18 Ontmaskering
Wiliam sprong naar voren.
Terwijl het monster aanviel, stootte Wiliam prins Vladic opzij.
Emus en Arutha zetten zich schrap voor de aanval, en de soldaten die de kamer in kwamen stormen, wierpen zich op de schaduwsluiper om hun prins te beschermen. De eerste die bij hem was probeerde de sluiper met zijn schild uit balans te rammen. Het schild galmde alsof het tegen een boomstam sloeg, en de sluiper haalde uit met zijn hand. De keel van de soldaat veranderde in een rode fontein en het bloed spatte door de kamer.
In een boog liep Robert tot achter het wezen. 'Boogschutters!' schreeuwde Arutha.
Een van de soldaten rende weg om het bevel door te geven, terwijl twee anderen met lange pieken aanvielen. Het waren decoratieve wapens - de punten verguld, het hardhout gepolijst, met het koninklijke vaandel van Krondor eraan bevestigd - maar niettemin functioneel. Beide mannen waren goed opgeleid in het gebruik ervan, en met de punt naar voren, de weerhaak paraat, liepen ze op de sluiper af.
De voorste soldaat stak toe met al zijn kracht, zodat de stalen punt het wezen had moeten doorboren, maar zonder letsel toe te brengen ketste het wapen af. De schaduwsluiper bleef even staan, ving het paalwapen toen op onder een arm, en met een venijnige klap van de andere hand brak hij de steel in tweeën alsof het brandhout was.
'Dat is massief eiken!' riep Emus uit.
Wiliam was overeind gekrabbeld en trok Vladic mee over het bed, langs de jongedame die ineengedoken schuilde aan de andere kant van de plek waar de schaduwsluiper in de hoek was gedreven. Bemerkend dat zijn prooi hem dreigde te ontglippen, sprong het wezen op het bed, en gillend dook de vrouw nog verder in elkaar. De schaduwmoordenaar negeerde haar.
Vlug liep Arutha naar het wezen en stak toe, maar de punt van zijn rapier gleed weg over de kenmerkloze huid. 'Hoogheid!' schreeuwde Robert. 'Dat heeft geen zin! Kijk alstublieft uit dat u niet wordt gedood!'
Emus hanteerde een directere aanpak, en nauwelijks had hij Arutha aan de schouder achteruit getrokken of het monster draaide zich om en haalde uit naar de plek waar de prins een tel geleden nog had gestaan.
'Je irriteert hem alleen maar, Arutha,' zei de voormalige piraat.
De boogschutters kwamen binnen, de pijlen paraat, die ze afschoten terwijl Wiliam prins Vladic half de kamer uitsleepte. De pijlen ketsten af of sloegen stuk op de huid van de sluiper.
'Dit haalt allemaal niets uit!' riep Arutha. 'Langzaam terugtrekken, maar hou hem tegen!'
Soldaten formeerden een muur van schilden, waarachter andere soldaten met pieken zich opstelden. De schilddragers zetten zich schrap, hun schilden als elkaar overlappende schubben. Staande achter de schildmuur lieten de piekeniers hun wapens zakken en vormden een stalen barrière.
Zonder acht hierop te slaan, liep de schaduw recht tegen de punten aan. Sterke lieden zetten zich schrap, maar de zware paalwapens werden weggeduwd. De sluiper hief beide armen op en sloeg omlaag. Eén piek aan de linkerkant brak af, terwijl een andere uit de handen van de eigenaar werd geslagen en op de stenen vloer viel. Er kwamen andere soldaten, ter versterking van degenen die het monster trachtten te weren, en hun sergeant keek Wiliam vragend om instructies aan.
'Zet hem klem tegen de muur,' zei Wiliam. 'Maak gebruik van de schilden, en wees voorzichtig, want hij is ontzettend sterk.'
'Jullie hebben de luitenant gehoord!' schreeuwde de sergeant. 'Aanvallen!'
Als één man stormden de schilddragers en de piekeniers op de schaduwsluiper af, zodat het wezen achteruit werd geduwd. Hij bood weerstand, maar kreeg geen grip op de gladde stenen vloer.
Nog meer mannen arriveerden, en langzaam duwden ze de sluiper bij prins Arutha en de anderen vandaan. De sluiper merkte dat zijn prooi ontkwam, en zijn verzet werd heviger. Hij hief een arm op, en met een verschrikkelijke slag verbrijzelde hij het gezicht van de dichtstbij staande soldaat. Die viel tegen de twee soldaten achter hem aan, en de hechte opstelling brak.
