals gered, maar dat betekende nog lang niet dat hij gek was. Deze mannen gunden hem niet eens de tijd om te bluffen. Ze zouden hem onmiddellijk vermoorden, zonder aarzelen, omdat hij hen in verband kon brengen met een gruwelijke misdaad.

Rondkijkend zag de jeugdige vluchteling water naar beneden sijpelen. Ontdekking riskerend, liet hij een miniem streepje licht naar boven schijnen. De bovenkant van het rooster sloot niet aan bij het plafond van de tunnel, en meteen aan de andere kant van het rooster liep een doorgang naar boven.

Onmiddellijk klom de jongen langs het rooster omhoog en stak zijn vrije arm door de opening om te bepalen of hij erdoor kon. Biddend tot Banath dat hij niet te veel was gegroeid sinds de vorige keer dat hij zo'n kunststukje had uitgehaald, perste Limm zich omhoog en draaide om zijn as. Zijn hoofd moest er als eerste door. Zijn gezicht schuin houdend stak hij het tussen de bovenrand van het rooster en de stenen erboven. De ervaring had hem geleerd dat zijn oren minder te lijden hadden als ze niet werden omgebogen wanneer hij zijn hoofd erdoorheen perste. Het steeds dringender wordende gevoel dat hij moest opschieten streed met de pijn die hij leed, want hij wist dat zijn achtervolgers naderden. De pijn werd heviger terwijl hij zich langzaam door het gat wrong. Met de zoute, ijzerachtige smaak van bloed en zweet op zijn lippen schoof hij zijn hoofd steeds een stukje verder. De tranen biggelden hem over de wangen, maar hij gaf geen kik terwijl hij zijn beide oren openschuurde, het ene tegen steen en het andere tegen smerig ijzer. Heel even dreigde hij door paniek te worden overmand toen hij zich in zijn verbeelding hulpeloos in het rooster zag hangen terwijl zijn achtervolgers hem grepen.

Toen schoot zijn hoofd langs de bovenrand van het rooster. Hij stak zijn arm door de opening en bewoog zijn schouder. Hopend dat hij zijn gewrichten geen geweld aan hoefde te doen, ging de jonge dief verder. Hij kreeg zijn schouders erdoor en, door uit te ademen, ook zijn borst. Pas toen besefte hij dat de lantaren, die hij in zijn andere hand hield, niet door het gat paste.

Hij haalde een keer diep adem en liet hem vallen. Toen perste hij de rest van zijn lichaam door de opening. Hij stond nu aan de andere kant van het rooster en klampte zich eraan vast als aan een ladder. Met hels kabaal kletterde de lantaren op de stenen.

'Hij zit daar!' werd er van vrij dichtbij geroepen en er scheen licht in de tunnel.

Limm zette zich schrap en keek omhoog. Het gat boven hem was nauwelijks zichtbaar in het vage licht dat in hoog tempo op hem af kwam. Hij strekte zich uit en sloeg zijn handen vlak tegen de binnenwanden van de tunnel, terwijl hij stevig op het rooster bleef staan. Met beide handen drukte hij zich klem tegen de zijkanten van de verticale schacht. Hij had houvast nodig voordat zijn voeten het rooster konden verlaten. Rondtastend vond hij aan de ene kant een diepe naad tussen twee stenen, en amper had hij er voor zijn andere ook een gevonden, of hij voelde iets tegen zijn blote voet.

Ogenblikkelijk zette hij zich af met zijn voeten, en hij hoorde iemand vloeken. 'Alle rioolratten!'

'Daar kunnen we niet doorheen!' zei iemand anders.

'Maar mijn zwaard wel!'

Uit alle macht trok de jeugdige dief zich omhoog de schacht in, en met een gevaarlijke manoeuvre bracht hij zijn armen omlaag langs zijn lichaam en duwde zich omhoog. Hij sloeg zijn handen achter zich tegen de muur van de schoorsteen, trok zijn voeten op en perste ze als een acrobaat tegen de andere tunnelwand. Aan het schrapen van ijzer langs staal hoorde hij dat er een zwaard door het rooster werd gestoken. Had hij geaarzeld, dan zou hij nu zijn gespietst op de punt van de lange kling.

Iemand vloekte. 'Hij is in die schacht verdwenen!'

'Dan moet hij er ergens op het niveau hierboven weer uitkomen!' zei iemand anders.

