10 Openbaring
Robert gluurde om de hoek.
De man die hij De Bonte Papegaai had zien verlaten, ging verderop net de hoek om. Robert hield zijn hand omhoog, om Wiliam te laten wachten. Zoals de jonker al verwachtte, verscheen een ogenblik later het hoofd van de man weer om de hoek, kijkend of hij werd gevolgd.
'Het is een val,' zei Robert.
Wiliam trok zijn zwaard. 'Gaan we ervandoor of laten we hem dichtklappen?'
'Geen van beide,' antwoordde Robert. 'Ze weten dat we met zijn tweeën zijn, dus staan ze klaar voor jou en dat bovenmaatse kapmes van je.' Zijn blik ging even omhoog. 'Hoe goed kan jij klimmen?'
'Wat?' zei Wiliam, omhoogkijkend. 'Hier?'
'Waar anders?' Met zijn ogen volgde Robert de dakrand. 'Kom mee,' zei hij, en liep terug in de richting die ze gekomen waren.
Halverwege de straat was een steeg. 'We hebben niet veel tijd,' zei Robert. 'Ze wachten nog een minuut of twee, voordat ze erachter komen dat we hen in de gaten hebben.' Hij vond wat hij zocht, een houten trap naar een ingang op een bovenverdieping. Vlug liep hij omhoog, zo min mogelijk geluid makend, en Wiliam volgde hem op de hielen. In Wiliams oren was het kabaal van zijn eigen zware laarzen op de houten traptreden genoeg om de mensen binnen wakker te maken en degenen te waarschuwen die hen een halve straat verderop stonden op te wachten. Toch scheen Robert zich er niet druk over te maken. Boven aan de trap wees hij naar het overhangende dak. 'Geef eens een pootje,' fluisterde hij.
Wiliam maakte een opstapje van zijn handen en tilde Robert met gemak omhoog, zodat hij op de dakrand kon gaan zitten. Daar draaide Robert zich om en stak Wiliam een hand toe. 'Opschieten!' fluisterde hij.
Wiliam greep Roberts hand en kwam probleemloos naar boven. Een tel later liepen ze ineengedoken naar de andere kant, waar Robert ging liggen om over de rand te gluren. Terwijl hij naar de mannen beneden bleef kijken, stak hij vier vingers op.
Wiliam waagde geen blik toen Robert zich terugtrok.
'Ooit van een dak gesprongen?'
'Hoe hoog is het, een el of zes?'
'Zoiets.'
'Met iets om mijn val te breken, ja.'
Robert grijnsde. 'Er zijn daar beneden vier mogelijkheden.' Hij trok zijn zwaard, ging zitten op de rand van het dak en liet zich naar beneden glijden tot hij de dakrand met zijn linkerhand kon beetpakken. Hij hield zich even vast om de afstand tussen zijn voeten en de grond te verkleinen, en zette zich af. Hij belandde met zijn voeten op de schouders van de achterste man, die tegen de grond sloeg, bewusteloos of dood, terwijl Robert ineen dook en verder rolde over de harde kasseien van de straat. Zonder al te lang stil te staan bij de blauwe plekken of de splinters die hij zo zou krijgen, deed Wiliam het kunststukje van Robert na.
Zijn hand miste de dakrand, dus in plaats van dat zijn vaart werd vertraagd, stortte hij met een smak op een van de andere mannen beneden, daarbij diens ruggengraat brekend. Even draaide het Wiliam voor de ogen, maar terwijl hij bij zijn positieven kwam, namen zijn reflexen het over. Hij zat op een lijk; zonder erbij na te denken liet hij zich ervan af rollen en kwam in gevechtshouding overeind. Weer ten volle tot zichzelf komend stond Wiliam met zijn zwaard vooruit, de punt gericht op een geschrokken kijkende man, die zijn eigen zwaard paraat hield. Robert was in gevecht met een ander, die om hem heen probeerde te cirkelen, hetzij om te vluchten, hetzij om een betere positie in te nemen. De man op wie Robert was geland, lag te kreunen op de keien.
Wiliams tegenstander, een potige kerel met de spieren van een dokwerker, viel uit met zijn zwaard. Ondanks dat hij nog steeds wat duizelig was van de val, weerde Wiliam moeiteloos af en pareerde. Hij liet de man naar zich toe komen, en wierp hem toen met een schouderduw van zich af.