Plots begon de sluiper te maaien, eerst met de ene arm, meteen daarna met de andere, en mepte iedere soldaat terug die in de weg stond. Het waren verpletterende slagen, waardoor armen, schouders en gezichten werden verbrijzeld. Taaie, doorgewinterde soldaten schreeuwden van pijn en woede terwijl ze als lastige vliegen opzij werden gemept. Gewonden werden in het gedrang van de andere soldaten staande gehouden, en menige bewusteloze bleef overeind tot de beweging van opeengepakte lijven een opening deed ontstaan waarin ze konden vallen, waarna ze dreigden te worden vertrapt. Steeds meer soldaten stormden naar binnen om hun monarch en zijn vorstelijke gast te beschermen. Weer drongen ze de sluiper terug en duwden hem tegen de vloer. De soldaten wierpen zich erbovenop, en uit het gekreun van mannen onder in de stapel bleek welke prijs er moest worden betaald voor het verdragen van het gewicht van de geharnaste mannen boven op hen. Degenen die zich het dichtst bij het wezen bevonden liepen tweemaal zo veel levensgevaar, want behalve door het verpletterende gewicht van hun eigen kameraden, konden ze worden gedood door het wezen zelf.
De stapel soldaten kwam omhoog, eenmaal, tweemaal, driemaal, alsof de vloer eronder schudde. Ineens stortte de stapel in, als een bal die plotseling leegliep. Van onderop klonk een stem: 'Sire! Hij is weg!'
'Nee,' schreeuwde Robert, 'hij is er nog!'
Van onder de stapel gleed een schaduw over de vloer naar Arutha en Vladic, waar hij overeind kwam en weer massief werd.
Arutha viel aan.
Zijn rapier werd een waas, zo snel sloeg hij naar het wezen. De kling bezat de macht van een Ishapische talisman, gekregen van Macros de Zwarte, vlak voor Arutha's laatste confrontatie met Murmandamus, aan het einde van de Grote Opstand. Sindsdien had alleen de demon die hij in het fort had gedood kennis gemaakt met de kracht van het magisch versterkte zwaard.
Deze schaduwsluiper scheen zich echter alleen maar te ergeren aan Arutha's felle uitvallen. Hij week even terug voor Arutha's kling, en haalde toen met enorme kracht en snelheid naar hem uit.
Arutha dook opzij. Robert sprong achter het monster naar voren en sloeg zo hard hij kon met zijn zwaard. Met een galmende klap ketste zijn slagwapen af op de sluiper, en Robert voelde de dreun tot in zijn schouder.
'Is er niet iets wat u kunt doen?' schreeuwde Robert naar pater Belson.
'Ik kan maar één ding verzinnen,' riep de geestelijke terug, 'maar dat is erg gevaarlijk!'
Arutha was gevangen in een duel dat hij niet kon winnen, maar hij slaagde er niettemin in zich tussen het monster en prins Vladic te blijven opstellen, zodat Vladic niet gewond raakte. 'Gevaarlijker dan dit kan het niet zijn, pater!' schreeuwde hij. 'Doe het!'
De priester stapte opzij en begon met een spreuk in de mystieke taal van zijn orde. Onderwijl viel Robert de sluiper nogmaals van achteren aan, en weer voelde het aan alsof hij tegen keihard gesteente sloeg. Het werd lichter en warmer in de slaapkamer. Pater Belson hield zijn handen omhoog, en boven zijn hoofd vormde zich een kring van rondwervelende vlammen, waarvan de hitte door alle omstanders kon worden gevoeld. Steeds sneller cirkelden de vlammen in het rond, ieder moment groter en heter wordend. De priester voltooide zijn bezwering en riep: 'Rennen!'
Dat hoefde niemand tweemaal te worden gezegd. Iedereen die kon, draaide zich om en stormde de kamer uit, behalve Arutha, die de sluiper nog één keer aanviel om wat tijd te winnen voor de anderen, voordat ook hij zich terugtrok en wegrende.
De gewonden die achter het wezen op de grond lagen, kropen weg, hun bewusteloze kameraden achterlatend.
De priester schreeuwde een enkel woord in de geheime taal van zijn orde, en de vlammen smolten samen tot een gedaante als die van de schaduwsluiper. De vluchtenden konden de intense hitte ervan voelen; Arutha's rug voelde aan alsof hij te dicht bij een smeltoven stond.
Robert keek om en zag het vlamwezen zich opstellen tussen de sluiper en Vladic, die sprakeloos stond toe te kijken.
'O, wezen van vlammen, elementaal van vuur, verwoest deze duisternis!' riep pater Belson uit.
