|
5 |
Noord-Estland heeft twee gezichten. Direct ten oosten van Tallinn in het Nationaal Park Lahemaa is het allemaal prachtig en afwisselend: bossen, watervallen, kliffen aan zee, herenhuizen en de typisch Estse plaats Rakvere. Ga je verder in oostelijke richting, dan lijk je in een ander land terecht te komen. Niet alleen vanwege de kale vlaktes en de natuurlijke scheidslijn gevormd door kalksteenplateaus, maar ook vanwege de totaal andere cultuur.
De kans is namelijk klein dat je er de pas geleerde Estse woorden kunt uitproberen, want in het noordoosten wonen vrijwel alleen Russen. Hoge werkloosheid als gevolg van de sterk teruggevallen industrie zorgen voor veel armoede. Vooral rondom Kohtla-Järve, waar zich de beruchte olieleisteenmijnen bevinden, is de levensstandaard laag.
De meeste toeristen laten het oosten daarom links liggen, ook met de gedachte dat er niets te zien valt. Enigszins begrijpelijk, want lang was het een onaantrekkelijk industriegebied waar milieuvervuiling hoogtij vierde. Maar nu de stof- en oliewolken langzamerhand optrekken, komt ook daar een aantrekkelijk landschap tevoorschijn. Bovendien zijn er enkele bijzondere bezienswaardigheden, zoals het kasteel van Narva, dat al eeuwenlang uitkijkt op een fort aan Russische zijde. Daarnaast is er een groot aantal herenhuizen.
De bodem rondom Tallinn is rijkelijk gevuld met kalksteen. De betonnen buitenwijk Lasnamäe is er zelfs op gebouwd, wat goed te zien is als je door de canyon richting de snelweg naar Narva rijdt. Ook in de oude stad is menig kalkstenen gebouw te vinden, de stadsmuur en zijn torens voorop. De laatste vertonen ook veel overeenkomsten met de mysterieuze en eeuwenoude Sahakapel die eenzaam in het veld staat bij het gehucht Loo, niet ver buiten Tallinn. Weer een stukje verderop, na de fosformijnen van Maardu, ligt in de weide tussen de snelweg en het plaatsje Kostivere een gebied met karstland. Dit zijn ondergrondse grotten en tunnels die zijn ontstaan uit opgelost kalksteen. Sommige zijn ingestort waardoor de holtes goed zichtbaar zijn. Stukken steen die beter bestand waren tegen de erosie hebben grappige (paddenstoel)vormen aangenomen. In de lente staan de grotten onder water.
Aan de andere kant van de zandweg ligt een groep cirkelgraven uit de late bronstijd (800 v.Chr.). Ze zijn ontdekt bij de aanleg van de snelweg, waarna ze enkele meters verplaatst werden direct naast de weg. In het nabijgelegen gebouwtje zijn de bronzen kunstvoorwerpen tentoongesteld die men met de botten in de graven heeft gevonden.
Terug op de snelweg is het uitkijken naar de afslag naar Koogi. Deze brengt je bij de Jägala-waterval, de grootste van Estland. Er staan banken om te picknicken. Voor een maaltijd kun je ook even doorrijden naar de Kiiu-toren, een kleine fortificatie uit de 16de eeuw en nu een restaurant. Men schenkt er de lokale Kiiu Torn, een zoete, gele likeur gemaakt van ei.
In de omgeving van het gehucht Muuksi worden regelmatig archeologische opgravingen gedaan. De opmerkelijkste zijn de kalkstenen fundamenten van een groep van 80 prehistorische grafkamers, de Hundikangru. Oorspronkelijk hadden ze een hoogte van 30–150 cm en een diameter van 8–13 m.
In Kolga ligt een indrukwekkend 17de-eeuws landgoed met veel bijgebouwen. Het classicistische herenhuis heeft flink geleden onder de revolutionaire ongeregeldheden aan het begin van de 20ste eeuw, maar restauratiewerkzaamheden zijn gaande.