De man wankelde, maar had zich al hersteld voordat Wiliam vlak bij hem kon komen. Wiliam knipperde met zijn ogen, en toen zijn blik weer helder werd, zag hij dat zijn tegenstander het zwaard liet vallen en de handen omhoogstak. Achter hem stond Robert, zijn zwaard stevig tegen 's mans ruggengraat gedrukt. 'Braaf zo,' zei Robert. 'Doodgaan kan je altijd nog, nietwaar?'
De man zei niets. Hij deed een stapje naar voren, alsof hij probeerde te vluchten, en wierp zich toen met zijn volle gewicht achterover, zich spiets end op Roberts zwaard.
Geschokt keek Wiliam toe. 'Wat... ?'
Robert rukte zijn zwaard los en ving de vallende man op. Hij keek hem in de ogen. 'Dood.'
'Waarom doet hij zoiets?'
Robert stak een hand in de tuniek van de dode en haalde een amulet te voorschijn. Hij was van een donker metaal, met in reliëf een raaf erop. 'Nachtraven,' zei hij. 'Alweer.' Hij keek rond. 'Blijf hier even wachten.'
Wiliam zei niets, en Robert rende het nachtelijke donker in. Terwijl de tijd langzaam verstreek, vroeg Wiliam zich af wat Robert aan het doen kon zijn. Met zijn zwaard in de aanslag wachtte hij af. Net toen hij zich begon af te vragen of hij niet eigenlijk op zoek moest naar de stadswacht, kwam Robert terug met twee wachters. 'Hier,' zei hij, wijzend naar de lijken. 'Een van jullie moet hen bewaken, terwijl de ander een wagen gaat halen. Breng hen naar het paleis.'
'Ja, jonker,' zei een van de twee wachters. Hij wierp een blik op zijn metgezel, die knikte, en hij rende door het donker weg.
'En nu?' vroeg Wiliam.
'Terug naar het paleis, zodra de wagen er is.'
Plotseling door zware vermoeidheid overmand keek Wiliam naar de stadswachter, die de gesneuvelde moordenaars in ogenschouw nam. Robert zweeg, en ook Wiliam voelde geen aandrang om iets te zeggen. Maar diep van binnen, onder de onzekerheid over de manier waarop hij de hertog had beschermd en over de enormiteit van deze nieuwe onderneming, vroeg hij zich af of hij wel was opgewassen tegen de taken die hem werden toebedeeld. Hij haalde diep adem. Klaar of niet, hij zou zijn best doen, en dan mochten de goden bepalen of ze zijn daden waardig achtten.
Arutha stond in de donkere kelder, waar de vier doden door twee soldaten werden uitgekleed en zorgvuldig onderzocht. Vlakbij stonden Robert en Wiliam toe te kijken. Elk kledingstuk, wapen en persoonlijk eigendom werd onderzocht op aanwijzingen omtrent de herkomst van deze mannen. Zoals verwacht, leverde het onderzoek weinig op. Alle vier hadden eenzelfde ravenamulet aan een ketting. Behalve hun wapens, een eenvoudige ring aan de hand van een van de lijken, en een kleine beurs met gouden munten aan de gordel van een andere dode, waren ze volstrekt anoniem. Niets wees op hun herkomst.
Arutha wees naar een van de hemden. 'Geef eens aan mij.'
Een van de soldaten bracht het hem, en Arutha bekeek het aandachtig. 'Ik heb niet zo'n oog voor kleding als mijn vrouw, maar volgens mij is dit Keshische stof.'
'De laarzen!' riep Robert uit.
Arutha wenkte, en de laarzen van het dode viertal werden gebracht. Arutha, Robert en Wiliam vonden verscheidene kenmerken van laarzenmakers.
'Deze ken ik geen van alle,' zei Arutha, 'dus ze komen zeker niet uit Krondor.'
'Ik haal wel even pen en papier om ze over te tekenen,' zei Robert. 'Morgenmiddag weet ik wie de makers zijn.'
Arutha knikte, en Robert stuurde een hofjonker op weg. Nog geen vijf minuten later was hij terug. Jonker, ik heb zojuist gehoord dat ze u al de hele avond hebben gezocht.'
Arutha keek op. 'Wie zijn "ze"?'
