12 Improvisatie
Treggar stond op en schudde het zand uit zijn mantel.
In het oosten lichtte de hemel al op, en de dageraad naderde snel. Terwijl de anderen in beweging kwamen, maakte de kapitein een gebaar in de richting van de zonsopgang. Daarop wendde hij zich naar het noorden en herhaalde het gebaar.
'Wat doe je?' vroeg Robert.
'Zoeken naar onze vrienden,' antwoordde de kapitein terwijl hij zich naar het westen keerde. 'Ik hoop dat dit eruitziet als een soort ochtendritueel.' Hij besloot met een gebaar in zuidelijke richting. 'Zet de "vrouwen" aan het werk.'
Robert deed of hij schopte naar Wiliam. 'Stook het vuur op en ga koken. Ze verwachten dat we alweer op weg zijn voor de zon boven de horizon komt.
De andere 'vrouwen' leken druk bezig met de voorbereidingen van het ontbijt, maar ondertussen speurden ze onophoudelijk de omgeving af naar iets wat erop wees dat ze in de gaten werden gehouden. Robert zat met gekruiste benen te eten, het bord in zijn schoot. 'Misschien zijn ze er wel, maar ik kan ze in ieder geval niet zien,' zei hij kauwend.
'Ze zitten er heus wel,' wist Treggar. 'Eentje minstens, tot ze ervan overtuigd zijn dat we echt alleen maar reizigers zijn. Als ze de Padvinders hadden gevonden en meenden dat wij met hen te maken hadden, waren we nu al dood.'
'Wat denkt u dat er met de Padvinders is gebeurd?' vroeg Wiliam terwijl hij over Treggar schouder heen zijn beker bijvulde met water.
'Ik denk dat ze per ongeluk iemand tegen het lijf zijn gelopen,' antwoordde Treggar. 'Of ze houden zich schuil, of ze zijn dood. Of misschien trekken ze in een cirkel terug naar prins Arutha, en laten ze ons links liggen omdat we in de gaten worden gehouden.' Hij dronk zijn water en stond op. 'Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat we weer op weg moeten.' Tegen de twee soldaten zei hij: 'Voordat we vertrekken, gaan jullie om beurten die geul daar in om je te ontlasten.' Hij keek rond, alsof hij bevelen uitdeelde, en wees naar de geiten. 'Luitenant, ga naar de geiten kijken alsof je wilt zien of ze niets mankeert. Onderwijl doe je alsof je ergens een teken of een boodschap achterlaat.'
Wiliam keek enigszins verbaasd op vanwege die opdracht, maar gehoorzaamde.
'Wat is daar de bedoeling van?' vroeg Robert.
'Ik denk dat onze vrienden op die heuvelkam gisteravond naar huis zijn gegaan, maar één mannetje hebben achtergelaten om ons in het oog te houden. Zodra wij veilig op weg zijn, zal hij hier vast wel rond komen snuffelen om te zien wat wij hier hebben gedaan. Laat hem maar komen kijken tussen de rotsen, waar de jongens zitten te pissen, en zoeken in de geitenkak, terwijl ik een simpel teken achterlaat dat de verkenners van de prins kunnen volgen.'
Robert knikte, stond op en begon de sjortouwen op de wagen vast te maken.
Onderwijl liep Treggar naar de wagen, haalde er de waterzak uit en goot wat over het vuur. Terwijl witte rook sissend omhoog steeg, schopte hij zand over het vuur, waarbij hij de kring van stenen rond de vuurkuil verbrak.
Robert kwam naar hem toe, en wijzend naar de geiten, alsof hij het over de dieren had, vroeg hij: 'Is dat de boodschap?'
'Ja,' antwoordde Treggar. 'Oud legertrucje. Verschillende boodschappen, afhankelijk van de windrichting waarin de cirkel is verbroken. Noord betekent: "wacht hier". West zou zijn: ''kom snel". Oost zou betekenen: "ga terug", en zuid is: ''ga hulp halen". Zodra we uit het zicht zijn, laten we de wagen en de dieren achter en gaan we terug naar die rotsen in het zuidwesten om te zien wat er gebeurt.'
