13 Ondergronds

 

Robert duwde nogmaals.

Weer gebeurde er niets.

'Wat is er?' vroeg Treggar.

'Hij gaat niet open,' antwoordde Robert. Hij streek met zijn vingers langs de rand van de deur, en vervolgens op en neer langs de rechterkant.

'Waarom gaat hij niet open?' vroeg Wiliam.

'Als ik dat wist, kon ik hem wel openmaken,' bits te Robert.

'Voor het geval het je is ontgaan, jonker,' zei Treggar, 'we zitten aan het einde van een erg lange gang zonder een plek om ons te verstoppen. Als je die deur niet binnen zeer korte tijd open krijgt, moeten we terug naar een van de zijgangen om een andere uitweg te zoeken.'

Robert bleef geconcentreerd, maar zijn bewegingen verrieden haast. 'Ik weet niet...' Vlug ging hij naar de linkerkant van de deur en vervolgde zijn onderzoek. Even later draaide hij zich om. 'Wegwezen.' Hij liep terug de gang in en sloeg bij de eerste kruising linksaf.

'Waar gaan we heen?' vroeg Wiliam.

'Weet ik niet,' antwoordde Robert, 'maar in een fort van dit formaat zijn er altijd wel wat lege kamers waar we ons schuil kunnen houden.'

'Waarom deze kant op?' wilde Treggar weten.

Robert keek even om. 'Omdat het verder weg is van de plek waar we net waren.'

Treggar zei niets, tevreden met het antwoord.

Ze verlieten de karig verlichte gang en sloegen af in een pikdonkere, waar Robert zijn pit weer aanstak.

'Hoe doe je dat toch?' vroeg Wiliam.

'Als we een stekkie hebben gevonden, zal ik het je laten zien,' beloofde Robert.

Nog geruime tijd liepen ze zwijgend verder, en verscheidene malen sloegen ze een hoek om, aangezien Robert zo ver mogelijk bij de tempel vandaan wilde. Plotseling bleef hij staan. Hij hield de waspit vlak bij de vloer. 'Stof,' zei hij. 'Niet bepaald veel verkeer hier, in de afgelopen jaren.' Hij kwam overeind, en ze liepen weer verder.

Weldra kwamen ze in een ruimte die vroeger kennelijk voor opslag was gebruikt. Het deurkozijn was verrot, en de scharnieren waren eruit gevallen. Wat er van de deur was geworden, zou altijd een raadsel blijven.

Robert ging de kamer binnen, en hield de pit omhoog. Het flakkerende vlammetje verlichtte de hele ruimte: ruwweg zes el lang en de helft zo breed. De eigenlijke grootte ging schuil achter gevallen gesteente.

'Kom hierheen.' Robert beduidde hen plaats te nemen in een hoek, zo ver mogelijk bij de deur vandaan. 'Er mag hier dan al een hele tijd niemand meer zijn geweest, maar Ruthia is soms een grillige vrouw,' zei hij, doelend op de godin van het geluk. 'Ik voel er weinig voor dat een toevallige voorbijganger in een ongebruikte kamer licht ziet branden.'

Treggar keek naar het gevallen gesteente. 'Hij is ongebruikt omdat het hier niet veilig is. Kijk die houten balken eens.'

Robert bracht zijn lichtje wat dichter bij een ingestorte lateibalk. 'Droog als papier.' Hij schoof wat stukken opzij zodat hij kon gaan zitten op een groot stuk steen.

'Ik dacht dat oud hout alleen maar harder werd,' merkte Wiliam op.

'Soms,' beaamde Treggar. 'Ik heb oude gebouwen gezien waar de balken zo hard waren als staal.' Hij raapte een stukje op en verkruimelde het tussen zijn vingers. 'Maar soms wordt het gewoon oud.'

'Hoe laat zou het zijn?' vroeg Robert.

'Tegen zonsopgang,' antwoordde Treggar.

'Ik wed dat onze vrienden hier gewend zijn overdag te slapen. Hun vak wordt gewoonlijk 's nachts uitgeoefend. Ik ga wat rondsnuffelen. Als ik geen andere uitweg kan vinden, ga ik weer naar die deur kijken. We kunnen hier niet te lang blijven.'

'Kijk of je wat water kunt vinden,' zei Wiliam. 'Ik ben uitgedroogd.'

Robert knikte. Het was al uren geleden dat ze hun uitrusting hadden achtergelaten om op zoek te gaan naar de pas uitgehouwen ingang van dit oude fort. 'Ik zal mijn best doen.'

'Voordat je gaat: hoe werkt dat trucje met het licht?' vroeg Wiliam.

Robert gaf hem de aangestoken waspit. 'Kijk.' Uit de buidel aan zijn gordel haalde hij nog een lange pit, die eruitzag als een dikke tondel van langzaam brandend hout, van het soort waarmee kampvuren en fakkels werden aangestoken. 'Hij is ingewreven met een stof.' Daarop haalde hij een klein kruikje te voorschijn, waaruit hij een druppel op de tondel liet vallen. Even gebeurde er niets, maar toen schoot er een vlammetje uit de punt op. 'Die heb ik een poosje geleden gekocht van een straatmagiër in Krondor. Erg handig, en je hoeft geen vonken te slaan op een vuursteen. Het werkt zelfs als het hard waait.'

Wiliam grijnsde. 'Ik dacht toch even dat onze Kulgan je misschien dat vingertrucje van hem had geleerd.'

'Niet dus,' zei Robert. 'Ik wil hem best bij jullie achterlaten, maar misschien heb ik hem harder nodig. Nergens heen gaan.' Robert stond op, stapte door de deuropening en was verdwenen.

