Met open ogen

‘Heb jij je ma gehoord? Ik ook!’ zei Dries tegen Tess terwijl ze naar het glazen gebouw in het midden van het plein liepen. ‘Tenminste, haar stem.’

Ja, alleen haar stem. Dat was niet zijn moeder. Dat kon niet.

‘Haar stem?’ vroeg Tess toen ze de glazen deur van het grote gebouw openduwden. ‘Hoe bedoel je?’

‘Ze zei veel te rare dingen om mijn ma te kunnen zijn. Mijn moeder is niet zo’n slijmbal. Die zegt niet “lieve schat” en zo. Die loopt niet de hele tijd te vertellen hoe mooi of knap je wel bent. Mijn mama is cool. Of koel, zoals je wilt.’

Tess bleef staan en keek Dries aan.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Dat klinkt niet als een warme moeder.’

Dries schudde zijn hoofd – ‘Gekkerd.’ – en duwde de deur helemaal open.

Een koele schemering viel over hen heen toen ze het gebouw binnenstapten. Hun ogen moesten even wennen, maar het galmen van hun stappen vertelde hun dat ze een grote zaal in waren gelopen.

‘Is hier iemand?’ riep Dries en de echo droeg zijn vraag de kamer rond.

‘Moeder?’ vroeg Tess.

‘Dat was de echo’, zei Dries.

‘Nee, ze zei “kom dichterbij”. Hoorde je dat niet?’

Dries draaide zich om naar Tess, die voor zich uit staarde en naar voren stapte.

‘Ja, moeder’, zei Tess en ze stapte vooruit.

Dries bleef naast haar meelopen. Hij was blij dat hij Jonas’ jasje aanhad, want het was hier heel wat koeler. Hij sloeg zijn armen om zich heen, zodat de schoenen zijn wangen raakten.

‘Heb jij het niet koud?’ wilde hij Tess vragen, want zij had korte mouwen. Ze leek echter helemaal niks van de kou te voelen. Ze bleef voor zich uit staren, knikte en liep toen vooruit. Steeds sneller.

‘Hé, Tess. Rustig. Niet rennen, weet je nog?’

Hij snelde achter haar aan en merkte dat ze een hoge wand naderden. Een hoge spiegelwand, die de schemerige ruimte doorsneed. De enige lichtpunten leken de deuropening achter hen … en hun spiegelbeelden.

‘Stop!’ riep hij Tess toe.

‘Nee’, zei Tess vlak. ‘Moeder zegt dat het goed is.’

Moeder? Tess hoorde weer die rare stem. Geloofde ze echt dat het haar moeder was?

‘Ik weet niet of je je spiegelmoeder altijd moet vertrouwen, hoor’, zei Dries, maar Tess luisterde niet.

‘Malle mama’, reageerde ze toonloos. ‘Mama weet wie je echt bent.’

‘Tess, hou op.’

Ze bleef naar de spiegelwand stappen, starend.

Dries versnelde en sprong voor Tess om haar de weg te versperren.

‘Ga opzij, Dries.’ Ze duwde hem weg, terwijl ze haar ogen op de spiegel gericht hield. ‘Kijk dan toch.’ Ze zei het niet dwingend, niet smekend, niet ongeduldig, maar zoals ze “ik ben moe” gezegd zou hebben vlak voor het slapengaan. ‘Kijk dan toch.’ Slaperig, zonder weerstand. ‘Kijk dan toch.’

‘Nee!’ riep Dries. Hij ging weer voor haar staan, maar Tess wiekte hem opzij met een kracht die niet bij haar stem paste. Dries schoof onderuit, belandde op zijn zij en zag hoe Tess op haar schitterende spiegelbeeld af stapte.

Maar opeens veranderde Tess. Of liever, haar spiegelbeeld. Hij zag niet langer dat gothic meisje in de spiegel, maar zijn eigen moeder, kleurrijker en fraaier dan hij haar ooit had gezien. Ze zag eruit als een filmster uit een modeblad of op affiches voor parfums, waar Jonas zo dol op was. Haar haren golfden om haar gezicht. Een witte zomerjurk danste om haar lijf. Ze straalde en zag er zowel lief en mooi als krachtig uit. Zijn slimme mama maal duizend.

‘Mama?’ vroeg hij.

‘Schatje’, zei een stem in zijn hoofd.

Tess liep tot tegen de spiegel, tot bij zijn supermama, die opeens vooroverboog. Haar spiegelgezicht puilde uit de wand naar Tess. Uit de spiegel. Tot hun voorhoofden elkaar raakten. Ze keken elkaar aan, Tess en zijn moeder, nee, niet zijn moeder, valse moeder, malle moeder. Ze leken elkaar af te tasten. Oog in oog. Gezicht tegenover gezicht. Zwart tegenover wit.

Opeens knalden de ogen van het supermamaspiegelbeeld naar voren, recht in de ogen van Tess.

Dries gilde, wankelde achteruit, viel op zijn knokkels, voelde Jonas’ schoenen in zijn handen en gooide die toen zo hard als hij kon naar de spiegelwand.