Heel even voelde Limm het hemd langs zijn rug omhoog kruipen en zijn blote voeten uitglijden op de glibberige stenen. Meteen drukte hij harder met zijn voeten en hoopte maar dat hij zo kon blijven hangen. Na een korte neerwaartse beweging lukte dat.

'Hij is weg!' schreeuwde een van de mannen die hem achterna zaten. 'Als hij was gevallen, zou hij er alweer uit zijn gekomen!'

De jongen herkende de stem van de leider. 'Terug naar het volgende niveau en verspreiden! Een bonus voor degene die hem doodt! Vóór de ochtend moet er met die rat zijn afgerekend!'

Limm bewoog zich omhoog: een hand, een voet, nog een hand, de andere voet, schuifelend, bij elke duim winst een halve terugglijdend. Het ging tergend langzaam en zijn spieren schreeuwden om een rustpauze, maar hij hield vol. Een zuchtje koele lucht van boven zei hem dat hij het volgende niveau van het riool al naderde. Hij bad tot de goden dat de pijp breed genoeg voor hem was, want hij voelde er niets voor om langs de schacht terug naar beneden te gaan en zich weer door de spleet tussen het rooster en het plafond te persen.

Aan de bovenkant van de schacht hield hij halt, haalde diep adem en draaide zich bliksemsnel om, grijpend naar de rand. Zijn ene hand gleed weg over een kleverige brij, maar met de andere wist hij zich vast te houden. In bad gaan was niet bepaald een van zijn favoriete bezigheden, maar toch zag hij ernaar uit om alle viezigheid van zich af te schrobben en schone kleren aan te trekken.

Hangend in de stilte, wachtte de jongen af. De mannen die hem achtervolgden konden nu ieder moment verschijnen. Hij luisterde.

Ondanks zijn impulsieve aard had de jongen geleerd hoe gevaarlijk het was om in netelige situaties overhaast te werk te gaan. Zeven jongens waren er naar Moeders gekomen, het veilige toevluchtsoord van de Snaken, slechts enkele weken na elkaar. De andere zes waren nu dood. Twee hadden een ongeluk gekregen: ze waren van de daken gevallen. Drie waren er tijdens acties van de magistraten van de prins als ordinaire dieven opgehangen. De zesde jongen was de afgelopen nacht gestorven, vermoord door de mannen die nu achter Limm aan zaten, en het was deze moord waarvan de jonge dief getuige was geweest.

Hij liet zijn razende hart kalmeren en zijn uitgeputte longen bijkomen. Even later hees hij zichzelf in de grote pijp en liep weg door het donker, een hand op de rechtermuur. In de meeste tunnels wist hij geblinddoekt de weg, maar één verkeerde afslag of het missen van een zij tunnel was genoeg om volkomen te verdwalen. In dit deel van de stad bevond zich een centraal waterreservoir, en zijn positie ten opzichte van die plek verschafte Limm een uitstekend hulpmiddel bij het navigeren, maar alleen wanneer hij het hoofd koel hield en zich concentreerde.

Stapje voor stapje ging hij verder, luisterend naar gorgelend water in de verte, zijn hoofd draaiend om zich ervan te vergewissen dat het geluid uit het riool kwam en geen valse echo was. Op de tast lopend dacht hij na over de waanzin die zich in de afgelopen weken in de stad had afgespeeld.

Eerst leek het maar een klein probleem: een nieuwe, rivaliserende bende, zoals er wel vaker opdook van tijd tot tijd. Een bezoekje van de zware jongens, de vaste knokploeg van de Snaken, of een tip aan de mannen van de schout, en het probleem was opgelost.

Deze keer was het anders geweest.

In de haven was een nieuwe bende verschenen, met een groot aantal Keshische kleerkasten ertussen. Dat op zich was niet zo opzienbarend, want Krondor had veel handelsbetrekkingen met Kesh. Waarin deze groep echter opviel, was hun onverschilligheid ten aanzien van de dreiging die de Snaken vormden. Zeer provocerend brachten ze vracht de stad in en uit, met smeergelden aan diverse beambten, om de Snaken uit te dagen zich ermee te bemoeien. Ze schenen op een confrontatie aan te sturen.