Wiliam hield de brandende pit die Robert had achtergelaten, omhoog, tot kapitein Treggar zei: 'Laten we maar wat licht bewaren, luitenant.'

Wiliam blies het vlammetje uit en dompelde de kamer in duisternis. 'Als u het niet erg vindt, pak ik vast mijn vuursteen, voor het geval dat.'

'Vind ik helemaal niet erg.'

Wiliam hoorde hem rondscharrelen in het donker.

'Hier is wat van dat hout,' zei Treggar toen. 'Als je vlug een fakkel nodig hebt, moet het vrij snel vlam kunnen vatten.'

'Bedankt, kapitein.'

Er volgde een lange stilte.

Treggar zei: 'Die jonker is een opmerkelijk ventje, hè?'

'Dat heb ik gehoord, ja,' zei Wiliam. 'Ik heb hem nog maar een paar keer meegemaakt, toen ik met mijn vader mee op bezoek ging in Krondor. U hebt al jaren in Krondor gezeten. Ik had gedacht dat u hem beter zou kennen dan ik.'

'Niet bepaald,' zei Treggar. Weer bleef het geruime tijd stil, tot hij vervolgde: 'Het is de jonker van de prins. Zijn lieveling, noemen ze hem wel eens, maar nooit waar hij bij is. Een hoop bijzondere voorrechten.'

'Voor zover ik weet, heeft hij die verdiend.'

'Daar lijkt het wel op, hè?'

Wiliam ging verzitten. 'Kapitein?'

'Ja?'

'Ik wilde alleen even zeggen dat ik van plan ben gewoon mee te draaien in het dienstrooster. Dat ik er de eerste week niet was... nou ja, dat was niet mijn idee.'

'Die indruk had ik al.'

Weer een stilte.

'Nou ja, eigenlijk wilde ik niet eens in Krondor dienen,' zei Wiliam.

'Echt? Waarom niet?'

'Ik ben niet echt familie van de prins. Jaren geleden is mijn vader door heer Borric geadopteerd.'

'Dat maakt jou dan toch lid van het koninklijk huis, jongen.'

'Ik heb het gehoord. Maar ik wil gewoon het leger in, kapitein. Ik wil mijn promoties zelf verdienen.'

'Het is hard werken in het leger,' zei Treggar na een tijdje. 'Veel jongens die van adel zijn komen in het paleis oefenen bij de zwaardmeester, nemen hun aanstelling in ontvangst en keren terug naar hun familie. Daarna komen ze opdraven bij staats gelegenheden, in blinkend harnas, rijdend op een paard waar ik van mijn leven niet op zal zitten, en ze worden...' Hij viel stil.

'En u voelt zich over het hoofd gezien?'

'Zo zou je het kunnen zeggen. Ik ben begonnen als soldaat, toen ik dienst nam tijdens de eerste jaren van de Oorlog van de Grote Scheuring. Ik zat in Dulanics garnizoen en werd naar het front in Yabon gestuurd toen hertog Gys naar de stad kwam.'

In die tijd was Wiliam nog heel klein geweest, maar hij kende het verhaal.

'Jullie jonker Robert was een kwajongen in die tijd, en ik was een bange soldaat. Met een piek in mijn hand stond ik zij aan zij met andere bange soldaten te kijken naar die Tsuranese maniakken die zonder angst in hun ogen op ons af kwamen stormen.'

Wiliam zei niets.

'Maar hoe dan ook, het was een lange oorlog, en een hoop jongens hebben het niet gered. Nog vóór de tweede winter daarginds in de bergen was ik sergeant. Het jaar daarop was ik luitenant, en omdat ik in het garnizoen van de Prins van Krondor zat, werd ik een Ridder-Luitenant.' Een ogenblik bleef hij stil. 'Zit ik over mezelf te praten. Dat doe ik niet veel.'

'Ik ben blij uw stem te horen, kapitein. Dat maakt het wat minder benauwd in het donker.'

'Ik ben de oudste vrijgezel in het garnizoen, Wil.'

Het viel Wiliam op dat hij bij zijn voornaam werd genoemd. Het was de eerste keer dat Treggar hem niet met zijn rang had aangesproken. 'Dat zal best hard zijn, kapitein.'

'Ik ben de officier die nooit wordt uitgenodigd voor het bal, waar je de jonge meisjes kunt ontmoeten. Ik ben de officier die geen familiebanden heeft. Mijn vader was een dokwerker.'

Ineens besefte Wiliam dat de kapitein bang was. Onthullen dat er onder dat mom van bullebak iemand anders schuilging, was zijn manier om zijn angst te tonen. Het enige wat Wiliam wist te zeggen, was: 'Mijn vader is begonnen als keukenhulp.'

Treggar begon te lachen. 'Maar dat is hij niet lang gebleven, hè?'

Wiliam grinnikte. 'Dat is wel zo. Als u kon kiezen, wat zou u dan doen?'

'Een vrouw zoeken. Het hoeft niet iemand van enige rang of status te zijn. Gewoon een lieve vrouw. Ik zou een post willen waar ik het bevel voerde, waar ik niet altijd over mijn schouder hoef te kijken of de zwaardmeester, de Ridder-Maarschalk, de hertog of wie dan ook, staat te wachten tot ik mijn zelfbeheersing verlies en een cadet voor zijn kanis sla. Ik wil gewoon mijn werk doen. Ook al is het ergens zoals die kleine buitenpost bij de Baai van Shandon die we aan het opzetten zijn. Vijftig man, een sergeant, smokkelaars achterna zitten, bandieten wegjagen, en naar huis voor de warme prak.'

