7 Hinderlaag

 

De paarden hinnikten.

Wiliam keek rond. Hij was al gespannen vanwege de verantwoordelijkheid van zijn eerste missie, ook al werd hij vergezeld door een doorgewinterde sergeant en twintig ervaren soldaten. Kapitein Treggar mocht dan een bullebak zijn, maar in de officierskantine had hij Wiliam apart genomen en gezegd: 'Als je jezelf voor gek wilt zetten in het bijzijn van de manschappen, dan deel je bevelen uit. Als je de indruk wilt wekken dat je weet waar je mee bezig bent, zeg je gewoon tegen sergeant Matthews wat je wilt.' Ondanks zijn antipathie voor de man had Wiliam zijn raad ter harte genomen, en tot dusver had hij een goed figuur geslagen.

De zon bereikte reeds zijn hoogste punt, dus riep Wiliam: 'Sergeant!'

'Heer!' klonk het antwoord prompt.

'Zoek een geschikte plek om het middagmaal te gebruiken.'

Ze volgden een weg die omhoog kronkelde naar de beboste heuvels ten noorden van Krondor. Wiliam was op zijn hoede, maar niet uit bezorgdheid, aangezien dit gebied als betrekkelijk vredig werd beschouwd. Zo nu en dan konden reizigers door een roversbende worden overvallen, maar al maanden was er geen groep in de streek gesignaleerd die groot genoeg was om twintig bereden soldaten aan te vallen. Verder langs de kust waren er gebieden die wat moeilijker in de hand te houden waren, maar deze omgeving was behalve om de overvloedige aanwezigheid van wild ook uitgekozen om de veiligheid van de gasten van de prins.

De sergeant, een verweerde oude veteraan met verrassend levendige blauwe ogen en bijna spierwit haar, zei: 'Om die bocht staat een herberg, heer. Niet een die ik de adel zou aanraden om er de nacht door te brengen, maar voor een maaltijd gaat het wel.'

'Stuur iemand vooruit met het bericht dat we eraan komen,' zei Wiliam.

'Tot uw orders, heer.'

Op Matthews' bevel gaf een van de soldaten zijn paard de sporen, en tegen de tijd dat de stoet de herberg bereikte, stond alles al voor hen klaar. Het was een bescheiden gebouw met een bovenverdieping. Uit de schoorsteen steeg een gezonde hoeveelheid rook op. Op het bord boven de deur stond een grote boom, waaronder een man met een knapzak lag te slapen. Matthews draaide zich om naar Wiliam. 'Het heet hier De Boom en de Reiziger, heer.'

De herbergier stond hen op te wachten. Kennelijk had de soldaat hem gezegd dat er hooggeplaatst bezoek kwam, want zonder te weten wie ze waren, maakte hij al buigingen voor iedereen die voor zijn deur halt hield.

De Hertog van Olasko steeg van zijn paard, en een snelle bediende stak zijn hand uit om prinses Paulina van haar rijdier te helpen. Ze had erop gestaan een broek te dragen en wijdbeens in het zadel te zitten, en zonder acht op de haar toegestoken hand te slaan sprong ze soepel op de grond. 'Ik rammel!' zei ze tegen niemand in het bijzonder. 'Wat schaft de pot vandaag?' vroeg ze de herbergier.

De man maakte weer een buiging. 'Mijn vrouwe, we hebben wildbraad aan het spit, al bijna gaar. Ik heb hoenders op het rooster, en die hebben nog een half uurtje nodig. Ik heb vers brood en harde kaas, appels en ander vers fruit, evenals gedroogd. Ik heb vers gevangen vis in de keuken, maar die is nog niet gekookt. Als u wilt, kan ik die -'

'Wildbraad is genoeg, samen met de hoenders,' onderbrak de hertog. 'Maar eerst bier. Ik heb niet alleen honger, maar ook dorst.'

Wiliam liet de soldaten de bagagepaarden vastzetten en gaf Matthews de opdracht de dieren te laten drinken alvorens het er zelf van te nemen. Voordat hij de gasten naar binnen volgde, zei hij: 'Ik zal wat vers fruit en bier voor de mannen laten brengen.'

Matthews knikte. 'Bedankt, luitenant.' De mannen hadden goed genoeg gegeten die ochtend, en het betrof nu niet direct een oefenmars met rats en kuch, maar het gebaar zou zeker op prijs worden gesteld.

Wiliam ging de herberg binnen. Het was een eenvoudige uitspanning, met twee grote rechthoekige tafels in het midden van de gelagkamer, twee kleine ronde tafels in de hoeken aan de rechterkant, een trap langs de linkermuur omhoog naar de bovenverdieping, en een bescheiden tapkast langs de achterwand, naast wat duidelijk de keukendeur was. De rechterwand werd grotendeels in beslag genomen door een grote haard, waar blijkbaar het meeste kookwerk werd verricht, want er kwam een vrouw uit de keuken gerend om iets toe te voegen aan de inhoud van de grote ketel die bij het vuur stond te pruttelen. Een groot stuk wildbraad werd rondgedraaid door een jongen die met grote ogen naar de edellieden keek.