Uiteindelijk waren de Snaken in actie gekomen, en het was uitgedraaid op een ramp. Elf van de meest gevreesde zware jongens - de wethandhavers van het dievengilde - waren aan het einde van een half verlaten kade in een pakhuis gelokt. Nadat ze binnen waren opgesloten, was het gebouw in brand gestoken, en alle elf hadden de dood gevonden. Vanaf dat moment was het oorlog in Krondors onderwereld.

De Snaken hadden zich moeten verschuilen, en de indringers, onder leiding van iemand die alleen bekend stond als de Kruiper, hadden eveneens geleden, aangezien de Prins van Krondor had ingegrepen om de orde in zijn stad te herstellen.

Er werd gefluisterd dat er lieden, gekleed als Nachtraven - leden van het moordenaars gilde - in het riool waren gesignaleerd, als lokaas om het leger van de prins het riool in te krijgen, met als duidelijk doel de Snaken uit te vagen. Indien de wachters van de prins met voldoende aantallen het riool waren ingegaan, zou iedereen die ondergronds werd aangetroffen, moordenaar, valse Nachtraaf en Snaak gelijk, worden gevangengenomen dan wel gedood. Het was een slim plan, dat echter op niets was uitgedraaid.

Jonker Robert, eens Robbie de Hand van de Snaken, had daar een stokje voor gestoken, nog voordat hij in de nacht was verdwenen op een missie voor de prins. Vervolgens had de prins zijn leger verzameld om erop uit te trekken - en weer had de Kruiper toegeslagen. Sindsdien hadden de twee partijen zich teruggetrokken, de Snaken bij Moeders, hun zeer goed geheim gehouden hoofdkwartier, en de mannen van de Kruiper op een onbekende schuilplaats in het noorden van het havengebied. Degenen die waren gestuurd om achter de precieze ligging van het bolwerk van de Kruiper te komen, waren niet teruggekeerd.

Het riool was veranderd in een niemandsland, waar slechts weinigen zich waagden, en dan alleen door uiterste noodzaak gedreven. Limm zou zich nu veilig bij Moeders schuil hebben gehouden, als er niet twee dingen hadden gespeeld: een afschuwelijk gerucht en een boodschap van een oude vriend. Het gerucht of de boodschap alleen zouden niet genoeg zijn geweest om Iimm uit zijn hoekje in de schuilplaats van de Snaken te krijgen, maar door de combinatie van die twee zag hij zich gedwongen iets te doen.

Snaken hadden maar weinig vrienden. De trouw tussen dieven onderling kwam slechts zelden voort uit genegenheid of wederzijds respect en ontsproot veel eerder aan een gedeeld wantrouwen ten opzichte van degenen buiten het gilde en aan vrees voor elkaar. In de Broederschap der Dieven vond je je plaats door kracht of scherpzinnigheid.

Maar zo nu en dan werd er toch vriendschap gesloten en was er sprake van een diepere band dan gemeenschappelijke belangen, en die weinige vrienden waren een groter risico waard. Limm telde nog geen handvol mensen voor wie hij enig risico wenste te lopen, laat staan tegen zo'n hoge prijs wanneer hij werd betrapt, maar twee van hen zaten nu in nood én moesten van het gerucht op de hoogte worden gebracht.

Er bewoog iets verderop in het donker en Limm versteende. Hij wachtte, luisterend naar iets ongewoons. Het was verre van stil in het riool, met de ononderbroken achtergrondgeluiden: het gerommel van het water, dat onder hem door het grote gewelf stroomde om het afval van de stad tot voorbij de havenmonding te brengen; het vallen van wel duizend druppels; het scharrelen van ratten en ander ongedierte, en de piepende geluiden die ze voortbrachten.

Bij gebrek aan licht bleef Limm wachten. Voor iemand die niet tot de Snaken behoorde was geduld op zijn leeftijd een zeldzaamheid, maar een haastige dief was nu eenmaal een dode dief. Limm verdiende de kost bij de Snaken als een van de handigste zakkenrollers in Krondor, en met zijn vermogen om zonder de aandacht te trekken rustig door de mensenmenigte op de markt of door drukke straten te lopen, was hij bij de leiding in hoog aanzien komen te staan. De meeste jongens van zijn leeftijd werkten op straat nog steeds in groepen, die de aandacht moesten afleiden wanneer andere Snaken goederen van karren haalden of op de vlucht moesten slaan.

Limms geduld werd beloond toen de vage echo van een laars op steen hem bereikte. Iets verderop kwamen twee grote gewelven samen, op een plaats waar hij door het traag stromende rioolwater moest lopen om aan de andere kant te komen.