De elementaal viel aan, en de toeschouwers werden getroffen door een vlaag van hitte, zo intens dat ze zich nog wat verder terugtrokken. Alleen de priester van Prandur scheen niet door de verschroeiende lucht rondom het wezen te worden gedeerd.
De sluiper gaf zijn achtervolging op prins Vladic op om zich te verdedigen. In stilte grepen de twee wezens elkaar beet. Het enige geluid dat klonk was het knetteren van vlammen.
Robert verliet de gang en liep via een voorvertrek een zijgang in. Die rende hij door, stak een wandelgang over en keerde terug naar de gang met Arutha en Vladic. Daar wenkte hij een wachter. 'Ga daarlangs,' zei hij, wijzend in de richting waarvandaan hij was gekomen. 'Aan de andere kant van deze gang liggen gewonden. De hitte doet ze geen goed. Roep een peloton en haal ze daar vandaan.'
'Ja, jonker,' zei de soldaat. Hij beduidde anderen hem te volgen en nam een handvol mannen mee langs de weg die Robert had uitgelegd.
'Daar had ik aan moeten denken,' zei Arutha zonder zijn ogen van het tweegevecht af te wenden.
'Je had het druk,' reageerde Robert. Hij beduidde een van de nabij staande wachters zijn mantel af te doen. Die gaf hij aan prins Vladic. 'Ik weet dat het warm is, maar...'
Geboeid door het tafereel sloeg Vladic de mantel om zich heen. 'Bedankt.'
De twee magische wezens hadden zich aan elkaar vastgeklampt, de handen op de armen van de ander, heen en weer wankelend als twee dronken worstelaars die elkaar uit het strijdperk trachtten te duwen. Waar de elementaal in de buurt kwam van iets brandbaars begon dat te roken en te blakeren, of vloog het in brand wanneer het vlammende wezen lang genoeg bleef staan. In een poging zich los te wrikken, ramde de sluiper het elementaalwezen tegen de stenen muur, maar de elementaal wist zijn vurige greep te handhaven en verdroeg de klap in stilte. Met een ruk draaide het vuurwezen zich daarop om en sloeg de sluiper op zijn beurt tegen de muur.
'Als dit niet vlug ophoudt steekt hij nog het hele paleis in brand,' zei Arutha.
Verscheidene wandtapijten smeulden, en twee begonnen al te branden. De schaduwsluiper duwde het vlamwezen achteruit tegen een tafeltje met een vaas verse bloemen. De bloemblaadjes verwelkten op slag, en terwijl de tafel in brand vloog, spatte de vaas van de hitte uiteen.
'Kijk,' zei Robert. 'Er gebeurt iets.'
Waar de elementaal het schaduwmonster beet had, begon rook te kringelen, zwarte, olieachtige sliertjes die steeds dikker werden. Al gauw hingen er zwarte wolken tegen het plafond, waar ze zich verspreidden naar de gang, om die in een onwelriekende zwarte walm te zetten.
De sluiper maaide nog steeds wild om zich heen, telkens op de elementaal inbeukend, maar het vlammende wezen weigerde zijn wurggreep te laten verslappen.
De gang stond nu in lichterlaaie, en Arutha schreeuwde naar de soldaten: 'Stuur iedereen weg uit deze vleugel van het paleis! Laat water brengen!' Er zou snel een rij met emmers moeten worden gevormd, want de zware steunbalken onder het steenwerk in de gang begonnen al te smeulen en te roken.
'Kijk nou!' riep Robert. 'Ze worden kleiner!'
Aan elkaar vastgeklampt, draaiden de twee gedaanten om elkaar heen in een perverse dans van macht, steeds sneller, terwijl hun omvang afnam. De rook steeg nu van het tweetal op en dreigde iedereen in een dikke, grijze wolk te verstikken.
'Eruit!' gebood Arutha. 'Iedereen naar de tuin!'
Een van de zorgvuldig bijgehouden tuinen bevond zich bij de gastenvleugel. Robert was als eerste bij de grote dubbele glazen deuren van de gang naar de tuin, en hij wierp ze open. De avondlucht was koel en fris na de verzengende temperatuur in de gang.
De anderen strompelden achter Robert aan de deur door, hoestend, de ogen tranend, vluchtend voor de rook die in de gang begon te stinken naar brandend zwavel en rottend afval.
Vanuit andere delen van het paleis galmden stemmen toen er brandalarm werd gegeven. Robert keek om naar de vlammenzee. 'Is pater Belson naar buiten gekomen?' vroeg hij Emus.
'Hij stond achter ons,' antwoordde de admiraal, 'maar ik zie hem niet.'
