15 Wanhoop

 

Langzaam kwam Robert bij.

Het was donker in de cel. Het enige licht kwam van een fakkel, dat door een klein betralied raampje viel. Hij zag dat het dezelfde cel was als waarin Edwin had gezeten. Hij lag op een matras van muf stro. Het stonk er erger dan hij zich van zijn vorige bezoek herinnerde, maar toen was hij ook niet in de cel geweest.

Hij kwam overeind naar een zittende positie. Zijn hele lijf deed zeer. Zijn hoofd tolde nog van het pak slaag dat hij had gehad, en hij vroeg zich af of er ergens nog een plekje was waar zijn huid niet blauw was.

Hij haalde een keer diep adem en keek rond. Geen water of voedsel, en hij betwijfelde of zijn overweldigers zich erg druk over zijn welzijn hadden gemaakt. De algemene veronderstelling zou vast luiden dat hij hier toch niet meer zo lang zou zitten, zodat zijn welzijn ook geen verdere aandacht behoefde. Het feit dat hij nog leefde, deed hem geloven dat er twee dingen konden gebeuren. Of hij zou worden ondervraagd, om te bepalen hoeveel mensen van deze schuilplaats op de hoogte waren en wanneer er een aanval van vijandelijke troepen kon worden verwacht, óf hij was de eregast bij de eerstvolgende demonontbieding.

In het eerste geval zou hij tijd proberen te rekken. Hij kon doen alsof hij suf geslagen was en dat hij eerst wat rust nodig had voordat hij zich weer iets kon herinneren. In het laatste geval had hij nog maar tot middernacht om zich door Arutha en zijn leger hier levend vandaan te laten halen. Robert schudde zijn hoofd nog eens om het helder te krijgen. Langzaam stond hij op en wankelde naar het raampje in de deur. Naar buiten kijkend zag hij dat ze wachters in de kamer hadden geplaatst, voor het geval een van Roberts metgezellen nog in het fort rondliep. Vlug deed Robert een stap achteruit, opdat de wachters niet zouden merken dat hij weer bij kennis was. Als ze me gaan ondervragen, dacht hij, kunnen ze daar maar beter zo lang mogelijk mee wachten, want des te groter wordt de kans dat de prins arriveert. 

Stilletjes ging hij zitten en probeerde wat te slapen. De stenen waren niet echt koud, maar zo diep onder de grond konden ze evenmin warm worden genoemd. Het prikkende stro was evengoed een plaag als een gemak, maar na een poosje dommelde hij toch in.

Enige tijd later schoot hij wakker toen de deur werd opengemaakt. Zonder een woord beenden er twee bewakers naar binnen, die hem onder de armen pakten. Nadat hij door de deur was gesleept, werd hij ook bij beide benen opgetild, en zo droegen ze hem door de gangen van het fort.

Ze namen hem mee naar het deel van de ondergrondse doolhof die hij niet had verkend omdat hij had aangenomen dat de verblijfplaatsen van de leiders, de priester en de demonaanbidders er zich bevonden. Kort daarop kwam hij, niet in het minst tot zijn tevredenheid, tot de conclusie dat hij gelijk had gehad.

Neergekwakt op de stenen vloer aan de voeten van een man in een zwart gewaad, bleef hij liggen wachten.

'Sta op, zodat ik je kan zien,' sprak de man die voor hem stond. Zijn stem klonk dor, als het ritselen van oeroud perkament.

Robert keek op en zag een man met een stokoud gezicht op hem neerkijken. Langzaam kwam hij op onvaste benen overeind, tot hij de oude man in de ogen kon zien. Daarin school macht, duistere, gevaarlijke macht. Het gezicht was onmogelijk oud, nauwelijks meer dan gevlekte en verkleurde huid, strak over de schedel gespannen. Het beetje haar dat hem nog restte, hing als spinrag langs de zijkanten omlaag. De oude keek Robert aandachtig aan, en ineens viel het Robert op dat de man niet ademde, behalve wanneer hij sprak. Het haar achter in Roberts nek ging recht overeind staan toen hij besefte dat hij stond tegenover een dode, die op een of andere wijze toch nog leefde.

