19. Angstige momenten

‘Ik vraag me af waar we eigenlijk mee bezig zijn’, zegt moeder buiten adem.

Ze staat pardoes stil op het stijgende pad.

Vader stopt ook en draait zich om. ‘Ik weet het ook niet, lief, maar als ik je dochter moet geloven, zijn onze knapen weer eens iets op het spoor.’

‘En wij hobbelen daar als gehoorzame ouders gedwee achteraan’, concludeert moeder.

‘Ik voel met je mee’, zegt vader, ‘maar als er nu eens echt iets ernstigs aan de hand is?’

Moeder zucht en zet zich weer in beweging.

De jongens zijn ondertussen helemaal uit het zicht verdwenen.

Plotseling klinkt er een riedeltje.

Vera, vader en moeder kijken elkaar aan. Welke mobiele telefoon is dat?

Vader grijpt in zijn broekzak. ‘Die van mij …’

Hij houdt het toestel tegen zijn oor.

‘… Ja, met je vader.’

‘… Oei, dat is niet zo goed.’

‘… Oké, we komen er snel aan!’

Vader drukt op het rode hoorntje en steekt de telefoon weer in zijn broekzak.

‘Ze hebben die jongen gevonden …’

 

‘En, komen ze?’ vraagt Peter.

‘Ja’, antwoordt Edwin kort, terwijl hij langs een rotswand omhoog kijkt. ‘Die is echt niet goed bij z’n hoofd’, zegt hij zacht.

Peter staat naast hem en schudt met zijn hoofd.

De Duitse Peter is, zodra hij de vrienden in het oog kreeg, in tegengestelde richting weggerend en achter een rots uit het zicht verdwenen. Even later zien ze hem weer, maar nu een stukje hoger op de rotsen waar hij zojuist onderlangs liep. Hij beweegt zich voort over een smalle rand en klimt steeds hoger.

Peter zet zijn handen als een toeter aan zijn mond. ‘Komm naar unten’, roept hij. ‘Wir willen du helfen!’

De Duitse Peter stopt even en kijkt naar beneden. ‘Verschwinde! Ich will nicht mehr leben!’ roept hij ineens.

Edwin en Peter kijken elkaar onthutst aan. ‘Hij wil niet meer leven’, lispelt Peter schor.

‘Wat is-ie van plan?’ vraagt Edwin geschokt. Zijn blik gaat omhoog en weer terug naar zijn vriend.

‘Dat kun je wel raden …’ antwoordt Peter langzaam. ‘We moeten hem tegenhouden!’ Hij kijkt weer naar boven.

‘Peter! Wir kommen! Wacht op ons! Wij helpen je!’ brult Edwin.

‘Verschwinde!’ klinkt het nog eens boven hen.

De Duitse Peter is op een klein plateau aangekomen dat zo’n 30 meter boven hen ligt. Hij kijkt over de rand naar beneden.

Met afgrijzen zien de vrienden hem staan. Het is duidelijk wat hij van plan is. Ze moeten er niet aan denken. Beiden voelen paniek in zich opkomen. Ze kunnen hier niets aan doen en voelen zich verschrikkelijk machteloos.

‘Peter, wacht!’ probeert Peter nog eens. ‘Alles komt goed! Vertrouw ons. Wij helpen je!’

‘Verschwinde!’ klinkt het voor de derde maal boven hen.

‘Wat is hier aan de hand?’ horen Edwin en Peter ineens achter zich. Vader komt aangesneld met Vera en Tim en op enige afstand ook moeder.

Edwin en Peter kijken om. ‘Pap …’ klinkt het gejaagd uit Edwins mond, terwijl hij naar boven wijst, ‘hij wil springen … we moeten hem tegenhouden!’

Vader heeft de situatie meteen door.

‘Is dat die Duitse jongen?’ vraagt hij.

Edwin en Peter knikken gelijktijdig.

Vader richt zijn blik op de Duitse Peter. ‘Spring nicht. Wir werden dich helfen!’ roept hij naar boven.

Ze zien de Duitse Peter even weifelen, maar dan neemt hij een houding aan om te springen.

Vera slaat haar handen voor haar ogen en moeder draait zich ontzet om.