'Kerkervoogd Morgon, Sire, en zijn mannen.'
Arutha permitteerde zich de luxe van een flauw glimlachje. 'Waarom is de kerkervoogd in jou geïnteresseerd, Robert?'
'Dat zal ik eens even gaan uitpluizen.' Robert gaf de pen en het papier aan Wiliam. 'Doe je best.' Robert liep met de hofjonker mee en nam afscheid van hem toen de hofjonker omhoog ging naar de begane grond van het paleis en Robert dieper de kerker in afdaalde. Bij de deur van het kleine woonvertrek van de kerkervoogd bleef hij staan en klopte.
'Wie is daar?' klonk het van de andere kant.
'Jonker Robert. Je had naar mij gevraagd?'
'O, ja,' zei de stem. De deur ging open, en in de opening verscheen het smalle gezicht van Morgon de kerkervoogd. Hij had zich voor de nacht gekleed in een grijs flanellen nachthemd. 'Ik lag er net in, jonker. Ik heb die jongen al uren geleden om u gestuurd.'
'Ik ben nog maar net terug in het paleis. Wat kan ik voor je doen?'
'Voor mij niets,' zei de kerkervoogd, 'maar er zit een vent in het cachot die zegt dat hij u moet spreken.' Morgon was een man van gevorderde leeftijd, maar al die tijd dat Robert nu in het paleis had gewoond, was zijn haar even donker gebleven. Hij droeg het recht afgeknipt over zijn voorhoofd en voor de oren omlaag, zodat het leek alsof hij een zwarte muts met oorkleppen droeg. 'Beetje raar, als u het mij vraagt. Hij zit er al bijna drie weken, zonder dat hij een woord tegen iemand heeft gezegd. Morgen wordt hij berecht, en ineens begint hij om u te roepen.'
'Weet je zijn naam?'
'Niet gevraagd,' zei Morgon, een geeuw onderdrukkend. 'Had ik dat moeten doen?'
'Ik ga wel kijken wie het is. Wie heeft er dienst?'
'Sikes. Die brengt u wel naar hem toe.'
'Welterusten, Morgon.'
'Welterusten, jonker,' zei de kerkervoogd, en sloot de deur.
Robert nam de korte gang naar de trap omlaag. De kerker had twee etages. De bovenste was een souterrain met raampjes die het daglicht binnenlieten, met uitzicht op de binnenplaats, zodat degenen in de dodencel de executies konden volgen.
In de onderste etage was het pikkedonker. Hier was de paleiskerker eigenlijk één enorme galerij, met vier metalen kooien van tralies, reikend van de vloer tot aan het plafond, die van elkaar gescheiden werden door een smal pad. De enige lichtbron voor het hele kerkergewelf was een fakkel onder aan de trap, aan het einde van een van de wandelpaden. Onder die fakkel stond een soldaat op wacht, die omkeek toen Robert de trap af kwam.
'Jonker,' zei hij begroetend.
'Was er iemand hier naar mij op zoek?' vroeg Robert.
'Vent in de cel hiertegenover. Ik breng u wel even.' Hij haalde de fakkel uit de houder aan de muur en nam Robert mee langs de voorste twee cellen, die allebei leeg waren. In de achterste cellen wemelde het van de mannen, waarvan het merendeel sliep. Dit waren de vechtersbazen, dronkaards en ordeverstoorders die vaak genoeg de wet hadden overtreden om aan de magistraten van de prins te worden voorgeleid. In de hoeken zaten enkele vrouwen dicht opeen, bescherming zoekend bij elkaar. Sommige gevangenen riepen vragen, die Robert negeerde.
De soldaat nam Robert mee naar de andere kant van de cel, waar Robert een groot gebouwde man zag staan, wachtend met de handen op de tralies. Toen hij vlak voor hem bleef staan, hoorde Robert de man zeggen: 'Blij je te zien, Robbie.'
'Ethan. Ik dacht dat jij allang weg was.'
De vroegere abt van Ishap, voorheen zware jongen bij de Snaken, zei: 'Ik ook, maar de goden hadden andere plannen met ons.'
'Ons?'
Met zijn kin gebaarde hij over zijn schouder. 'Ik heb Kat en Limm bij me.'
'Wanneer kom je voor?'
'Morgen.'
'Met welke aanklacht?'