Robert zuchtte. 'Daar was ik al bang voor.' Een blik op de vuurkring leerde hem dat de zuidzijde was verbroken.
'Jonker,' zei Treggar, 'volgens alle berichten ben jij een avontuurlijke knul die niet bang is om risico's te nemen.'
'Klopt, maar op de een of andere manier lijkt het me toch minder gevaarlijk en dom wanneer ik degene ben die die dingen verzint.'
Treggar blafte een kort lachje. 'Op weg dan maar!'
Kort daarop zag de onzichtbare toeschouwer een groepje haveloze Keshiërs op reis in westelijke richting.
Het kostte hun bijna de hele dag om zich ervan te vergewissen dat ze niet langer werden geobserveerd. Een half uur voor zonsondergang liet Treggar halt houden en zei: 'Laten we teruggaan naar die droge rivierbedding die we een halve mijl terug zijn gepasseerd. Daar laten we de wagen en de dieren achter.'
'In ieder geval hebben we ontdekt waar hun schuilplaats is,' zei Robert.
'Hoe kom je daarbij, jonker?' vroeg Treggar.
Robert knielde neer en tekende in het zand. 'Hier' - hij zette een punt met zijn vinger - 'is ongeveer de plek waar ze ons in het snotje kregen, ongeveer een uur voordat we het kamp opsloegen.' Hij trok een lijn van een paar duim naar links en tekende nog een punt. 'Hier hebben we vannacht gekampeerd.' Vervolgens prikte hij nog een punt in het zand. 'En hier heeft onze onzichtbare vriend de achtervolging gestaakt.'
'En?' spoorde de kapitein hem aan.
'Heb je de kaart nog in je hoofd?' vroeg Robert.
'Ja.'
'Tegen de middag bevonden we ons ten noorden van een groot plateau met uitzicht over dit hele gebied tot mijlen in de omtrek. Die bedding waar we de beesten achterlaten, loopt helemaal tot in de heuvels in het zuiden. Een halve mijl vanaf het pad dat we volgen, zwenkt hij af naar het zuidoosten en loopt omhoog naar...?'
'Het plateau!' vulde Wiliam aan.
'Met het oude fort!' zei Treggar. 'Ja, dat is een natuurlijke uitvalspoort. Slechts één weg naar binnen en naar buiten.'
'Het is de enige mogelijke locatie in de buurt.'
'En wat nu?' vroeg Wiliam.
'Jonker,' zei Treggar, 'zin om een open deur in te trappen, zodat het wat minder gevaarlijk en dom lijkt dan wanneer ik dat doe?'
Robert trok een grimas. 'We gaan de bedding verkennen. Als prins Arutha hierheen komt rijden en ziet dat wij die kant op zijn gegaan, kan hij zo in een hinderlaag rijden. Wij gaan ervoor zorgen dat dat niet gebeurt.'
'Kapitein?' vroeg een van de soldaten.
'Ja?'
'Als die rivierbedding de weg naar binnen is, wat doen we dan met de wagen en de dieren?'
Treggar keek Robert aan. 'Hier kunnen we ze niet achterlaten, want dan worden ze gevonden.'
'Zullen wij met zijn drieën dan achterblijven?' opperde Wiliam. Robert knikte. 'Eén man zal de wagen moeten besturen, en de kameel kunnen we erachter binden. De ander zal de geiten moeten hoeden.'
Treggar gaf de bevelen aan de twee soldaten. 'Blijf lopen tot een uur na zonsondergang,' besloot hij, 'en blijf drie dagen in het kamp. Als er niemand op komt dagen, keer dan op eigen houtje terug naar Krondor. Ga naar de buitenpost op de zuidkust van de Baai van Shandon, of naar Nes. Breng verslag uit van wat we hier hebben aangetroffen. Maar zorg dat je terug in Krondor komt.'