Wiliam schoot in de lach. 'Als we hiervandaan zijn, ga ik met plezier met u mee om gewoon mijn taak te kunnen doen. Ik ben er vorige week net achter gekomen dat de prins iets van me verwacht.'

'Dat is een zware last. Lid zijn van de koninklijke familie, bedoel ik.'

'Dat hebben ze me verteld.'

Ze vervielen tot stilzwijgen.

Uiteindelijk zei Wiliam: 'Ik vraag me af wat Robert aan het doen is.'

 

Robert kroop op zijn buik, zo stil als hij kon. Hij had een weg langs de grootste concentratie van moordenaars gevonden, maar wist zeker dat Wiliam en Treggar er nooit onopgemerkt voorbij zou den komen. Het had zijn aanzienlijke vaardigheden danig op de proef gesteld om niet te worden ontdekt. Nu was hij op zoek naar een andere weg, die werd gevormd door een kapotte rioolbuis, zo lang die tenminste niet smaller werd.

Het was een eeuwenoud bouwwerk. Kesh had het fort honderden jaren geleden verlaten, om redenen die in de mist van de tijd verloren waren gegaan. Een opstand in het keizerrijk, of ergens in de onderworpen landen van de Keshische Confederatie. Misschien een machtsstrijd in het hart van het keizerrijk zelf.

In het karige licht van de waspit, die hij van tijd tot tijd aanstak, had Robert genoeg gezien om te betreuren dat het hem aan tijd ontbrak om uitgebreid op onderzoek uit te gaan. Hij had een kamer vol oude botten gevonden, waarvan vele er duidelijk pas waren neergegooid. Robert nam aan dat de huidige bewoners van het fort daar verantwoordelijk voor waren.

Ook had hij stenen gevonden van boven, verweerd en door de zon gebleekt, opgestapeld in verscheidene grotere kamers, waarvan er een vermoedelijk een officiers kantine was, en drie kazerneruimtes. Deze vondst verbaasde hem. De conclusie die hij had getrokken, was dat de moordenaars nog restanten van het oude fort bovengronds hadden aangetroffen en de laatste sporen ervan hadden verwijderd.

Robert zag verderop licht en werd nog behoedzamer. Geluidloos sloop hij verder, tot hij zich recht onder het licht bevond. In de vloer erboven zat een gat, dat uitkwam in de pijp. Voorzichtig draaide Robert zich op zijn rug, en nog voorzichtiger kwam hij overeind naar een zittende positie.

De ruimte erboven was leeg. Hij stond op.

Het bleek een soort wachters ruimte, met celdeuren in drie muren, en een doorgang naar een lange donkere gang. Door een kleine betraliede opening in een ijzeren deur gluurde hij in de dichtstbijzijnde cel. Daarin bevond zich een man in een witte linnen lendendoek, zittend tegen de tegenoverliggende muur. 'Hé,' fluisterde Robert.

's Mans hoofd kwam omhoog, en knipperend met zijn ogen probeerde hij het gezicht te zien van de man die voor het kleine raampje stond. 'Wie ben jij?' fluisterde hij in de Koninkrijkse taal. 'Robert, jonker van Krondor.'

De man krabbelde overeind en liep naar het raampje, zodat Robert zijn gezicht kon zien. 'Ik ben Edwin, van de Padvinders.' Robert knikte. 'Ik heb gezien dat ze een paar uur geleden jouw metgezel hebben geofferd.'

'Dat was Benito,' zei hij. 'Ze hebben Arawan de vorige nacht al vermoord. Ik ben de volgende, tenzij u mij hieruit haalt.'

'Geduld,' zei Robert. 'Als ik je er nu uithaal, en ze komen kijken, weten ze dat wij in hun bolwerk zitten.'

'Met hoeveel bent u?'

'Drie. Behalve ik nog twee officieren. We wachten tot de prins er is.'

'De moordenaars ook,' zei Edwin. 'Ik weet niet wat ze van plan zijn, maar ik versta hun taalt je goed genoeg om te weten dat ze een warm onthaal voor Zijne Hoogheid aan het voorbereiden zijn.'

'De demon,' begreep Robert.

'Een demon?' fluisterde Edwin. 'Ik wist wel dat het een soort duistere magie was...'

'Ik kom terug,' zei Robert. 'Als ze jou vannacht willen offeren, heb ik nog bijna een hele dag om een weg naar buiten te vinden.'

'Ik weet een weg naar buiten! Ze kregen me te pakken aan de oostkant van hun fort. Ze openden een oude poort, vermoedelijk een uitvalspoort. De ruiters kunnen er twee aan twee doorheen.'

'Wij hebben een andere weg gevonden, een voetpad, uitgehouwen in de rotsen naast de oude hoofdpoort. Maar ik krijg hem van binnenuit niet open.'

'Daar kan ik u niet mee helpen, jonker. Wat wilt u gaan doen?'

'Vertel me eerst eens over de ingang die je hebt gevonden.'

'Er is een ondergrondse stal waar ze hun dieren zetten, vlak bij een wapenarsenaal. Daarvandaan loopt een korte maar brede gang naar een valpoort over een kleine droge slotgracht. Langs de oostzijde van het binnentalud zitten uitkijkposten, heel slim verborgen, en iedereen die langs die weg komt is allang gezien voordat hij bij de poort komt.'

Robert dacht na. De algemene ligging van het fort werd hem nu duidelijk. 'Ik kom je hier later uithalen. Hoe lang voor het offerritueel komen ze je oppikken?'