Dries zag de schoenen door de lucht suizen. Hij zag hoe het glas ingedeukt werd waar de eerste schoen de spiegel raakte. Hij kon bijna voelen hoe het glas zich uitrekte, uitstrekte, als een ballon die terugdeinst voor een priemende vinger. En toen de tweede schoen tegen de spiegel sloeg, scheurde en knalde het glas uiteen. Dries hield zijn handen voor zijn gezicht toen duizenden fragmenten licht en geschitter uiteensprongen.

Scherven spiegelglas vielen om hem heen. De hele wand scheurde weg – klaterend, kletterend.

Tess viel voorover.

Toen het geraas van vallende glasscherven was weggestorven, stond Dries op. De wand was weg en nu zag hij wat erachter had gelegen. Honderden ogen keken hem vanuit die ruimte aan.

Hij schudde de scherven uit zijn haar, van zijn jas, van Jonas’ jas.

Even keek hij naar Tess. Ze lag voorover tussen de scherven. Hij raakte haar aan. Haar borstkast ging op en neer, wat hem geruststelde. Hij overwoog haar wakker te schudden, maar kon het niet laten weer naar de ogen te kijken.

Ogen die hem volgden. Ogen in gezichten in lichtbruine, rozige nissen aan de wand. Gezichten, honderden gezichten. Gestolen door die bedrieglijke spiegelwand, begreep Dries opeens. De poppen buiten waren helemaal geen poppen, maar beroofde mensen, die hun gezicht hadden verloren. En hun ogen rustten nu op Dries.

‘Jonas?’ riep Dries, terwijl zijn blik over de vele gezichten gleed.

De gezichten keken mee.

‘Wie?’ schraapte een van de gezichten haar keel. ‘Wie is Jonas?’

‘Mijn broer.’ Dries liep naar het gezicht dat de vraag had gesteld. ‘Hij droeg dit jasje toen hij hier aankwam. Iets kleiner dan ik. Blond. Veel sproetjes.’

‘De naam zegt me niks.’

‘Een maand geleden?’ riep een ander gezicht. Dries rende erheen.

‘Ja, ongeveer. Heb je hem gezien?’

‘Misschien. Maar hij had geen jasje aan. Hij was … eh …’ Het gezicht keek om zich heen. ‘… naakt.’

Enkele andere gezichten vielen hem bij.

‘De naakte jongen? Die heb ik ook gezien. Ben je zeker van de naam?’

‘O ja, die. Ik heb hem een dubbeltje gegeven.’

‘Een dubbeltje?’ vroeg Dries.

‘Ja, hij bedelde erom.’

‘Bedelen? Jonas? Waarom?’

‘Geen idee.’

‘Is hij hier?’

‘Nee’, zei de een. ‘Niet aan de wand’, zei een ander. Een derde gaf hem gelijk. En een vierde. En een vijfde. Alle gezichten waren het er blijkbaar over eens: Jonas was zijn gezicht niet kwijtgeraakt.

‘Nee, hij is weggelopen toen hij zijn blote lijf zag’, mompelde een oud vrouwengezichtje. ‘Hoewel Mallemoer zei dat hij een knappe kerel was.’

‘Hij had door dat Mallemoer altijd liegt. Dat ze zegt wat je wilt horen.’

‘Wat ze denkt dat je wilt horen.’

‘Mallemoer spreekt altijd de waarheid!’

‘Nee, ze liegt!’

‘Ze troost!’

‘Ze bedriegt!’

‘Ze bedroog. Ze is stuk!’

‘Gebroken! Schitterend.’

‘Haha, die is goed. “Schitterend”!’

‘Zeg, kletskousen’, riep opeens een oudere stem boven het rumoer uit. ‘Dat is allemaal erg interessant, en ik ben ook heel blij dat die Mallemoerspiegel kapot is, maar kunnen we niet beter uitzoeken hoe we weer bij onze lichamen komen?’

‘Daar hebben we al over nagedacht, opa,’ riep een ander gezicht, ‘en we hebben geen antwoord gevonden.’

‘Nu is de situatie anders!’ riep het oude gezicht.

De gezichten begonnen nu hierover te discussiëren.

Dries wendde zich af. Hij wist wat hij wilde weten. Jonas was ontsnapt.

Hij ging naar Tess, die nog steeds op de grond lag tussen de spiegelscherven, en knielde naast haar. Hij legde zijn hand op haar rug en schudde haar zachtjes.

‘Tess?’

Hij wilde er ‘Leef je nog?’ achteraan gooien, maar bedacht zich. Wat een stomme vraag, vond hij.

Ze kreunde. Dries glimlachte.

Hij begon de scherven van haar kleren te vegen.

‘Jonas is hier niet’, vertelde hij. ‘Hij is hier wel geweest en heeft blijkbaar al zijn kleren uitgetrokken, en hij heeft weer een dubbeltje …’

Toen zweeg hij plots en hij greep naar een scherf die half onder haar jurk lag.

Tess kwam kreunend en traag overeind. Ze trok haar benen op, kromde zich op handen en knieën, kreunde nog eens, en kraakte toen paniekerig: ‘Dries?’

‘Ssst’, slikte Dries.

‘Dries? Is het licht uit?’

Dries schudde zijn hoofd. Vanaf de scherf in zijn handen keken de ogen van Tess hem droevig aan.