De soldaten salueerden, en aan hun grimmige gezichten was te zien hoe waarschijnlijk ze dat achtten.
Nadat hij zijn dikke mantel had uitgetrokken, zag Treggar eruit als een gewone huurling, in een tuniek en een leren wambuis en met een zwaard aan zijn zij, maar zonder helm of schild.
Robert was op gelijke wijze gekleed, alleen stak in zijn zwaardschede een rapier. Wiliams wapenkeus was een zwaar anderhalfhandszwaard, dat hij op zijn rug droeg.
Treggar keek rond. We blijven aan de zuidkant van het pad, dicht bij de rotsen, voor het geval we niet alleen zijn.'
Inmiddels werden de schaduwen steeds langer. 'Als we niet te veel stof doen opdwarrelen, moeten we onzichtbaar kunnen blijven,' zei Robert. 'Ik ga wel voor.'
Treggar maakte geen bezwaar, en terwijl Robert in oostelijke richting vertrok, wierp de kapitein een blik over zijn schouder naar de in de verte verdwijnende wagen met zijn twee soldaten.
Wiliam kende de mannen niet, maar hij wist wat de kapitein dacht: zouden ze het redden tot ze veilig thuis kwamen? Zijn aandacht richtend op de rotsen boven hem, vroeg Wiliam zich hetzelfde af voor hen drieën.
Er vlogen vleermuizen rond, op zoek naar de insecten die op een of andere wijze welig tierden in dit dorre land. Robert knielde neer, in het donker turend naar wat er volgens hem beslist moest zijn: een valstrik of een hinderlaag. Tot dusver echter niets. Als er iemand wist dat er drie mannen naderden, dan hielden ze dat nog steeds geheim.
Robert stak een hand omhoog en keek om toen Treggar en Wiliam bij hem waren. 'Het bevalt me niets,' fluisterde hij. We wandelen recht op hun voordeur af.'
'Had je een ander voorstel?' vroeg Treggar.
'Heb je ooit gehoord van een fort zonder achteringang?'
'Ja,' antwoordde Treggar, 'toch wel, een paar keer, maar die waren veel kleiner. Om zo'n groot gebied te kunnen controleren, moeten de Keshiërs een garnizoen van minstens honderd man hebben gehad, ook in vroegere tijden, en twee tot driehonderd man is veel waarschijnlijker. En dan vormt het een uitstekend doelwit in een oorlog, wat betekent dat je een manier moet hebben om stiekem manschappen naar binnen en naar buiten te laten.'
'Maar waar?' vroeg Robert zich af. 'Aan de andere kant van het fort?'
'Als het fort er nog stond, zouden we weten waar we moesten kijken,' fluisterde Wiliam, 'maar nu alle muren zijn geslecht...' Hij maakte zijn zin niet af.
'Laten we nog een stukje verder gaan,' opperde Robert, 'en als dat nog steeds niets oplevert, stel ik voor dat we het pad verder volgen om aan de oostzijde van het plateau opnieuw te beginnen.'
Wiliam zei niets, maar hij begreep dat ze dan de rotswand moesten beklimmen. Terwijl ze verder gingen, bad hij in stilte tot de goden dat ze dat niet hoefden te doen. Hij had het niet op hoogtes.
Langzaam liepen ze verder door het donker, en toen viel Wiliam iets in. 'Wacht even,' fluisterde hij.
'Wat is er?' vroeg Treggar.
'Iets...' Wiliam hield zijn hand omhoog en sloot zijn ogen. Hij liet zijn geest uitgaan, en vond de gedachten van een knaagdiertje dat tussen de rotsen scharrelde. Wacht! zond hij vriendelijk.