'Een uur. Ze geven ons - mij - eenmaal per dag te eten. Dat zal over een paar uur zijn.'

'Eet alles op. Je zult je krachten nodig hebben. We zijn weg voordat ze je kunnen missen.'

'Ik zal er zijn, jonker,' zei de Padvinder met bittere humor. Robert sloop naar de lange gang. Vlug liep hij langs de muur, tot hij bij een kruising kwam, en verdween toen in het duister.

 

Wiliam en Treggar trokken allebei hun dolk toen ze iets hoorden bewegen. Nadat ze een tijdlang af en aan hadden gepraat, waren ze in gepeins verzonken geraakt, en ze schrokken van het geluid.

'Rustig maar,' klonk Roberts stem zachtjes in het donker. Een ogenblik later stak hij een van zijn pitten aan. We zitten met een probleem.'

'Eentje maar?' vroeg Treggar.

'Een groot probleem. De laatste van onze Padvinders wordt om middernacht geofferd, als we hem voor die tijd niet bevrijden.'

'Kunnen we dat dan?' vroeg Wiliam.

'Ja.'

'Dan halen we hem eruit,' zei Treggar.

'Zo makkelijk zal het niet worden. We hebben niets te eten, geen water, geen paarden, en het duurt nog minstens twee dagen voordat Arutha komt - als hij al weet waar hij ons kan vinden. Ik weet niet precies hoeveel moordenaars zich hier schuil houden, maar ik gok op minstens driehonderd, en waarschijnlijk meer.' Robert gaf de pit aan Wiliam. 'Hou eens even vast.'

Hij tekende met een vinger in het stof op de vloer. 'Hier zitten wij,' zei hij, 'en pal ten oosten van ons is het hoofdkwartier van de Nachtraven, of wie het in werkelijkheid ook zijn. In het noorden zijn wat lege kamers, voornamelijk opslag. Ik heb een poosje rondgekropen in het riool-'

'Zo ruik je anders helemaal niet,' merkte Treggar op.

Robert schudde zijn hoofd. 'Dat deel van het riool is al eeuwen niet meer gebruikt.' Hij trok een ruwe rechthoek rond de gebieden die hij had getekend. 'We zitten in de zuidwestelijke hoek van de oude kerker. We hebben de wapensmederij gezien, die ze gebruiken als tempel. De kazerne schijnt hun verblijfplaats te zijn, waarschijnlijk omdat de oude ondergrondse keukens daar liggen. In het oosten is hun stal, en daar hebben ze ook een oude uitvalspoort die ze als hoofdingang gebruiken.'

'En de weg die we naar binnen hebben genomen?' vroeg Wiliam.

'Die heb ik op de terugweg nog een keer bekeken. Het is een vluchtgat, met ergens een verborgen hendel. Ik denk dat die draaideur zo gemaakt is om te voorkomen dat de wat minder trouwe aanhangers van het moordenaarsgilde onverwachts de benen namen. Het ontgrendelings-mechanisme zit achter een valse steen bij de laatste kruising voor de deur. Het is een lastige. Als je hem van buiten op de verkeerde manier bedient, stel je een val in werking.'

'Wat voor een?' vroeg Treggar.

'Weet ik niet, en zo nieuwsgierig was ik er ook niet naar, maar er zaten tandwielen en draden aan de assen. Het is zelfs zo dat je in de val loopt wanneer je de deur op de verkeerde manier openduwt. Duw tegen de onderkant, en je zit in de nesten.'

'Ik vond al dat je hem op een knap onhandige manier opentrok,' merkte Wiliam op.

'Opzettelijk. De minst gemakkelijke manier is de goede.'

'Hoe wist je dat?' vroeg Wiliam.

'Oude dieven zijn per definitie geen domme dieven. En slimme jonge dieven luisteren altijd aandachtig naar hen wanneer ze hun herinneringen ophalen over het handig buiten werking stellen van vallen. Ik ben nooit een domme jonge dief geweest. Ik luisterde altijd.' Hij grinnikte. 'De deur had draaipunten aan weerskanten in plaats van gewone scharnieren, dus moest hij op die manier worden geopend. Daarna ging ik er gewoon van uit dat de manier waarop je hem het makkelijkste opendeed fatale gevolgen zou hebben.'

'En de oorspronkelijke westelijke ingang?' vroeg Treggar.

'Ik heb er geen directe weg naar toe gevonden,' antwoordde Robert. 'Maar wel een weg omhoog, denk ik.' Hij wees naar het puin tegen de westelijke muur van de voorraadruimte.

'Is dat de weg omhoog?' vroeg Wiliam.

'Misschien,' zei Robert. 'De hoofdingang zal uitkomen op een verzamelplaats en een binnenhof rond een veste, lijkt me. Dus de poort in de muur zal pal boven ons hebben gestaan. En er zullen best wat kortere routes zijn geweest van de wapensmederij' - hij wees de gang door - 'naar de binnenplaats boven ons.'

Treggar stond op om het ingestorte gedeelte te inspecteren. De meeste stenen waren redelijk hanteerbaar, met de grootste rotsblokken op de vloer van de kamer. Hij pakte er een vast en probeerde hem te verplaatsen. Na wat hevige inspanningen kreeg hij hem een stukje van zijn plaats. Hij gaf het op.

'Dat vermoedde ik al,' zei Robert. 'De balken hier zijn zwak. Als je een verkeerde steen wegtrekt komt het plafond naar beneden. Ten noorden van hier is nog een gang naar een kamer waar nog veel meer stenen liggen. Dus als er verder naar het oosten niet nog een weg naar boven is, kunnen we alleen naar buiten via de weg die we gekomen zijn, of door de oosterpoort.'

