5. Naar de Britanniahütte

Er klinkt een vrolijk deuntje in de slaapkamer van Vera. Het wordt steeds luider.

Onder het dekbed vandaan verschijnt een hand die tastend over het nachtkastje glijdt en tegen een mobiele telefoon stoot. Het toestel glijdt over de rand en valt met een plof op de vloer. Daar gaat het wijsje vrolijk verder.

Nu verschijnt er meer van Vera. Met slaperige ogen gaat ze op de rand van haar bed zitten en kijkt even zoekend naar beneden.

Ah, daar ziet ze hem. Ze bukt, pakt de telefoon en drukt op een knopje. Het deuntje stopt onmiddellijk. Vera laat zich weer in bed vallen en trekt het dekbed over zich heen. Effe bijkomen, denkt ze.

 

‘Goeiemiddag slaapkop!’ klinkt het ineens. ‘Kom je er nog een keer uit?’

Vera schrikt wakker en kijkt naar de slaapkamerdeur. Om de hoek komt het plagende gezicht van vader.

Vera schiet overeind en pakt opnieuw haar mobiele telefoon. 08.30 uur, ziet ze. Dan heeft ze nog een uur geslapen. Ze had haar wekker op 07.30 uur ingesteld. Ja, nu weet ze het weer. Ze heeft op de rand van haar bed gezeten, maar is nog heel eventjes gaan liggen. Dat eventjes is dus een uur geworden.

Snel kleedt ze zich aan. Voordat ze haar slaapkamer verlaat, doet ze haar ochtendgebed.

Als ze in de keuken komt, treft ze de anderen aan tafel aan.

‘Precies op tijd’, zegt moeder. ‘We wilden net beginnen met ons ontbijt.’

Valt gelukkig weer mee, denkt Vera.

Onder het eten vraagt vader: ‘Wat gaan we vandaag doen?’

‘U hebt vast zelf al iets bedacht’, zegt Vera.

‘Ik geef de dames en heren ook graag gelegenheid tot inspraak’, zegt vader deftig, maar dan knipoogt hij.

‘U kent het hier beter dan wij. Doet u maar een voorstel. Dan zullen wij het wel goedkeuren of afkeuren’, zegt Vera, met haar neus een beetje omhoog.

‘Oké’, zegt vader, ‘ik had gedacht om vandaag maar eens niet te wild te beginnen en met de kabelbaan omhoog te gaan naar Felskin. Daarvandaan kun je zonder al te veel te moeten klimmen of dalen naar de Britanniahütte lopen en dan weer terug naar de kabelbaan. Niet veel inspanning, toch een heel mooie tocht.’

Iedereen kijkt elkaar aan. ‘Niet veel inspanning …’ grijnst Edwin. ‘Hmm, dat klinkt niet verkeerd.’

‘Jij bent een luie …’ verder komt Vera niet.

‘Over lui gesproken …’ valt Edwin haar in de rede. ‘Wie verslaapt zich een uur?’

‘Ho, ho’, komt vader tussenbeide. ‘We hebben vakantie, dan maken we geen ruzie. Wie is voor mijn voorstel en wie tegen?’

Alle aanwezigen aan tafel knikken instemmend.

‘Mooi’, zegt vader. ‘Dan maken we nu meteen wat lunchpakketten klaar voor vanmiddag. Als we geëindigd hebben, zoeken we onze rugtassen, schoenen en alles wat we nodig hebben bij elkaar en kunnen we vertrekken. Ik dacht dat de bus rond tien over negen hier vlak bij ons appartement stopt. Ik heb daar een bushalte gezien.’

Moeder kijkt op de klok. ‘Goed, maar dan moeten we nu wel een beetje opschieten.’

 

Vijf over negen staat de familie bij de bushalte.

Ze moeten even wachten. ‘Pasjes bij de hand houden’, gebiedt vader. ‘Ik zie de bus al aankomen.’

De gele postbus stopt bij de halte en de deuren gaan geruisloos open.

‘Guten Morgen’, groet de buschauffeur.