Ineens valt de Duitse Peter alsof hij door iets wordt getroffen met een schreeuw opzij in plaats van over de rand.

Voor Edwin, Peter en de anderen verdwijnt hij uit het zicht.

‘Wat gebeurt er nu?’ vraagt vader zich hardop af.

‘Hij is omgevallen’, concludeert Peter.

‘Flauwgevallen misschien?’ vraagt Edwin zich af en hij kijkt om zich heen.

Moeder en Vera zijn ook bij hen komen staan.

‘Daar gaat Tim!’ roept Vera, die haar hondje ook even uit het oog is verloren.

‘Waar is Tor?’ vraagt Edwin en hij kijkt om zich heen.

Tim volgt dezelfde weg als de Duitse Peter zo-even en verdwijnt ook uit het zicht.

Familie De Jongh staat een moment besluiteloos bij elkaar totdat Vera ineens roept: ‘Daar gaat Tim!’

Tim loert even over de rand naar beneden, maar tippelt dan weer verder omhoog.

‘Hij gaat naar Peter’, zegt Edwin.

‘Kom’, zegt vader, ‘wij gaan daar ook heen.’ Meteen loopt hij weg en volgt dezelfde route als Tim. Edwin en Peter volgen hem op de voet.

Met z’n drieën klimmen ze de richel op die de Duitse Peter zojuist ook heeft beklommen.

De richel is niet bepaald breed en de drie houden zich vast aan de rotswand.

‘Ik snap niet hoe hij dat heeft kunnen volhouden met één arm’, zegt Edwin. ‘Hij heeft een arm gebroken’, verduidelijkt hij naar zijn vader.

‘We zullen zien’, zegt vader kort en hij concentreert zich op het smalle en steile pad.

Als ze bij het plateau aankomen, roept vader verbaasd: ‘Kijk nou …’

Voor hen ligt de Duitse Peter plat op de grond. Tor staat er bij met zijn nekharen rechtovereind. En ook Tim houdt de wacht bij het hoofd van de Duitse Peter. Deze durft zo te zien geen vin meer te verroeren.

Vader knielt meteen naast de Duitse jongen neer. ‘Alles gut?’ vraagt hij.

Rare vraag, denkt Edwin, of … misschien ook wel niet.

De Duitse Peter ligt op zijn buik en kijkt schichtig om. Hij bibbert als een rietje. In zijn ogen is een vreemde blik te zien.

‘Fürchte dich nicht. Es sind keine bissige Hünde’, probeert vader de jongen gerust te stellen.

‘Mein Bein’, kermt de Duitse jongen.

Vader kijkt om en heeft nu pas in de gaten dat hij last van zijn been heeft.

‘Er is iets met zijn been’, wijst hij. Edwin en Peter, die tot nu toe ook alleen oog hadden voor de uitdrukking op het gezicht van de Duitse Peter, verleggen hun blik naar zijn been.

‘Ook gebroken?’ vraagt Edwin zich af. Al vertoont het been geen vreemde knik.

Peter bukt. ‘Welk been?’ vraagt hij.

‘Welches Bein?’ herhaalt vader.

‘Das Linke’, kreunt de Duitse Peter.

Peter stroopt voorzichtig de broekspijp van het linkse been op. Er is niets te zien. Dan trekt hij de sok om de enkel wat omlaag. De Duitse jongen begint te jammeren. Tegelijkertijd ziet Peter dat de enkel gezwollen en flink blauw is.

Vader ziet het ook. ‘Dat kan inderdaad een breuk betekenen.’ Hij probeert de gezwollen enkel voorzichtig te betasten. Meteen begint de Duitse Peter nog harder te kermen.

‘We krijgen hem hier zo niet weg’, zegt vader. ‘Ik ga professionele hulp inroepen.’

Hij staat op en zwaait een keer naar beneden naar moeder en Vera. Tegelijkertijd pakt hij z’n smartphone.

‘Volgens mij is het alarmnummer hier 144’, mompelt hij en hij toetst het nummer in.

Vrijwel meteen heeft hij contact en legt de situatie uit.

Terwijl hij de telefoon weer opbergt, zegt hij: ‘Er komt een helikopter aan.’