'Aanklachten. Onttrekking aan rechtsvervolging, verzet tegen aanhouding, mishandeling, opruiing, en waarschijnlijk ook nog hoogverraad.'
Robert keek de soldaat aan. 'Haal hen hieruit en breng hen naar mijn kamer.'
'Jonker?'
'Ik zei: haal hen hieruit en breng hen naar mijn kamer. Plaats wachters voor de deur tot ik hen naar je terugstuur.'
De soldaat scheen nog onzeker.
'Zal ik de prins gaan lastigvallen voor een persoonlijk ondertekend bevel?'
Als lid van het garnizoen wist de soldaat dat de jonker zo'n bevelschrift van de prins kon krijgen als hij dat nodig had, dus besloot hij het onvermijdelijke niet langer te vertragen. 'Ik zal een paar jongens gaan halen.'
'Ik zie je boven, Ethan,' zei Robert, en vertrok.
Korte tijd later werd er op de deur van zijn kamer geklopt. Voor hem stonden Graves, Kat en Limm, gekluisterd in ijzeren boeien. 'Maak die boeien los en blijf buiten wachten.'
'Ja, jonker,' antwoordde de leidinggevende wachter.
Nadat de boeien waren verwijderd en de deur was gesloten, wees Robert op een dienblad dat hij inmiddels had laten brengen, met daarop kaas, brood, koud vlees en een kruik bier. Zonder aarzelen viel Limm aan. Graves schepte een bord op voor Kat en zichzelf, terwijl zij twee kroezen inschonk
'De vorige keer dat ik jou zag, Ethan, ging je Kat halen om naar Kesh te gaan.'
Graves knikte. 'Dat was het plan.'
'Wat is er gebeurd?'
'Het kostte me bijna een week om Kat te vinden, en daarna de tocht naar Durbin te regelen. We hielden ons schuil op een mooi stekje in het Armenkwartier tot de dag dat ons schip zou vertrekken. Toen begonnen de moorden.' Graves keek naar Limm en gaf aan dat hij het verhaal verder moest vertellen.
'We lopen nu al een tijdje tegen deze Kruiper en zijn mannen op, jonker,' zei Limm. 'Weet u nog toen de Ouwe Ezel vorige maand bleek te zijn vermoord?'
Robert knikte, al wist hij niet precies meer wie de Ouwe Ezel was geweest, of wanneer hij dood was aangetroffen.
'Dan heeft u vast ook wel gehoord dat er in de haven zware jongens zijn vermoord?'
Weer knikte Robert, in de veronderstelling dat dit het verhaal was dat Walter Blont hem had verteld over de veldslag tussen zijn groep en de mannen van de Kruiper.
'Nou, nadat ze Moeders hadden overvallen, zijn we allemaal verspreid geraakt. Ik liep toen al voor Kat en Graves, zolang ze zich verborgen hielden om naar Kesh te gaan, en toen werd de Nachtmeester vermoord. Ze vonden hem drijvend in de baai. Dus de Dagmeester riep Mick Giffen, Reg deVrise en Phil de Vingers bij zich, en ze gingen met zijn vieren ergens heen. Toen ze terugkwamen, zeiden ze dat de Oprechte Man dood was, en voordat we het wisten was het oorlog in het riool. De straatschoffies zijn al bijna allemaal dood, en de zware jongens ook.' Limm zweeg even om op adem te komen, en vervolgde: 'Graves, Kat en ik gingen op weg naar Kesh, als keurig gezinnetje, maar we raakten slaags in een rel bij de haven. De rest weet u.'
'Er is de laatste tijd net iets te veel gemoord naar mijn zin,' zei Robert. Hij bracht hen op de hoogte, voor zover hij dat nodig vond, met weglating van de bijzonderheden over recente gebeurtenissen die naar zijn idee de veiligheid van het Koninkrijk in gevaar konden brengen.
Toen Robert was uitgesproken, zei Graves: 'Dat van die Izmalitische moordenaars verbaast me niets. Toen we op weg gingen naar de haven, heb ik in het riool al een paar knap ruige Keshiërs gezien, voordat we buiten kwamen en in de kerker werden geslingerd, maar je zult begrijpen dat ik hun niet ben gaan vragen wat ze daar deden.'
'En een paar van die lui die de straatschoffies vermoordden waren ook Keshiërs,' viel Limm hem bij.
