Baltische Benelux

1


De Baltische landen: hoe vaak worden ze niet onder één noemer gebracht? Geef toe: wie wist, toen Estland in 2001 het Eurovisiesongfestival won, waar het precies lag? En begonnen we Letland niet pas serieus te nemen toen het Nederlands elftal ertegen moest voetballen tijdens het EK in Portugal? Ook nu hebben nog veel mensen het idee dat het er koud, grijs en gevaarlijk is. Armoede is troef, westerse producten zijn niet te vinden en Russisch is de officiële taal. Trouwens, maken de ‘Baltische Staten’ geen deel uit van Rusland?

Het zijn de gebruikelijke vooroordelen. Om direct een misverstand uit de weg te ruimen: Estland, Letland en Litouwen zijn geen ‘staten’ meer. Dit begrip stamt uit de sovjettijd en suggereert dat een land bij een groter geheel hoort. De drie landen regeren volkomen onafhankelijk van elkaar en werken alleen samen zoals Nederland, België en Duitsland dat ook doen. Of nog minder, want na 50 jaar socialistische overheersing en armoede hadden de drie in 1991 zo genoeg van alles wat met de Sovjet-Unie te maken had dat ze alleen nog maar oog hadden voor westerse landen, westerse kennis, westerse investeerders en westerse afzetmarkten. Slechts door druk van buitenaf (EU en NAVO) zijn er de laatste jaren allerlei samenwerkingsverbanden ontstaan. Boven alles zijn de mensen gesteld op hun onafhankelijkheid. Tekenend is dat velen er erg op tegen waren dat hun land zich bij de Europese Unie aansloot uit angst weer hun vrijheid te verliezen.

Overigens zal men er niet te moeilijk over doen als je het toch over de ‘Baltic States’ hebt. Ook het feit dat ze nog vaak met Rusland vereenzelvigd worden, zal niet echt kwaad bloed zetten. Geduldig wordt uitgelegd dat ze een eigen taal en cultuur hebben en dat de 50 jaar onder het sovjetregime minstens zo afschuwelijk waren als de Tweede Wereldoorlog voor ons.

Westerse onwetendheid is ook wel te begrijpen: je hoort maar weinig van de drie kleine landjes, alle iets groter dan Nederland. Als ze al in het nieuws komen, dan is het meestal vanwege een politiek schandaal. Grote sportidolen komen er niet vandaan, echt bekende kunstenaars evenmin. Dit spreekt natuurlijk maar weinig tot de verbeelding.

Een Est, Let of Litouwer ziet dit echter heel anders. Misschien door de geschiedenis gedwongen om met minder tevreden te zijn, is men al snel enthousiast: of het nou gaat om de plaatselijke popband of om die ene zilveren plak op de Olympische Spelen. Hierin ligt zeker enige charme. Trots als ze zijn op hun land, houden ze tradities in ere. Opvallend is het historische besef; bovendien schatten ze de natuur en omgeving waarin ze zijn opgegroeid, op waarde. En ach, laat de politiek maar voortrommelen: daarop hebben ze sinds mensenheugenis niet kunnen vertrouwen.

Baltisch landschap

Men heeft het vaak over de ‘drie kleine landjes naast Rusland’, maar samen zijn ze wel ruim vier keer zo groot als Nederland. Litouwen heeft een omvang van 65.200 km2, waarmee het te vergelijken is met Nederland en België bij elkaar. Letland doet daar weinig voor onder met 64.589 km2. Estland (45.226 km2) is de kleinste, maar nog altijd net iets groter dan Nederland. Toch valt dit in het niet bij de enorme landmassa’s van de buren. Zo zorgt Rusland voor de hele oostgrens van Estland en het grootste deel van Letland. De zuidelijke helft van Letland grenst aan de uitgestrekte plateaus van Wit-Rusland. Deze grens loopt helemaal door tot in de zuidelijke punt van Litouwen. Polen en de Russische exclave Kaliningrad nemen het laatste stukje land voor hun rekening.