Lahemaa, ‘het land van inhammen’, is het oudste en grootste nationale park van Estland. Vier baaien en evenveel schiereilanden tekenen de prachtige kustlijn die verder versierd wordt met enorme zwerfkeien die hier via gletsjers vanuit Finland en Zweden terecht zijn gekomen. Een deel van het park ligt op het Baltische Glint. Dit kalksteenplateau zorgt aan de Estse westkust voor diepe afgronden, maar is hier nauwelijks zichtbaar omdat de hellingen zijn begroeid met bomen. Op het kalksteen ligt een dun laagje grond, alvars genoemd. Het heeft maar een beperkte groei, voornamelijk naaldbomen en jeneverbesstruweel. In het achterland zul je echter ook veel sparren tegenkomen. Daarbij groeien er in Lahemaa meer dan 1000 verschillende plantensoorten, nog eens aangevuld met een uitgebreid arsenaal aan paddenstoelen en bessenstruiken. Ook de Estse fauna, waaronder de bruine beer, is voor het merendeel in het park vertegenwoordigd.
Noordoost-Estland
Klik op een van de volgende deelkaarten voor een vergroting:
linksboven, rechtsboven, linksonder en rechtsonder.
Viru-moeras
Aan de snelweg naar Narva bij de afslag Loksa ligt een van de mooiste moerassen van het land. De typische moerasbomen en planten, modderpoelen, vogels en insecten: alles is van zeer dichtbij te zien doordat er dwars doorheen een plankenpad (3,5 km) is aangelegd. Zo kun je op zoek naar de ronde zonnedauw, een kleine vleesetende plant die te herkennen is aan de rode blaadjes met kleverige klierharen. Wees niet bang, ze eten alleen insecten en spinnen. Bessen groeien er in overvloed, waaronder de vitaminerijke bergbraambessen die zonder problemen geplukt kunnen worden. Halverwege het traject staat een uitkijktoren vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over het moeras en zijn poelen.
Vanaf de E20 over de afslag richting Valgejõe ligt de schattige waterval van Nõmmeveski. Als deze je niet kan bekoren, dan toch zeker wel die van Joaveski 3 km verderop. Deze bestaat uit verschillende terrassen, ontstaan uit het Baltische Glint.
Käsmu
De kust bij het pittoreske gehucht Käsmu is ongeveer de mooiste van Estland. De baai hier ligt vol met zwerfkeien en in de punt is een eilandje waar je bij laag water naartoe kunt lopen. Geen wonder dat rijke zakenlieden hier een zomerhuisje hebben laten bouwen om van het strand en de bossen te genieten. Käsmu wordt ook wel het ‘kapiteinsdorp’ genoemd omdat het een soort rustoord was voor gepensioneerde zeelieden. Het dorp heeft een clandestien verleden: in de 19de eeuw was het berucht om de zoutsmokkel en aan het begin van de 20ste eeuw werd illegaal wodka aan Finland verhandeld. Later bouwden de Sovjets hier een controlepost en om te voorkomen dat mensen naar Finland zouden vluchten, was het verboden om het water in te gaan. Een klein Maritiem Museum naast de uitkijktoren heeft een merkwaardige collectie onder andere bestaande uit allerlei oude ansichtkaarten, een reconstructie van een prehistorische boot en aangespoelde flessen. Je kunt er gratis in. Op de rand van het dorpje staat een mooi houten kerkje met een kerkhof. Tevens begint hier een wandelroute door de bossen die langs Estlands grootste veld met zwerfkeien gaat.
Lahemaa heeft meer te bieden. Võsu is een grotere plaats met een mooi zandstrand en is heel geschikt als uitvalsbasis bij een langer verblijf. Altja is een schilderachtig vissersdorpje, benadrukt door reconstructies van traditionele schuren, een café en twee vissershuizen. Overigens is er een 10 km lange wandelroute tussen de twee plaatsen. Vanuit Altja gaat een oude weg langs de kust naar Vainupea, ideaal om per fiets te doen.