Zwijgend overwoog Robert wat hij met zijn voormalige vakbroeders kon delen. 'Waarom zouden ze de magiërs vermoorden?' vroeg hij uiteindelijk.
Graves hield een ogenblik op met kauwen. 'De enige reden die ik kan bedenken, heeft iets te maken met de Tempel van Ishap. Ik mag dan een afvallige van die orde zijn, maar sommige geheimen weiger ik nu eenmaal prijs te geven. Dat heeft niets te maken met mijn plichten aan de tempel, als wel met mijn plichten aan de goden.'
'Zou het iets te maken kunnen hebben met een zeker huis tegenover de westerpoort van het paleis?' opperde Robert.
Graves zei niets, maar er speelde een lichte fonkeling in zijn ogen.
'Laat maar zitten,' zei Robert. 'Ondanks mijn leeftijd heb ik voor de rest van mijn leven al genoeg van priesters en plechtige eden gezien. Ik vraag er niet meer naar. Maar ieder inzicht dat je kunt bieden over het vermoorden van magiërs zou zeer op prijs worden gesteld.'
'Door jou?'
Robert grijnsde. 'Door de Kroon.'
'Genoeg om ons uit die cel en op weg naar Groot Kesh te laten gaan?'
'Vannacht nog, als de prins blij is met wat hij te horen krijgt.'
'Breng me dan naar de prins,' zei Graves.
Robert knikte. 'Blijf hier wachten,' zei hij tegen Kat en Limm, opende de deur, en zei de soldaat buiten de wacht te blijven houden. Samen met Graves liep hij naar de kerker waar Arutha en Wiliam de vier gedode mannen onderzocht, stelde Graves aan hen voor en besloot met de woorden: 'Misschien heeft hij nog wat stukjes van de puzzel.'
'Zoals?' vroeg Arutha.
'Veilige doortocht?' vroeg Graves aan Robert.
'Veilige doortocht?' Arutha trok een wenkbrauw op.
'Een geringe kwestie van burgerlijke ongehoorzaamheid, die morgenochtend zou worden berecht.'
'Deze ochtend, zal je bedoelen,' zei Arutha. 'De zon komt over drie uur al op.' Hij keek Graves aan. 'Als je over waardevolle informatie beschikt, kunnen we een kleine vechtpartij best door de vingers zien, dunkt me.'
'Eerder een kleine rel,' merkte Robert op, 'maar dat maakt niet uit.'
'Weet dan, Hoogheid,' zei Graves, 'dat ik vroeger Abt van Ishaps Tempel te Malachskruis was. Ik heb mijn eed gebroken en mijn broeders verraden, en nu ben ik overgeleverd aan de straf van de goden.'
'De vereiste waarde van je informatie is zojuist flink gestegen, abt Graves,' zei Arutha. 'Ik ken die naam, en goed beschouwd zou ik je over moeten dragen aan de tempel.'
'Dit is wat ik mag zeggen,' vertelde Graves. 'Er zijn krachten in het land, duistere mogendheden, die u willen schaden op manieren die u zich niet eens voor kunt stellen, Hoogheid. Ze opereren in het geheim, en bedienen zich van lieden die misschien niet eens weten dat ze in de macht van deze krachten verkeren. Binnenkort vindt er iets van groot belang plaats. Ik denk dat u weet wat dat is, en waarom ik er verder niets over kan zeggen.'
De prins knikte. 'Ga door.'
'Er zijn er die erbij gebaat zouden zijn als het mis gaat met die kwestie. Het is voor die duistere krachten niet belangrijk dat ze slagen, maar wel dat de tempels in hun opzet falen.'
'Vraag je mij de tempels te waarschuwen?' vroeg Arutha.
Graves glimlachte. 'Hoogheid, wat ik u heb gezegd is bij geen van de prelaten van de Tempel van Ishap, noch bij de kerkvorsten van de andere orden, onbekend. Ik wil alleen iets duidelijk maken: uw vijanden gaan schijnbaar op een willekeurige, chaotische wijze te werk omdat ze geen ander doel hebben dan het u moeilijk te maken.'
'Tot dusver heb ik nog niets nieuws gehoord,' zei Arutha.