De gedachten van de rat waren primitief en moeilijk te verstaan. Aarzelend overwoog het diertje te vluchten. De drie grote beesten vormden mogelijk een bedreiging, en er was niets interessants in de buurt. Als kind had Wiliam vaker met knaagdieren gesproken, voornamelijk met eekhoorns en ratten. Zodoende wist hij dat hun aandacht makkelijk kon worden afgeleid en dat ze weinig vermogen tot communiceren hadden. Maar ook wist hij dat ze beschikten over een goed geheugen voor routes van en naar hun holen. Hij probeerde een verzoek te zenden, een vraag of er ergens vlakbij een hol van grote dieren was. Even flitste het diertje een beeld terug van een grote tunnel, voor Wiliam net lang genoeg om een idee van de richting te krijgen. Toen vluchtte de rat.
'Wat is er?' herhaalde Treggar.
'Ik denk dat ik weet waar de achteringang is.'
'Hoe dan?' vroeg de kapitein.
'Als ik het u vertelde, zou u me toch niet geloven,' antwoordde Wiliam. 'Deze kant op.' Hij wees omhoog langs de rotswand waarachter ze zich schuil hielden. 'We zullen moeten klimmen om erbij te komen.'
Treggar knikte. 'Wijs de weg maar.'
Wiliam keek rond en wees omhoog. 'Het moet boven deze rotsen zijn.'
'Volg mijn voorbeeld,' zei Robert. In het donker betastte hij de rotswand tot hij een goede greep had gevonden. Daarop bracht hij zijn ene been omhoog om een steunpunt te zoeken voor zijn voet. Stapje voor stapje klom hij tergend langzaam omhoog.
Wiliam keek Treggar aan. 'Kapitein, hoort het beklimmen van een rotswand in het donker tot de eerder genoemde categorie van gevaarlijke en domme dingen?'
'Vrijwel zeker, luitenant,' antwoordde Treggar.
Naar Roberts voorbeeld tastte Wiliam omhoog. 'Dat wilde ik alleen maar even weten.'
Treggar wachtte tot Wiliam op weg was, en volgde toen geluidloos.
De middelmaan kwam op terwijl ze klommen, en weldra vond Robert een spleet in de rotsen waar ze alle drie in konden zitten. Toen Treggar bij hen kwam, vroeg Wiliam: 'Hoe hoog zitten we?' 'Niet zo hoog,' antwoordde Robert. 'Een el of dertig.'
Wiliam schudde zijn hoofd. 'Ik dacht minstens het dubbele.' De neiging bekroop hem deze rotsspleet nooit meer te verlaten. Tot dusver had hij geklommen op pure wilskracht, de doodsangst negerend die hem ieder moment dreigde te overweldigen. Het was een schijnbaar eindeloze worsteling geweest om telkens weer blindelings te tasten naar een spleet of richel, die uit te proberen, zich een stukje omhoog te trekken, een voet te verplaatsen, en al die tijd niet toe te geven aan de angst wanneer er een stukje steen afbrokkelde onder zijn tenen of in zijn hand.
'Zo voelt het wel, hè?' vond ook de kapitein.
'Kijk,' zei Robert, omhoog wijzend. Boven hen zagen ze de maan en sterren aan de nachtelijke hemel, en het was duidelijk dat de bovenkant van de spleet waarin ze zaten niet meer dan zes el hoger was.
In Wiliams ogen leek het wel zestig el. Hij keek omlaag en zag duisternis. Het feit dat hij niet kon zien hoe ver hij al gekomen was, maakte het er naar zijn gevoel niet beter op, en hij besloot niet meer naar beneden te kijken.
'Wel,' zei Robert, 'met wachten schieten we ook niets op.' Hij begon weer te klimmen.
'Doe maar langzaam aan,' waarschuwde Treggar Wiliam.
'Geloof me, ik heb geen haast.' Langzaam klom Wiliam in de rotsspleet omhoog, zich met één voet aan weerskanten omhoog duwend. Toen hij bijna boven was, voelde hij Roberts hand rond zijn pols. Hij liet zich door de jonker omhoogtrekken, draaide zich op zijn buik en stak zijn armen uit om Treggar te helpen. Toen ze alle drie veilig boven stonden, keek Robert eerst naar rechts, en toen naar links over de betrekkelijk vlakke richel. 'Hiervandaan kunnen we lopen,' zei hij zachtjes.