Water zorgt voor de rest: de Oostzee spoelt tegen de Baltische westkust aan, terwijl de 84 km brede Finse Golf voor een scheiding tussen Tallinn en Helsinki zorgt. De totale lengte van de kustlijn is ongeveer 5000 km. Een groot deel hiervan komt op naam van de ongeveer 1500 eilanden voor de Estse kust, waarvan slechts Saaremaa (2670 km2) en Hiiumaa (990 km2) van respectabele grootte zijn. In Letland maakt de kustlijn een scherpe bocht landinwaarts, daarmee de Golf van Riga creërend. Het meest curieuze stuk is de Koerse Schoorwal, een bijna 100 km lange landtong voor de Litouwse kust die nergens breder is dan 4 km.

O ja, voor alle duidelijkheid: Estland ligt het meest noordelijk, Letland in het midden en Litouwen in het zuiden.

Een enkel heuveltje

Het landschap is over het algemeen vlak maar wel glooiend. Alleen in het zuidoosten van Estland en het noordoosten van Letland kun je over serieuze hobbels spreken. Het hoogste punt is de Suur Munamägi (318 m) bij Võru in Estland. Lage uitlopers van de Wit-Russische hoogvlaktes bereiken oostelijk Litouwen. De Letse kust ligt gedeeltelijk onder de zeespiegel.

Groen, groen en nog eens groen

Als de drie landen dan toch iets gemeen hebben, dan is het de onvoorstelbare hoeveelheid natuur. Nergens in Europa vind je nog zo’n grote hoeveelheid aan bloemen, planten en dieren. De percentages bos lopen op van 30 procent in Litouwen tot bijna 50 procent in Estland. Er zit de laatste jaren zelfs groei in doordat veel land dat was gecultiveerd voor collectieve landbouw, niet meer wordt gebruikt. Langzamerhand raakt het overwoekerd door planten.

De meest voorkomende boom is de grove den, die vooral aan de kust groeit. Het binnenland kent meer afwisseling met onder andere berken en espen. Sparren staan vooral veel in Letland en Litouwen. Essen, linden en jeneverbessen zijn in mindere mate aanwezig. Zo nu en dan loop je een eeuwenoude eik tegen het lijf.

Elk jaar in het begin van de zomer sieren prachtige kleurrijke bloemen de weides aan de Baltische kust. Het westen van Estland is bekend om zijn beboste graslanden waar veel verschillende soorten planten groeien, waaronder enkele zeldzame orchideeën. Speciaal zijn de ‘waterlanden’: graslanden die in de lente door smeltwater onderlopen en een geheel eigen flora en fauna hebben. Zodra in maart of april de sneeuw smelt, staan de bossen vol met miljoenen blauwe en witte bosanemonen.

Paddo’s en bessen

Een hobby die de mensen gemeen hebben, is het plukken van vruchten en paddenstoelen. In de weekends tijdens het seizoen (afhankelijk van de soort maar vooral eind zomer en de herfst) zie je vaak hele gezinnen door de bossen dwalen. De gezichten zien dan blauw en rood van de bessen, aardbeien en frambozen. Paddenstoelen worden thuis gekookt, gemarineerd of gebakken. Vrijwel iedereen weet welke paddenstoelen je kunt eten en welke niet. Dit wordt aan kleine kinderen al geleerd. Populair zijn de cantharellen. Ook veenbessen (in Nederland vooral bekend onder de naam cranberry’s) en jeneverbessen worden geplukt. Jeneverbessen worden gebruikt voor de productie van jenever en gin.