Bij Oandu ligt een ander wandeltraject (4,7 km). Interessant hieraan zijn de verschillende soorten bos, mos en planten die je tegenkomt. Een kilometer verderop begint een beverpad (1 km). De bevers zelf laten zich niet zo snel zien, maar de dammen zijn het bewijs van hun aanwezigheid. In de meest zuidoostelijke hoek van het park bij Viitna is nog een mooie wandelroute (2,5 km) langs het Pikkjärv. Voor meer informatie over de Estse natuur is er het Bosmuseum in het classicistische herenhuis (1749) van Sagadi.
BOSMUSEUM. Geopend: ’s zomers dag. 11–17 uur. Anders op
verzoek.
Palmse
Een kronkelige weg vanuit Sagadi brengt je naar het prachtige landgoed van Palmse, dat behoorde aan de succesvolle familie Von der Pahlen. In tegenstelling tot de meeste Baltische baronnen leefden zij op goede voet met de lokale boeren. Het hoofdgebouw dateert uit 1740 en ziet er, nu het gerestaureerd is, weer uit als nieuw. In het voormalige badhuis is een café gevestigd met uitzicht op de vijver en het park achter het landgoed. Het oude opslaghuis dient als museum met antieke auto’s en motoren; de voormalige brouwerij is nu een hotel met restaurant; het ruiterhuis herbergt een boek- en souvenirwinkel; de schuur wordt gebruikt voor tentoonstellingen. Tevens is er een boomgaard en een wintertuin, terwijl de stallen als bezoekerscentrum worden gebruikt. Verderop in Ilumäe staat een stenen kapel waar de adellijke familie begraven ligt.
BEZOEKERSCENTRUM. Geopend: ’s zomers dag. 9–19, sept. dag.
9–17 en ’s winters ma.–vr. 9–17 uur.
Groen en grijs in het noordoosten
Rakvere
Westelijk Estland wordt in stijl afgesloten met de provincieplaats Rakvere. Gelegen op een kruispunt van handelswegen was het in de middeleeuwen een welvarend Hanzestadje, maar na de Lijflandse Oorlog was daar weinig meer van over. Sindsdien is het een stil plaatsje met een kleurrijk houten centrum. Vooral in Pikk, de oudste straat van de stad, staan mooie huizen. Op de nabijgelegen heuvel prijkt een prachtig 13de-eeuws kasteel, ooit eigendom van de Hollandse edelman Reinhold von Brederode. Tegenwoordig houdt dit het midden tussen een ruïne en een volwaardige burcht. Op de binnenplaats zijn voor kinderen een schommel en een wip neergezet. Ook kunnen ze proberen met pijl en boog te schieten. Het kasteel zelf is als museum ingericht, eveneens vooral bedoeld voor kinderen. Zo is er een martelkamer waar blijkt of je naar de hemel of de hel gestuurd zult worden. Apart is de eetzaal waar middeleeuwse eetgewoonten en recepten te zien zijn. Daarnaast kun je over de weergang lopen voor een prachtig uitzicht op het centrum en een oude Hollandse molen (nu een café).
RAKVERE KASTEELMUSEUM. Geopend: ’s zomers di.–zo. 11–19
uur.
Richting de olieleisteenmijnen
De eerste grote plaats na Rakvere is Kunda, op zich mooi aan de kust gelegen. Borden verwijzen naar een kasteel en vanuit de verte zie je een kolossale grijze constructie staan: dit blijkt niet het kasteel te zijn (waarvan alleen de funderingen nog bestaan), maar een cementfabriek die de plaats jarenlang in een grijze deken hulde.
Je bent dus in industrieel Estland aangekomen. Dit wordt nog eens geïllustreerd door de bergen van opgehoopt as uit de mijnen, niet veel verder bij Kiviõli. Toch is het niet allemaal zo bedroevend. Iets ten westen van Kunda liggen bij Toolse direct aan zee pittoreske kasteelruïnes (1473). Estlands grootste reuzenkei bij Letipea is ook niet ver weg. Terug op de snelweg naar Narva heb je mooie uitzichten op zee, vooral tussen Aseri en Aa. In Ontika bereikt het Baltische Glint de kustlijn, maar door boomgroei zie je er niet veel van. Spectaculair is de Valaste-waterval (25,6 m hoog) waar een trap naar beneden is gebouwd zodat je een perfect zicht op de rotswand hebt.