Robert rende terug naar de deur en liet zich op de grond vallen om zo laag mogelijk onder de rook te komen. Zijn ogen traanden van de scherpe walm toen de prikkelende stank zijn neus bezocht. De plafondbalken stonden in lichterlaaie, en de vuurzee stroomde verder als een rivier van vlammen. De tranen uit zijn ogen knipperend, zag Robert aan het einde van de gang een eenzame gedaante.
De priester van Prandur stond met de armen wijd boven zijn hoofd gespreid een magische bezweringsformule uit te spreken. Robert kon hem ternauwernood onderscheiden. Het was niet meer dan een donker silhouet in de blauwgrijze nevel die de gang onder de zwarte rookwolken opvulde.
De stem van de priester werd zwaar en plechtig, en de toon waarop hij sprak een lijkzang, die in Robert iets treurigs opriep. Angstig voor vallende stenen wierp Robert een blik omhoog. 'Pater Belson! Kom mee! U komt om in de vlammen!'
Plots begonnen de door de gang stromende vlammen te sidderen, en toen trokken ze zich terug, alsof ze door een godenmond van het plafond en de muren werden gezogen. De vlammen en de rook verdwenen.
Robert keek om naar de mensen die in de tuin stonden te wachten, en zag hen verbaasd staren naar de dovende vlammen en rook. Toen keek hij weer de gang in en zag alle rook en vuur zich verzamelen in een reusachtige bal boven het hoofd van de priester, die roerloos bleef staan. Al gauw trok de bal zich samen tot een kleinere ronde vorm, die steeds helderder werd. Uiteindelijk had hij de omvang van een kinderspeelbal, maar brandde hij zo fel als de middagzon. Robert moest zijn ogen afwenden van de gloed, en de tuin buiten de deuren baadde in het licht.
En ineens was het licht verdwenen en werd het donker in de gang. Robert kwam overeind. Hoestend en wrijvend in zijn ogen ging hij terug naar de tuin.
Wat is er gebeurd?' vroeg Arutha.
'Ik denk dat het voorbij is,' zei Robert.
Een ogenblik later kwam pater Belson de deur uit lopen. Rond zijn voeten wervelde nog rook, die ook in vlagen uit zijn kleren opsteeg. Op zijn gezicht zaten roetvlekken, maar verder scheen hij ongedeerd.
'Is alles goed met u?' vroeg Robert.
'Het laatste wat een priester van Prandur te vrezen heeft is vuur, jongeman,' antwoordde Belson. Hij keek de Prins van Krondor aan. 'Hoogheid, de schade... ' Hij haalde zijn schouders op als om zich te verontschuldigen.
Prins Vladic, de mantel strak om zich heen geslagen, begon te lachen. 'Met plezier laat ik deze hele vleugel herbouwen en in Olasko een nieuwe tempel voor Prandur verrijzen, priester! U hebt mij het leven gered.'
Pater Belson keek verheugd. 'Dat zou erg vriendelijk zijn -' zei hij, en stortte in.
Robert was als eerste bij hem en knielde neer om de geestelijke te onderzoeken. 'Hij is flauwgevallen,' concludeerde de jonker. 'Breng hem naar zijn verblijf,' gelastte Arutha, en er werden vier wachters aangewezen om de uitgeputte geestelijke naar zijn bed te dragen.
Knipperend met zijn ogen tegen de rook in de tuin kwam er een schrijver door de menigte aanlopen. 'Sire!' riep hij.
'Wat is er?'
Voor Arutha bleef hij staan. 'We hebben ... ' Weer knipperde hij met zijn ogen, en terwijl de tranen hem over de wangen liepen, begon hij te hoesten. 'Neemt u mij niet kwalijk, Hoogheid, maar ik word altijd duizelig van rook.'
'Wat is er?' herhaalde Arutha.
'Neemt u mij niet kwalijk, Hoogheid. We hebben een aantal boodschappen ontcijferd. Sommige zijn van spionnen hier in Krondor en uit andere steden. Eentje leek ons nogal dringend, dus ben ik meteen gekomen zodra dat duidelijk werd.'
'Wat dan?' vroeg Arutha, zijn geduld bijna ten einde.
De schrijver hield hem een perkament voor. 'In deze boodschap staat dat er een verzegelde kist op het paleis moet worden afgeleverd, en daar zit een soort val in. Het leek me iets om u voor te waarschuwen, mocht er zo'n kist hier worden afgeleverd.'