Wiliam liet zijn blik door het vertrek gaan en zag aan een van de ronde tafeltjes twee mannen zitten. Geen van beiden leek gewapend, zodat ze op het eerste gezicht geen bedreiging vormden. De ene was een al wat oudere man met een bijna kaal hoofd, waaraan nog een randje lang grijs haar kleefde dat tot op zijn schouders hing. Hij had een enorme haakneus, die echter bijna in het niet verdween vanwege zijn ogen. Daar lag iets dwingends in. Wiliam zag dat zijn kleren van goede stof waren, zij het lang niet modieus. Zijn metgezel droeg een eenvoudig grijs gewaad, waarvan de kap op zijn rug hing. Hij was een monnik, een priester of een magiër. De meeste mensen zouden die conclusie niet trekken, maar die hadden dan ook niet hun jeugd doorgebracht op een eiland vol met magiërs. Wiliam besloot hun potentieel voor gevaar aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Hij zag de herbergier stroopsmeren bij de hertog en diens gezelschap, dus in plaats van zijn plek aan de voet van de tafel in te nemen, liep Wiliam naar de twee mannen. 'Wat komt u hier doen?' vroeg hij.

De man in het grijze gewaad keek op en zag dat hij was aangesproken door een officier van de prinselijke wacht. 'Wij zijn slechts op doorreis, heer,' antwoordde hij.

Wiliam voelde dat er iets tussen de beide mannen werd uitgewisseld, en even vermoedde hij gedachten spraak. Zelf kon hij met dieren spreken, een talent dat hij bij zijn geboorte had meegekregen, al was het hem maar weinig echt tot nut. Alleen Fantus, zijn vaders vuurvaraan, beschikte over de intelligentie om over meer te praten dan eten en dat soort basisbegrippen. Zodra het aankwam op magie, was Wiliam slechts toeschouwer, maar dat was hij inmiddels wel vaak genoeg geweest om er gevoelig voor te zijn. 'Mijn prins heeft belangrijke gasten in het rijk, en het is mijn taak om voor hun welzijn te zorgen. Waar komt u vandaan en wat is uw bestemming?'

'Ik ben op weg naar de kust, naar het dorpje Haldenhoofd,' antwoordde de man met de dwingende ogen. 'Ik kom uit het oosten.'

'Ik ben op weg naar Krondor, heer,' zei de andere man. 'Ik kom uit Eggly.'

'Dus jullie hebben gewoon toevallig besloten samen de maaltijd te gebruiken?'

'Een toevallige ontmoeting,' antwoordde de man in het gewaad. 'We wisselen de laatste nieuwtjes uit over onze respectievelijke reisbestemmingen.'

'Uw namen?'

'Ik ben Jaquin Medosa,' antwoordde de man die volgens Wiliam best een magiër kon zijn.

'Mijn naam is Sidi,' zei de ander.

Wiliam bleef hem geruime tijd aankijken. De man had iets verontrustends over zich. Maar het tweetal zat rustig te eten en viel niemand lastig. 'Bedankt voor uw medewerking,' zei hij. Zonder een nader woord ging hij naar de tafel van de hertog.

Er werden spijzen en bier gebracht, en Wiliam wenkte de herbergier om te vragen of er bier en vers fruit buiten naar de soldaten kon worden gebracht. Toen dat gedaan was, zette hij zich aan zijn eigen maal, maar tijdens het eten wierp hij steeds een blik naar de tafel in de hoek, waar de twee mannen diep in gesprek verwikkeld waren. En hij wist zeker dat de man genaamd Sidi minstens twee keer zijn kant op had gekeken.

De prinses stelde Wiliam een vraag en hij gaf haar antwoord. Na wat lichte scherts was hij Robert dankbaar voor zijn ring, want hij vond het meisje nu slechts in geringe mate aantrekkelijk en soms een beetje irritant, in tegenstelling tot de overweldigende begeerte die hij bij hun eerste ontmoeting had gevoeld. Paulina scheen zich niet bewust te zijn van zijn gebrek aan hartstocht en kwebbelde door alsof hij door haar was betoverd. Toen hij haar vraag had beantwoord, keek Wiliam naar de hoek, en zag dat de twee mannen waren verdwenen.

 

Het was bijna avond toen ze in het kamp arriveerden. Er waren spoorzoekers uit Krondor vooruitgegaan die het gebied niet alleen hadden gecontroleerd op de aanwezigheid van wild maar ook hadden gezocht naar een goede kampeerplek. Vlug haalden de bedienden alle bagage van de lastdieren en zetten de tenten op voor de hertog en zijn familie.