Ongeveer 11 km verderop ligt het kuuroord Toila, een bron van rust. In het park stond de zomerresidentie van president Konstantin Päts, maar het Russische leger liet hier in 1941 alleen het terras (met uitzicht op zee) van over. Het mooi ingerichte park doet het gemis echter vergeten. Een begraafplaats voor Duitse soldaten ligt idyllisch tussen de bomen aan zee.
Kohtla-Järve
Het echte industriegeweld concentreert zich rondom Kohtla-Järve. In de sovjettijd zag de lucht hier dag en nacht zwart van de as en stof die uit de schoorstenen van de olieleisteenmijnen werd geblazen. Olieleisteen is leisteen die ontstaan is bij de vorming van aardolie op de zeebodem. Het wordt gebruikt voor de opwekking van energie en het maken van olie en chemische producten. Het is erg vervuilend en je hebt er veel van nodig. Bovendien blijft er veel as en troep achter, waardoor er enorme asbergen en grote meren met vervuild water rondom de stad liggen. Ondertussen zijn er dure filters op de meeste schoorstenen gezet waardoor de luchtkwaliteit een stuk beter is, maar nog steeds zijn de mijnen erg vervuilend. De Estse regering kan ze echter moeilijk compleet sluiten, want er werken veel mensen en het is belangrijk voor de economie. Het is ook de enige manier van energieopwekking in Estland en de Esten zijn bang om in Rusland elektriciteit of gas te kopen.
Kohtla-Järve is tegenwoordig een desolate stad met betonnen flats waarvan je jezelf afvraagt hoe het mogelijk is dat ze nog niet zijn ingestort. Toch wonen er bijna 50.000 mensen en daarmee is het de vierde stad van het land. Vijftien jaar geleden waren het er nog veel meer, toen de mijnen nog op volle toeren draaiden. Er hangt een vreemde, gelaten sfeer. De grauwe asbergen die de plaats omringen zorgen voor een haast surrealistisch tafereel. De inwoners zijn overheersend oudere mensen van wie bij de meesten het leven lange hard werken in de mijnen van de gezichten valt af te lezen.
Des te schrijnender is het geïdealiseerde beeld van het leven in de mijnen dat in het gedateerde Olieleisteenmuseum wordt gegeven. Veel beter kun je naar het Mijnpark Museum in het dorpje Kohtlanõmme gaan, 10 km verderop. Met een helm, lamp en warme jas word je zelf de mijnschachten ingestuurd, wel onder leiding van een gids. Je krijgt uitleg over de werking van de diverse machines, maar het leukste is dat je ook zelf aan de slag kunt als mijnwerker. Voor beide musea is het wel handig om van tevoren even te bellen voor een afspraak. Het toeristenbureau in Jõhvi is hierbij erg behulpzaam. Deze iets grotere plaats is ook handig als uitvalsbasis bij een langer verblijf in de noordoostelijke regio.
OLIELEISTEENMUSEUM, Kohtla-Järve, Keskalle 19. Bezoek op
afspraak, tel. 3344701.
MIJNPARK MUSEUM, Kohtla-Nõmme, Jaama 1. Geopend: ma.–vr. 10–17, za. en zo. 11–15 uur, tel. +372 3324017.
TOERISTENBUREAU, Jõhvi, Rakvere maantee 13a. Geopend: ma.–vr. 10–18 en za. 10–14 uur.
Verscholen tussen de heuvels ten zuiden van Jõhvi ligt bij Kuremäe een bijzonder klooster. Zo’n 80 Russisch-orthodoxe nonnen leven daar al ruim een eeuw ongestoord in hun eigen wereldje, oorlogen en machtswisselingen ten spijt. Voor voedsel trekken ze iedere ochtend naar de akkers, om tegen de avond met zakken aardappels en andere groenten weer naar het convent terug te keren. Onkosten worden gefinancierd met de opbrengsten uit donaties en souvenirverkoop. Het Pühtitsa-klooster zelf lijkt op een sprookjesachtig fort met als blikvanger een vijfkoepelige kerk. Daaromheen staan tal van bijgebouwen, tuinhuisjes, woningen en zes kleinere kerken. Je kunt er overigens blijven slapen, te midden van de pelgrims waarvan er jaarlijks een paar duizend komen aanlopen.