Modder en slijk

Een typisch Baltisch fenomeen zijn de moerassen. Vooral in Estland vormen ze een wezenlijk onderdeel van het landschap (20 procent). Denk niet dat het alleen maar vieze modderpoelen zijn waarin je langzaam wegzakt: het zijn gecompliceerde ecosystemen met een speciale flora (waaronder vleesetende planten) en fauna. Alleen insecten, vogels en heel lichte zoogdieren kunnen er gedijen. Onder het mos ligt veelal een turflaag van gemiddeld 5 à 7 m dik. Het heeft duizenden jaren geduurd voordat het deze dikte kreeg: wellicht het beste bewijs van hoe de natuur hier haar gang heeft kunnen gaan. Estland is de grootste turfexporteur van Europa. Zo gaat er heel wat Estse turf per schip naar Nederland, waar het vervolgens in de kassen gebruikt wordt om groente te telen en potplanten op te kweken.

Ongelooflijk veel water

Moerassen gaan altijd gepaard met veel vochtigheid. Water genoeg, inderdaad.

Zuidoost-Letland en Noordoost-Litouwen vormen een echt merengebied, maar wat te denken van het Estse Peipusmeer (3500 km2) dat een van de grootste van Europa is? Het aantal rivieren is eveneens indrukwekkend, waaronder de meer dan 1000 km lange Daugava die al kronkelend door Wit-Rusland uiteindelijk in de Golf van Riga uitmondt. Een andere lange waterloop is de Gauja, geroemd om de schitterende rode zandsteenrotsen aan de oevers. In Estland is de Võhandu de langste rivier. Litouwen heeft de Nemunas (Memel), die vanuit Wit-Rusland naar het Koerse Haf (het stuk zee dat wordt ingesloten door de Koerse Schoorwal) stroomt.

Beren en wilde zwijnen

Door de grote hoeveelheid natuur leven er diersoorten die in de rest van Europa niet meer in het wild te zien zijn. Zo zijn er nog vrij grote populaties lynxen en wolven. Van de laatste waren er in Estland zelfs zo veel dat ze afgeschoten moesten worden om het evenwicht in de natuur te bewaren. Elanden, herten, wilde zwijnen, vossen, marters, eekhoorns, dassen en wasberen zijn eveneens in grote aantallen aanwezig. Bevers en otters zijn weer terug in de natuur dankzij een geslaagd fokprogramma en met de Europese nerts hoopt men hetzelfde te doen. In Noordoost-Estland leeft de vliegende eekhoorn (uniek in de wereld).

Vogelparadijs

De rust van het Baltische landschap is erg in trek bij vogels. Miljoenen paartjes komen hier in het voorjaar broeden om vervolgens weer naar het zuiden te trekken. Watervogels zoeken hun heil in de speciale reservaten aan de Estse en Letse kust (Vilsandi, Matsalu en Pape). De meeste soorten komen ook in onze streken voor, zoals meeuw, reiger, kraanvogel, kievit, aalscholver, roerdomp, fuut en scholekster. In de bossen zul je zeker het gehamer van de specht horen. Ook spreeuw, merel, mees, lijster, kraai, zwaluw, snip, buizerd, torenvalk, arend en uil zijn regelmatig geziene verschijningen in het Baltische luchtruim.

De meest karakteristieke vogel is de witte ooievaar. Vanaf de lente tot het eind van de zomer zie je ze overal. Vaak lopen ze in de weilanden achter een tractor aan om de kikkers in het omgeploegde land op te pikken. Karakteristiek zijn natuurlijk hun grote nesten op de schoorstenen van boerderijen of elektriciteitspalen. Omdat er vaak ooievaars zijn geëlektrocuteerd door die laatste, kwam men op het idee om palen met nepnesten te bouwen. Maar de ooievaars trappen er niet in en blijven steevast hun eigen stekje opzoeken. Overigens valt tevens de weinig voorkomende zwarte ooievaar te bewonderen, al geeft hij zich niet snel prijs. Maar goed ook, want als je er een ziet, schijnt het dat er iemand in je nabije omgeving zal sterven!