Als ze hun pasjes hebben getoond, lopen ze verder de bus in. Er is nog voldoende plaats. De bus stopt nog bij enkele haltes in het dorp. Gelukkig hoeven ze niet over te stappen. ‘Deze bus rijdt rechtstreeks naar Saas-Fee’, weet vader.

Saas-Fee ligt een stukje hoger dan het vakantiedorp waar ze zelf logeren. Buiten de kom klimt de bus omhoog en uiteindelijk parkeert de chauffeur de bus voor Saas-Fee, in een terminal waar iedereen uitstapt en zijns weegs gaat.

Buiten wijst vader tussen de oude zwarte schuurtjes door. ‘We moeten daarheen, de brug over en een stukje naar rechts.’

‘Weten wij ook wel’, zegt Edwin.

Vader kijkt hem even van opzij aan.

‘We zijn hier de afgelopen winter toch ook geweest?’ probeert Edwin zijn wat botte opmerking te vergoelijken.

‘Ja, je hebt gelijk’, lacht vader.

Met z’n allen, inclusief Tim en Tor, lopen ze de zonovergoten brug over.

‘Komt me inderdaad allemaal bekend voor’, zegt Peter, ‘Maar toch is het ook weer heel anders dan in de winter.’

‘Kijk daar’, wijst Vera naar een gebouw naast de brug. ‘Het hotel waar we de afgelopen winter hebben geslapen.’

Het is niet druk in het dalstation van de kabelbaan. ‘Veel mensen zijn al naar boven, vermoed ik’, zegt vader. ‘Wij zijn niet zo vroeg, maar dat is niet zo erg de eerste dag. We doen het lekker rustig aan.’

Ze lopen het gebouw in. De poortjes gaan met hun pasjes open. Dan volgen ze met behulp van de richtingspijltjes een schuin oplopende gang.

Er hangt net een lege gondel voor het perron, dus de familie stapt meteen in.

Achter zich horen ze een groot kabaal. Er komt een groep jongeren aangerend, die ook nog snel met de gondel mee wil. Ze passen er niet allemaal in. Er is ook leiding bij. Twee volwassen mannen en een vrouw. Een van de mannen stapt ook in de gondel waar de familie De Jongh in zit. De andere volwassenen blijven bij de rest van de groep die er niet meer bij past en wachten op de volgende gondel die langzaam aan komt schuiven.

‘Duitsers’, fluistert Edwin achter zijn hand, vlak bij Peters oor.

Vera heeft het ook gehoord. ‘Of Zwitsers of Oostenrijkers, dat kan ook nog’, fluistert ze aan de andere kant van Peter, die naar de rugtas van de jongen voor hem staart.

‘Deze keer moet ik Vera gelijk geven’, zegt Peter zacht en hij buigt naar voren. ‘Aan die rugtas hangt een adreslabeltje. Daar staat Wolfsburg op.’

Vera gaat rechtop zitten. ‘Dat ligt in Oostenrijk, want daar is een vriendin van mij op vakantie.’

‘Dat ligt helemaal niet in Oostenrijk’, roept Edwin, nu wat luider. ‘In Wolfsburg staat het hoofdkantoor van Volkswagen en dat is in Duitsland.’

‘Niet waar!’ Vera kijkt Edwin verontwaardigd aan en roept de hulp van vader in. ‘Pap, waar is Esther Versluis met haar vader en moeder op vakantie?’

‘Gerard Versluis, die timmerman, bedoel je?’

‘Ja, die bedoel ik.’

‘Die zijn naar Oostenrijk …’

‘Zie je wel’, valt Vera hem in de rede.

‘Mag ik even m’n zin afmaken?’ vraagt vader. ‘Die zijn, als ik het goed heb, naar Wolfsberg.’

‘… Wolfsberg? Bérg, zei u?’ vraagt Vera wat beteuterd.

Vader knikt.

Edwin grijnst. ‘Je kunt wel denken dat je alles weet, Veer …’

Peter glimlacht maar een keer naar Vera. ‘Och, je kunt niet alles weten.’

