13. Op onderzoek uit
‘Nu wil ik eerst eens weten waarom je zo chagrijnig bent of was je echt luchtziek?’ vraagt Peter.
Samen met Edwin staat hij in de trein zonder stoelen naar Täsch.
Vader, moeder en Vera zijn in de coupé vlak bij de doorloop op een bank gaan zitten.
‘Het heeft me allemaal lang genoeg geduurd’, begint Edwin. ‘Ik heb iets ontdekt wat we vandaag nog verder uit moeten zoeken.’
‘Hè, wat?’ klinkt het verbaasd uit Peters mond.
‘Ik zal je iets laten zien, maar mondje dicht’, zegt Edwin en hij draait zijn ouders en Vera de rug toe. Hij zet zijn camera aan en laat een filmpje afspelen.
‘Dat heb je vanuit de helikopter gefilmd’, constateert Peter.
‘Klopt, maar nu opletten. Dit was toen we wegvlogen van Hohsaas boven die Höhenweg richting Gspon waar m’n vader het over had … Wat zie je?’
‘Niks bijzonders. Een wandelpad, enkele mensen …’ antwoordt Peter.
‘Oké, wacht … nu komt het.’ Het beeld zoomt in. ‘Wat zie je nu?’
‘Ik zie iemand lopen bij een schuurtje of zoiets’, zegt Peter. ‘Of … het lijkt wel of hij omhoog kijkt, of wil wegkruipen …’
Edwin zet het beeld stil. ‘Eigenlijk zouden we het in het appartement even op de laptop moeten bekijken. Dan heb je een groter beeld, maar ik weet het nu ook al zeker.’
Peter buigt zijn hoofd naar voren in de richting van de camera.
‘Denk aan maandag … zie je die rugtas?’ verduidelijkt Edwin nog een beetje.
‘Is dat … is dat een van die gasten die een eindje boven ons op die sneeuwhelling die naar beneden rollende steen veroorzaakte?’
‘En wat deden die nog meer? Denk aan gisteren’, grijnst Edwin.
Peter fronst zijn wenkbrauwen. ‘Dat … dat kan toch niet. Is … is dat die vermiste gast?’
‘Goed gezien, meneer de detective’, fluistert Edwin.
‘Maar dat weet je nog helemaal niet zeker’, fluistert Peter. ‘Er lopen wellicht meer mensen met van die rugtassen rond.’
‘Daarom zeg ik nog niets tegen de anderen. Ik wil het eerst zelf uitzoeken’, zegt Edwin.
‘Zelf uitzoeken …’ herhaalt Peter.
‘Daarom heb ik een beetje haast en duurde die rondvlucht me veel te lang.’
Peter schudt zijn hoofd. ‘Wat ben je toch …’
‘Boeit me niet wat je van me vindt. Ik wil zo meteen als we thuis zijn meteen op onderzoek uit en jij moet me helpen. We hebben onze kabelbaankaartjes en gaan naar boven naar Kreuzboden. Daarvandaan lopen we richting Gspon. Ik hoop dat die gast zich niet al te snel uit de voeten maakt.’
‘En als hij het nu eens niet is of we vinden hem niet?’ veronderstelt Peter.
‘Pech’, antwoordt Edwin kort. ‘Maar hij is het wel!’
De trein nadert het station van Täsch. Vader, moeder en Vera staan op zodra de trein is gestopt. Met z’n allen stappen ze uit en lopen ze richting de uitgang. Vader betaalt bij een automaat voor de parkeergarage, waarna ze hun auto opzoeken.
‘Dit was weer een geweldige ervaring, mensen’, zegt vader.
‘Super, pa!’ beaamt Vera. Peter steekt een duim in de lucht.
‘En onze Eddy?’ vraagt vader.
‘Goed hoor. Er was weer genoeg te zien’, antwoordt Edwin lauw en hij kijkt snel in de richting van Peter.
Peter schudt grijnzend zijn blonde hoofd.
Edwin kijkt op zijn horloge en rekent even voor zichzelf. ‘Halftwaalf, uurtje rijden, halfeen. Een uur omhoog’, mompelt hij.
‘Waar heb je het over?’ vraagt Vera, die vlak achter hem loopt.
‘O, niks’, antwoordt Edwin snel.
‘Wat voert-ie nu weer in z’n schild’, probeert Vera bij Peter.
Peter haalt zijn schouders op en steekt zijn handen omhoog. Zijn gezicht wordt rood.
‘Onze auto moet toch hier ergens staan’, zegt vader. ‘Of stond-ie nog een rij verder?’
‘Probeer even met uw sleutel’, oppert Vera.
‘Goed idee, Veer’, zegt vader en hij drukt op een knopje van zijn sleutel. In de volgende rij knipperen een paar oranje lichten. ‘Dat is ’m!’ zegt hij.
Als ze allemaal zitten, rijdt vader de parkeergarage uit richting hun appartement.
‘Moet je niet eerst nog even op je laptop kijken?’ vraagt Peter als ze weer in hun appartement zijn.
Edwin haalt zijn hand door zijn haar en kijkt Peter aan. ‘Ja, dat moeten we maar even doen.’ Hij loopt meteen door naar de kamer en pakt zijn laptop en een kabeltje.
‘Zullen we eerst eens even gaan eten?’ roept moeder hem achterna.
Edwin rolt met zijn ogen en zucht. ‘Ik kom zo. De tafel moet toch nog gedekt worden.’