Daarnaast broeden er duizenden paren kraanvogels. Dit zijn schuwe maar elegante vogels die broeden in de moerassen. Het mannetje en vrouwtje zijn meestal samen en je hoort ze altijd in duet-roep. Een van hen roept en binnen een fractie van een seconde antwoordt de ander op een iets andere toonhoogte waardoor een prachtige meerstemmigheid ontstaat. In september verzamelen honderden kraanvogels zich op verlaten velden om zich in groepen klaar te maken voor een reis naar het zuiden.

Dieren in en rondom het water

De Oostzee is door de eeuwen heen een belangrijke voedselbron geweest. Het meest worden haring en kabeljauw gevangen. Aal, forel, spiering en zalm hangen ook vaak aan de haak of zitten in het net. De zee is tevens de verblijfplaats voor de grijze zeehond, waarvan de puppies aan het eind van de winter geboren worden op de eilandjes ten westen van Saaremaa. Baars, brasem, karper, paling, snoek en voorn zijn de voornaamste riviervissen.

De meren en moerassen lenen zich uitstekend voor amfibieën. Kikkers, padden en watersalamanders zijn er dan ook in overvloed. Reptielen zijn er daarentegen weinig en staan meestal op de lijst van beschermde dieren. Denk hierbij aan hagedissen, adders, ringslangen, hazelwormen en moerasschildpadden. Tot slot, eigenlijk niet waard om hier genoemd te worden, maar helaas wel in overvloed aanwezig: de mug.

Milieuvervuiling

Het contrast is groot: op bijzonder veel plaatsen is de lucht fris en schoon, zelfs in de steden adem je prettig, maar het sovjettijdperk heeft wel degelijk sporen nagelaten. Ruim 50 jaar lang stond alles in het teken van hoge productiviteit en dat dit ten koste ging van het milieu deed niet ter zake. Vooral in Letland was de industrialisatie enorm, met lucht- en watervervuiling als gevolg. Zo was het lange tijd levensgevaarlijk om in de Golf van Riga te zwemmen omdat fabrieken hun chemische afvalwater rechtstreeks in de zee loosden. Ook de aanleg van dammen over de Daugava en droogleggingen zoals bij het Lubānameer waren erg schadelijk. In Estland dumpte het Rode Leger jarenlang afvalolie in de natuur. Daarnaast staan er in het noordoosten twee elektriciteitscentrales die draaien op het zeer vervuilende olieleisteen, een leisteen die ontstaat bij de vorming van aardolie op de zeebodem (zie pp. 182183). Niet veel verder in Sillamäe ligt half in zee een enorme berg uraniumafval. Deze wordt nu beschermd door een grote betonnen muur, maar bij een grote storm zou de hele berg in zee kunnen zakken en de Oostzee levensgevaarlijk kunnen vervuilen.

Litouwen is het minst geïndustrialiseerd, maar werd in het noordoosten wel opgezadeld met een kerncentrale die in kracht overeenkomt met die in Tsjernobyl (zie p. 228).

Toch is er sinds de onafhankelijkheid (met hulp van Europese subsidies) veel verbeterd. Zo heeft Estland de fosformijnen niet ver van Tallinn gesloten, terwijl de elektriciteitscentrales tegenwoordig een stuk minder vervuilend zijn. In Letland hebben de kusten een enorme opknapbeurt gekregen en is de Golf van Riga weer zo goed als schoon. Ook elders is de zware industrie stopgezet of zijn er maatregelen getroffen. De explosieve toename van het aantal auto’s zorgt echter voor een nieuw probleem.

Nationale parken

Om het landschap beter te beschermen zijn unieke gebieden samengebracht in nationale parken. Niet alleen heeft men aandacht voor de flora en fauna, maar ook voor de karakteristieke architectuur van oude dorpen en gehuchten en archeologische plekken. De nationale parken zijn vaak de beste en mooiste plekken om met het platteland en de natuur in aanraking te komen. Sommige gebieden zijn volledig afgesloten, maar in de meeste zijn voorzieningen getroffen die het mogelijk maken om alles op ecologisch verantwoorde wijze van dichtbij te aanschouwen. Zo zijn houten plankenpaden over moerassen aangelegd en worden wandel- en fietsroutes met kleuren aangegeven.