'Waar nu heen?' vroeg Treggar.
Wiliam keek rond. Het beeld van de tunnel dat hij van de rat had gekregen, was in deze omgeving moeilijk te plaatsen. En ook op klaarlichte dag zou hij voor hetzelfde probleem zijn gesteld: in de ogen van de rat was de tunnel een immense spelonk, maar Wiliam vermoedde dat het voor hen niet meer dan een krappe vluchtgang zou zijn, waar hooguit twee man naast elkaar konden lopen. 'Ik denk die kant uit,' zei hij, en liep vlug verder. Er zouden die nacht twee manen aan de hemel staan, de middelgrote en de kleine, en tegen de tijd dat de middelmaan haar hoogste punt had bereikt, zou de kleinere haar hebben ingehaald, zodat het hele landschap zodanig in het licht baadde dat ze voor een waakzame schildwacht duidelijk zichtbaar zouden zijn.
Robert keek van links naar rechts, terwijl Treggar telkens een blik over zijn schouder wierp. De richel die ze volgden, bestond uit grote omhooggestoken rotsvingers die gedurende eeuwen door zandstormen waren gladgeslepen. Soms moesten ze voorzichtig langs een rotsnaald stappen waar ze maar net voorbij pasten.
Na bijna een uur zo te hebben gelopen, zei Wiliam: 'Als vriend rat wist waar hij het over had, moet de ingang nu ergens onder ons liggen.'
'Vriend rat?' vroeg Treggar.
'Legt hij je later nog wel uit,' zei Robert. 'Eerst moeten we beneden zien te komen.'
Wiliam keek rond en ving een glimp van licht op. 'Wat is dat?'
Robert keek in de aangegeven richting. 'Maanlicht dat op iets weerkaatst.'
'Hoeveel lager, denk je?'
'Zes el,' antwoordde Robert, die tijdens de jaren dat hij over de daken van Krondor rende uitstekend afstanden had leren schatten.
'Hoe komen we daar?' vroeg Treggar.
'Hangen en laten vallen,' zei Robert eenvoudig.
'Al ga je aan je vingertoppen hangen, dan nog is het diep genoeg om je benen te breken,' zei de kapitein. 'Je weet niet wat je beneden aantreft.'
Robert wierp een blik op de opkomende maan. 'Dan wachten we een poosje.'
Terwijl de maan hoger ten hemel klom, losten de donkere schaduwen op. Na een tijdje zei Treggar: 'Er loopt daar een pad!'
Onder hen liep tussen twee rotswanden een smalle gang naar het oude fort, parallel aan het bredere pad dat ze hadden verlaten.
'Wiliam, ga liggen en laat mij zakken, dan spring ik,' zei Robert. 'Daarna vang ik jullie op.'
Al gauw stonden de drie mannen zes el lager in de smalle doorgang. 'Ik hoop dat we ons niet in allerijl terug moeten trekken,' merkte Treggar op.
'Terug moeten trekken?' vroeg Wiliam.
'Geen plaats om te vechten, luitenant,' antwoordde de oudere militair.
Wiliam besefte dat hij gelijk had. Ook met een dolk kon je in deze smalle doorgang een tegenstander alleen maar op afstand houden. Aan weerszijden rezen de rotsen tot twaalf voet boven zijn hoofd op, en hij had links en rechts amper een paar duim ruimte. 'Deze kant op,' zei Wiliam, en hij bleek voorop te lopen. Ook al hadden ze een andere volgorde willen aanhouden, er was geen plaats voor, behalve wanneer ze over elkaar heen klauterden. Niemand kwam met dat voorstel.
Toen de twee manen recht boven hen stonden, fluisterde Wiliam: 'Kijk eens naar de muren!'
Robert bleef staan en inspecteerde de rotsen. 'Dit is nieuw werk. Je kunt de beitelsporen nog zien.'
'Onze vrienden, denk ik,' opperde Treggar.