Dat was een uitgelezen plek om hem op te wachten, bedacht de jonge dief. Zodra ze hem door het water hoorden lopen, zouden ze op hem af duiken als jachthonden op een haas.

Limm overwoog zijn mogelijkheden. Een andere weg om dat kruispunt heen was er niet. Wel kon hij dezelfde weg terug, maar dat kostte hem uren extra door de gevaarlijke rioolbuizen onder de stad. Maar hij hoefde niet over te steken wanneer hij de hoek om sloeg, dicht bij de muur bleef om niet te worden opgemerkt, en de gang naar rechts nam. Hij zou erop moeten vertrouwen dat hij in het donker onzichtbaar bleef en hij stil genoeg kon zijn om niet te worden gehoord. Eenmaal op veilige afstand van de kruising kon hij dan weer op weg.

Limm sloop verder, uiterst voorzichtig de ene voet voor de andere plaatsend om nergens op te trappen wat zijn aanwezigheid kon prijsgeven. Vechtend tegen de neiging om haast te maken, beheerste hij zijn ademhaling en liep behoedzaam verder.

Stapje voor stapje naderde hij de kruising van de twee gangen, en toen hij bij de hoek kwam waar hij rechtsaf zou slaan, hoorde hij een ander geluid, het lichte schrapen van metaal over steen, alsof er een zwaardkling of een schede heel zachtjes een muur had geraakt. Hij versteende.

Ook al was het donker, toch hield Limm zijn ogen dicht. Waarom wist hij niet, maar het scherpte zijn andere zintuigen. In het verleden had hij zich hierover verwonderd, maar uiteindelijk was hij ermee opgehouden te bedenken waarom dat zo was. Hij wist gewoon dat zijn gehoor en zijn tastzin eronder te lijden hadden wanneer hij energie stak in een poging om te zien, ook in het pikkedonker.

Na lange tijd roerloos te hebben gestaan, hoorde Limm water naar hem toe stromen. Iemand, een winkelier of een stadsarbeider, moest een waterreservoir hebben geleegd of een van de kleinere sluiskolken voor het riool hebben opengezet. Dat zachte geluid was het enige wat hij nodig had om verder te lopen, en al gauw was hij de hoek om.

Limm maakte voort, nog steeds behoedzaam, maar met een grote behoefte om de afstand tussen hemzelf en degene die de kruising achter hem bewaakte, te vergroten. In stilte telde hij zijn voetstappen, en toen hij de honderd was gepasseerd, deed hij zijn ogen open. Zoals hij had verwacht, was er verderop een vaag stipje licht, dat hij herkende als een weerkaatsing van het licht dat naar beneden viel door een open rooster op het Westmarktplein. Het was niet genoeg om goed bij te zien, maar wel een uitstekend referentiepunt, dat bevestigde wat hij al wist van zijn positie.

Hij liep stevig door, tot hij aankwam bij de gang die parallel liep aan de buis die hij had gevolgd voordat hij de stille bewaker was tegengekomen. Voorzichtig stapte hij in het vieze afvalwater en stak vrijwel geluidloos de langzaam bewegende stroom vuil over naar het wandelpad aan de overkant.

Vlug klom hij op de kant en ging weer verder. Hij wist dat het een betrekkelijk veilige plek was, waar zijn vrienden zich verborgen hielden, maar onder de huidige omstandigheden was het eigenlijk nergens meer echt veilig. De daken van Krondor, die eens de Dievenheerbaan werden genoemd, vormden nu evenzeer een open krijgsgebied als het riool, hoewel de burgers van de stad Krondor zich niet bewust waren van de stille oorlog die er woedde boven hun hoofden en onder hun voeten. Als Limm onderweg geen mannen van de Kruiper tegenkwam, had hij nog altijd gevaar te duchten van de soldaten van de prins of moordenaars die zich voordeden als Nachtraven. Geen mens die hij niet kende, was te vertrouwen, en vandaag de dag vertrouwde hij slechts enkelen van degenen die hij wel bij naam kende.