Bevolking

Met zoveel groen is het begrijpelijk dat het Balticum tot de dunst bevolkte gebieden van Europa behoort. In Litouwen wonen 3,49 miljoen mensen (54 per km2), in Letland 2,34 miljoen (37 per km2) en in Estland 1,36 miljoen (30 per km2). Ter vergelijking: in Nederland wonen er gemiddeld 475 per km2. Opvallend is dat de inwonersaantallen sinds de val van de Sovjet-Unie verder zijn gedaald. Gedeeltelijk komt dit door een laag geboortecijfer en een naar Europese begrippen lage levensverwachting, maar de voornaamste oorzaak is de terugkeer van veel Russen naar hun moederland. Tijdens de sovjetbezetting waren zij naar de Baltische staten verhuisd om in de nieuwe fabrieken of in het leger te werken. Letland had eind jaren tachtig zelfs zoveel immigranten binnen zijn grenzen dat nog maar net de helft oorspronkelijk Lets was (zie ook p. 192). Ondertussen is dit weer opgelopen tot 58 procent, mede dankzij een streng minderhedenbeleid. Ongeveer 29 procent is Russisch, terwijl de rest voornamelijk uit andere voormalige sovjetstaten komt. Ook in Estland is het verleden nog duidelijk zichtbaar in de bevolkingssamenstelling: de Esten vormen 68 procent van het totaal, de Russen 26 procent. In het minder geïndustrialiseerde Litouwen bleef de immigratie beperkt en is op het ogenblik meer dan 80 procent van Litouwse afkomst. Slechts 6 procent is Russisch, 7 procent is Pools.

Baltisch tegenover Finoegrisch

Esten zijn geen Balten! Esten hebben een Finoegrische achtergrond en zijn daarmee alleen verwant met de Finnen en heel ver weg met de Hongaren. Ze achten zich daarom eerder Scandinavisch dan Baltisch. De overeenkomsten in mentaliteit met de noorderbuur zijn evident, de verschillen met de Letten en vooral de Litouwers niet minder. Het is niet overdreven gegeneraliseerd dat de kalmte, nuchterheid, zakelijkheid, bescheidenheid en de traagheid van de Finnen ook de Esten tekent. Dit staat in schril contrast met het temperamentvolle karakter van de Litouwers en in mindere mate de Letten, beide echt Baltische naties. De Balten hebben net als wij Indo-Europese voorvaderen. Ze zijn het nauwst verwant met de Slavische volken. Wellicht vandaar deze zo onverwachte emotie in het koele noorden en talen die voor een leek Russisch klinken.

De Letten zijn overigens een verhaal apart. Wellicht door de lange gezamenlijke periode onder Duitse heerschappij is hun karakter enigszins naar dat van de Esten toegegroeid. Net als de Esten hebben ze ook wel een beetje Germaans bloed. Niet alle Duitsers waren rijk en een behoorlijk aantal was getrouwd met de oorspronkelijke bevolking en/of had kinderen bij een plaatselijk liefje. Overigens zijn er ook regionale verschillen: in het westen van Letland zijn de mensen veel geslotener dan in het oosten.

Je ziet de verschillen tussen ‘de Est’ en ‘de Balt’ in kleine dingen. Zo duurt het bij een Est soms een paar seconden alvorens hij doorheeft dat het licht op groen is gesprongen; een Balt zou er allang vandoor zijn gegaan. Om bij het verkeer te blijven: in Letland en Litouwen scheuren ze je links en rechts voorbij, in Estland houdt men zich veel meer aan de regels. Daarnaast is de uiterlijke verzorging in Letland en vooral Litouwen bij de meesten tot in de puntjes verzorgd (het zouden zo Italianen kunnen zijn); in Estland gebruiken meisjes veel minder make-up en hebben de jongens helemaal maling aan hoe ze eruitzien. Bij sportwedstrijden reageren Balten veel emotioneler. En heb je een feestje met allemaal onbekenden, dan zullen de zuiderlingen vrij snel contact zoeken en een boel kabaal maken, terwijl de introverte Esten schuchter voor zich uit staren en niets durven te zeggen totdat ze genoeg alcohol in hun bloed hebben.