Verwonderd schudde Arutha het hoofd. Na een lange stilte liet hij zijn blik langs zijn hovelingen dwalen. 'Laten we gaan eten.' Hij keek de schrijver aan. 'Ga weer aan het werk. Laat me morgen na het ontbijt weten wat er in de andere documenten staat.'
'Ja, Sire.' Hoestend maakte de scribent een buiging en vertrok snel, duidelijk blij om de rook te verlaten.
'Hoogheid, wees niet te streng voor hem,' zei Robert.
Arutha schudde zijn hoofd. 'Zal ik ook niet doen. Hij heeft zijn uiterste best gedaan. Het was alleen... een beetje aan de late kant.'
Wiliam en Emus schoten allebei in de lach, en prins Vladic zei: 'Ik ga terug naar mijn kamer, als die niet te vies is van de rook, en zal wat... gepaster kleding voor de maaltijd aantrekken, Hoogheid.'
Arutha knikte en beduidde een aantal wachters de koninklijke gast te begeleiden. 'Als we het hadden geweten... ' zei hij tegen Robert.
'Dan zouden we die kist net zo goed hebben opengemaakt,' wist Robert. 'Maar dan in een cel zo diep mogelijk in de kerker, met veel te weinig wachters, en dat zou pas echt een ramp zijn geweest.'
Met een zijwaartse blik keek Arutha hem geruime tijd aan. 'Jij hebt ook altijd zo'n positieve kijk op de dingen, jonker. Kom, we gaan eten. Mijn vrouw zal vast wel willen weten waarom we een aanzienlijk deel van ons paleis in brand hebben gestoken.'
'Zeg haar maar dat je hoopt dat zij de suites opnieuw wil inrichten,' zei Robert met een wolfachtige grijns, 'dan is ze zo weer blij.'
Met gepijnigde blik zei Arutha: Jonker, als jij op een dag de juiste vrouw ontmoet, hoop dan maar dat ze medelijden met je heeft, want anders zouden je huwelijkse dagen best nog wel eens stormachtig kunnen zijn.'
'Daar zal ik aan denken,' reageerde Robert droog.
Wiliam verscheen naast de prins. 'Hoogheid, is mijn aanwezigheid hier nog vereist?'
Arutha bleef staan en keek de jonge officier aan. 'Hoezo? Moet je ergens anders zijn?'
Wiliam begon te blozen. 'Nee, Sire, alleen dat –'
Robert schoot in de lach.
'Ik vermaak me alleen maar even ten koste van jou, Wiliam,' zei Arutha. 'Ga jij je jongedame gerust opzoeken. Veel plezier.'
'Jongedame, Sire?' Door deze opmerking was Wiliam even van zijn stuk. Met een blik op Robert vroeg hij: 'Weet iedereen het dan?'
Robert grijnsde slechts, terwijl Arutha antwoord gaf. 'Mijn jonker zorgt ervoor dat ik op de hoogte blijf van alle bijzonderheden omtrent mijn familieleden. Ga nu maar.'
'Sire,' zei Wiliam enthousiast, nog steeds een beetje blozend.
'Morgen steken we allemaal de koppen bij elkaar, maar tot die tijd is een beetje ontspanning op zijn plaats.'
Wiliam liep al weg, maar Robert riep: 'Willie!'
Wiliam bleef staan en keek over zijn schouder. 'Ja, Robert?'
'Als ik jou was zou ik me eerst even omkleden. Je ziet eruit als een schoorsteenveger.'
Toen hij zag dat alle anderen onder de roetvlekken zaten, begreep Wiliam dat hij er net zo aan toe moest zijn. 'Eh, bedankt voor de waarschuwing.'
'Laat maar zitten.'
'Robert keek hem na terwijl Wiliam zich in de richting van het arsenaal spoedde. 'Eigenlijk ben ik best jaloers op hem.'
'Wat, omdat hij zo verliefd is?' vroeg Arutha.
'Ja. Op een dag zal ik ook wel iemand ontmoeten, en misschien ook niet, maar in ieder geval ben ik nooit zo... kinderlijk blij geweest om een jongedame te ontmoeten.'
Arutha begon te lachen. 'Toen ik jou voor het eerst ontmoette was je al een cynische oude man, Robbie. Hoe oud was je toen, veertien?'
Robert lachte met hem mee. 'Het zal wel, Hoogheid. Met uw toestemming ga ik me ook even opfrissen voordat ik aan de dis verschijn.'
'En ik ook,' zei Emus. 'Ik voel me ook een beetje gaar.'
Arutha knikte. 'Ga maar. Ik zal wat extra wijn en bier bestellen, dan maken we er een klein feestje van.' Zijn gezicht betrok. 'Maar morgen richten we onze aandacht weer op ernstige zaken.'