'Welke nemen we?'

'De weg die we kwamen is de makkelijkste,' antwoordde Robert, 'maar zodra ze Edwin de Padvinder missen, kammen ze de heuvels in de omtrek uit. Als we paarden uit hun stal kunnen pikken, kunnen we hen misschien voor blijven. En als we eerder dan zij bij Arutha komen...' Hij haalde zijn schouders op.

'Heb je die stal eigenlijk al gezien?' vroeg Treggar. 'Weten we hoe we die poort open krijgen? Is het een lier met touwen? Is er een valhek? Contragewichten? Is er een ophaalbrug over een gracht, of gewoon vlak gesteente aan de andere kant van de deuren?'

'De boodschap is al duidelijk, kapitein,' zei Robert.

'Trouwens,' bracht Wiliam naar voren, 'als we ontsnappen en de prins berichten, zitten ze dan nog steeds hier wanneer het leger arriveert? Zou het niet veel logischer zijn dat ze zich verspreiden en ergens anders de boel opzetten?'

Robert keek Wiliam aan. 'Ja, waarschijnlijk wel.' Hij ging zitten. 'Ik moet nadenken.'

Hij doofde het licht, en Wiliam en Treggar hoorden hem schuifelen tot hij met zijn rug tegen de muur zat. Meer dan een uur zaten ze gedrieën in stilte.

Toen klonk Roberts stem in het donker: 'Ik heb een idee!'

 

Robert lag roerloos in de kapotte rioolbuis te luisteren. Toen hij zeker wist dat er niemand was, klom hij omhoog door het gat in de vloer van de wachters ruimte, vlak bij Edwins cel.

Hij gluurde naar binnen.

Edwin keek op. 'Nu?'

'Nu,' zei Robert. Hij bekeek het slot. Het was een simpel mechanisme, erg oud, en zelfs geblinddoekt zou hij er geen problemen mee hebben gehad. Hij viste een lange metalen stift uit zijn buidel en stak hem in het slot. Een ogenblik later hoorde hij een bevredigende klik, en draaide de stift. Het slot sprong open.

Meteen kwam de Padvinder naar buiten en volgde Robert de rioolbuis in. Terwijl ze door het duister kropen, zei Edwin: 'Zodra ze me missen, slaan ze aan het zoeken.'

'Daar reken ik ook op,' zei Robert zachtjes terug.

Aan het einde van de buis liet Robert zich voorover zakken, greep de buis rand met beide handen beet en liet zich met een gecontroleerde salto op de vloer zakken. 'Ik sta vlak onder je,' fluisterde hij. 'Laat je uit de buis zakken en spring. Het is maar drie voet.'

De Padvinder kwam geluidloos op de stenen vloer terecht. Robert legde een hand op zijn schouder. 'Van nu af aan zo stil mogelijk. Hou je hand op mijn schouder, want het is stikdonker.'

Tot zijn opluchting toonde Edwin zich kalm en behendig in deze ongemakkelijke situatie. Zonder aarzelen of haast te maken volgde hij Robert op de voet, zodat die zijn tempo nauwelijks hoefde te verlagen.

Verscheidene malen bleef Robert staan om te luisteren of er ergens in de buurt iemand liep. Tot zijn genoegen vroeg Edwin niet één keer waarom.

Pas toen ze bij Treggar en Wiliam kwamen, deed Edwin zijn mond weer open. 'Bedankt, jonker.'

Robert stak een vlammetje aan. 'Ik heb nog maar vier van die dingen, dus we moeten er zuinig op zijn.'

'Hoe hebben ze je te pakken gekregen?' vroeg Treggar.

Edwin haalde zijn schouders op. 'Zij kennen het land beter dan wij. Ik was voorzichtig genoeg, maar er zijn hierbuiten hele gebieden waar iedere beweging onmiddellijk wordt gezien door iemand die daar alert op is. Arawan, Benito en ik werden steeds een dag na elkaar gevangengenomen.'

'Ik dacht dat de prins jullie met zijn vieren naar het zuiden had gestuurd,' zei Treggar.

Edwin glimlachte. 'Bruno. Die is nog steeds buiten.'

'Zou je hem kunnen vinden?' vroeg Robert.

Edwin knikte. 'Moet lukken.'

'Mooi,' zei Robert. 'Ik denk dat ik een manier weet om je buiten te krijgen, nadat ik wat water en voedsel voor ons heb gebietst. Jullie wachten hier.' Zonder een nader woord doofde Robert het licht en verdween.

'Ik heb er de pest in als hij dat doet,' mompelde Wiliam.

Treggar lachte zachtjes.

 

Robert drukte zich tegen de muur, vlak om de hoek naast de slaap matras van de kok. Hij had wel geweten dat hij honger en dorst had, vooral het laatste, maar het had hem als een mokerslag getroffen toen hij de keuken was genaderd. De rest van het garnizoen sliep overdag, maar het keukenpersoneel kon ieder moment wakker worden om aan de eerste maaltijd van de nieuwe dag te beginnen.

Voorzichtig gluurde hij om de hoek en zag de slapende kok zich omdraaien, snurkend. Een paar el verderop lagen twee jongens, gekleed in lompen. Waarschijnlijk waren het slaven, gekocht in Durbin, of ontvoerd uit een karavaan in de woestijn. Robert zag een grote waterzak hangen aan een pin in de muur, vlak bij een cirkelvormig bakstenen muurtje van vier voet hoog en een even grote doorsnede. Het was duidelijk een put, en het leek hem ook wel logisch dat een garnizoen van deze omgang beschikte over een eigen bron.