Wiliam en zijn mannen sliepen onder de blote hemel. Er waren kleine tenten aanwezig, mocht het weer omslaan. Terwijl de zon in het westen zonk, bereidden de bedienden een avondmaal. Wiliam zette schildwachten uit en stuurde de spoorzoekers op weg om de omgeving nogmaals af te speuren. Erg gevaarlijk was het niet in dit gebied, maar zelfs een pas bevorderde Ridder-Luitenant nam alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om het leven van hooggeplaatste gasten te waarborgen.

Matthews regelde de wacht en zorgde ervoor dat degenen die geen wacht liepen te eten hadden en hun uitrusting verzorgden. In het veld gold de regel dat ieder voor zijn eigen rijdier zorgde, dus al waren er lakeien met het jachtgezelschap meegegaan, de soldaten inspecteerden hun eigen paarden alvorens te gaan slapen.

Wiliam zocht de familie van de hertog in diens tent op. Het was meer een paviljoen dan een tent, waarin een tafel, groot genoeg voor zes personen, was gedekt.

Met een handgebaar nodigde de hertog hem uit voor de maaltijd. 'Wat hebben de spoorzoekers gevonden?' vroeg hij.

'Sporen van wild in het noordoosten, Excellentie,' antwoordde Wiliam. 'Elanden, herten, en een moederbeer met een jong.'

De hertog kloof een hoenderpoot af en wierp de botjes op de grond. Wiliam was blij dat de man geen jachthonden bij zich had. De gewoonte om honden aan tafel te voeren had zijn moeder nooit toegestaan, met als gevolg dat Wiliam ook was opgegroeid met een aversie tegen honden onder de tafel. De bedienden zouden de botten opruimen voordat de hertog ging slapen. 'Nooit jagen op een moederbeer tot het jong groot genoeg is,' zei de hertog. 'Het put de wildstand uit als je de kleintjes niet zelfstandig laat worden. Verder nog iets?'

'Mogelijk een grote katachtige,' antwoordde Wiliam.

Dat scheen de hertog te behagen. 'Kunnen uw spoorzoekers zeggen welk soort?'

'Niet met zekerheid, mijn heer,' zei Wiliam. 'Gewoonlijk zijn het poema's. Die zijn brutaal en maken er geen punt van om 's nachts de dorpen in te gaan om zich aan kippen of schapen te vergrijpen.'

'Ik ken die beesten,' zei de hertog. 'Sluw, maar voor de rest geen grote uitdaging als je ze eenmaal in het nauw hebt gedreven. Wat nog meer?'

'Soms dwalen er wat leeuwen uit het zuidoosten hier naartoe, al krijgen we er doorgaans lang voordat we ze zien bericht van. Jonge mannetjes zonder een troep, gewoonlijk.'

'Goed voor een trofee.'

'En heel af en toe komen er panters.'

'Die zijn nog eens de moeite waard,' zei de hertog. 'Als er eentje boven je in een boom zit, dan zit hij daar niet voor niets.'

'Misschien dat ik morgenochtend nog nieuwe berichten krijg.'

De maaltijd verliep langzaam. Terwijl de hertog en zijn zoon over jachtpartijen uit het verleden spraken, herleefden ze iedere triomf. Paulina bracht haar tijd door met afwezig staren in de verte. Af en toe probeerde ze haar charmes nogmaals uit op Wiliam, die beleefd reageerde op haar scherts. Prins Vladic bleef verdiept in zijn eigen gedachten.

Toen de tafel door de bedienden werd afgeruimd, excuseerde Wiliam zich bij de hertog met de mededeling dat hij de inrichting van het kamp diende te inspecteren. De hertog knikte en wuifde hem weg.

Wiliam ging op zoek naar sergeant Matthews. 'Hoe staan de zaken?'

'Rustig, heer,' antwoordde de sergeant.

'Ik duik erin. Maak me wakker voor de laatste wacht.'

'Neemt u een wacht, heer?' vroeg Matthews op neutrale toon. Veel officieren lieten het regelen van de wacht over aan hun sergeants.

'Ik geef mijn sergeants op mars liever een redelijke nachtrust,' antwoordde hij, alsof dit niet zijn allereerste missie was. 'Kruip erin na de tweede wacht en laat de verantwoordelijke wachter mij wekken.'

'Heer,' zei Matthews, en Wiliam liep naar de plek waar zijn grondzeil en dekens al lagen. Hij wist best dat de sergeant het bevel net zo makkelijk zou negeren om ervoor te zorgen dat alle wachtswisselingen vlekkeloos verliepen. Niettemin zou het gebaar, net als met het sturen van fruit en bier voor de vermoeide soldaten, op prijs worden gesteld.