Taal

Letten en Litouwers kunnen elkaar een beetje begrijpen, maar de taal van de Esten is voor hen een raadsel. Het Estisch behoort tot de Finoegrische taalfamilie die verder alleen verwantschap kent met het Fins, Lijfs en enkele etnische minderheden in Rusland. Heel ver weg is het ook verwant aan het Hongaars. Het Lijfs wordt nog slechts door een enkeling aan de kust van Koerland gesproken en dreigt uit te sterven (common1 pp. 161162).

Men beweert vaak dat het Estisch een moeilijke taal is vanwege de ingewikkelde grammatica met veertien naamvallen, maar dit valt mee. De klanken zijn voor ons makkelijk uit te spreken en je hoeft geen rekening te houden met lidwoorden of geslacht. Daarnaast zijn er veel leenwoorden uit het Nederduits (kelder, klooster of kirik). Spreek woorden hardop uit en vaak zul je ze begrijpen (kontserdisaal).

Het Lets en Litouws zijn de enige overgebleven talen van de Baltische tak van het Indo-Europees en het meest gerelateerd aan de Slavische talen. Sinds de 7de eeuw hebben ze zich volkomen gescheiden van elkaar ontwikkeld. Voor een westerling maakt het weinig uit; tenzij je Russisch spreekt, zul je in zowel Letland als Litouwen moeite hebben om een woordje op te pikken. De ‘essen’ en scherpe ‘erren’ vliegen je om de oren. Vaak hangt er achter een woord een hele lijst aan uitgangen. Bij Letse woorden ligt onder invloed van het Estisch de klemtoon op de eerste lettergreep. Wel zijn ze gewoon in het Latijnse alfabet geschreven en grammaticaal liggen ze vrij dicht bij onze taal. Trouwens, niet alle woorden zijn moeilijk: het Litouwse klumpe betekent inderdaad hetzelfde als ons oeroude schoeisel!

De meeste mensen spreken wel een woordje over de grens. Jongeren kunnen bijna altijd met Engels overweg, ouderen herinneren zich soms nog hun Duitse schoollessen. Ook zul je meestal wel begrepen worden als je in het Russisch begint. Zorg er wel voor dat ze doorhebben dat je buitenlander bent, want anders kun je lelijke gezichten verwachten.

Taalgeschiedenis

Interessant voor filologen is dat het Litouws wortels heeft in het Sanskriet. Dit neemt niet weg dat deze taal, net als het Lets en het Estisch, door de eeuwen heen behoorlijk is veranderd. De oude stammen spraken hun eigen dialect, maar met de vorming van Litouwen en Lijfland begonnen deze naar elkaar toe te groeien. De vorming van Letland en Estland in de 19de eeuw geschiedde juist op basis van de nieuw ontstane taalgrens. Na de Eerste Wereldoorlog werden het voor het eerst officiële talen, totdat in de sovjettijd het Russisch aan de mensen werd opgedrongen. In Estland en vooral Letland dreigde de eigen taal zelfs onder te sneeuwen. Vandaar dat er na de onafhankelijkheid veel in het werk werd gesteld om de eigen taal onder de Russische immigranten te verspreiden (zie p. 195).

Van heiden tot Christen

Voor de bekering tot het christendom hadden de Baltische en Finoegrische stammen een animistische geloofsovertuiging. Dit betekent dat ze ook aan planten, dieren en andere natuurverschijnselen een ziel toeschreven (common1 p. 24). Tegenwoordig bekijkt men dit nuchterder, maar nog steeds is het respect voor de natuur groot. Sommige mensen noemen zich weer heiden. Tekenend is dat er in de jaren twintig een Letse politieke partij was die zich baseerde op de heidense tradities en het zowaar even uithield.