PÜHTITSA-CONVENT. Geopend: dag. 12–18 uur. Gratis te
bezoeken. Indien afhankelijk van openbaar vervoer, plan je bezoek
zorgvuldig, want er rijden slechts 6 bussen per dag op en
neer.
Second hand
Het grootste gedeelte van de Russisch sprekende bevolking in het noordoosten spreekt geen Estisch, laat staan Engels. Er is echter één Engels begrip dat ze maar al te goed kennen: second hand. In elke grote straat is er wel een winkel waar je voor een paar kronen tweedehands kleren kunt kopen. Het is echt voor de armere mensen of je moet totaal niet om je uiterlijk geven, want de kwaliteit is erbarmelijk. Verwacht geen grappige, flitsende kleding voor verkleedfeesten: de kleur grijs is troef en veel dateert nog uit de sovjettijd. Veel van deze kleren komen als humanitaire hulp uit Zweden, Finland en Noorwegen. Op de een of andere rare manier komen ze in winkels terecht. Vaak geven kerken gratis kleren weg. Soms vraagt men een kleine vergoeding per kledingstuk. De Estse regering heeft onlangs bepaald dat Estland inmiddels rijk zou zijn en geen humanitaire hulp uit het buitenland meer nodig heeft. Vanuit Scandinavië komen er echter nog veel transporten met hulpgoederen naar Estland. Het bewijst dat er voor een deel van de bevolking van Estland (maar ook in Letland en in Litouwen) toch weinig is veranderd.
Tussen Jõhvi en Narva ligt het plaatsje Sillamäe. De buitenwijken en de beruchte voormalige uraniumfabriek die vanaf de snelweg te zien zijn, doen vrezen voor weer een sovjetmisbaksel, maar het tegendeel is waar. Zo kan stalinistische architectuur dus ook zijn! Hier komen de lange, brede, met bomen geflankeerde straten wel tot hun recht en in plaats van betonblokkenflats staan er voornamelijk grote neoclassicistische gebouwen. Het stadje heeft een stadhuis in de vorm van een Lutherse kerk met daarvoor een groen pleintje dat vanaf een brede trap uitzicht biedt op zee, terwijl het meeste lawaai op straat komt van de piepende wielen van kinderwagens. Het lijkt Zuid-Frankrijk wel.
In het meest noordoostelijke puntje van Europa ligt een stad met een identiteitsprobleem. Twee machtige kastelen, slechts gescheiden door een rivier, markeren sinds mensenheugenis de grens tussen oost en west, tussen Estland en Rusland. Ook nu nog staat de grenspost direct aan de overzijde van de brug. Narva is een historische grensstad met een rijk verleden. In de middeleeuwen was het minstens zo rijk en machtig als Tallinn, in de 17de eeuw was het een belangrijke havenstad binnen het Zweedse rijk, terwijl het in de 19de eeuw goed garen spon bij de oprichting van de textielfabriek Kreenholm. Al met al verging het Narva aan het begin van de 20ste eeuw redelijk voorspoedig. Het had een prachtig barok centrum uit de Zweedse tijd en het was een stad van en voor de Esten.
Vrijwel niets hiervan is nu nog terug te zien. Als geen andere stad in Estland heeft Narva te lijden gehad onder de Tweede Wereldoorlog. In 1944 werd de complete binnenstad weggevaagd tijdens een Russisch bombardement, inclusief een groot deel van de mannelijke bevolking.