'Wie ben je?' vroeg de oude man.

Aangezien hij geen heil zag in een volstrekte leugen, noemde Robert zijn naam.

'Je komt spioneren, voor het Koninkrijk?'

'Min of meer,' antwoordde Robert.

'De anderen die bij je waren zijn slechts de punt van de wig, nietwaar?'

'Ik verwacht hier binnenkort meer van mijn landgenoten, ja.'

'Dat maakt niet uit.' Met een grijns vol scheve gele tanden haalde de man weer adem. 'Wij hier dienen tot in de dood en ook nog daarna. Wij hebben geen vrees voor de lansen van jullie Koninkrijkse soldaten. Wij weten wat er komt, en bij de gratie van onze meester zijn we er niet bang voor. Vannacht is onze laatste invocatie, waarbij onze meester ons een werktuig zal zenden, een demon om jullie Koninkrijk te vernietigen!' Nog even staarde hij Robert in de ogen, en zei toen tegen de vlakbij staande moordenaars: 'Breng hem naar de zaal. Het is bijna zover.'

Robert was sprakeloos. Hij had nog veel meer vragen verwacht, misschien nog een pak slaag of twee, en de gelegenheid om tijd te rekken. In plaats daarvan werd hij weggesleept om zich de keel te laten afsnijden in een demonisch ritueel.

Ze brachten hem naar een kamer naast de vroegere wapensmederij en trokken hem zonder plichtplegingen zijn laarzen, tuniek en broek uit, zodat hij alleen nog zijn onderbroek aan had. Twee mannen grepen hem stevig beet bij de armen en hielden hem roerloos.

Er kwam een andere in het zwart geklede priester binnen, die aan een bezwerings-spreuk begon. In zijn ene hand hield hij een kom, gemaakt van een mensenschedel. Aan het bot dat hij daaruit haalde, kleefde een donkere, stroperige massa. Hij zwaaide het bot door de lucht, en Robert kreeg het koud. Op zijn armen verscheen kippenvel en het haar in zijn nek ging rechtop staan. Toen de priester Robert met het bot op het voorhoofd raakte, brandde het.

Er verscheen een derde priester, ook met een kom, met daarin een witte vloeistof. Hij hield de kom voor Roberts gezicht en zei: 'Drink op.'

Robert klemde zijn kaken op elkaar. Hij wist niet wat hem precies werd aangeboden, maar vermoedde dat het bedoeld was om hem gewilliger te maken.

Van achter de man rechts van Robert kwam een in het zwart geklede moordenaar. Met sterke handen greep hij Roberts kaken om ze van elkaar te trekken. Robert beet hem in de hand, hard genoeg om hem te laten bloeden, en kreeg er een daverende klap voor terug.

'Ook goed,' zei de oude priester. 'Laat hem ieder moment van intense pijn maar meemaken, als zijn leven uit hem wegvloeit en zijn ziel onze meester voedt. Maar houd hem stevig vast, want anders verstoort hij de ceremonie. Onze meester duldt geen vergissingen.'

Hij draaide zich om en liep weg, met de andere priesters in zijn kielzog. Robert werd meegenomen door de twee mannen die hem vasthielden, met twee andere bewakers achter hen aan.

Iedere vezel in zijn lichaam deed pijn, en de kans dat hij dit zou overleven leek vrijwel uitgesloten, maar Robert merkte dat hij toch niet bang was. Op een of andere manier had hij zich zijn eigen verscheiden nooit voor de geest gehaald. In abstracte zin wist hij dat hij op een dag zou sterven, net zoals iedere sterveling aan het einde van zijn dagen bezweek, maar geen enkele keer was Robert bij dat simpele feit stil blijven staan. Zoals zijn oude vriend Emus Trask eens had gezegd: niemand komt levend door het leven heen. Maar ondanks de hoge kans daarop, kon Robert de realiteit van zijn eigen dood niet accepteren. Een deel van hem was hier stomverbaasd over, terwijl hij eigenlijk hoorde te grienen als een klein kind, smekend om zijn leven. Maar toen besefte hij dat hij in het diepst van zijn wezen wist dat het zijn tijd nog niet was. In plaats van bang te worden, richtte hij zich op een mogelijkheid om uit deze hachelijke situatie te ontsnappen.