Wiliam kroop onder de dikke wollen deken, en voor het eerst was hij blij met zijn opleiding onder McWirth, want hij had vaak genoeg op een dunne doorgestikte mat op de grond gelegen om vrij vlug in slaap te vallen toen hij eenmaal lag.

 

Wiliams ogen gingen open, en hij was al half overeind voordat hij besefte wat hem had gewekt. Het was geen geluid waarmee alarm werd geslagen, maar eerder een gevoel. Toen wist hij wat het was. De paarden waren onrustig, tot op het punt dat hij ze in zijn hoofd kon horen alsof ze schreeuwden. Nog even en ze zouden gaan hinniken. Hij liep snel naar de plek waar ze gekluisterd waren. Ze stonden allemaal met het hoofd omhoog, de oren draaiend, de neusvleugels gespreid om de lucht op te snuiven.

Wiliam vond het nooit prettig om met paarden te praten. Hun gedachten waren vreemd, verdeeld.

Wat is er? vroeg Wiliam in gedachten aan het dichtstbijzijnde paard.

Jager! kwam het antwoord, met een beeld van iets wat vlakbij geluidloos door het woud sloop. Ruik jager! 

Wiliam keek in de windrichting waarvandaan een geur kon komen. Mens? vroeg hij.

Het antwoord was verwarrend. Sommige paarden schenen dat te beamen, terwijl andere een indruk zonden van een katachtige.

'Is er iets mis, heer?' vroeg Matthews achter Wiliam.

'Weet ik niet,' antwoordde hij zachtjes. 'Iets maakt de paarden onrustig.'

'Misschien een roedel wolven?'

In plaats van de sergeant van zijn ongewone vermogens deelgenoot te maken, knikte Wiliam slechts. 'Misschien, maar er zit iets zo dichtbij dat de paarden er -'

Voordat hij kon uitspreken, begonnen de paarden luid hinnikend aan hun kluisters te trekken.

'Alarm!' schreeuwde Matthews. 'Iedereen op zijn post!'

Nauwelijks had Wiliam zijn zwaard getrokken, of er scheen iets groots en donkers langs te vliegen, laag bij de grond, maar pas toen het langs hem heen was, besefte hij dat het geen vogel was, maar een razendsnel vierpotig wezen. Het sprong aan de rand van het kamp in de duisternis tussen de bomen, en verscheen opnieuw in silhouet tegen het kampvuur, heel even, alvorens te verdwijnen in de nacht.'

'Krijg nou wat!' zei Matthews. 'Het is een zwarte panter!'

Terwijl de manschappen nog naar de wapens grepen, kwamen de hertog van Olasko en zijn zoon uit hun tenten, het zwaard in de hand. Tegen de tijd dat Wiliam bij hen was, hadden ze het bericht over het grote roofdier al opgevangen.

'Dat is een brutaal beestje, wat?' zei de hertog met een grijns. 'Aardig van hem om ons te laten weten dat hij in de buurt is.' Hij keek rond. 'Hoe laat leven we?'

Wiliam wierp een blik op de sergeant, die antwoordde: 'Drie uur voor zonsopgang, Excellentie.'

'Mooi,' zei de hertog. 'Laten we dan gaan eten en met zonsopgang die grote ploert opsporen.'

'Ja, Excellentie,' zei Wiliam.

De hertog keerde terug naar zijn tent, en Wiliam droeg de sergeant op het bevel te geven dat het ontbijt vroeg moest worden geserveerd. Tegen de tijd dat de zon boven de oostelijke bergtoppen uitkwam, zouden ze beslist al minstens een uur op het spoor van die panter zijn.

Terwijl het kamp zich zette aan de voorbereidingen op de dag, staarde Wiliam naar de rand van de bossen, de duisternis met zijn blik doorborend. Ondanks het toenemende rumoer in het kamp had Wiliam het idee dat ergens vlakbij die panter zat te kijken.

Korte tijd later kwam de hertog terug, vol verwachting in zijn handen wrijvend. 'Laten we wat eten, luitenant, om ons te sterken voor de komende dag.'

'Ja, Excellentie.' Met moeite maakte Wiliam zijn blik los van de ondoordringbare bossen.

Terwijl ze naar de tent van de hertog liepen, zei die: 'Verdomd gedienstig van dat beest om te laten weten dat hij er is, wat? Je zou haast denken dat hij ons uitdaagde om achter hem aan te komen.'

Wiliam zei niets, maar hij dacht hetzelfde als de hertog, en was bij lange na niet zo verrukt van het idee.

 

Geluidloos bewogen de hertog en zijn neef, zoon en dochter door de mistflarden tussen de bomen, op discrete afstand gevolgd door Wiliam en zijn peloton van zes soldaten. De achterhoede werd gevormd door dragers en bedienden. Wiliam was onder de indruk van de Olaskese adel. Ze waren duidelijk zeer bedreven in de jacht. Vergeleken bij hen klonken de ervaren soldaten Wiliam luidruchtig en ongeoefend in de oren.