'Dan staat er bij de oude ingang nu vrijwel zeker een val opgesteld,' vermoedde Robert. Even zweeg hij. 'Een paard kan hier niet door, dus hebben ze of een derde weg naar binnen of naar buiten, of ergens in de buurt een geheime stal met voer.'
'Het laatste, vast en zeker,' meende Treggar.
Verderop werd het pad een beetje breder, tot het uiteindelijk dood scheen te lopen. Toen Wiliam zijn hand naar de rotswand bracht, siste Robert: 'Niet aanraken.'
Meteen trok Wiliam zijn hand terug.
'Ga achteruit en laat mij erlangs,' zei Robert.
Met een beetje moeite wisselden ze van plaats, en geruime tijd bleef Robert roerloos staan, met zijn blik de rotswand afspeurend. 'Ik wou dat we een lichtje konden maken,' fluisterde hij.
'Te gevaarlijk,' wierp Treggar tegen.
'Stil,' gelastte Robert. Hij legde rechts van hem een hand op de muur, en bewoog zijn vingers naar voren tot ze kwamen bij de hoek met de muur vlak voor hem. Even raakte hij het oppervlak aan, met nauwelijks enige druk, en trok vlug zijn hand terug.
Hij herhaalde het onderzoek met zijn andere hand, glijdend over de linkerwand naar de hoek, en weer trok hij zijn hand snel terug. Hij draaide zich om. 'Het is een val.'
'Hoe weet je dat?' vroeg Treggar.
'Dat weet ik gewoon.'
'Wat voor een val?' vroeg Wiliam nu.
'Een hele akelige, wed ik,' antwoordde Robert. Hij knielde neer, onderzocht de grond voor de muur, weer tot de hoek die ze met elkaar maakten. 'Achteruit,' zei hij.
Ze deden een paar stappen naar achteren. 'Als je wilt weten hoe ik dat weet, kapitein, breng dan maar eens je halve leven door met het opsporen van vallen, dan ontwikkel je daar vanzelf een zintuig voor. Dit is best een mooie, maar geen enkele natuurlijke rotsformatie heeft een ononderbroken naad aan weeszijden, van boven tot onder, die overal even breed is. Iemand heeft deze rots uitgehouwen en hier neergezet.' Robert bukte zich en duwde zachtjes. De hele rotswand helde een ogenblik moeiteloos naar hem over, en zwaaide terug. Hij bracht zijn vingers onder de rand van de verborgen doorgang en trok. Geluidloos kwam de onderkant omhoog, tot de hele wand parallel aan de grond hing, rustend op twee verborgen draaipunten. 'Ze hebben deze deur zodanig gemaakt dat hij precies op de rotsen eromheen lijkt, maar dat is niet helemaal gelukt,' zei hij over zijn schouder. 'Zorg nu dat je niets anders aanraakt dan de grond, en zeker niet de deur als je eronderdoor kruipt.' Daarop verdween hij in het donker onder de hangende draaideur. Wiliam en de kapitein volgden.
Het was stikdonker in de tunnel, en Robert fluisterde: 'Blijf staan.'
Er verstreken enkele pijnlijk trage momenten, tot er een lichtje op flits te, een piepklein vlammetje dat Robert had aangestoken. 'Hoe deed je dat?' vroeg Treggar.
'Laat ik straks wel zien,' antwoordde Robert. Hij gaf het brandende pitje aan Wiliam. 'Loop een stukje verder door de tunnel.' Vervolgens bracht hij voorzichtig de deur weer terug in zijn oorspronkelijke positie, draaide zich om en stak zijn hand uit. Wiliam gaf hem de waspit terug. Het lampje verlichtte het gebied rondom hen net genoeg om te kunnen zien waar ze hun voeten moesten plaatsen, maar was niet zo fel dat het schijnsel ver de tunnel in viel. Pas wanneer ze bijna boven op iemand stonden, zou die het licht opmerken.
'Nu moeten we onze ogen en oren goed de kost geven,' fluisterde Robert. 'Wees op je hoede.' Hij ging op weg. De tunnel liep omlaag en voerde hen dieper de aarde in.