Narva moest na de oorlog dus door de Sovjets helemaal opnieuw worden opgebouwd, wat gebeurde op de welbekende fantasieloze wijze. In plaats van te restaureren ging de bulldozer er overheen en oerlelijke betonnen flatgebouwen werden de grond uitgestampt. Ze werden bewoond door immigranten uit Rusland die een baan kregen in de vervuilende hydro-elektrische centrale en meubelfabrieken.
Tegenwoordig ben je als Est in Narva een vreemdeling in eigen land. Ongeveer 90 procent van de bevolking spreekt alleen Russisch, wat overigens voor grappige spelfouten zorgt omdat alle officiële borden in het Estisch zijn. Wel zijn er sinds de onafhankelijkheid met succes grove maatregelen genomen om de vervuiling terug te dringen. Bovendien probeert de stad haar imago te verbeteren, bijvoorbeeld door plannen te lanceren om het oude centrum (gedeeltelijk) te restaureren. Er zijn echter te veel economische en maatschappelijke problemen die eerst moeten worden opgelost.
Kasteel
Het 13de-eeuwse kasteel is een van de weinige historische gebouwen die de oorlog hebben overleefd, al is men wel jarenlang bezig geweest om het te restaureren. De burcht met de opvallend hoge toren dateert nog uit de tijd dat de Denen noordelijk Estland onder controle hadden; de omringende bastions zijn in de Zweedse periode toegevoegd. Je kunt zonder probleem het kasteelterrein oplopen. In een van de hoeken van de binnenplaats wordt een standbeeld van Lenin bewaard; je komt ze bijna niet meer tegen. Het kasteel zelf is nu een stadsmuseum. Het biedt een overzicht van de geschiedenis van Narva sinds de 13de eeuw, met speciale aandacht voor de Zweedse gouden eeuw. Foto’s, schilderijen en een maquette geven een idee van hoe de oude stad er ooit uit heeft gezien. Vanaf de toren heb je een mooi uitzicht op de stad, de bastions en natuurlijk het Russische fort Ivangorod (1492).
STADSMUSEUM. Geopend: wo.–zo. 10–18 uur. Ingang aan
rechterzijde van de Hermann-toren.
De oude stad lag ten noorden van het kasteel, aan de andere kant van de grenspost. Zo hier en daar staat nog een barok huis uit de Zweedse tijd, zoals het oude stadhuis (1671) aan het Raekoja plats. De nog steeds draaiende Kreenholmfabriek ligt aan de andere kant van het fort, achter het bus- en treinstation bij een waterval.
In Narva zelf valt verder, behalve beton, niet veel meer te zien, maar je kunt nog wel een verrassend uitstapje naar Narva-Jõesuu maken. Stille schone zandstranden en een oogstrelend park met houten villa’s uit het begin van de 20ste eeuw. Het klinkt te mooi om waar te zijn, maar dit is op slechts 12 km van Narva te vinden. NarvaJõesuu is een van de mooiste onontdekte plekjes in Estland, of beter gezegd ‘vergeten’ plekjes want in de 19de eeuw was het een populair zomerresort. In de 20ste eeuw raakte het in verval, maar bleef toch gevrijwaard van vervuiling.
BEREIKBAARHEID NARVA-JÕESUU. Volg de rivier de Narva tot
aan zee. Onderweg passeer je enkele oorlogsmonumenten en een Duitse
begraafplaats. Vanuit Narva is er tevens een regelmatige
busverbinding.
De middenregio van het land wordt beheerst door het typische Estse leven: een simpel, teruggetrokken, voor de buitenstaander wellicht saai plattelandsbestaan. De schrijver Tammsaare geeft er een prachtige beschrijving van in Wargamäe, een van de belangrijkste romans uit de Estse literatuur. In zijn geboortedorp Albu is zijn familieboerderij ingericht als museum (geopend: wo–zo. 11–18 uur).
De grootste plaats in de omgeving is het knusse Paide. In de gerestaureerde toren van het 13de-eeuwse kasteel kun je een kop koffie drinken. Overigens speelde het kasteel een rol in de Estse geschiedenis, want in 1343 werden hier alle belangrijke leiders van een grote boerenopstand verraderlijk vermoord nadat ze door de Duitsers waren uitgenodigd om te onderhandelen. Het zou de definitieve onderwerping van de Esten betekenen.