Ze brachten Robert naar de wapensmederij, waar de ceremonie al was begonnen. Ongeveer honderd moordenaars knielden neer toen de oude priester binnenkwam. Ze waren weer op die toonloze manier aan het zingen, en nu al was er een duistere magie voelbaar.

In het flikkerende fakkellicht deed Robert zijn best om details te onderscheiden die hij de vorige keer niet had kunnen zien. De oude blaasbalg boven de smidse zag er nog goed uit, al was hij al zeker honderd jaar niet meer gebruikt. De kettingen voor het ophijsen en verplaatsen van de ketels met gesmolten metaal waren roestig, maar niettemin bruikbaar. In gedachten mat hij de afstand tussen de verhoging met twee grote stenen reparatietafels en de smidse, en hij keek hoe dicht de kettingen bij die tafels hingen. Robert achtte het onwaarschijnlijk dat hij dwars door deze menigte heen kon vluchten, dus alle ontsnappingsmogelijkheden dienden te worden onderzocht, en wel vlug.

De moordenaars keerden zich naar de verhoging waarop hij ter dood moest worden gebracht en staarden naar het demonische gelaat dat op de muur was geschilderd. De twee mannen aan weerszijden van Robert bleven hem vasthouden, terwijl de twee die hen hadden gevolgd zich opstelden bij de anderen op de vloer van de geïmproviseerde tempel.

Terwijl hij werd meegevoerd, de trap op naar de steen waarop hij zou worden neergelegd, zag Robert dat er op de vloer met krijt een ingewikkeld symbool was getekend, een vijfpuntige ster, met op iedere punt een grote brandende waskaars. Het viel hem op dat de priesters deze punten zorgvuldig meden, en evenmin over de krijtstrepen van het pentagram heen stapten. Hij pijnigde zijn hersenen, gravend in zijn geheugen. Ergens kwamen die tekens op de vloer hem zorgelijk bekend voor.

Terwijl ze hem naar het stenen altaar brachten, voelde Robert zijn hartslag versnellen. Bang was hij nog steeds niet, maar in plaats daarvan kreeg hij een vreemd gevoel van haast. Wat hij ook wilde doen, het moest in de komende paar momenten gebeuren, en hij had nog steeds geen idee wat.

Ineens werd hij slap en schreeuwde: 'Nee! Nee! Wat dan ook, maar niet dit!'

Heel even draaide de hogepriester zich om om te zien wat voor drukte het was, maar het zien van een voor zijn leven smekend slachtoffer was niets nieuws, dus richtte hij zijn aandacht wederom op de bezwering.

Een van de andere priesters sloeg een groot boek open en hield het omhoog, zodat de hogepriester erin kon lezen. Een ogenblik las de oude man in stilte, en schreeuwde vervolgens in een taal die Robert vreemd en ruw in de oren klonk. Het leek donkerder te worden in de kamer, alsof het fakkellicht werd weggezogen, en in het midden van het pentagram verscheen een vage vorm. Zodra er bloed vloeide, zou het wezen materialiseren en dit rijk binnengaan, wist Robert.

De twee moordenaars tilden hem op en sleepten hem de laatste paar treden omhoog naar de steen. Robert haalde diep adem, want dit moest het moment zijn. Als hij eenmaal op die steen lag, bij handen en voeten vastgehouden, was hij er geweest.