Robert en Emus keken elkaar aan en vertrokken. Allebei kenden ze Arutha goed genoeg om te weten dat hij het brein achter deze moordaanslag op de Prins van Olasko verwachtte te vinden, en dat hij tevens een zware straf zou eisen voor de verwoestingen in zijn paleis.
Wiliam wrong zich een weg door de drukke herberg en trof Talia achter de tapkast, haar vader helpend met het rondbrengen van bier. Maaltijden werden er bijna niet besteld, en de herberg zat vol met werklieden die het er even van namen voordat ze teruggingen naar huis. Aan het einde van de tapkast bleef hij staan wachten tot ze hem zag.
'Wil!' zei ze met een brede glimlach. 'Sinds wanneer ben je terug?' Vlug kwam ze naar hem toe en gaf hem een kusje op zijn wang.
'Vanavond pas,' zei hij blozend. 'Er was iets op het paleis, en daarna heeft de prins me voor de rest van de avond vrijaf gegeven.'
'Heb je al gegeten?'
Pas toen besefte hij dat hij die middag, aan boord van het admiraalsschip, voor het laatst had gegeten. 'Eh, nee.'
'Ik maak wel even iets voor je. Vader, kijk, Wil is er!'
Lucas keek op en zwaaide naar hem. 'Goeienavond, jongen.'
'Meneer,' zei Wiliam.
Talia verdween de keuken in, en Lucas kwam naar hem toe. 'Je hebt die blik in je ogen.'
'Wat voor een blik, meneer?'
'Dat je wat hebt meegemaakt.'
'Nogal wat,' beaamde Wiliam met een hoofdknik.
'Zwaar geweest?'
'Zwaar genoeg,' gaf Wiliam toe. 'We zijn een aantal goede mannen kwijtgeraakt.'
Vaderlijk klopte Lucas hem op de onderarm. 'Blij je terug te zien, jongen.
'Dank u, meneer.'
Talia kwam terug met een volgeschept bord. 'Ik zal een biertje voor je pakken.' Ze tapte een grote kroes vol en zette hem naast zijn bord neer. 'Ik heb je gemist,' zei ze met glinsterende ogen. 'Ik weet dat ik zoiets eigenlijk niet hoor te zeggen, maar het is wel zo.'
Wiliam werd rood. Hij staarde in zijn bier. 'Daar ben ik ook best blij mee.' Ik... heb vaak aan je gedacht toen ik weg was.'
Ze keek de gelagkamer rond om te zien of haar hulp nog ergens werd verwacht, maar haar vader wuifde haar weg, om aan te geven dat ze een poosje met Wiliam kon gaan praten.
'Nou,' zei ze, 'vertel eens wat voor dappere dingen je allemaal hebt gedaan.'
Hij lachte een beetje. 'Domme dingen, voornamelijk, gezien de zere plekken die ik allemaal heb opgelopen.'
'Ben je gewond geraakt?' vroeg ze, haar ogen groot van bezorgdheid.
'Nee,' lachte hij. 'Alleen wat dingetjes die met een schoon verbandje klaar zijn.'
'Dan is het goed,' zei ze met geveinsde woede, 'want als je ernstig gewond was geweest, dan had ik je moeten wreken.'
'O ja?' vroeg hij lachend.
'Natuurlijk,' antwoordde ze. 'Ik ben toch opgegroeid bij de Zusters van Ka-meeni?'
Hij zei niets, glimlachte alleen maar, en genoot van het moment, etend van zijn bord en starend naar haar knappe gezichtje.
Arutha was de hele nacht op geweest. Robert zag het zodra hij het kantoor van de prins binnenkwam. En zo te zien had Wiliam ook geen oog dichtgedaan, maar naar Robert vermoedde om een heel andere reden dan de prins. Wiliams onvermogen om langer dan een paar tellen de brede grijns van zijn gezicht te halen vormde een sterke aanwijzing.
Emus was gewoon de oude: scherp observerend en iedere gelegenheid voor wat humor aangrijpend.
Arutha wuifde Robert naar een stoel. 'Ik neem aan dat je al aardig bent hersteld van je laatste ontberingen?'
'Genoeg om het leven weer de moeite waard te vinden, Sire,' antwoordde Robert en nam plaats.
'Mooi, want er zijn een paar dingen die jouw onmiddellijke aandacht vragen.' De kamer rondkijkend zei Arutha: 'Emus, al vaker dan ik me kan herinneren heb ik jou mijn leven toevertrouwd. Wiliam, jij bent familie van me. Daarom vertel ik jullie dit. Een poosje geleden heb ik Robert opgezadeld met de verantwoordelijkheid om een inlichtingendienst op te zetten.'