Omhoog kijkend zag Robert een gat boven de put, en begreep dat dit de oude schacht omhoog naar de centrale binnenplaats moest zijn.

Robert paste zijn plan aan. De schacht was nieuw voor hem, maar die maakte het hem een stuk gemakkelijker. Geluidloos sloop hij naar de put, sprong op de rand en leunde met zijn hand tegen de muur ertegenover. Hij keek omhoog. Zo'n dertig el hoger zag hij een cirkeltje licht. De schacht kwam nog steeds uit op het plateau erboven! De bovenbouw van de oude bron was samen met de restanten van het fort afgebroken, maar de schacht was nooit dichtgemaakt.

Robert keek omlaag en zag een touw met een haak eraan, neerdalend in duisternis.

Hij pakte de waterzak. Die zat vol. Naast de put zag hij een stapel lege waterzakken, en een ervan hing hij op de plek van de volle. Een van de jongens zou waarschijnlijk een pak slaag krijgen omdat hij hem niet had gevuld, maar dat deed er niet meer toe. Over een dag of twee waren de jongens ofwel dood, ofwel vrij.

Stilletjes sloop Robert door de keuken en pakte brood, kaas en gedroogd fruit. Daarna maakte hij zich uit de voeten, en op enige afstand van de keuken legde hij alles op de vloer. Vervolgens repte hij zich terug en klom weer op de rand van de put.

Even bleef hij zo staan, toen boog hij zijn knieën, sprong omhoog in de schacht en sloeg zijn handen tegen de zijwanden. Het paste maar net, en hij moest zich inspannen om niet naar beneden te glijden, voordat hij vlug zijn knieën optrok en zich klem zette in de smalle schacht. Hij wurmde zich verder omhoog, waarbij hij het vel van zijn knieën en ellebogen verloor, en een fikse hoeveelheid zand wegschraapte. Als de kok het straks niet rond de put zou zien liggen, was hij stekeblind.

Zo goed en zo kwaad als het ging, schuifelde hij weer omlaag, en liet toen los.

Hij viel in de put eronder. Op het moment dat hij langs de rand kwam, greep hij zich vast. Het kabaal was in zijn oren enorm, maar de kok snurkte gewoon door. De ruk aan zijn schouders voelde aan alsof zijn armen uit de kom werden getrokken, maar hij doorstond de schok en de pijn. Hij dacht aan de vorige keer dat hij zoiets had geprobeerd, en besefte dat het de eerste keer was geweest dat hij tegenover een Nachtraaf had gestaan, op de daken van Krondor, die nacht dat hij prins Arutha had gered voor de kruisboog van de moordenaar. Met de tijd werd de ervaring er niet beter op.

Robert haalde diep adem en hees zich omhoog. Zonder het zand aan te raken dat hij zo vrijelijk rond de putrand had gestrooid, sprong hij geluidloos op de grond, draaide zich om en nam de rommel in ogenschouw. Hij kon duidelijk zien waar hij zich aan de bakstenen rand had vastgegrepen, en vlug veegde hij er wat zand overheen, in de hoop dat niemand op die plekken zou letten.

Zonder meer tijd te verspillen, haastte hij zich de keuken uit, pakte het voedsel en water en ging terug naar de anderen. Onderweg wreef hij over zijn schouders en besloot zo'n trucje nooit meer uit te halen.

 

Terwijl ze aten, zei Robert: 'Als eerste gebeurt er het een of het ander: ofwel de kok ontdekt de rotzooi rond de put, ofwel de wachters komen naar je kijken voor het offer en slaan alarm. Ik hoop op het eerste.'

'Waarom?' vroeg Wiliam terwijl hij zijn laatste stukje brood in zijn mond stak.

Treggar gaf antwoord. 'Als ze hem eerst missen, gaan ze zoeken in alle kamers van het fort, in ieder geval tot ze de rommel in de keuken zien. Als ze de rommel vinden, gaan ze op onderzoek, zien dat de gevangene weg is, en gaan meteen naar buiten omdat ze denken dat hij door die oude schacht naar boven is geklauterd.'

'Maar hoe komen we dan buiten?' vroeg Edwin.

'Wij niet,' zei Robert. 'Jij wel. Arutha komt deze kant op met tweehonderd man onder de wapenen. Maar er zitten er hier minstens driehonderd op hem te wachten. Iemand moet hem gaan waarschuwen, en jij maakt de beste kans als je dit fort eenmaal uit bent.'

'Hou wou je hem dan buiten krijgen?' vroeg Treggar.

'Door de oosterpoort,' antwoordde Robert. Hij greep naar een bundel die hij samen met het eten had meegebracht en haalde er een zwarte tuniek uit. 'Trek eens aan.' Daarop haalde hij een broek en een zwarte hoofddoek te voorschijn. 'Gewoon een van de Izmalieten die op zoek is naar de ontsnapte gevangene.'

'Wat gaan jullie doen als ik weg ben?' vroeg Edwin.

'Er moet iemand hier blijven om de poort voor Arutha open te maken,' zei Robert. 'Als we met zijn drieën zijn, hebben we driemaal zo veel kans dat een van ons het lang genoeg redt om dat te doen.'

'Heb je die poort nou al gezien?' vroeg Treggar.

'Vanuit een gang, toen ik me verstopt had op een hooizolder.'

'En?'

'Twee grote houten deuren, in ijzer gevat, naar binnen draaiend. Breed genoeg om twee aan twee doorheen te rijden.'