Hij deed net of hij instortte en liet zich krijsend en snikkend op de knieën vallen, waarbij hij de twee mannen een klein stukje met zich mee trok. Ineens zette hij zijn ene voet stevig neer en stond op, de twee moordenaars van zich af duwend. Alle pijn en protesterende gewrichten negerend bracht hij zijn armen omhoog, en terwijl de twee mannen automatisch hun greep op zijn polsen veranderden, rukte hij zich los.

Met zijn rechterhand trok hij een dolk uit de riem van de man rechts van hem, en met een beuk van zijn schouder smeet hij hem achterover op de offersteen. Meteen daarop schopte hij met zijn linkerbeen naar de man aan de andere kant, die eveneens achterover sloeg. De man op de steen greep naar zijn riem, maar trof de schede leeg aan. 'Zocht je dit soms?' zei Robert, en haalde met het mes uit naar de hals van de moordenaar. Het bloed spoot uit de slagader over de altaartafel en op de vloer. 'Als je dat monster zo graag wilt laten verschijnen, gebruik dan je eigen bloedt'

'Nee!' schreeuwde de hogepriester. 'Het is nog te vroeg!' Zodra het bloed de stenen tafel raakte, vormde zich boven het pentagram een zwarte wolk die zich snel verdichtte en de vorm aannam van een monster, nog weerzinwekkender dan Robert zich van de vorige keer herinnerde. Het monster was bijna negen voet lang, met een kop als die van een vos, met vlammende ogen en gekromde geitenhorens. En nu werd ook het onderlichaam zichtbaar: de demon stond op bokkenpoten.

'Nee!' schreeuwde de hogepriester nogmaals.

Het monster keek naar de priester. Met een zware, angstwekkende stem vroeg het hem iets in dezelfde taal die de moordenaars gebruikten. De priester scheen niet te weten wat hij moest antwoorden, greep naar het oude boek, dat op de grond was gevallen, en probeerde iets te lezen.

Robert wachtte niet af. De man met de doorgesneden keel lag op de tafel te stuiptrekken, en de andere bewaker was nog bezig zijn evenwicht te herstellen. Robert hielp hem een handje door hem aan zijn tuniek naar voren te trekken. Hij stapte opzij, gaf hem een zwiep in de richting van de hogepriester en bracht zijn rechterbeen omhoog. De voet op de borst van de ongeschonden moordenaar plaatsend duwde hij hem van zich af. Met een geschrokken gezicht viel de man achterover tegen de hogepriester en de man die zich naar de schaal had gerept waarin Roberts bloed had moeten worden opgevangen.

Het oude boek vloog uit de handen van de hogepriester, die er onmiddellijk naar greep en nogmaals brulde: 'Nee!'

Vlak bij de verhoging kwamen al mannen overeind, onzeker van wat er gebeurde, maar achterin zaten ze nog steeds op hun knieën.

In zijn poging het boek weer in handen te krijgen, reikte de priester over de lijnen van het pentagram. De demon krijste van razernij. Met twee machtige, geklauwde handen greep het monster de oude man.

Zijn blunder opmerkend schreeuwde de hogepriester het uit van angst, en onsamenhangend brabbelend zag hij zijn einde naderen. De demon opende zijn enorme muil, met puntige tanden als lange spitse vingers, waar het speeksel licht rokend van af droop. Met een plotselinge beet scheurde de demon het gezicht van de schedel van de priester, omstanders met bloed bespattend.

Heel even waren alle ogen in de ruimte op het weerzinwekkende tafereel gericht, en weer maakte Robert gebruik van de situatie. Hij greep de overgebleven priester bij schouder en buikriem en smeet hem in de richting van het pentagram. De gewonde man en de priester met de schaal tuimelden allebei het pentagram binnen. De priester schopte een van de kaarsen om, en de chaos brak los.

De demon brulde, rukte het hoofd van de tweede priester eraf en scheurde de arm van de gewonde moordenaar los. Lichaamsdelen werden losgetrokken en verslonden, terwijl het bloed langs de kin van het monster droop.

De andere kaarsen woeien uit, en van overal klonk gegil van angst.