Ze liepen de gang door. Het was duidelijk een aangelegde tunnel, met aan weerszijden precies op elkaar passende stenen, en grote plaveien op de vloer.
'Volgens mij is dit de tunnel die die rat bedoelde,' zei Wiliam zachtjes.
'Welke rat?' vroeg Treggar.
'Dat betekent waarschijnlijk dat er vlakbij een keuken of een voedselvoorraad is,' zei Robert, de vraag negerend.
Verderop hoorden ze iemand lopen, en vlug doofde Robert de pit weer. Een paar tellen later zagen ze licht verschijnen, en voor hen staken er twee mannen over, van rechts naar links door een loodrecht kruisende tunnel. Geen van hen sprak, en het was moeilijk te zien wat ze aan hadden, behalve dat hun kleding donker was.
'En nu?' vroeg Wiliam.
'Erachteraan,' antwoordde Robert.
'Onthoud de weg terug,' zei Treggar. 'Een van ons moet naar de prins om hem hiervan te vertellen.'
Robert noch Wiliam zeiden iets terug.
Voorzichtig liepen ze naar de kruising, en sloegen linksaf, achter de twee mannen aan.
Honderd el verderop hoorden ze mompelende stemmen. Toen ze de lichtbron naderden, zagen ze mannen voor de ingang van een grote, helder verlichte grot staan, met hun ruggen naar de drie indringers toe.
Robert blikte rond en wees naar een deurgat met een trap naar boven. Vlug liep hij de trap op, en de anderen volgden. Ze kwamen uit in een ronde ruimte, vroeger wellicht een kleine slaapzaal voor bedienden, met uitzicht op wat eens een wapensmederij moest zijn geweest. In de muur aan de overkant zaten de oude smeltovens, nu ongebruikt.
Ze hadden duidelijk het oude Keshische fort gevonden, en ze bevonden zich in de kelders, uitgehouwen in het gesteente waarop het fort eens had gestaan. Door de mompelende stemmen bleven Roberts woorden onopgemerkt toen hij fluisterde: 'Hier zullen de bedienden hebben geslapen die in de wapensmederij werkten.'
'Wat doen ze daar beneden?' vroeg Wiliam zachtjes.
Robert waagde een blik over de rand, en trok zijn hoofd vlug terug.
Ook in het indirecte licht van de zaal eronder konden Wiliam en Treggar zien dat Robert bleek was geworden. 'Haal diep adem voordat je kijkt,' fluisterde hij.
Wiliam gluurde over de rand, en zag minstens honderd mensen, allen in een zwart gewaad of zwarte mantel, kijkend naar een ceremonie die recht tegenover het vroegere slaapvertrek werd gehouden. De oude wapensmederij was nu een tempel, en de roestbruine vlekken op de muren wezen erop dat deze tempel was opgedragen aan duistere machten.
Vier mannen, duidelijk priesters, waren bezig met het brengen van een offer, en dat offer lag achterover op een steen, de handen en voeten stevig vastgehouden door vier mannen in zwarte gewaden. Op de muur achter de priester stond een masker geschilderd, groter dan een volwassen man, het gezicht van een wezen uit een krankzinnige nachtmerrie. Het was ruwweg een paardenhoofd, maar dan met een puntige snuit, als de bek van een vos, waaruit bovendien twee lange slagtanden omlaag staken. Van achter puntige oren staken gedraaide horens als die van een bok omhoog. En waar de ogen hoorden te zitten, brandden twee vlammen.
De hoofdpriester begon toonloos te zingen, en de massa antwoordde als één man.
'Welke taal is dat?' vroeg Treggar.
'Zo te horen Keshisch,' antwoordde Wiliam, 'maar dan een dialect dat ik niet ken.'
Ineens dreunde er een trom en schalde er een hoorn, en de mannen beneden riepen een naam. Robert voelde een koude rilling door hem heen gaan.