'Dan is hier iets wat u nog niet weet. Er is een organisatie die wordt geleid door een man die u kent als de Kruiper. Hij probeert de Snaken in Krondor te verdringen, wat hij ook doet bij andere criminele organisaties in andere steden. Zijn doel lijkt simpel: rijkdom en macht. Maar om zover te komen, heeft hij zich met anderen verbonden: de Nachtraven.' Graves zweeg om de reactie van de prins te peilen.
'Ga verder,' zei Arutha.
'De samenwerking verloopt stroef, aangezien de Nachtraven kennelijk hun eigen doelen nastreven, waaronder het werk voor die duistere mogendheden waar ik het over had. De mannen van de Kruiper hebben de Snaken uit de stad verdreven. De Nachtraven hebben de magiërs vermoord.'
'Weet je ook iets over de aanslag op de Hertog van Olasko?'
'Ook in uw kerker doen de geruchten de ronde. Die aanslag was het resultaat van een plan van de een of de ander, de Kruiper of de Nachtraven. Als het de Kruiper was, dan is het omdat de hertog wordt beschouwd als een hindernis voor zijn plannen. Als het de Nachtraven waren, is het omdat de dood van de hertog die duistere machten goed van pas komt.'
'Werken er ook magiërs voor de Nachtraven?' vroeg Robert.
'Niet dat ik weet, maar er werken er ook geen voor de Kruiper. Dieven hebben maar weinig vertrouwen in lieden die de magische kunsten bedrijven, zoals jij heel goed weet, Robbie de Hand,' antwoordde Graves.
Arutha glimlachte bij het horen van die naam. 'Robert weet ook hoe hij vragen moet stellen om achter de waarheid te komen. Dus als we jou vertelden dat degenen die de hertog naar het leven stonden het eigenlijk gemunt hadden op de kroonprins, wat heb je dan te zeggen?'
'Dan moet er een derde partij in het spel zijn,' zei Graves. 'Misschien hebben die duistere krachten extra vertegenwoordigers gestuurd om zich van hun slagen te verzekeren, los van de prestaties van de Nachtraven en de Kruiper.'
Arutha zuchtte van frustratie. 'Verdomme, op momenten als deze heb ik het liefste een vijand in zicht.'
'Hoogheid,' zei Graves, 'ik denk dat ik u er minstens één kan geven.'
'Wat?' vroeg Arutha.
Graves liep naar het dichtstbij liggende lijk. 'Een dode hoeft niet altijd te lijken op de man die hij was, maar deze ken ik wel. Zijn naam, waaronder ik hem tenminste kende, was Jendi. Hij was een bandiet uit de Jal-Pur, en in het verleden heeft de Oprechte Man zaken met hem gedaan. Hij is een slavenhandelaar, een rover en een moordenaar.' Hij keek de prins aan. 'Hoe is hij hier terechtgekomen?'
Robert gaf antwoord. 'Hij probeerde een gesprekje met mij te regelen, tegen mijn wil in.'
Graves glimlachte. 'Dat babbeltje dat hij in gedachten had, hield in dat jij hem alles vertelde wat je wist, terwijl hij luisterde tot hij besloot dat het genoeg was en hij je kon vermoorden.'
'Dus je kent deze man,' zei Arutha. 'Voor wie denk je dat hij werkte?'
'Ook al was Jendi een gewone boef, ze zeggen dat hij van tijd tot tijd samenwerkte met gevaarlijker mensen, zoals de Nachtraven.'
'Hoe kan dat dan?' vroeg Arutha. 'Ik dacht dat de Nachtraven zich met niemand in lieten.'
'Dat is ook zo, maar ze moeten contact hebben met de buitenwereld, en daarvoor maken ze gebruik van degenen die ze kunnen omkopen of terroriseren. Er moet toch iemand zijn die namens hen kan onderhandelen voor het moorden tegen betaling.'
'Ik dacht dat je gewoon de naam van het slachtoffer ergens achterliet wanneer je een moordenaar nodig had, en dat zij dan contact met jou opnamen en de prijs vaststelden,' zei Robert.
'Ja,' beaamde Graves, 'maar iemand moet die naam ophalen en de prijs afleveren. Dat doen ze niet zelf.'
'Weet je of er zich Keshiërs onder de Nachtraven bevinden?' vroeg Arutha.
'Het is een broederschap zonder grenzen, Hoogheid. Huurmoordenaars in het Koninkrijk rekenen Izmalitische clans in het zuiden tot hun broeders.'