Sommige leden van de moordenaarsbende begonnen weer te zingen, naar voren en achteren schommelend, terwijl anderen opstonden, op zoek naar een uitweg. Twee trokken hun kromzwaarden om zich tegen de demon te verdedigen, maar anderen bleven domweg stomverbaasd zitten kijken.

Robert achtte dit het perfecte moment om te ontsnappen. Hij sprong boven op de offersteen en wierp een blik op de demon. Het monster keek hem aan, en met vreselijke zekerheid besefte Robert dat het beest niet langer gevangen zat.

Net toen de demon naar hem greep, nam Robert een sprong naar de kettingen aan het plafond, trok zijn benen op en stak ze recht vooruit, over de zwarte klauwen heen. Bij de slachting vandaan zwaaiend liet hij de ketting los, en kwam terecht op een oude werkbank, naast een neergeknielde moordenaar, die hem verwonderd aankeek. Vervolgens werd alle aandacht weer opgeëist door de demon, die van de verhoging stapte en in ernst begon met verslinden.

Robert sprong over naar een andere tafel, en daarvandaan op de grond tussen twee vluchtende moordenaars. Ze sloegen nauwelijks acht op hem; hoe godvruchtig ze ook mochten zijn bij het zien van andermans dood, ze waren beduidend minder devoot wanneer hun eigen leven op het spel stond.

De meeste vluchtende moordenaars renden in de richting van de stal, en Robert nam het risico niet dezelfde kant op te gaan. Hij dook een zijgang in en rende terug naar de scheur in het plafond, waar hij de schuilkamer had gevonden. Het verbaasde hem hoe snel hij er nu was, hardlopend in plaats van sluipend door het donker.

Hij keek op, en vloekte. In zijn eentje kon hij er onmogelijk bij. Hij rende naar de dichtstbijzijnde kamer, waar hij een wapenkist vond. Die gooide hij leeg en sleepte hem naar de plek onder de spleet. Tot dusver had hij zijn verwondingen kunnen negeren, maar nu begonnen ze hem toch parten te spelen. Het zweet droop uit zijn haar en van zijn neus, en het zout prikte in iedere schaafwond en snee. Zijn gekneusde spieren dreigden te verkrampen, maar hij bleef sleuren aan de zware kist tot die op zijn plaats stond. Nadat hij hem rechtop had gezet, voelde hij zich licht in zijn hoofd, en alles draaide voor zijn ogen. Langzaam ademend kalmeerde hij zichzelf, en klom toen op de kist. Met grote moeite wist hij zich omhoog te hijsen, ondanks dat hij bijna zijn greep verloor en viel. Door pure wilskracht hield hij vast, want hij wist zeker dat hij de kracht voor een nieuwe poging niet meer kon opbrengen. Daarna klom hij door het gat in de vloer van de schuilkamer, en zag de helling met daarachter de nachtelijke hemel.

Van beneden klonk gegil en een onmenselijk gebrul, en Robert begreep dat iedereen die nu nog binnen was uiteindelijk zou worden gegrepen. En dan zou de demon op zoek gaan naar een weg naar buiten. Half strompelend liep Robert naar de helling. Na drie stappen viel hij voorover in het stof, bewusteloos.

 

Robert kwam bij toen iemand water in zijn gezicht goot. Hij knipperde met zijn ogen en zag dat Wiliam zijn hoofd omhoog hield, terwijl iemand anders een waterzak voor zijn mond hield. Hij dronk gretig.

Toen de waterzak werd teruggetrokken, zag hij dat de andere man een soldaat uit Krondor was. Er klonken voetstappen in de kamer. Robert kwam omhoog en zag soldaten naar het gat in de vloer lopen. 'Wacht!' zei hij. Zijn stem was schor.

'Wat is er?' vroeg Wiliam.

'Demon. Die loopt daar ergens los.'