'Werd tijd ook,' reageerde Emus met een grijns. 'Het is de stiekemste gluiperd die ik ooit heb ontmoet, ook al hou ik van hem als van de zoon die ik hopelijk nooit zal krijgen.'
Robert keek Emus aan. 'Dank je, denk ik.'
'Een zoon zou ik zo erg nog niet vinden,' peinsde Emus hardop. 'Misschien lopen er zelfs wel een paar rond die ik nog niet heb ontmoet,' -lachend keek hij Robert aan - 'maar zodra hij me aan jou doet denken, verzuip ik hem eigenhandig.'
'Als je inderdaad een zoon blijkt te hebben,' reageerde Robert droog, 'dan zal ik daaraan denken en hem helpen ontkomen.'
'Genoeg,' zei Arutha. De prins was deze ochtend nog ernstiger dan normaal, en zowel Emus als Robert vielen stil. 'Niemand buiten deze kamer mag dit weten,' vervolgde Arutha. 'Ik vertel het jullie beiden om verscheidene redenen. Ten eerste voor het geval dat mij iets overkomt, want dan kunnen jullie mijn opvolger van Roberts bijzondere positie op de hoogte brengen. Als Lyam iemand stuurt als regent voordat prins Randolf oud genoeg is, bijvoorbeeld. Ten tweede voor het geval dat Robert iets overkomt, want dan wil ik mensen hebben aan wie zijn opvolger verslag kan uitbrengen.' Hij keek de tafel weer rond. 'Wij drieën,' zei hij tegen Emus en Wiliam.
'Opvolger,' zei Robert, zogenaamd verontrust. 'Ik hoop dat je bedoelt wanneer ik met pensioen ga.'
'Ik bedoel wanneer je dood bent,' zei Arutha ijzig. 'Ergens in het komende jaar zal je naar ik verwacht genoeg agenten hebben aangetrokken om er eentje aan te wijzen als zijnde even uitgekookt als jij.'
Emus schoot in de lach.
'Zeg niemand wie dat is, ook ons drieën niet. We zorgen nog voor een manier waarop die persoon zich aan een van ons drieën bekend kan maken wanneer het zover is. Ook wil ik dat je spionnen zo min mogelijk van elkaar op de hoogte zijn.'
'Ja, Hoogheid,' zei Robert. 'Ik heb al een systeem bedacht om verscheidene agenten te raadplegen zonder dat ze zich van elkaar bewust zijn.'
'Mooi,' zei Arutha. 'Daar heb ik zelf ook wat gedachten over. En tenslotte is er nog iemand die van jouw positie moet weten: Jeroen.'
Ternauwernood wist Robert een kreun te onderdrukken. 'Jeroen? Waarom, Hoogheid?'
'Meester deRosa gaat binnenkort met pensioen, en Jeroen is de logische keus als zijn opvolger als ceremoniemeester. Je zult fondsen nodig hebben voor de dingen die je wilt ondernemen, en de ceremoniemeester heeft voor een veelheid aan kostenposten fondsen beschikbaar. Jeroen zal je van de benodigde middelen voorzien, na goedkeuring mijnerzijds.'
Robert leunde achterover, duidelijk niet blij, al kon hij de wijsheid van de prins in deze wel waarderen.
'Nu dan, ter zake. De scribenten zijn klaar met de vertalingen, en we weten wie er achter de aanslagen op prins Vladic zit.'
'Wie dan?' flapte Robert eruit.
'Zijn oom, de hertog.'
'Maar de hertog en zijn zoon zijn bijna omgekomen bij de eerste aanslag, Sire,' wierp Wiliam tegen.
'Mogelijk is er bij die aanval iets misgegaan, of anders houdt iemand anders er zijn eigen plannen op na,' verklaarde Arutha, 'want we hebben ook een opdracht gevonden voor de dood van hertog Radswil en Kazamir, helaas.'
'Zijn die opdrachten ondertekend?' vroeg Robert.
'Nee,' antwoordde Arutha. 'Dat zou het veel te makkelijk hebben gemaakt, nietwaar? De opdrachten besluiten allemaal met van die cryptische uitdrukkingen. Misschien weten we die op een dag nog te ontcijferen, en komen we erachter van wie die opdrachten afkomstig zijn. Maar voorlopig hebben we geen scherp omlijnd bewijs wie de aanstichter is.'
'Wat ga je eraan doen?' vroeg Robert.