'Dan moeten we die Keshische moordenaars dus op dezelfde plek zoeken als de Nachtraven,' stelde Arutha vast.
'Letterlijk,' zei Graves.
'Hoe bedoel je dat?'
'Ik bedoel daarmee dat u vrijwel zeker uw Nachtraven, zowel Koninkrijkse inwoners als Keshiërs, kunt vinden op een week rijden hiervandaan.'
'Waar?' vroeg Arutha. 'Zeg het, en je gratie voor je misdaden en een veilige doortocht zijn gegarandeerd.'
'Ten zuiden van de Baai van Shandon ligt een oude karavaan-route, die niet meer wordt gebruikt,' vertelde Graves. 'Verder zuidwaarts langs die route ligt een heuvelrug, waarop vroeger een oud Keshisch fort stond. Dat weet ik, omdat die man' - hij wees naar het lijk - 'het ooit in een dronken bui tegen me heeft gezegd. Op oude kaarten staat misschien precies waar. Maar de torens en de muren zijn allang geleden ingestort, en alles wat er nog van over is, zijn de ondergrondse tunnels.'
'Dat lijkt verdacht veel op kasteel Cavell,' merkte Robert op.
'Ze hebben er water,' vervolgde Graves, 'een oude bron, en in de anonimiteit van Nes of Shamata kunnen ze voedsel gaan halen. Het is dicht genoeg bij Krondor om ieder moment te kunnen toeslaan, en als je niet weet waar je naar zoekt, kun je er zo voorbij rijden zonder ooit te weten dat je zojuist een schuilplaats van moordenaars bent gepasseerd.'
Arutha keek naar Wiliam, die zwijgend had geluisterd. 'Ga als de bliksem naar mijn verblijven. Neem zo veel man mee als je nodig hebt, maar speur alle oude kaarten die we hebben af naar ieder spoor van dat Keshische fort.'
'Kan je Keshisch lezen, jongen?' vroeg Graves.
Wiliam knikte. 'Ja.'
'Zoek dan naar de "Vallei der Dolenden",' zei Graves. 'Daarvandaan volg je een lijn naar het oosten. Als dat fort op de kaart staat, is het misschien aangeduid als de 'Tombe der Hopelozen".'
'Dan lijkt het me een post waar je niet vrijwillig werd gestationeerd,' grapte Robert.
'Daar weet ik niets van,' zei Graves, 'maar zo noemde die dronken moordenaar de plek. Hij zei dat het garnizoen daar was achtergelaten om het tot de laatste snik te verdedigen, volgens een of andere legende. Het schijnt dat de geesten van die soldaten er nog steeds spoken, en dat er bloeddrinkers rondwaren, en meer van dat soort onzin.'
'Als je gezien had wat wij met de Nachtraven al hebben meegemaakt, zou je wel een ander deuntje zingen, Ethan,' merkte Robert op. 'Het is erg verontrustend om er eentje te verslaan en hem een poosje later helemaal opnieuw te moeten doden.'
Graves sloeg een teken. 'Ik zei toch dat er duistere mogendheden aan het werk waren, Hoogheid, en dan bedoel ik ook van de zwartste soort.'
'We slaan jouw berechting van vanochtend over, Graves,' zei Arutha, 'maar je blijft nog wel een tijdlang mijn gast. Als dit verhaal van jou een kern van waarheid blijkt te bevatten, zetten we je op een schip naar Durbin of Queg, of waar je ook maar naartoe wilt. Robert, breng hem terug naar zijn cel.'
Robert salueerde. 'Sire.' Hij nam Graves mee de kerkerruimte uit. 'Dat ging best goed.'
'Als jij het zegt, Robbie,' mompelde Graves.
'Nou, hij heeft je toch niet overgedragen aan de Ishapiërs, en hij heeft je ook niet laten ophangen, of wel soms?'
Graves glimlachte. 'Tja, dat is zo.'
Ze liepen terug naar Roberts kamer, waar ze Limm en Kat ophaalden om terug naar de kerker te brengen. Comfortabel kon je het daar niet noemen, maar het was tegenwoordig wel een van de veiligste plekken in heel Krondor - als er tenminste nog een plek in Krondor veilig was, dacht Robert bij zichzelf.