Wiliam greep de dichtstbijzijnde soldaat bij de tuniek. 'Dringende boodschap voor Zijne Hoogheid. Jonker Robert meldt dat er een demon rondwaart in het fort.' Tegen de andere soldaten zei hij: Jullie blijven hier, maar niemand gaat dat gat in tot hij bevelen heeft gekregen.' Vervolgens wendde hij zich tot Robert. 'Jij komt met mij mee. De prins zal dit van jou willen horen.'

Hij sloeg een arm rond Roberts middel, hees hem overeind en hielp hem de helling op lopen. Buiten aangekomen vroeg Wiliam: 'Is het een mooi verhaal, waarom je in je onderbroek voorover in het stof lag?'

Robert trok een grimas van het lopen. 'Niet echt.'

'Kan je rijden?'

'Heb ik een keus?'

'Bij mij in het zadel.' Wiliam wenkte de soldaat die verantwoordelijk was voor de rijdieren. De man bracht er een naar hen toe en hield het hoofd van het dier vast terwijl Wiliam Robert in het zadel hees. Daarop sprong Wiliam achter Robert en nam de teugels. 'Hou je vast!' riep hij, en gaf het paard de sporen.

Kreunend klemde Robert zich vast. Terwijl ze door de rivierbedding galoppeerden, kwam de zon in het oosten op. Leunend tegen Wiliams borst vroeg Robert: 'Waar is Arutha?'

'Voor de oosterpoort. Edwin heeft de prins bereikt, en die heeft een geforceerde mars ingezet. Toen Treggar en ik hen vonden, waren ze in gevecht met een groep moordenaars, en daarna hebben we hen hierheen gebracht.'

'Ik hoop bij de goden dat hij geen aanval op die stal heeft geleid,' zei Robert.

In volle galop reden ze de bedding uit en sloegen af in oostelijke richting. Na een van de meest pijnlijke ritten van Roberts leven, arriveerden ze bij Arutha's positie.

Er was geen kamp opgezet. De prins en zijn officieren hadden zich verzameld op een uitstulpend stuk steen en keken toe terwijl de soldaten voor de open poort werden opgesteld. Arutha keek naar hen toen Wiliam kwam aanrijden en de teugels inhield. Naast de prins zaten kapitein Treggar en twee andere officieren, rond een kamptafel waarop een kaart lag uitgespreid.

'Blijf je leven?' vroeg de prins aan Robert.

Robert viel bijna toen hij zich uit het zadel liet glijden en hield zich op de been door de stijgbeugel van Wiliams paard te pakken. 'Als het even kan niet,' antwoordde hij.

Arutha gebaarde dat iemand de bijna naakte jonker in een mantel diende te wikkelen. Een soldaat gehoorzaamde snel. 'Wat is er daar aan de hand?' vroeg Arutha aan Robert. 'We hebben een groep moordenaars naar binnen gejaagd, nadat we hen vijf mijl hiervandaan een flink pak slaag hadden gegeven, en de meesten kwamen meteen weer naar buiten gerend, blij om een partijtje te kunnen vechten. We werden zowaar even teruggedreven.'

'Demon,' zei Robert. 'Die idioten hebben er eentje opgeroepen.'

Arutha knikte. 'Bevelen,' zei hij tegen een vlakbij staande koerier. 'Zeg luitenant Gordon zijn positie te handhaven.' Hij keek Robert weer aan. 'En, jonker, wat heb je me te vertellen?'

Robert vertrok zijn gezicht en gebaarde naar Wiliam om de waterzak. 'Niet zo veel, Hoogheid. Veel verstand heb ik niet van dat soort dingen, maar ik geloof nooit dat die demon voor het vallen van de avond naar buiten komt. Maar als het zover is, heb ik geen idee hoe u hem hier kunt houden.'

Arutha keek naar de open deuren van de stal. 'Dan moeten we naar binnen om hem daar onschadelijk te maken.'

'Wacht even,' zei Robert.

'Ja, jonker?' informeerde de prins.

'Neem me niet kwalijk, Hoogheid, maar ik heb dat monster gezien. We zuilen een plan moeten opstellen.'