In Türi, de lentehoofdstad, wordt elk jaar in mei een grote bloemenmarkt gehouden. Buiten het verder slaperige plaatsje ligt een grote groep ‘keileembulten’. Dit zijn uitgestrekte, ovale heuveltjes die zich zo hebben gevormd door vertakkende gletsjers. Vaak liggen ze parallel aan elkaar, aansluitend op een smal, langwerpig meer. Ze zijn karakteristiek voor het landschap van Centraal-Estland, evenals de talrijke herenhuizen. Van de laatste zijn er zelfs zo veel dat de staat geen geld heeft om ze allemaal te restaureren. De meeste verkeren namelijk in slechte staat. Aan het begin van de 20ste eeuw hadden de boeren er flink huisgehouden uit kwaadheid op de Duitse landheren en later raakten ze onder de sovjets nog meer verwaarloosd. Vandaar dat particulieren nu deze culturele nalatenschappen voor een schijntje kunnen opkopen. Sommige zijn al te krijgen voor 20.000 euro: in Tallinn heb je voor dit geld slechts een klein appartement.
Põltsamaa
Het kasteel van Põltsamaa moet er aan het eind van de 18de eeuw uitgezien hebben als een magnifiek rococopaleis dat in schoonheid kon wedijveren met het Winterpaleis in Sint-Petersburg. Maar helaas is het door oorlogen volledig verwoest en uitgebrand. Een enkele foto in het kasteelmuseum geeft nog wel een idee, maar daar blijft het verder bij. De 14de-eeuwse buitenmuren zijn wel bewaard gebleven en zien er nog indrukwekkend uit. Opmerkelijk is de kerk die in de muur is gebouwd: deze bestaat uit de oorspronkelijke artillerietoren en het pakhuis. Op de binnenplaats worden ’s zomers regelmatig concerten gegeven vanwege de geweldige akoestiek. Overigens was het kasteel van 1570 tot 1578 de residentie van de bisschop van Lijfland.
Vanuit Põltsamaa ligt op de weg naar Tartu het Alam-Pedja Natuurreservaat. Het is erg dun bevolkt: in het hele gebied (260 km2) staan slechts elf boerderijen. De bossen, moerassen en weides zijn nauwelijks aangetast door de mens en daarin ligt de bijzonderheid van dit park. Een gedeelte van het gebied is niet toegankelijk, maar bij Kirna en Selli (neem de afslag richting Palupõhja bij het kruispunt van Laeva) zijn wandelroutes uitgezet.
Een ander bijzonder reservaat is Endla, een moerasgebied (8162 ha) met een gecompliceerd ecosysteem. Het dient al jaren als studieobject. Doordat het water (het ligt in een bassin) blijft zakken, komt het laagveen steeds meer boven te liggen. Op sommige plekken heeft het een dikte van 7,5 m. Door het moeras is een 1,5 km lang traject aangelegd, voorzien van twee observatieposten.
Op de weg naar Mustvee worden de keileembulten steeds groter. De hoogste (60 m) vind je bij Laiuse, dat ook interessant is vanwege de pittoreske ruïnes van een 14de-eeuws kasteel van de Lijflandse Orde.
Het Peipusmeer (3555 km2) is een van de grootste binnenzeeën van Europa. Zelfs zo groot dat je bij Mustvee de overkant niet kunt zien liggen. Anders is dat in de zuidelijke punt waar je zowat naar Rusland kunt zwemmen. Voor de vissers is het daar oppassen dat ze de grens (ergens in het midden) niet passeren, want dit kan tot arrestaties leiden. Niet dat ze ver hoeven, want het water is ook aan Estse zijde rijkelijk gevuld met vis, zoals spiering, kabeljauw, baars en snoek.