Snel sluit hij de camera op de laptop aan. Terwijl hij naar de keuken gaat, worden de foto’s en filmpjes geladen.
‘Wij wilden nog even naar Hohsaas. Kunnen we niet wat brood smeren en meenemen?’ vraagt Edwin.
‘Wie is “we”?’ vraagt vader.
‘Peter en ik … enne we nemen de honden wel mee.’
‘Ga jij ook mee, Veer?’ vraagt vader verder.
‘Nee hoor. Ik ben gister de hele dag al daarboven geweest. En Tim blijft bij mij.’
‘Oké, ook goed.’
‘En stel dat wij vanmiddag ook nog ergens naartoe hadden willen gaan?’ komt moeder tussenbeide.
‘Daar ga ik niet van uit’, reageert Edwin.
‘Zijn we ook niet van plan’, lacht vader.
‘Maar mogen we nu ons brood meenemen?’ vraagt Edwin nog eens.
‘Dat is niet zo gezellig, Edwin …’ begint moeder.
‘Maar omdat je zo aandringt, mag het voor deze ene keer wel’, vult vader aan. ‘Maar dat gaat geen gewoonte worden tijdens deze vakantie, hè?’
Edwin kijkt zijn vader even aan en knikt. ‘Peet, wil jij even smeren, dan kijk ik even of m’n camera al klaar is, want die neem ik weer mee.’
Edwin vliegt de keuken weer uit, terwijl Peter aan tafel gaat zitten. Moeder schudt haar hoofd.
Twintig minuten later zitten de vrienden plus Tor in een gondel die hen naar Kreuzboden brengt.
‘Zullen we eerst ons brood maar even opeten?’ stelt Edwin voor.
Peter steekt zijn hand in de rugtas en haalt er twee plastic zakjes met inhoud uit waarvan hij er eentje aan Edwin geeft. ‘Allebei hetzelfde’, zegt hij.
Voordat Peter het zijne openmaakt, vouwt hij de handen en kijkt Edwin aan.
Edwin legt snel de boterham die hij uit zijn zakje heeft gepakt op een knie en volgt het voorbeeld van Peter.
Als ze niet veel later op het tussenstation Kreuzboden arriveren, hebben ze de boterhammen al naar binnen gewerkt.
Peter wil na het uitstappen gelijk doorlopen naar de volgende gondel.
‘Wat ga jij doen?’ grijnst Edwin.
‘O ja, we gaan een andere kant op.’
Samen met Tor lopen ze het gebouw uit via de brug die toegang biedt tot het tussenstation.
‘We moeten die kant op’, wijst Edwin tussen een ander gebouwtje en een speelplaats door.
Als ze nog wat verder zijn gelopen, wijst Edwin opnieuw. ‘Daar moet het pad liggen dat leidt naar de plek waar ik die gast met z’n rugtas heb gezien.’
‘We hebben helemaal niet meer op je laptop gekeken’, herinnert Peter zich ineens.
‘Maakt niet uit. Duurde veel te lang. Neem het nou maar van mij aan: hij is het echt.’
Het pad dat ze volgen, stijgt licht. Edwin kijkt nog eens op zijn horloge. ‘Halftwee. Dan hebben we nog wel even tijd om die kant op te lopen.’
‘Ja, ik wilde nog vragen hoe ver je wilde gaan’, zegt Peter. ‘Eigenlijk zijn we een beetje dwaas bezig. We lopen achter iemand aan die een ik weet niet hoe grote voorsprong heeft.’
‘Je weet maar nooit’, is het enige wat Edwin antwoordt.
Ze komen bij een splitsing. ‘Wat nu?’ vraagt Peter zich hardop af.
‘Daarheen’, wijst Edwin beslist. ‘Anders gaan we weer naar beneden. En ik heb die jongen hier een eind verderop gefilmd.’
Het pad gaat een stukje verder over in een met verfstreken op de rotsen aangegeven route waar ze overheen moeten.
Tor klautert met de tong uit z’n bek achter hen aan. Het is best warm geworden. Voorbij de rotsblokken zien ze weer een normaal bergpad. Af en toe komen ze iemand tegen.
‘Zullen we een voorbijganger vragen of hij of zij de jongen heeft gezien?’ stelt Peter voor.
‘Spreek jij goed Duits?’ stelt Edwin als wedervraag.
‘Nee, ik niet’, bekent Peter.
Er komen juist weer een paar mensen op hen af; een man, een vrouw en een meisje dit keer.
De vrienden houden even halt om de mensen te laten passeren. ‘Guten Tag’, zegt Peter in z’n beste Duits.
‘Hallo’, reageert de man.
Peter kijkt Edwin aan. ‘Dat klinkt aardig Nederlands.’
‘Dat is het ook’, lacht de vrouw, die hen als laatste passeert.
‘O … eh, mag ik u dan misschien vragen of u een jongen bent tegengekomen met een blauwe rugtas?’
De man, vrouw en hun dochtertje stoppen en draaien zich om. ‘Zijn wij iemand tegengekomen met een blauwe rugtas?’
De man denkt even na, maar schudt dan zijn hoofd. ‘Nee, niet dat ik me herinner tenminste.’
‘Zijn jullie iemand kwijt?’ vraagt de vrouw.
‘Nee … eh, dat niet echt, of toch wel … We zoeken wel even verder. Bedankt.’
Meteen loopt Edwin weer door. Peter en Tor volgen hem.
De man en de vrouw kijken hen enigszins verbaasd na.