Daar moest Arutha zowaar om lachen. 'Jij zegt mij dat we een plan moeten opstellen? Dat is een zeldzaamheid, jonker.'

'Ja, maar ik heb dat kreng van dichtbij gezien, Hoogheid, en hij is sterk genoeg om met een enkele ruk je arm van je romp te scheuren. We hebben een priester nodig om hem terug naar zijn eigen rijk te verbannen, of een magiër om hem te vernietigen.'

'We hebben geen van beiden,' zei Arutha. 'En voor zover ik me van mijn studie demonenleer kan herinneren, kan hij, als het geen hogere macht is, gewoon worden gedood. En als hij niet tegen zonlicht of koud staal kan, beschikken we over de middelen.' De prins wendde zich tot Wiliam. 'Luitenant, jij rijdt met de kapitein terug naar de andere ingang. Neem een sectie boogschutters mee. Drijf dat monster op naar deze deur voordat de zon ondergaat.'

Treggar en Wiliam salueerden en reden weg, en bij gebrek aan steun klampte Robert zich vast aan de stijgbeugel van Arutha's paard. 'En als hij zich niet laat opdrijven, Hoogheid?'

'Dan moeten we erop af,' zei de prins. Hij keek Robert indringend aan. 'En bij "we" ben jij niet meegerekend, jonker. Je hebt er wel eens beter uitgezien.' Hij wenkte een van zijn adjudanten. 'Breng de jonker ergens heen, en zorg dat hij wat eet en genoeg water drinkt. Slapen zal wel geen probleem zijn.'

Robert liet zich door de soldaat meenemen naar een rotsblok, waar hij in de schaduw ging zitten. Vanwege de gedroogde rantsoenen die hij kreeg en het lauwe water uit een nauwelijks gekoelde waterzak begreep hij dat de bagage-karavaan mijlen achter de colonne aankwam, en dat dit de kost was die alle manschappen, de prins inbegrepen, de afgelopen dagen hadden gegeten.

Robert moest vechten om niet tussen twee happen door in slaap te vallen. Hij kon zich later maar amper herinneren dat iemand hem een schone broek en tuniek was komen brengen. Zijn laarzen stonden nog ergens in de kamer achter de wapensmederij, waar hij voor het offer was uitgekleed, en hij zwoer dat hij ze naderhand zou gaan halen.

Dat was het laatste wat hij dacht voor hij in slaap viel.

 

Wiliam en Treggar verzamelden hun mannen. 'Luitenant,' zei de kapitein.

Wiliam trad aan.

'Ik ga met de eerste zes naar binnen. Wacht even, en stuur dan de sergeant met de volgende zes, en jij komt even later met de laatste ploeg van zes. De boogschutters blijven hier.'

'Ja, kapitein.'

'De eerste sectie gaat in oostelijke richting. De tweede moet naar het zuiden. Het is een vrij duidelijke route die uiteindelijk naar het oosten afbuigt. Jij krijgt het harde werk, Wil. Ga in noordelijke richting, op de wapensmederij af.'

'Ja, kapitein,' bevestigde Wiliam.

'De eersten die op de demon stuiten, blijven zitten waar ze zitten en laten de twee andere secties komen. Verdedig jezelf als het moet, maar val niet aan voordat we ons hebben georganiseerd. Ik wil de boogschutters gebruiken om dat monster naar de mannen van de prins te drijven.'

Er werden touwen aan de twee zware wapenrekken vastgebonden en door het gat naar beneden gelaten, zodat er twee man tegelijk konden afdalen of terugklimmen als dat nodig was.

Zodra ze beneden stonden, nam Treggar de eerste sectie mee de duisternis in.

Wiliam zag eerst Treggar met zijn zes mannen verdwijnen, daarna de tweede sectie onder bevel van een sergeant, en kort daarop nam hij zijn zestal mee. Eenentwintig soldaten, dacht Wiliam, om een demon het zonlicht in te drijven. Hij hoopte dat het genoeg was. Magiër was hij nooit geweest, maar zijn hele leven had hij onder hen verkeerd, en in al die jaren had hij nog nooit iets over demonen gehoord dat positief te noemen was.