Limm bleef staan en betastte de muur aan zijn linkerhand. Ondanks het feit dat hij slechts op zijn eigen stille telling had kunnen vertrouwen, ontdekte hij tot zijn tevredenheid dat hij nog geen voet naast de plek stond waar hij de ijzeren laddersporten in de muur had vermoed. Hij begon te klimmen. Nog steeds blind voelde hij dat hij een stenen schoorsteen binnenging, en al gauw bereikte hij de vloer van een kelder. Hij tastte omhoog en vond de klink. Die proberend kwam hij erachter dat hij vanaf de andere kant was vergrendeld.

Hij klopte: tweemaal snel, dan een korte pauze, dan weer tweemaal, nog een pauze en een laatste, enkele klop. Daarop telde hij tot tien en herhaalde het ritme in omgekeerde volgorde: één keer kloppen, pauze, twee keer kloppen, pauze en nog twee keer.

De grendel schoof opzij en de valdeur zwaaide omhoog, maar in de ruimte erboven was het net zo donker als in het riool eronder. Degene aan de andere kant gaf er kennelijk de voorkeur aan ongezien te blijven.

Nauwelijks staken Limms schouders door het luik in de vloer, of hij werd door een paar ruwe handen omhoog gesleurd. Het luik ging achter hem dicht. 'Wat doe je hier?' vroeg een vrouwenstem fluisterend.

Limm liet zich zakken op de stenen vloer, overmand door een golf van vermoeidheid. 'Rennen voor mijn leven,' antwoordde hij zachtjes. Op adem komend vervolgde hij: 'Ik heb Zoete Jackie vannacht vermoord zien worden. Door een zware jongen van de Kruiper.' Hij knipte met zijn vingers. 'Brak zijn nek alsof het die van een kip was, terwijl zijn maten stonden toe te kijken. Jackie kreeg niet eens de kans om iets te zeggen, geen smeekbede of laatste gebed, niets. Zomaar weggevaagd, als een kakkerlak.' Hij huilde bijna nu hij het vertelde - mede door de opluchting nu hij voor het eerst in uren enigszins in veiligheid verkeerde. 'Maar dat is nog niet het ergste.'

Er werd een lantaren aangestoken door een man met een grijze baard. Zijn tot spleetjes toegeknepen ogen spraken boekdelen: Limm kon maar beter een dringende reden hebben die hem had genoopt het vertrouwen te schenden door naar deze schuilplaats te komen. 'Wat dan?' vroeg hij.

'De Oprechte Man is dood.'

Ethan Graves, voormalig leider van de zware jongens en enige tijd broeder van de Orde van Ishap, tegenwoordig op de vlucht voor alle gerechtshoven van het Koninkrijk, nam even de tijd om het nieuws tot zich door te laten dringen.

De vrouw, Kat genaamd en half zo oud als haar metgezel, was een oude vriendin van Limm. 'Hoe kan dat?'

'Vermoord, zeggen ze,' antwoordde Limm. 'Niemand weet het met zekerheid, maar er wordt wel van uitgegaan dat hij dood is.'

Graves nam plaats aan een tafeltje, op een kleine houten stoel die kraakte onder zijn gewicht. 'Hoe kunnen ze dat nou weten?' vroeg hij retorisch. 'Niemand weet wie hij is... was.'

'De Dagmeester was nog aan het werk toen ik gisteravond bij Moeders kwam,' zei Limm, 'en hij zat achterin te praten met Mick Giffen, Reg deVrise en Phil de Vingers.'

Graves en Kat keken elkaar aan. Die namen behoorden toe aan de meest vooraanstaande dieven bij de Snaken. Giffen had Graves opgevolgd als voorman van de zware jongens, de Vrise had de leiding over de inbrekers en smokkelaars, en Phil was de baas van de zakkenrollers, etalagerovers en straatschoffies die de straten van Krondor onveilig maakten.

'De Nachtmeester is nooit komen opdagen,' vervolgde Limm. 'Het bericht werd verspreid en we zijn naar hem gaan zoeken. Vlak voor zonsopgang hoorden we dat ze de Nachtmeester hadden gevonden, drijvend in het riool vlak bij de haven. Zijn schedel was ingeslagen.'

Kat snakte bijna naar adem. 'Niemand durfde hem met een vinger aan te raken!'

'Niemand die we kennen,' zei Graves. 'Maar iemand die zich niet druk zou maken over de toorn van de Snaken wel.'