Enkele van de ingestapte jongelui horen de discussie ook aan, al verstaan ze er niet veel van. Wolfsberg en Wolfsburg verstaan ze wel. De jongen vlak voor Peter haalt zijn schouders op en draait zich weer om.

Er komt wat meer beweging in de groep. Eentje gaat treiterend heen en weer staan wiegen. Een andere jongen volgt zijn voorbeeld. ‘Höre auf!’ gilt een meisje.

Dat werkt averechts. Nog meer jongens gaan heen en weer staan schommelen. Nog meer meiden beginnen te gillen.

Er klinkt een zacht gegrom uit de keel van Tor. Tim staat ineens op scherp, zijn staartje recht omhoog.

De gondel beweegt een klein beetje heen en weer en Vera kijkt naar Edwin en Peter.

De man die de leiding heeft, vindt het welletjes en snauwt iets in het Duits.

Na dat drie keer herhaald te hebben, stoppen de jongeren eindelijk.

‘Wat een klieren’, fluistert Vera.

Langzaam glijdt de grote gondel naar boven. Het eerste tussenstation komt in zicht.

‘Hé, daar is … eh, hoe heet het daar ook alweer …’ roept Vera.

‘Galerie Maste 4’, helpt Peter haar.

‘Tja, dat was best een mooi avontuur daar de afgelopen winter’, zegt Edwin.

‘Gaan we nog even kijken of Marjolein er ook is?’ vraagt Vera.

Moeder heeft aan de achterzijde van de gondel richting Saas- Fee staan kijken en heeft niet helemaal gevolgd wat er werd gezegd. ‘Waar wil je gaan kijken?’ vraagt ze.

‘Weet u nog’, begint Vera, ‘toen die gestolen schilderijen uit haar galerie daarboven weer zijn gevonden? Nadat de jongens met Sebastian, van het hotel waar we logeerden, die crimineel hebben gevangen, bood Marjolein als dank aan dat ik in deze vakantie nog een keer bij haar mocht komen schilderen. Misschien kunnen we meteen wat afspreken.’

‘Dat kunnen we dan beter doen als we hier vanmiddag weer langskomen. Volgens mij is de galerie alleen ’s middags open’, zegt moeder.

‘Is ook goed’, vindt Vera.

Even later wordt de gondel door het grote betonnen tussenstation opgeslokt en schuift, nadat deze bijna tot stilstand is gekomen, traag langs het perron. De deuren klappen open en de passagiers kunnen lopend hun reis vervolgen naar het naastgelegen instapperron. Daar maakt een soortgelijke gondel langzaam zijn ronde langs het perron.

‘We kunnen beter even wachten en dat baldadige stelletje voor laten gaan’, vindt moeder.

‘Maar er komt nog een lading aan’, zegt vader.

‘Dan laten we die ook maar voorgaan’, zegt moeder dan.

Als de twee volle gondels zijn vertrokken, neemt de familie de volgende.

Edwin zit weer als eerste op een bankje in de gondel en al snel verlaten ze het gebouw voor het laatste stukje, dat niet zo erg lang is.

In het volgende station kan worden overgestapt op een metro die vakantiegangers naar het eindstation brengt op Mittelallalin.

Dat is de familie niet van plan en ze slaan in het gebouw linksaf en lopen een paar trappen op.

‘Misschien is die club wel naar Mittelallalin onderweg’, oppert vader. ‘Dan zijn we daar mooi vanaf. Maar doe rustig aan’, waarschuwt hij, ‘je bent hier snel buiten adem.’

Edwin luistert echter niet en rent de trap op. Hij wil als eerste boven zijn.

Als de rest boven arriveert, zien ze daar Edwin, die staat te hijgen als een oud paard.

‘Ik had je gewaarschuwd’, lacht vader.

Edwin reageert niet.

Buiten het gebouw worden ze weer begroet door een stralende zon.

‘Het is heerlijk hier’, vindt moeder.

‘We gaan de gletsjer over’, wijst vader.