Edwin kijkt Peter veelbetekenend aan.

Vader probeert de Duitse Peter om te draaien om hem zo comfortabel mogelijk te laten liggen. Hij heeft een trui uit zijn rugtas getrokken en legt die onder het hoofd van de jongen.

De Duitse Peter kijkt hem hulpeloos aan.

‘Es kommt gut’, benadrukt vader. ‘Keine Sorge!’

De Duitse jongen sluit zijn ogen en huivert.

‘Kalt?’ vraagt vader. Hij opent zijn ogen weer en knikt.

Vader legt zijn rugtas onder het hoofd van de jongen en spreidt de trui die eerst als kussen diende over hem uit. ‘Hebben jullie nog iets om hem onder te dekken?’ vraagt vader.

Edwin kijkt in zijn rugtas, maar er komt alleen een T-shirt tevoorschijn.

Peter heeft geen T-shirt, maar wel het fleece vest waar de Duitse Peter eerder onder geslapen heeft en dat Tor geholpen heeft het juiste spoor te volgen.

‘Alle beetjes helpen’, vindt vader en hij gebruikt ook het T-shirt en vest als dekentje. Ook Edwin reikt het fleece vest aan dat hij gebruikt heeft om Tor op het spoor te zetten.

Edwin en Peter staan er verder wat onbeholpen bij. Edwin ziet het vertrokken gezicht van de Duitse Peter en heeft toch wel medelijden met hem. Hij aait zijn hond even over zijn kop. ‘Goed gedaan, Tor.’

Het is de jongens inmiddels wel duidelijk dat Tor tegen de Duitse Peter op is gesprongen op het moment dat deze zich in de diepte wilde storten.

Edwin huivert bij de gedachte. Hoe anders had het kunnen aflopen. Daar zat slechts een fractie van een seconde tussen. Als Tor iets later was geweest … Een fractie van een seconde die het verschil uitmaakt tussen leven en dood. Edwin staart naar zijn arm en trekt vlug zijn mouw omlaag. Hij wil niet dat de anderen zijn kippenvel zien.

Niet lang daarna horen ze een helikopter naderen en al snel zien ze het toestel. Het vliegt in hun richting. Als de helikopter boven hun hoofden vliegt, beginnen moeder en Vera te zwaaien.

Een klein stukje verderop zet het toestel zijn skids op de rotsachtige bodem. Er springen twee personen uit die naar moeder en Vera toe lopen.

Edwin ziet zijn moeder omhoog wijzen en wijst zelf naar rechts, waar de richel begint. De mannen uit de heli lopen meteen in de aangewezen richting.

Het duurt niet lang of ze zitten op hun knieën bij de Duitse Peter.

‘Arm und Bein gebrochen’, zegt vader.

De mannen uit de heli handelen snel. Eén snelt terug naar de helikopter om iets te halen waarop de Duitse jongen kan worden vervoerd en een kleine tien minuten later staan ze allemaal weer beneden bij de heli.

‘Sie gehen mit?’ vraagt de ene man uit de heli.

‘W-was? Ich?’ hakkelt vader. Op deze vraag heeft hij niet gerekend. Hij kijkt wat onnozel om zich heen. Zijn blik valt op de Duitse Peter die inmiddels op een brancard in de helikopter ligt. De Duitse jongen kijkt hem smekend aan. ‘Oké’, zegt vader. ‘Ich gehe mit.’ Hij draait zich om naar moeder. ‘Het lijkt me het beste dat ik even meega. Ik bel wel hoe het verdergaat en wellicht kun je me ophalen bij het ziekenhuis.’

Vader richt zich weer tot de man uit de heli. ‘Wohin gehen Sie?’

‘Visp’, antwoordt de man.

‘Heb je het gehoord?’ vraagt vader.

Moeder knikt. ‘En dat etentje vanavond bij Edgar en zijn familie?’

Vader schrikt. ‘Daar heb ik helemaal niet meer aan gedacht. Gaan jullie maar gewoon als ik nog niet terug ben. Ik laat wel van me horen.’

Snel geeft vader moeder een zoen en stapt dan in de heli. De deuren gaan dicht en het toestel stijgt op.