'Hoe houden we hem open?' vroeg Wiliam.

'Niet,' antwoordde Robert. 'We houden hem dicht, tot we hem open willen hebben.'

'Dat begrijp ik niet,' gaf Treggar toe.

'Hoeveel man zou jij achter de Padvinder aansturen, kapitein?' vroeg Robert.

'Iedereen die ik kon missen. Ze hebben de Padvinders te pakken kunnen krijgen omdat ze hier naartoe op weg waren. Maar als hij zich buiten verborgen probeert te houden, is het een heel ander verhaal.'

'Als ik kan ontsnappen, en een mijl op mijn achtervolgers uit kan lopen, vinden ze me nooit,' zei Edwin.

'Wat doen we nu?' vroeg Wiliam.

'Wachten,' zei Robert.

 

Lang hoefden ze niet te wachten. Binnen het uur hoorden ze rumoer. 'Wacht hier,' zei Robert, en ging op onderzoek uit.

Korte tijd later kwam hij alweer terug. 'Het is daar een wespennest. De kok moet de rotzooi die ik gemaakt heb, hebben gevonden, en ze denken dat Edwin naar boven is geklommen. Blijf hier wachten,' zei hij tegen Wiliam en Treggar. 'Als ik over een uur nog niet terug ben, ga je ervan uit dat ik dood ben en handel je naar eigen inzicht.' Tegen Edwin zei hij: 'Kom mee.'

Weer achtergebleven in het donker zei Wiliam: 'Kapitein?'

'Ja?'

'Stoort het u niet om bevelen van een jonker op te volgen?'

Treggar begon te lachen. 'Als je me dat een week geleden had gevraagd, zou ik je hebben gezegd dat ik dat nooit zou doen. Maar Robert is niet zomaar een jonker.' Op zachtere toon voegde hij . eraan toe: 'En trouwens, hij werkt in opdracht van de prins, en daar zou ik nooit tegenin gaan. Stoort het jou?'

'Soms,' gaf Wiliam toe. 'Maar dan voornamelijk omdat hij zo verrekte zeker van zichzelf is.'

Weer moest Treggar lachen. 'Dat is hij, ja.' Even later vervolgde hij: 'Maar zelfverzekerdheid, of in ieder geval zelfverzekerd overkomen, kan nooit kwaad bij een leider. Knoop dat goed in je oren. Als je generaal of hertog bent, en je mannen zijn van jouw bevelen afhankelijk, zorg er dan voor dat ze een man voor zich zien die weet wat hij doet. Dat scheelt een hoop.'

'Daar zal ik aan denken.'

Ze vervielen tot stilzwijgen, terwijl de onrust zich door het fort verspreidde.

 

Robert en Edwin liepen behoedzaam. Het kabaal van rennende manschappen was weggestorven. Robert was alle ongebruikte routes afgegaan, en nu liepen ze door een reeks oude voorraadruimten die door de moordenaars werden gebruikt. Ze waren nog maar twee kamers en een gang verwijderd van het stalgebied en de oosterpoort.

Edwin had een kort zwaard dat Robert in de vorige kamer had meegenomen. In de eerder gestolen kleren zag hij eruit als een Izmalitische moordenaar.

Beweging verderop deed Robert halthouden. Hij hoefde Edwin niets te zeggen. Hij mag dan geen dief zijn, dacht Robert, maar hij weet wel hoe hij zich stil moet houden. 

Er kwamen twee mannen in hun richting. Vlug duwde Robert de Padvinder voor zich uit en bleef zo dicht mogelijk bij de muur, opdat de moordenaars hen op het eerste gezicht als twee anderen uit hun broederschap zouden beschouwen.

In eerste instantie slaagde de list, maar toen ze dichterbij kwamen zette een van de twee grote ogen op. Meer had Edwin niet nodig, en met twee snelle stappen wierp hij zich op de voorste man.

De ander was zijn zwaard nog aan het trekken toen Roberts dolk hem in de borst trof. Edwin zat boven op de eerste moordenaar en sneed met een vlugge haal zijn keel door. 'We moeten de lijken opruimen,' zei de Padvinder.

'In die kamer daar,' zei Robert, en sleepte er een aan zijn armen naar toe. In de kamer vonden ze een lege wapenkist, waar ze de lijken in gooiden.

Met een snelle blik vergewisten ze zich ervan dat ze niet waren gezien, en haastten zich naar de stal. Daar bleek een koortsachtige sfeer te heersen, al was het duidelijk dat inmiddels de laatste ruiters erop uit werden gestuurd. Bijna alle veertig stallen waren leeg, en de twee grote kralen verlaten. 'Ze hebben bijna honderd ruiters achter je aan gestuurd,' fluisterde Robert.

'Mooi,' fluisterde Edwin terug. 'Zo veel verwarring maakt het er een stuk makkelijker op.'

In het midden van de grote ondergrondse ruimte stond een groepje mannen te overleggen. Ze waren gekleed in donkere gewaden, maar die leken meer op de rituele pijen van priesters dan op de moordenaarskledij die de anderen droegen.

Uiteindelijk draaiden de priesters zich om en liepen naar een deur in de westelijke muur van de stal.

Toen ze waren verdwenen, was de stal bijna leeg, met uitzondering van twee bewakers bij de poort en een paar man die hun paarden nog aan het zadelen waren. Robert vermoedde dat ze als koeriers werden achtergehouden, om de zoekers terug te roepen wanneer de vluchteling weer was gevangen.

Robert wees naar de twee mannen bij de paarden. Om beurten renden Edwin en hij door de schaduwen van stal tot stal naar de nietsvermoedende mannen.