‘Wat?’ schrikt moeder. ‘Een gletsjer over? Doe niet zo gek. Dat is toch levensgevaarlijk!’

‘Deze niet’, glimlacht vader. ‘Er ligt gewoon een pad en er staan stokken om je de juiste weg te wijzen.’

‘Gaan we echt die gletsjer over?’ vraagt Peter. Zijn ogen beginnen te glimmen: ‘Wow!’

Vader gaat voorop. ‘Gaan jullie mee? Kijk daar, een stukje voor ons lopen ook nog een paar mensen. Daar moeten wij ook heen.’

Moeder vindt het allemaal maar een beetje griezelig.

‘Eitje, zo’n gletsjer’, vindt Edwin.

‘Kijk daar eens’, wijst Vera als ze een stukje verder zijn. ‘Daar lopen die jongeren.’

‘Hè’, zucht vader. ‘Dacht ik dat we er vanaf waren … Niet dus.’

Achter elkaar volgen ze het ongeveer 500 meter lange pad over de gletsjer.

Als ze net over de helft zijn, klinkt er plots weer een harde knal. Van schrik staat iedereen meteen stokstijf stil.

‘O nee, hè!’ klinkt moeder paniekerig achteraan.

‘Dit is geen onweer’, zegt vader overtuigd. ‘Kijk eens omhoog. De lucht is strakblauw.’

‘Wat dan?’ vraagt moeder ongerust.

Vader haalt zijn schouders op en loopt door. De anderen volgen zwijgend.

Als ze de gletsjer over zijn, lopen ze nog een stukje over sneeuw. Omdat hier dagelijks mensen lopen, is het niet moeilijk om het pad te volgen.

Voorbij wat steile rotsen blijft vader ineens staan. ‘Kijk eens’, wijst hij.

De anderen kijken in de aangewezen richting.

‘Wat bedoelt u?’ vraagt Vera.

‘Ik zie het al’, roept Edwin. ‘Dat gebouw daar in de verte.’

‘Precies’, zegt vader. ‘De Britanniahütte.’

‘Moeten we daarnaartoe?’ vraagt moeder.

‘Ja’, knikt vader. ‘Valt mee, hè?’

‘Nou …’ vindt moeder.

‘We hoeven weinig te klimmen’, ziet Vera.

‘Hier recht voor ons ligt een pad dat door de sneeuw gaat’, zegt vader. ‘Rechtstreeks naar de Britanniahütte.’ Hij legt zijn arm even om de schouders van zijn vrouw. ‘En als we er zijn, krijg je van mij een lekkere kom bouillon, lief.’

Moeder glimlacht even.

De vakantiegangers lopen weer verder over de besneeuwde helling.

Het voetbrede sneeuwpaadje op de behoorlijk steile helling wordt afgewisseld door af en toe een stukje waar de rotsen boven de sneeuw uit komen en waar ze overheen moeten klauteren.

Halverwege de helling begint Tor ineens te grommen. Tim laat nu ook van zich horen en keft luidkeels mee. Vader en moeder die vooroplopen, kijken om.

‘Wat is dat nou?’ vraagt vader.

‘Geen idee’, zegt Edwin.

Tor steekt zijn kop omhoog en gromt opnieuw.

‘Koest’, zegt Edwin.

Zacht grommend laat Tor zijn kop weer zakken.

image

‘Laten we maar doorlopen’, vindt moeder. ‘Hier lang op deze steile helling blijven staan …’ Ze maakt haar zin niet af.

‘Ah, ik heb je door’, plaagt vader. ‘Jij wil naar die overheerlijke bouillon.’

Voor hen doemt er plotseling iemand op die hen tegemoet komt lopen.

‘Pas op!’ schreeuwt vader ineens en hij wijst naar de helling boven hen. ‘Blijf staan!’

De tegemoetkomende man kijkt verschrikt op door vaders geschreeuw en driftige bewegingen. Hij kijkt naar boven en ziet meteen het gevaar. Van de sneeuwhelling boven hen komt een forse steen naar beneden rollen. Recht op de man af.