Zijn twijfels van zich afschuddend gaf hij de laatste groep het teken om op weg te gaan.

 

Wiliam liep voorop, aangezien hij geen van de soldaten als eerste wilde laten gaan. Hij rechtvaardigde dit bevel door te zeggen dat hij hier al eerder was geweest, maar besefte toen dat hij helemaal niets hoefde te rechtvaardigen. Hij hoefde alleen maar het bevel te geven.

Langzaam zochten ze zich een weg door een reeks kamers die waren veranderd in één groot slachthuis. De muren zaten vol bloedspetters, en overal lagen herkenbare lichaamsdelen in het rond gestrooid.

Eén ding dat Wiliam opviel was dat alle hoofden stuk waren geslagen of gebeten en dat de hersenen waren verorberd. Wiliam wierp een blik op zijn mannen en zag dat deze doorgewinterde soldaten bleek waren geworden. Hij slikte moeizaam om niet over te geven en voelde zich al wat minder ongemakkelijk.

Geluid in de verte waarschuwde Wiliam voor de demon. Hij beduidde de anderen te wachten terwijl hij verder sloop om op verkenning te gaan. In gebukte houding liep hij langzaam door een gang. Als hij het zich goed herinnerde lag er voor hem een slaapzaal.

Hij gluurde door de deuropening maar zag niets, dus liep hij langzaam verder, iedere paar stappen halt houdend om te kijken en te luisteren. Toen hij vlak bij de deur kwam, had hij het verschrikkelijke gevoel dat de demon in een van de twee hoeken naast de deuropening zat, wat betekende dat Wiliam daadwerkelijk zijn hoofd om de hoek moest steken om het monster te kunnen zien.

Linker- of rechterkant? vroeg hij zich af.

De demon bespaarde hem dit besluit door te bewegen, en het geluid kwam van links.

Zo langzaam als hij kon drukte Wiliam zich tegen de rechtermuur, ineengedoken. Als eerste kwamen de poten van het beest in zicht, en Wiliam besefte dat hij op de vloer zat, de poten voor uit, alsof hij ergens op wachtte.

Waarop? vroeg hij zich af.

Toen drong het tot hem door. Tot de zon onderging. Wiliam stond in tweestrijd of hij meteen terug zou gaan om de boogschutters te roepen, of een blik om de hoek zou wagen om het monster beter te kunnen zien. Hij achtte het het risico waard.

Hij bewoog zich langzaam, bang dat een snelle beweging het oog van de demon zou trekken, maar het monsterlijke wezen bleek de andere kant op te kijken. Over zijn lijf verspreid zaten verscheidene wonden.

Wiliam trok zijn hoofd terug. Langzaam, iedere stap een pijnlijke oefening in zelfbeheersing, liep hij bij de deur vandaan. Toen hij op het punt kwam waar hij zijn mannen kon zien, bracht hij een vinger naar zijn lippen en beduidde hun achteruit te gaan.

Wiliam liet de mannen teruggaan naar de laatste kruising die ze waren gepasseerd. Toen hij zeker wist dat ze ver genoeg weg waren om niet te worden gehoord, fluisterde hij: 'De demon zit in die kamer verderop. Het ziet ernaar uit dat de moordenaars toch flink van zich af hebben gebeten, want dat beest bloedt behoorlijk.'

'Mooi,' fluisterde een van de mannen.

Wiliam keek hem aan. 'Loop in een bocht naar het zuiden om kapitein Treggar en de anderen te halen.'

De soldaat rende weg.

'Ga jij de boogschutters waarschuwen,' zei Wiliam tegen een ander, 'in looppas.'

De man verdween.

Tegen de resterende vier zei Wiliam: Wees op je hoede, maar niemand zegt een woord of verroert een vin tot hij van mij het bevel krijgt.'

De mannen knikten en wachtten in stilte af.