'Maar nu wordt het pas echt link,' zei Limm. 'De Dagmeester zegt dat de Nachtmeester een afspraak had met de Oprechte Man. Voor zover ik het begrijp, weet de Oprechte Man altijd bericht naar de Dagmeester of de Nachtmeester te sturen wanneer hij een afspraak met je heeft en je komt niet opdagen. Nou, niemand heeft iets gehoord. Dus de Dagmeester stuurde een van de jongens, Timmy Bascolm, als je hem nog kent,' - ze knikten - 'en een uur later troffen ze Timmy dood aan. Dus de Dagmeester trok er met een stel zware jongens op uit, en een uur later kwamen ze terug naar Moeders gerend en sloten ze zich op. Niemand zei een woord, maar het gerucht ging rond dat de Oprechte Man was verdwenen.'

Een tijdlang bleef het stil. 'Dan moet hij wel dood zijn,' zei Graves toen, 'een andere verklaring is er niet.'

'En vannacht liepen er krachtpatsers door het riool waar een volwassen vent van flauwvalt, dus Jackie en ik dachten dat de jacht was geopend en dat we ons het beste ergens schuil konden gaan houden. Vlak bij de Vijfsprong liepen we vast, dus nadat ze Jackie hadden vermoord, dacht ik dat ik het beste naar jullie toe kon gaan.'

'Wil je uit Krondor weg?' vroeg Graves.

'Als ik met jullie mee mag,' antwoordde de jongen. 'Het is een regelrechte oorlog en ik ben de laatste van mijn groepje die nog over is. Als de Oprechte Man dood is, zijn de afspraken niet langer geldig. Jullie kennen de regels. Als de Oprechte Man er niet meer is, is het ieder voor zich en moet je iedere kans die je krijgt pakken.'

Graves knikte. 'Ik ken de regels.' Zijn stem miste de ruwe, commanderende toon die Limm als kind bij de Snaken zo goed had leren kennen, toen Graves nog bij de zware jongens zat. Niet temin had Graves hem verscheidene malen gered, van vrijbuiters en van de mannen van de prins. Limm zou doen wat Graves zei, wat het ook was.

Na een ogenblik te hebben nagedacht, zei Graves: 'Jij blijft hier, jongen. Niemand in het gilde weet dat jij Kat en mij hebt geholpen, en om je de waarheid te vertellen mag ik je graag. Je bent altijd een goeie jongen geweest. Een beetje zelfingenomen, maar welke jongen van jouw leeftijd is dat niet van tijd tot tijd?' Spijtig schudde hij het hoofd. 'Daarginds is het wij tegen de rest van de wereld: Snaken, mannen van de prins en die van de Kruiper. Ik heb nog een paar vrienden over, maar als het bloed al door het riool stroomt is het maar de vraag of ik nog op hen kan rekenen.'

'Maar verder denkt iedereen dat je bent ontsnapt!' protesteerde Limm. 'Alleen Jackie en ik wisten het, omdat je het ons had verteld zodat we jullie eten konden brengen. Die briefjes die jullie hebben verstuurd, aan de tempel, en aan je vrienden, aan die magiër met wie je op reis ging...' Hij wuifde met zijn hand alsof hij naar de naam zocht.

'Owyn,' hielp Graves.

'Owyn,' herhaalde Limm. 'De hele stad denkt dat jullie naar Kesh zijn gevlucht. Er zijn minstens tien zware jongens de stad uit gestuurd om jullie op te sporen.'

Graves knikte. 'En een even groot aantal monniken uit de tempel ook, wed ik.' Hij zuchtte. 'Dat was het plan. Ons hier schuilhouden terwijl ze daar naar ons op zoek waren.'

'Het was een goed plan, Ethan,' mengde Kat zich in het gesprek.

Limm knikte.

'Ik dacht nog een week, of een dag of tien,' zei Graves. 'Dan zouden ze terugkomen, denkend dat ze ons kwijt waren, en dan zouden we op een nacht naar de haven gaan, aan boord van een schip stappen en wegzeilen naar Durbin. Gewoon een koopman die op reis gaat met zijn dochter.'

'Vrouw!' zei Kat vinnig.

Limm grijnsde.

Schokschouderend hief Graves zijn handen op, als om zich over te geven. 'Jonge vrouw, dan.'

Ze sloeg haar armen rond zijn hals. 'Vrouw,' zei ze zacht. 'Nou, jullie spelen jullie rollen erg goed,' zei Limm, 'maar momenteel is het geen kleinigheid om de haven te bereiken.' Hij keek de kelder rond. 'Gewoon daar de deur uit, zeker?' Hij wees naar het plafond.