Toen ze naast de twee stallen stonden waar de ruiters hun rijdieren aan het optuigen waren, gaf Robert een teken, en Edwin liet zich zien. Hij liep langs de eerste ruiter, die even opkeek, een van zijn collega's zag passeren en zijn aandacht weer vestigde op de buikriem van zijn zadel. Hij keek op toen zijn oog door een onverwachte beweging werd getroffen en zag dat de zojuist gearriveerde moordenaar achter de ruiter in de andere stal was gaan staan, en dat die ruiter nu naar de grond zakte.

Hij merkte pas dat Robert achter hem stond toen diens dolk hem diep beneden in de rug trof.

Robert knikte, en ze namen de paarden uit de stallen, stegen op, en reden naar de twee bewakers. Een van hen keek hun kant uit, en het duurde even voor het tot hem doordrong dat een van de ruiters niet in het zwart was gekleed. Hij schreeuwde, en zijn metgezel keek op, niet begrijpend waar zijn kameraad voor had gewaarschuwd.

Edwin sprong uit het zadel en liet de ene bewaker tegen de stenen vloer slaan. De andere bewaker trok een kromzwaard. Robert gooide zijn dolk. De man dook opzij, en in plaats van hem dodelijk te treffen, ketste de dolk af op 's mans schouder.

'Verdomme,' mopperde Robert terwijl hij uit het zadel sprong en zijn zwaard trok. 'Ik heb er zo de pest aan als ze niet blijven staan.'

Worstelend met zijn tegenstander legde Edwin zijn zwaard op de keel van de man. Met een plotselinge neerwaartse beweging verbrijzelde hij de luchtpijp.

Robert liep bijna op de punt van het kromzwaard en deinsde terug voor een onverwachte stoot. 'Nu ben ik pas echt kwaad!' schreeuwde hij, sloeg met een felle klap de kling opzij en haalde zijwaarts uit naar de hals van zijn tegenstander.

De man sprong achteruit, geschrokken van de snelheid van Roberts aanval. De punt van de rapier had zijn keel ternauwernood gemist.

Hij deed nog twee stappen naar achteren, en dook ineen, het zwaard in de aanslag. Robert deed een stap naar voren en zwaaide zijn zwaard de andere kant op. De man viel uit, en Robert aarzelde, zodat de zwaardslag voor hem langs suisde. Toen de man zich weer terugtrok, drukte Robert weer door, in hetzelfde tempo als daarnet.

Nog driemaal zwaaide de man, waarop Robert aarzelde en weer naar voren kwam. Toen de moordenaar voor de vierde maal aan zijn zwaai begon, stapte Robert plotseling naar voren en reeg hem aan de punt van zijn zwaard.

Kijkend naar Edwin zei Robert: 'Nooit in een ritme vervallen. Dat wordt onherroepelijk je dood.'

De Padvinder knikte eenmaal met het hoofd en sprong zwijgend op het dichtstbij staande paard. Met een wuivend handgebaar ten afscheid gaf hij het rijdier de sporen. Het paard vertrok in volle galop.

Vlug maakte Robert de poort dicht voordat er iemand verscheen. Met grote inspanning wist hij de twee dwars balken op hun plaats te krijgen, waarbij het zweet hem over het lijf gutste. De twee lijken sleepte hij naar een van de stallen en gooide er hooi overheen. Daarop deed hij hetzelfde met de eerste twee die ze hadden gedood.

Snelheid verkiezend boven omzichtigheid rende hij van het stalgebied door de twee kamers die de verbinding vormden naar het verlaten deel van het fort. Hij was aardig buiten adem toen hij bij Wiliam en Treggar arriveerde. Hij ging zitten en stak zijn laatste waspit aan. Hijgend bracht hij verslag uit. 'Edwin is weg. Met een beetje geluk weet Arutha binnen een dag wat er aan de hand is, en waar we zijn.'

'Met een beetje geluk,' herhaalde de kapitein.

'Wat doen we nu?' vroeg Wiliam.

Robert wachtte even tot hij op adem was gekomen, en vroeg: 'Hebben jullie gegeten?'

'Ja,' antwoordde Treggar. 'We hebben onze porties op, en wat voor jou overgelaten. Voor het geval dat.'

'Bedankt, maar ik eet later wel, als ik kan.' Hij keek zijn metgezellen aan. 'Arutha heeft tweehonderd man bij zich. Als hij hier meteen naar toe komt, zijn er misschien nog steeds lui op zoek naar Edwin. Ik heb al redelijk wat Nachtraven gedood. In een gewoon gevecht zijn ze niets bijzonderder dan anderen. Hun kracht schuilt in hun reputatie, heimelijkheid, verrassing en angst. Als Arutha een aantal van hen buiten treft, verplettert hij ze.'

'En degenen die nog binnen zitten?'

'Als hij het fort vindt, en via de oosterpoort komt, staat hij tegenover een kale stenen muur met twee houten deuren,' zei Robert. 'Boven de deuren zitten schietgaten, dus het gaat hem manschappen kosten om de deuren in te rammen. En als de deur eenmaal kapot is, staat hij tegenover een overmacht in een gevecht van kamer tot kamer.'

'Dan kan hij worden verslagen,' concludeerde Treggar.

'Wat doen we daaraan?' vroeg Wiliam.

Treggar en Robert trokken allebei hun zwaard. 'Ervoor zorgen dat geen van de moordenaars vertrekt voordat Arutha er is, en onderwijl het verschil wat kleiner maken.'

Wiliam keek van Robert naar Treggar, en trok eveneens zijn zwaard.