Het monotone gezang van de priesters werd luider, en een van hen sloeg een groot dik boek open en ging naast het slachtoffer staan. Een andere priester nam een gouden schaal in ontvangst van iemand die vlakbij stond. Hij liep naar het hoofd van het slachtoffer en knielde naast hem neer.
Het zingen ging maar door.
De drie nog staande priesters voerden het tempo van de incantatie op, en de getuigen antwoordden. Steeds harder en hoger klonken hun stemmen, en het zingen werd luider, indringender.
Met een zwierig gebaar haalde de hoofdpriester een zwart mes te voorschijn, dat hij voor de ogen van het slachtoffer hield. De man was naakt, op een lendendoek na, en kon zich niet verroeren, maar zijn ogen werden groot bij het zien van het mes.
Toen, met een vaardige beweging, sneed het mes door 's mans keel, en het bloed spoot uit de wond. De schaal werd opgetild om het bloed in op te vangen, en nauwelijks waren de eerste druppels erin beland, of Robert voelde een felle kou door zich heen gaan.
'Voelden jullie die kou?' vroeg Wiliam zacht, onhoorbaar voor de mannen beneden vanwege hun gezang.
'Ik wel,' zei Treggar.
'Magie,' wist Wiliam. 'En niet zo'n beetje ook.'
Ineens leek het donkerder in de grot te worden, al brandden de fakkels in de muurhouders er niet minder om. Achter het altaar waarop het nu stuiptrekkende slachtoffer lag, verscheen een zwarte wolk, die langzaam vorm aannam en zich verdichtte.
'Terug!' zei Wiliam, toen de zwarte wolk met de seconde steeds vastere vormen aannam en de stemmen van de priesters scheller werden.
Vluchtend naar de andere kant van het kleine bediendenverblijf vroeg Robert: 'Wat was dat?'
'Een demon,' antwoordde Wiliam. 'Ik weet het bijna zeker. Laag blijven. Die priesters mogen ons in de schaduwen dan niet zien, maar die demon misschien wel.' Ze renden gebukt terug naar de trap. Vanuit de geïmproviseerde tempel klonk gekrijs.
'Wat was dat?' vroeg Treggar.
'Het bloed was alleen maar om dat monster hier te krijgen,' vermoedde Wiliam, 'maar nu doet hij zich te goed aan de gelovigen.'
De harde trek van door de wol geverfde krijger op Treggars gezicht kon niet verhullen dat het bloed eruit wegtrok. 'Laten ze zich dan zomaar afmaken?'
'Fanatiekelingen,' zei Robert. 'We hebben het al eerder gezien, kapitein. Murmandamus?'
Treggar knikte. 'De Zwarte Slachters.'
'We moeten Arutha waarschuwen,' zei Wiliam. 'Hij heeft de mannen om dit legertje te verpletteren, maar niet als ze een demon aan hun zijde hebben. De prins heeft geen magiërs of priesters in zijn gelederen.'
Terugdenkend aan een aanval op de prins in de Abdij van Sarth, zei Robert: 'Het zal niet de eerste keer zijn dat Arutha tegenover een demon staat.'
Er klonk nog meer gekrijs. 'Kom op,' zei Treggar. 'We moeten terug. Ze zijn nu afgeleid, maar hoe lang nog?'
Robert knikte en wees de weg.
Vlug gingen ze de trap af, en namen dezelfde gangen terug naar de geheime ingang. Meer dan eens meenden ze dat het moorden was gestaakt, maar net als de rust was weergekeerd, werd die verscheurd door een nieuwe kreet.
Toen ze het duistere gedeelte van de tunnels weer betraden, stak Robert zijn waspit aan.
'Die man op de steen heeft geen kik gegeven,' merkte Wiliam op.
'Dat had ik ook niet van hem verwacht,' zei Treggar. 'Het was een van onze Padvinders.'
Robert zei niets.
Aangekomen bij de uitgang liet Robert hen halt houden en gaf het licht aan Wiliam. Na een uitgebreide inspectie plaatste Robert zijn handen tegen de verborgen deur en duwde om hem open te maken.
Er gebeurde niets.