De intrede van het katholieke geloof hing samen met de komst van de Duitse kruisridders. Estse en Letse stammen gingen in de 13de eeuw al voor de bijl, maar de Litouwers hielden het vol tot in de 14de eeuw. Daarmee was Litouwen het laatste land in Europa dat zich bekeerde. Tot in de 15de eeuw bleef men echter in het geniep heidense rituelen uitvoeren. Veel oude gebruiken werden in de nieuwe godsdienst overgenomen. De gezworen trouw aan de paus werd echter nooit meer gebroken. Op dit moment is ongeveer 75 procent van de Litouwers lid van de rooms-katholieke kerk. Dit ondanks pogingen van de tsaar en later de communisten om paapse invloeden uit te bannen. Sterker nog, het was juist altijd de kerk die vanuit de ondergrondse het verzet leidde.

In Estland en Letland wisten de Lutheranen rond 1525 de gunst van het gewone volk te winnen door in de volkstaal te prediken. Dit ‘verraad’ ten opzichte van het ware geloof gaf de Russische tsaren door de eeuwen heen een extra rechtvaardiging om het gebied te bezetten. Pogingen om de orthodoxe kerk uit te breiden, mislukten echter, net als in Litouwen, faliekant. De kerk speelde de laatste 200 jaar niet zo’n prominente rol in het verzet als bij de zuiderburen en wellicht mede daarom is het aantal gelovigen in Estland en Letland tegenwoordig laag. In Estland zegt nog slechts 23 procent godsdienstig te zijn. Een groot deel hiervan zijn orthodoxe Russen. In Letland zijn nu ongeveer evenveel rooms-katholieken als Lutheranen. Samen met andere gelovigen maken ze 30 procent van de bevolking uit.

Staatsinrichting

Alledrie de landen zijn democratische republieken met aan het hoofd een president en een regering onder leiding van een premier. In principe ligt de uitvoerende macht bij de regering, maar vooral in Estland en Litouwen heeft de president relatief veel macht. Zo vertegenwoordigt hij zijn land in het buitenland, heeft hij controle over het leger, kan hij het parlement ontbinden en mag hij nieuwe parlementsverkiezingen uitschrijven. Normaal vinden deze om de vier jaar plaats, de presidentiële om de vijf jaar. In het Letse systeem wordt zowel parlement als president voor vier jaar gekozen. Litouwers kiezen hun president rechtstreeks, in Estland en Letland gebeurt dit door het parlement. Alledrie de landen hebben een districtenstelsel.

Heilige eik

In hun gebruiken hebben de mensen veel overgenomen van andere culturen die er geweest zijn, de Duitsers voorop. Maar de grootste bron voor tradities en levensritme is altijd de natuur geweest. De koude duistere winters en de weinig vruchtbare landbouwgrond (vooral in het noorden) dwongen veel respect af. Het lot van de mensen was dus altijd afhankelijk geweest van de natuurlijke omstandigheden: vandaar dat zij hier hun god in zochten. Grote stenen en eiken werden verheven tot heiligdommen en stonden centraal bij spirituele handelingen. De tradities die eruit voortkwamen bleven ook na de overgang tot het christendom een rol van belang spelen. Sommige zijn nooit verdwenen, bijvoorbeeld de midzomernachtviering.

Zo ook de eik: als er eentje pontificaal op een kaal veld staat, dan is dit dus niet omdat deze daar toevallig als enige groeit of is gezaaid. Nee, de boer heeft deze er waarschijnlijk expres laten staan.