De weg werd gewezen door een spoorzoeker van het garnizoen der Padvinders uit Krondor, die wees op de sporen die de panter had achtergelaten. Gebruik makend van zijn mentale talenten speurde Wiliam de omgeving naar de panter af, maar nergens ving hij iets op. Wel voelde hij de kleinere dieren in de buurt, de rode eekhoorns en woelmuizen die zich verborgen hielden, en af en toe ving hij zelfs een indruk op van de gedachten van deze nieuwsgierige knaagdiertjes. Grote jagers! schenen ze te zeggen. Gevaar! 

De stilte in de bossen werkte op Wiliams zenuwen. Gewoonlijk was er in de verte altijd wel wat geruis van dieren te horen, maar die geluiden waren nu afwezig. Het enige wat klonk, was af en toe een plop, wanneer er een dauwdruppel van een van de takken op de grond viel, of het zachte schuifelen van de andere mannen in de buurt.

Met iedere stap nam Wiliams ongerustheid toe. Nog zo'n twintig el verder de bossen in fluisterde hij tegen de mannen achter hem: 'Ik ga vooruit met de hertog. Blijf achter de bedienden.'

'Heer,' fluisterde de soldaat.

Wiliam verhoogde zijn tempo en haalde al gauw de bedienden in. De mannen die het afschrikwekkende wapenarsenaal van de hertog en zijn andere spullen droegen, keken ongemakkelijk. Hij kwam bij de prinses, die een paar stappen achter haar broer liep. Verderop zag Wiliam in de schemering de hertog als een vage vorm in de nevelsluier, met zes stappen achter hem prins Vladic, die op gelijke afstand werd gevolgd door Kazamir. Wiliam zag dat het schemeriger werd, en zijn innerlijke alarmklok werd geluid. De Padvinder naast de hertog keek rond, alsof hij het spoor van de panter bijster was.

Op het moment dat de hertog zijn arm opstak om halt te houden, trok Wiliam zijn zwaard en stormde naar voren. Met zijn boog paraat stond de hertog vooruit te staren, alsof hij de schemering met zijn wilskracht kon doorboren. Ineens zag Wiliam hoog boven de hertog beweging. 'Het is een val!' schreeuwde hij. 'Boven u!'

De hertog reageerde onmiddellijk en dook opzij toen er een grote zwarte vorm omlaag kwam suizen, springend van een dikke tak boven hertog Radswils hoofd. Prins Vladic schoot een pijl af, dwars door de leegte die het grote roofdier even tevoren nog had ingenomen. Zodra de panter op de grond terechtkwam, draaide hij zich om en haalde uit met een enorme klauw, die de wegduikende hertog op de schouder trof.

De panter maakte zich op om hem te bespringen toen Wiliam bij Kazamir kwam. De zoon van de hertog schoot een pijl af, die rakelings langs Vladics rug scheerde en vlak voor de grote kat in de grond sloeg.

Op het moment dat de panter sprong, dook Wiliam naar voren om de hertog te verdedigen. Zijn zwaard kliefde de lucht, en hij voelde de kling langs de flank van het springende dier schrapen. Het roofdier krijste, en in plaats van de hertog aan te vallen, stoof hij de bossen in, gevolgd door pijlen.

Wiliam boog zich over de hertog, die zijn helpende hand wegduwde. 'Erachteraan!' schreeuwde hij.

'Excellentie, niet doen!'

'Ga uit de weg, jongen!' brulde de hertog en duwde Wiliam opzij.

Wiliam greep de hertog bij de arm en trok, zodat de hertog een halve cirkel maakte. 'Hoe waag je het!' zei de hertog met grote ogen.

'Heer, u bent gewond!' riep Wiliam hem toe. 'Dat beest ruikt u al op een mijl afstand.'

'Ik joeg al op panters toen jij nog geboren moest worden, jongen! Laat mijn arm los!'

Maar Wiliam hield stevig vast, terwijl de familieleden van de hertog bij hen kwamen staan, gevolgd door de bedienden en de soldaten. 'Excellentie, dat was geen panter.'

'Wat?' riep de hertog uit.

'Dat was geen panter.'

'Ik heb hem toch zelf gezien!' brieste de hertog, worstelend met Wiliam.

'Hij mag er dan hebben uitgezien als een panter, Excellentie, maar dat was het niet.'

'Wat was het dan?' vroeg prins Vladic.

'Een magiër,' antwoordde Wiliam, en liet de hertog los. 'Van het Mindere Pad.' Hij borg zijn zwaard op.

'Een magiër?' vroeg Paulina. 'Hoe weet u dat dan?'