'Verzegeld,' zei Graves. 'Daarom heb ik hier onze schuilplaats gekozen. Het gebouw hierboven staat leeg. De dakbalken zijn ingestort. De eigenaar is overleden, en het gebouw is vervallen aan de prins wegens belastingschulden. Het opknappen van oude gebouwen staat kennelijk niet erg hoog op het lijstje van de prins.'

Limm knikte goedkeurend. 'Maar hoe lang denk je dat we nog moeten blijven?'

'Jij,' zei Graves, opstaand, 'blijft in het Koninkrijk. Je bent nog jong genoeg om iets van jezelf te maken, jongen. Verlaat het lepe pad en zoek jezelf een meester. Als leerling in een ambacht, of anders als bediende.'

'Eerlijk werk?' vroeg Limm, en sprong overeind. 'Welke Snaak gaat er nou op zoek naar eerlijk werk?'

Graves richtte zijn wijsvinger op hem. 'Heeft Robbie ook gedaan.'

'Robbie de Hand,' beaamde Kat. 'Die heeft eerlijk werk gevonden.'

'Maar die had het leven van de prins gered!' protesteerde Limm. 'En als beloning is hij aangesteld als lid van de hofhouding. En er staat een prijs op zijn hoofd. Hij zou niet eens terug bij de Snaken kunnen komen als hij het op zijn blote knieën kwam vragen!'

'Als de Oprechte Man dood is, is die prijs vervallen,' wierp Graves tegen.

'Maar wat moet ik dan doen?' vroeg Limm zacht.

'Hou je een tijdlang gedeisd, tot het wat rustiger wordt, en verlaat de stad,' zei Graves. 'Ga naar Biscart, dat ligt op twee dagen lopen naar het noorden. Zoek daar het winkeltje van ene Tuscobar, een koopman uit Rodez. Die is me nog wat verschuldigd. Bovendien heeft hij geen zoons, zodat er niemand bij hem in de leer is. Vraag hem of je zijn leerling mag worden. Als hij bezwaar maakt, zeg je hem gewoon: ''Als je toestemming geeft, zijn alle schulden met Graves vereffend." Dan weet hij wel wat dat betekent.'

'Wat doet hij?' vroeg Limm.

'Hij verkoopt stoffen. En daar verdient hij aardig aan, want hij verkoopt ook aan de dochters van de adel.'

Aan Limms gezicht was te zien dat het idee hem helemaal niet aanstond. 'Ik ga veel liever met jullie mee naar Durbin om mijn geluk daar te beproeven. Wat gaan jullie er doen?'

'Eerlijk worden,' antwoordde Graves. 'Ik heb wat goud. Kat en ik gaan een herberg beginnen.'

'Een herberg.' Limms ogen lichtten op. 'Ik hou van herbergen.' Hij liet zich op zijn knieën vallen en begon te smeken. 'Mag ik niet meegaan? Alsjeblieft? Ik kan een hoop doen in een herberg. Ik kan het vuur aanleggen, klanten naar hun kamers brengen. Ik kan water dragen en ik kan een oogje houden op de beste beurzen om te snijden.'

'Een eerlijke herberg,' zei Graves.

Limms gezicht verloor wat van het enthousiasme. 'In Durbin? Nou ja, als jij het zegt.'

'We krijgen een kind,' zei Kat. 'We willen dat hij eerlijk opgroeit.'

Limm was sprakeloos. Met grote ogen van verbazing keek hij hen aan. 'Een kind?' zei hij uiteindelijk. 'Zijn jullie wel goed bij je hoofd?'

Graves toonde een wrang glimlachje en Kat keek hem met toegeknepen ogen aan. 'Wat is er mis met een kind?' vroeg ze.

'Niets, denk ik, als je boer bent, of bakker, of iemand die een redelijke verwachting heeft om oud te worden. Maar als Snaak...' Hij liet zijn gedachten onverwoord.

'Hoe laat is het?' vroeg Graves. 'We hebben al zo lang geen zonlicht meer gezien dat ik alle gevoel van tijd ben kwijtgeraakt.'

'Het is bijna middernacht,' antwoordde Limm. 'Hoezo?'

'Als de Oprechte Man dood is, of zelfs maar het gerucht daarvan de ronde doet, gaan er dingen gebeuren. Schepen die anders in Krondor zouden zijn gebleven, zullen de haven op het ochtendtij verlaten.'