Europese droom

Op 1 mei 2004 traden Estland, Letland en Litouwen toe tot de Europese Unie. Hoewel sommigen er met argwaan tegenaan keken (zo werden pakken suiker ingeslagen uit angst dat de prijzen enorm zouden stijgen), betekende het voor anderen psychologisch een enorme stap. Met de nieuwe grenzen hoeft men immers niet langer te vrezen voor een Russische inval. Daarnaast hoopt men economisch te kunnen profiteren van het vrije handels- en persoonsverkeer met het Westen. Miljoenen euro’s zullen er vanuit het Europese fonds worden geïnvesteerd in verdere verbetering van onder andere infrastructuur en milieu.

Economische hervormingen

De toetreding was de beloning voor een lange reeks van hervormingen die vrijwel direct na de val van de Sovjet-Unie waren ingezet. Staatsbedrijven werden geprivatiseerd, er kwamen centrale en commerciële banken, de landen kregen eigen valuta en men richtte zich op het Westen als nieuwe handelspartner. Maar net als andere voormalige Oostbloklanden kregen ze met overgangsproblemen te maken. Mede als gevolg van de economische crisis in Rusland kreeg men te kampen met gebrek aan grondstoffen, veel werkloosheid en een torenhoge inflatie.

Halverwege de jaren negentig was de situatie redelijk onder controle, totdat de Russische economische crisis van 1998 voor een terugval zorgde. Het herstel volgde snel en de laatste jaren is de economische situatie steeds beter geworden. De inflatie is teruggedrongen en het aantal buitenlandse investeerders (waaronder veel Nederlandse bedrijven) is flink toegenomen. Litouwen, dat een aarzelende start had, is de achterstand razendsnel aan het inhalen. Dit blijkt ook wel uit de hoge economische groeipercentages van de laatste jaren.

Dit neemt niet weg dat er nog een behoorlijk aantal problemen is. Zo liggen de werkloosheidspercentages nog boven de 10 procent en zijn er behoorlijke begrotingstekorten. Ook ligt de levensstandaard laag: Litouwers moeten van gemiddeld € 3080 per jaar rondkomen, Letten van € 3214 en Esten van € 3900. Hiermee behoren de Baltische landen tot de armste van de Europese Unie. Aan de andere kant zijn ze wel stukken welvarender dan de andere voormalige sovjetrepublieken.

Van platteland naar stad

De economische inrichting is het laatste decennium sterk veranderd. Landbouw was altijd een belangrijke sector, ook in de sovjettijd toen er stevig geïndustrialiseerd werd, maar nu levert het nog maar een kleine bijdrage aan het bruto nationaal product. Je kunt het met je eigen ogen zien: het is stil op het platteland. Huizen of soms zelfs hele gehuchten liggen er verlaten bij. Kolchozen en sovchozen (collectieve boerderijen) zijn overwoekerd met onkruid, nadat ze begin jaren negentig massaal werden verlaten. Een enkele boer begon een privébedrijf, anderen trokken naar de grote stad waar meer werk was en beter geld te verdienen viel. Voor agrariërs is het tegenwoordig niet altijd even gemakkelijk om rond te komen. Zeker nu er de landbouwquota’s van de EU zijn, is het afwachten hoe het verder zal verlopen.

Van belang voor de inkomsten is ook de gecultiveerde bosbouw. Kolossale vrachtschepen volgestapeld met boomstammen worden vanuit de Baltische havens naar het Westen geëxporteerd. Het meeste wordt echter verdiend in de stad. In fabrieken worden allerlei soorten machines, textiel, elektronica, chemicaliën en voeding geproduceerd. Een probleem hierbij is het gebrek aan grondstoffen. Deze moeten veelal geïmporteerd worden. Het aandeel van de industrie is sinds de onafhankelijkheid dan ook percentueel gedaald, ondanks de opleving van de laatste jaren door de komst van nieuwe buitenlandse investeerders.

De dienstverlenende sector is nu de grootste. Steeds belangrijker wordt hierbij het toerisme. Tot eind jaren tachtig was het Balticum (Tallinn uitgezonderd) verboden terrein, maar de laatste jaren is er veel geld gestoken in het trekken van toeristen. Met succes, want de bezoekersaantallen nemen behoorlijk toe.