'U hebt verstand van panters, mijn vrouwe, maar ik van magiërs. Geloof me maar.'

'Een gedaantewisselaar?' vroeg Kazamir.

Wiliam knikte. 'Pantertotem. En een machtige ook, om die gedaante aan te kunnen nemen.'

'Hij kwam inderdaad het kamp in alsof hij wist wat hij deed, vader,' merkte Paulina op.

'Hij wilde dat u hem achterna kwam,' zei Wiliam. 'Hij maakte jacht op u.' Hij wees naar de Padvinder die op korte afstand was blijven staan. 'Hij daar liep vooraan, maar de magiër liet hem voorbijgaan en probeerde u de rug te breken.'

'Mijn rug te breken?'

'Hij sprong zodanig dat hij hoog op uw rug terecht zou komen. Uw ruggengraat zou zijn verbrijzeld. Dat u wegsprong toen ik schreeuwde, heeft Zijne Excellentie een pijnlijke dood bespaard.'

'Dat is waar, Excellentie,' zei de Padvinder. 'Als hij op u terecht was gekomen, zou u nu dood zijn geweest.'

'En dat hij naar u sloeg, was om ervoor te zorgen dat u achter hem aan zou gaan,' verduidelijkte Wiliam.

'Dan zal ik hem dat plezier gunnen,' zei de hertog, zonder acht te slaan op het bloed dat uit de wond in zijn schouder sijpelde. 'Dan maak ik op mijn beurt jacht op hem.'

'Nee, Excellentie,' wierp Wiliam tegen. Hij wenkte sergeant Matthews. 'De jacht is uw genoegen, maar het achtervolgen van misdadigers is mijn taak.' Tegen Matthews zei hij: 'Begeleid de hertog terug naar zijn tent en verzorg zijn wonden. Ik wil hier twaalf man, bewapend en paraat.' Vervolgens wendde hij zich tot de Padvinder. 'Kijk of je zijn spoor weer kunt oppikken, maar pas op: het is een mens die je volgt, geen dier.'

Na een korte hoofdknik ging de Padvinder langs het woudspoor verder.

De hertog scheen op het punt om nogmaals tegen te stribbelen, toen prins Vladic zei: 'Kom, oom, laten we die wond gaan verzorgen. De jacht op magiërs komt later wel.'

De hertog bekeek het spoor, en keek toen Wiliam een tijdlang schattend aan. Met een instemmend hoofdknikje draaide hij zich om en begon aan de terugweg naar het kamp.

Een poosje later verschenen er twaalf soldaten, bewapend en wel, en Wiliam gaf het startsein. 'We zoeken naar een hinderlaag, van een man dan wel van een panter, maar dat weten we pas wanneer hij toeslaat,' zei hij zachtjes. 'Bewaar voldoende tussenruimte.'

Wiliam ging voor, en iedere soldaat wachtte even alvorens de man voor hem te volgen. Een voor een liepen ze de nevelige bossen in.

 

Hoog in de lucht scheen de zon, maar diep in het woud was het nog steeds schemerig. 'Wat gek,' fluisterde de Padvinder. 'Het is donkerder dan je normaal gesproken zou verwachten.'

Wiliam knikte. 'Het is net alsof -' Hij zweeg. Hij kende de bezwering, maar wist niet hoe die werd genoemd. Ondanks dat hij op het eiland Sterrewerf was opgegroeid, had Wiliam nooit interesse in de studie van de magie getoond - iets wat een wig tussen Wiliam en zijn vader Puc had gedreven - maar enige kennis had hij er toch wel van opgedaan. 'Deze duisternis is een bezwering om alles donker te maken, zodat de gebruiker ongezien langs -' Ineens veerde hij rechtop en schreeuwde: 'Terug naar het kamp!'

'Is hij om ons heen gecirkeld?'

'Zijn doel is de hertog!' riep Wiliam, en hij rende al langs de soldaat achter hem heen. De anderen volgden snel. 'In looppas!'

De mannen vertrokken op een holletje. Nu ze niet stil meer hoefden te zijn, schoten ze flink op. Ze kwamen bij het punt waar de eerste aanval had plaatsgevonden. Wiliam hield zijn hand op, en nadat ze even halt hadden gehouden om op adem te komen, gingen ze weer op weg.

Verscheidene minuten was het enige wat Wiliam hoorde het gedreun van zware laarzen op de woudbodem, het kletteren van wapens en wapenrustingen, en de zwoegende ademhaling van de mannen. Niemand sprak, alsof iedereen zijn energie spaarde voor het gevecht dat hun straks mogelijk wachtte.