Limm staarde Graves vragend aan. 'Weet je iets?'

Graves stond op van het stoeltje. 'Ik weet een heleboel, jongen.'

Limm sprong overeind. 'Alsjeblieft, neem me mee. Jullie zijn de enige vrienden die ik heb, en als de Oprechte Man dood is, wie weet wie er dan in zijn plaats de lakens uit komt delen. Als het die Kruiper is, dan zijn de meesten van ons er hoe dan ook geweest, en zelfs al is het iemand van ons, wie kan zeggen wat mijn leven dan nog waard is?'

Graves en Kat begrepen wat hij bedoelde. De vrede binnen de gemeenschap van de Snaken werd van boven af opgelegd, en zou nimmer worden aangezien voor vriendschap. Oud zeer zou naar boven komen en oude rekeningen zouden worden vereffend. Menige Snaak zou sterven zonder te weten voor welke overtreding uit het verleden hij de ultieme prijs betaalde. Graves zuchtte berustend. 'Goed, dan. Ik geef toe dat er hier niet veel meer voor je over is, en een extra paar ogen en behendige vingers zouden de moeite waard kunnen zijn.' Hij wierp een blik op Kat, die zwijgend knikte.

'Wat is het plan?'

'We moeten voor zonsopgang aan de kade zijn. Er ligt daar een schip, een Quegse handelaar, de Stella Maris. De kapitein is een oude zakenrelatie van me. Onder het voorwendsel van herstelwerkzaamheden blijft hij liggen tot wij kans hebben gezien naar de haven te sluipen. Zodra we aan boord zijn, vertrekt hij naar Durbin.'

'Er zullen veel meer schepen op het ochtendtij vertrekken,' voegde Kat eraan toe, 'dus één schip extra valt niet op.'

Limm keek opgewonden. 'Wanneer gaan we naar de kade?'

'Een uur voor zonsopgang. Dan is het nog steeds donker genoeg om in de schaduwen te blijven, maar zijn er toch al zo veel mensen wakker en op de been dat we weinig aandacht trekken.'

Kat glimlachte. 'Dan zijn wij een gezinnetje.'

Limms smalle gezicht werd zuur. 'Moeder?'

Kat was amper tien jaar ouder dan Limm, dus zei ze: 'Grote zus.'

'Maar we zitten nog met één probleem,' bracht Limm naar voren.

Graves knikte. 'Op straat zien te komen.'

Limm ging zitten. Met geen enkel plan, list of godenwonder konden ze de haven veilig bereiken. Ze moesten domweg deze schuilplaats verlaten voor een korte wandeling door een donkere tunnel waar ze evengoed moordenaars konden tegenkomen als rioolratten. En welke van de twee wisten ze pas wanneer ze vertrokken. Ineens was Limm doodmoe. 'Ik denk dat ik even een dutje ga doen.'

'Goed idee,' stemde Graves in. 'Daar ligt een matras die je kunt gebruiken. We maken je wel wakker wanneer het tijd is om te gaan.'

Limm liep naar de aangegeven hoek en ging liggen. 'Wat zijn onze kansen?' fluisterde Kat.

'Beroerd,' gaf haar geliefde toe. 'We moeten die jongen wat kleren bezorgen. Vieze kinderen zijn in de haven niet ongewoon. Maar zo vies als hij is wel.' In een poging wat optimisme op te brengen besloot hij: 'Maar toch, als de Oprechte Man dood is, is de chaos in de stad misschien al zo groot dat we er onopvallend vandoor kunnen gaan.'

'Hebben we nog een andere keus?'

'Eentje maar,' wist Graves, 'maar daar maak ik pas gebruik van als we gevangen worden genomen.'

'Wat is dat dan?'

Graves keek het meisje aan voor wie hij alles had vergooid. 'Ik heb nog één vriend over die op geen enkele manier gebaat is bij mijn ondergang. Als het niet anders meer kan, stuur ik Limm naar hem toe om om hulp te smeken.'

'Wie?' fluisterde Kat.

Graves deed zijn ogen dicht, alsof het voor een onafhankelijk man als hij moeilijk was om toe te geven dat hij hulp zou moeten zoeken. 'De enige dief die de Prins van Krondor kan smeken mijn leven te sparen.'

'Robbie?'

Graves knikte. 'Robbie de Hand.'