'De hertog en zijn zoon en dochter onder bewaking stellen, onder het mom van persoonlijke bescherming, en hen terugsturen naar Olasko, met een lange brief onder mijn persoonlijk zegel aan de broer van de hertog. Mijn enige zorg is het voorkomen van een oorlog tussen het Koninkrijk en Olasko. De rechtspraak laat ik aan Olasko over. De aartshertog mag zelf bepalen wie hem nader aan het hart ligt: zijn broer of zijn zoon. En dan mag hij zich zorgen maken wie het bevel voor de moord op zijn broer en neef heeft gegeven.' Arutha zuchtte. 'Ik zie nu al uit naar het moment waarop ze Koninkrijkse bodem verlaten.'
'En de Nachtraven?' vroeg Robert. 'Zijn die uitgeschakeld?'
Arutha leunde achterover, en even trok er een fatalistische uitdrukking over zijn gezicht. 'We hebben hen een zware klap toegebracht, maar ze hebben nog steeds mensen rondlopen. Volgens mij staat er nog iemand boven die priesterschap, iemand van wie ze de bevelen krijgen.'
'De Meester,' beaamde Robert. Hij had Arutha tot in de kleinste details verteld van zijn ervaringen met de priesters voordat de demon ontsnapte.
'Maar het kan jaren duren voordat ze zich hebben hersteld,' merkte Emus op.
'Laten we het hopen. Niettemin moet onze nieuwe inlichtingendienst op zoek naar alle tekenen die kunnen wijzen op de verblijfplaats van resterende Nachtraven, alsmede van spionnen voor Kesh, Queg, of wie dan ook, wat dat betreft.'
'Ik begin vandaag nog,' zei Robert.
'Hoe lang gaat je dat kosten, denk je?' vroeg Emus plagerig. 'Een week of twee?'
'Jaren, Emus, jaren.' Met een blik op Arutha voegde Robert eraan toe: 'En dan kan ik mijn ambities ook maar beter verleggen van Hertog van Krondor naar Hertog van Rillanon.'
Arutha schoot in de lach. 'Ja, dat lijkt me wel, als je op een dag een netwerk in het oosten gaat aanleggen. Maar nog niet deze week, goed?'
Robert grijnsde. 'Nog niet deze week, Hoogheid.'
'We hebben nog een hoop werk te doen,' zei Arutha, 'maar eerst moet ik een hertog in zijn wiek schieten, en een voor de rest mooie dag verpesten voor een prins.'
'Nog één ding, Hoogheid, als het mag,' verzocht Robert.
'Ja?'
'Zou u Hare Hoogheid ertoe kunnen overhalen binnenkort weer een van haar gala's te houden?'
Arutha was al half overeind gekomen, maar op het horen van dit verzoek liet hij zich weer in zijn stoel zakken. 'Waarom, jonker? Je steekt nooit onder stoelen of banken dat je veel liever door het riool kruipt dan een van Anita's soirees bijwoont.'
Wiliam schraapte zijn keel. 'Eh, Hoogheid, eigenlijk is het een verzoek van mijn kant. Robert had beloofd dat hij het namens mij zou vragen.'
'Dat begrijp ik niet,' zei Arutha, kijkend van soldaat naar jonker.
Wiliam zou graag zien dat je kapitein Treggar beloont en hem vervolgens voorstelt aan een aantal jongedames van goede komaf,' legde Robert uit.
Arutha keek Wiliam aan. 'Waarom?'
Wiliam begon te blozen. 'Nou, het is een uitstekend officier, en hij heeft grote moed getoond, en... wel, hij heeft me het leven gered.'
'Dat is inderdaad iets om aandacht aan te besteden,' beaamde Arutha knikkend.
'En een landgoed, misschien?' opperde Robert. 'Groot hoeft het niet te zijn, gewoon een kleintje met een redelijk inkomen.'
Emus begon te grinniken. 'Waarom niet ook meteen een titel, nu je toch bezig bent?'
Robert knikte. 'Jonkheer zou hoog genoeg zijn.'
'Wat zit hier achter?' vroeg Arutha.
Emus bulderde van de lach. 'Zie je dat dan niet? Ze willen de kapitein laten trouwen!'
'Trouwen?'
Wiliam zuchtte. 'De jongere officieren hebben me laten beloven dat ik een manier zou verzinnen om kapitein Treggar de vrijgezellenkantine uit te krijgen, Hoogheid.'
Nu schaterde Emus het pas echt uit, en Robert en Arutha lachten mee, terwijl Wiliam ongemakkelijk bleef wachten op een antwoord.