Wiliam hoorde het als eerste: toen ze het kamp naderden, bleek er te worden gevochten. Hij had twaalf man bij zich, zodat er acht soldaten bij sergeant Matthews in het kamp waren gebleven, samen met de bedienden en de dragers. Kazamir en de prins brachten het aantal weerbare mannen op elf, en Wiliam was er zeker van dat ook de hertog, ondanks zijn verwondingen, zijn mannetje zou staan. Wiliam vervloekte zijn eigen stupiditeit. Hij had een kardinale krijgsregel gebroken: nooit je strijdmacht opdelen, tenzij dat zonder meer in je voordeel is.

Hij was ervan uitgegaan dat er maar één magiër was. Hij had zich duidelijk vergist.

Tussen het wapengekletter door klonk het grommen en sissen van katachtigen, en Wiliam kreeg het eerste beest in het oog toen hij het kamp in kwam. Het was een grote panter, maar een gevlekte en geen zwarte, zoals de magiër in zijn katachtige gedaante. Terwijl Wiliam ernaar toe rende, zond hij zijn gedachten naar het dier: Vlucht! Slecht! Gevaar! Maar zijn geest stuitte op een barrière, een mystieke muur die voorkwam dat zijn gedachten de panter konden bereiken en dat hij de gedachten van de grote kat kon horen. In plaats van te vluchten, sprong de panter grauwend op hem af. Met de punt van zijn tweehandszwaard ving Wiliam het beest op, liet het door zijn eigen snelheid in een boog langs hem heen suizen en trok de zwaardpunt weer uit de borst van het dier. Jankend maaide de panter met zijn klauwen door de lucht, en bleef stuiptrekkend liggen tot hij stierf.

Behalve wilde dieren waren er ook mensen in het kamp. In het midden stonden drie mannen in gewaden, elk met een grote staf. Twee schenen in trance te verkeren, en meteen wist Wiliam zeker dat zij de zes grote panters die hij zag - plus het mogelijke aantal dat hij niet kon zien - bestuurden, terwijl de derde man de wacht over hen hield. Wiliam ging recht op de alerte magiër af.

Om zich niet van zijn doel af te laten brengen, sloeg Wiliam geen acht op de mannen die zich in kleine groepjes verweerden tegen grommende beesten die eendrachtig te werk gingen. De woeste dieren waren nu begiftigd met menselijke intelligentie, en probeerden iedere soldaat te grijpen wiens aandacht ook maar een ogenblik verslapte.

De magiër zag Wiliam aan komen rennen en hief zijn staf op, ermee wijzend naar de jonge officier. Wiliam maakte zich op om opzij te springen, maar zonder te weten wat voor een bezwering er kwam kon hij onmogelijk het goede moment daarvoor bepalen.

Ineens stroomden er pijngolven door hem heen, en achter hem hoorde hij de soldaten gillen. Wiliam nam nog een wankele stap en besefte dat hij nog steeds kon lopen, ondanks dat zijn lijf van zijn haarwortels tot aan zijn teennagels pijn deed. De magiër die met zijn staf naar hem wees, keek hem geschrokken aan toen hij niet viel. Met grote ogen liet de man zijn staf vallen, trok een dolk en sprong met een beestachtige grom van woede op de wankelende luitenant af.

Zoals hij ook bij de panter had gedaan, hoefde Wiliam alleen maar zijn zwaard omhoog te brengen. De punt trof zijn belager in de borst. Maar in plaats van het zwaard in een boog opzij te zwaaien, duwde Wiliam met al zijn kracht door, zodat de magiër zich letterlijk op zijn zwaard spietste. Zijn ogen puilden uit, draaiden omhoog in de kassen, en terwijl de dolk uit zijn vingers gleed, stierf hij.

Wiliam liet hem vallen en rukte zijn zwaard los. Hij keek om en zag zijn metgezellen op de grond liggen, kronkelend van pijn.

De rondom hem grommende beesten en gillende mannen zeiden hem dat hij niet veel tijd had. Hij hief zijn zwaard en sloeg naar de dichtstbij staande magiër, de man die hij in de herberg had ontmoet en die zichzelf had voorgesteld als Jaquin Medosa. Toen de kling hem trof, was het alsof hij tegen een eik sloeg. De man wankelde, maar viel niet. Dat verbaasde Wiliam niet eens, want zijn hele leven had hij al gezien wat magie kon bewerkstelligen, en hij begreep dat deze tegenstander meer was dan alleen maar vlees en bloed. Sommige magiërs die er tenger uitzagen konden een paard optillen, of een zwaardhouw of een pijlpunt afweren.

Heel even richtte 's mans concentratie zich op Wiliam, maar voordat hij zijn krachten tegen hem kon verzamelen, haalde de jonge officier nogmaals uit met zijn zwaard en hakte een arm van het lichaam. Krijsend viel de magiër om terwijl het bloed uit zijn schouder spoot. Genadeloos drukte Wiliam de punt van zijn zwaard in 's mans keel en maakte een eind aan diens leven.