Het merendeel van de mensen aan de oevers zijn nakomelingen van Russen die in de 18de eeuw uit hun eigen land moesten vluchten omdat ze niet mee wilden gaan in de hervormingen binnen de Russisch-orthodoxe kerk. Tot op de dag van vandaag hebben deze ‘Oudgelovigen’ hun eigen kerken en tradities weten te behouden, al zijn het in de loop der eeuwen halve Esten geworden. Sommigen spreken zelfs zo rustig en zijn zo zwijgzaam dat je ze zo op Saaremaa kunt neerzetten. Ook hebben de meesten geen moeite met de Estse taal, terwijl de huizen voor Russische begrippen wel erg simpel zijn gedecoreerd. Overigens worden dezelfde huizen wel naar Russisch gebruik zo dicht mogelijk tegen elkaar aangebouwd; zoiets zou een Est nooit doen, die heeft ruimte nodig. In Raja bijvoorbeeld, een 7 km lang straatdorp ten zuiden van Mustvee, is de weg zo smal dat je letterlijk bij de overbuur naar binnen kunt kijken. Ook de passie voor uien (de Oudgelovigen hebben nationale faam als uienkwekers) is iets wat klaarblijkelijk in hun Russische genen zit.
Toerisme is rond het Peipusmeer nauwelijks tot niet ontwikkeld, terwijl er genoeg te doen is. In het noorden nabij Kauksi kun je zo een onontdekt plekje zandstrand vinden. De plaats zelf was in de sovjettijd een populaire vakantiebestemming, maar lijkt nu haast vergeten. Mustvee is met 2000 inwoners de grootste plaats aan het meer. Ooit stonden er zeven kerken in het dorp; vier zijn er overgebleven waaronder de zilverkleurige van de Oudgelovigen.
Kallaste is zonder twijfel het mooiste plaatsje aan het meer. Er wonen voornamelijk Oudgelovigen, wat ook wel blijkt uit de nauwe straten met kleurrijke houten huizen en het eveneens kleurrijke kerkhof op de idyllische rode zandsteenrotsen aan de oevers. Op de begraafplaats zie je vaak de etensresten nog liggen: naar traditie wordt er tijdens de uitvaart goed gegeten en gedronken.
Je hoeft maar een paar kilometer landinwaarts te rijden en de Russische cultuur ligt al ver achter je. Alatskivi is een aantrekkelijk Ests dorp, in een vallei met twee mooie meren en veel groen. De wandelroute door het park is bijzonder aan te raden. Trekpleister van het plaatsje is het herenhuis (1885), een breed neogotisch bouwwerk met kasteelachtige torentjes, waarvoor het Schotse Balmoralkasteel model stond.
Het is nu niet ver meer naar Tartu, maar het is niet veel moeite om even terug naar de kustlijn van het Peipusmeer te rijden. In Nina zie je goed hoe de Oudgelovigen hun boerderijen opzetten: het erf wordt omringd door een aaneengesloten keten van bijgebouwen en heeft een gedecoreerde poort. Door Kolkja en Varnja lopen is een bijzondere ervaring: als je naar de starende gezichten van de inwoners kijkt, dan vraag je je af wie nou de toeristische attractie is. In Kolkja is een museum gewijd aan de levensstijl van de Oudgelovigen.
MUSEUM VAN RUSSISCHE OUDGELOVIGEN. Open op afspraak; tel.
+372 7453445.
Piirisaar
Piirisaar, een klein eilandje in het Peipusmeer, werd in de 18de eeuw een toevluchtsoord voor Russische Oudgelovigen en deserteurs uit het tsaristische leger. Het is nu een van de weinige bewoonde eilanden in het meer, al daalt het aantal inwoners (nu nog ongeveer 100) snel. De belangrijkste bezienswaardigheid is de houten kerk van de Oudgelovigen, naast een uitkijktoren van waaraf je een mooi uitzicht hebt over het eiland. Overigens was dit ‘Grenseiland’ getuige van de beroemde IJsslag uit 1242 toen de Russen onder bevel van Alexander Nevski op het ijs de kruisridders versloegen. Het eiland is te bereiken vanuit de haven Laaksaare en in de zomer gaat er een cruiseboot vanuit Tartu via de Emajõgi.