Daarna was ook de laatste magiër snel geveld, en ineens veranderde de toon van het gevecht om hem heen. Het woedende gegrom van de beesten maakte plaats voor angstig gejank. Maar zelfs nu de bezwering was verbroken, zouden de panters doorgaan met vechten. 'Iedereen langzaam achteruit!' schreeuwde Wiliam. Bevrijd van hun betovering waren ze niet minder gevaarlijk, en als hij de grote katten niet snel wegwist te jagen, zouden er nog meer mannen lijden.

Hij sloot zijn ogen, riep het beeld op van een razende leeuw, en stelde zich het gebrul voor waarmee het beest de panters de toegang tot zijn territorium zou ontzeggen. Geen panter zou een volwassen leeuw aanvallen als hij de kans had ervandoor te gaan.

Meteen begonnen de panters het kamp te ontvluchten. Verscheidene mannen schreeuwden opgelucht, en nadat er nog een paar momenten was gevochten, werd het stil in het kamp. 'Sergeant Matthews!' schreeuwde Wiliam.

'Heer,' klonk het antwoord zwak. De sergeant verscheen in zicht, hevig bloedend uit een veelheid aan wonden in zijn linkerarm.

'Laat uzelf verzorgen en kom verslag uitbrengen,' zei Wiliam.

Hertog Radswil en zijn zoon kwamen uit hun tent, beiden onder het bloed. 'Is alles goed met u, Excellentie?'

De hertog knikte en keek rond. 'Al die rotkatten. Het slaat nergens op. Panters jagen altijd alleen-'

Kazamir werd bleek en riep: 'Kijk!'

Wiliam keek naar de drie magiërs die hij had gedood, en zag hun lichamen veranderen. Samen met de anderen was hij getuige van een tafereel dat maar weinig stervelingen ooit te zien kregen: een magiër die terugkeerde tot zijn totemgedaante. De tweede magiër die Wiliam had gedood, de man die zo verrassend sterk was geweest, was een enorme zwarte panter. Wiliam ging hem bekijken. 'Dit was het beest dat u al eerder had aangevallen, Excellentie.'

'Hoe weet u dat?' vroeg de hertog, even bleek als zijn zoon.

'Hier had ik hem verwond,' antwoordde Wiliam, wijzend naar een plek op zijn linkerzij. Daarop wees hij hem op de afgehouwen arm. 'En hier heb ik hem zijn arm afgehakt. Dit was de man die gisteren in de herberg zat, Jaquin Medosa.'

Prins Vladic, beduidend minder verwond dan zijn oom en neef, stapte achter hen vandaan. 'Ik heb hem ook herkend.'

'U hebt het overleefd,' zei Wiliam, duidelijk opgelucht.

'Mijn oom en neef zijn helden,' zei Vladic. 'Ze smeten de tafel op zijn kant om ons te verdedigen. Ik vrees dat ze behoorlijk gewond zijn geraakt bij hun inspanningen om mij te beschermen.'

'En de prinses?' vroeg Wiliam.

'Die stond achter mij,' antwoordde Vladic. 'Ze ligt bij te komen in de tent.'

Wiliam nam de schade op. 'Hoeveel panters?'

'Minstens twaalf,' antwoordde een van de soldaten. 'Misschien meer, luitenant.'

Wiliam schudde zijn hoofd. 'Totem-ontbieding. Een zeldzame, maar krachtige magie. Degenen die u willen vermoorden, Excellentie, bedienen zich van lieden met een grote kundigheid. Niet veel mensen zijn in staat tot wat deze drie hebben gedaan.'

'Dat is zeer vleiend, luitenant,' zei de hertog, 'maar deze mannen kwamen niet om mij te vermoorden.'

'Heer?' vroeg Wiliam.

'Ze hadden het op mij gemunt,' verduidelijkte Vladic. 'Ze hadden mijn oom makkelijk genoeg kunnen vermoorden, maar ze negeerden hem en kwamen recht op mij af.'

Dat begreep Wiliam niet.

'Ik kan het wel uitleggen, denk ik,' zei de hertog, ineenkrimpend vanwege zijn verwondingen. 'Had u mij niet terug naar het kamp gestuurd, dan zou ik met u en uw mannen nog op jacht zijn geweest toen de panters het kamp overvielen, en zou vrijwel zeker iedereen hier zijn gedood. Ik kan het nader uitleggen als deze wonden zijn verzorgd, maar in het kort komt het erop neer dat iemand uit is op de dood van de Kroonprins van Olasko. Iemand wil de Kroonprins van Olasko dood hebben op de drempel van uw prins.'

Wiliam voelde een koude knoop in zijn maag. Dit was geen moordaanslag op een edelman uit een naburig koninkrijk; dit was een poging om een oorlog te ontketenen.