14

Ze forceerden het slot en trokken de deur van het pakhuis open. Op het moment dat ze dat deden, maakte de geur duidelijk dat ze hadden gevonden wie - of in elk geval wat - ze hadden gezocht. Deputy Jantu Ferrar wist het en een blik op het gezicht van Ranger Shah bevestigde dat. Niets stonk erger dan een rottend lijk, niets had zo'n vreemde, misselijkmakende, zoete, walgelijke geur. Agenten wisten nog steeds hoe het rook, zelfs op de overdreven schone wereld Inferno.

Nu wisten ze hoe het Bissal was gelukt om zich zo lang verborgen te houden. Het was niet moeilijk om uit het zicht te blijven, als je dood was. De Ranger, de deputy en de robot gingen de koele, walgelijke duisternis in. Shah haalde een zaklantaarn te voorschijn en scheen ermee rond in het gebouw. 'Inderdaad Roestruggers,' zei ze. Jantu knikte. Ze herkende de spullen. Een tiental beperkers lag keurig in een hoek opgestapeld. Hypergolf-communicatieapparatuur. Een robot-werkplaats. Inderdaad. Een groot Roestruggercentrum. En ze waren er zomaar naar binnen gelopen. Jantu trok haar ploffer en hield hem in de aanslag. Shah keek Jantu's kant op en trok toen haar eigen wapen. Jantu ging naar voren, naar de hoek van een rek vol met apparaten. Ze gebaarde naar Shah dat ze haar moest dekken, waarna Jantu de hoek om liep.

En daar was hij. Hij zat aan een tafel, voor hem stond een eenvoudige maaltijd, zijn ogen waren half geopend, zijn mond hing ook iets open, met de hap die hij had zitten eten er nog in. Zijn hoofd hing iets naar voren. Bijna precies dezelfde houding als waarin ze de gouverneur hadden gevonden. En precies even dood. Pas toen ze haar wapen liet zakken, besefte Jantu dat ze haar wapen opgeheven had en het op het lichaam had gericht.

'Is dat hem? Is dat hem?' vroeg Shah met een enigszins hoge en opgewonden stem.

'Ja,' zei Jantu. Vreemd dat een lijk er nooit helemaal hetzelfde uitzag als een levend mens. Iets aan hem was slap en opgezwollen. Wat ook te verwachten was na drie of vier dagen dood bovengronds te hebben gelegen.

'Hoe is hij doodgegaan?' vroeg Shah terwijl ze dichterbij kwam.

'Moet je zijn bord zien,' zei Jantu. Er lag een dikke laag vliegen op de resten van zijn voedsel. Een dikke laag dode, bewegingloze vliegen. Gif. Een soort die had toegeslagen voordat hij het had kunnen inslikken.

'Brandende hel,' zei Shah. 'Ze hebben hem in de val laten lopen. Eerst hebben ze hem hun vuile werk laten opknappen en daarna hebben ze hem in deze schuilplaats gelokt om hem te vermoorden.'

Jantu staarde naar het lichaam, haar ogen vechtend om enige beweging te vinden in die onmogelijke stilheid. Ze maakte de fout door haar neus adem te halen en de stank trof haar als een klap in haar maag. Ze voelde zich slap en zenuwachtig. 'Kom mee,' zei ze. 'We hebben hem gevonden,' zei ze. 'Laten we teruggaan naar de luchtwagen en het melden.'

Shah knikte met een asgrauw gezicht en een wilde blik in haar ogen. Misschien was dit het eerste lijk dat ze ooit had gezien. 'Ja, ja,' zei ze. 'Laten we gaan.'

Ze staken allebei hun wapen weg en liepen terug de straat op, terwijl Gerald 1324 iets achterbleef, hen nakijkend voor het geval iemand klaarstond om hen te bespringen. De twee mensen waren bijna bij de luchtwagen toen het gebeurde, terwijl Jantu over haar schouder achterom keek naar het gebouw.

De klap trof Gerald 1324 pal in de deuropening. De muur boven de deur stortte boven op hem in en begroef hem onder het puin. Jantu kwam los van de grond, nog zonder dat ze merkte dat ze werd getroffen. Haar door de klap verdoofde oren suisden en de oprijzende muur van vlammen die het pakhuis was geweest, brandde in stilte. En Shah, zij draaide zich om om te zien wat er met Jantu was gebeurd.

En plotseling maakte het verschil tussen Ranger en deputy geen donder uit. Niets maakte nog verschil wanneer een brok stressbeton van vijf kilo je pal tussen de ogen trof.

 

Alvar Kresh keek toe hoe de brandweer de brand onder controle probeerde te krijgen. 'Ze spelen met ons, Donald. Ze spelen met ons. Ze laten ons hem dood aantreffen, laten ons zien dat hij ons nooit iets zal kunnen vertellen, en blazen dan de hele boel op voordat we verder iets kunnen ontdekken.'

'Ja, meneer,' beaamde Donald. 'Ik betwijfel of we nog veel zullen vinden na zo'n felle brand.'

Kresh zei niets meer maar keek toe hoe een pakhuis vol met bewijs in rook opging. Welke geest zou zoiets bedenken?

'Goedemiddag, gouverneur,' zei een vrouwenstem. Kresh reageerde niet meteen. 'Gouverneur?'

'Hmmm? O!' Hij draaide zich om en zag Cinta Melloy naast zich staan. Het zou wel even duren voordat hij eraan gewend was dat de mensen zijn nieuwe titel gebruikten. 'Dag, Cinta.'

'Je zit met een mooie rotzooi opgescheept, gouverneur Kresh.'

En dit is nog het deel dat zichtbaar is, dacht Kresh. 'Luister, Cinta, vergeet dat gouverneur-gedoe even. Als agent tot agent. Ik ben hier als sheriff.' De sheriff die toekijkt hoe zijn zaak instort, dacht hij. Waar moet ik nu in godsnaam nog naar sporen zoeken?

'Ik kwam toch maar even langs, al was ik niet uitgenodigd, en zie dat het onder mijn jurisdictie valt,' zei Cinta Melloy, terwijl ze naar de smeulende brokstukken keek. 'Je had mijn hulp moeten inroepen, gouverneur... eh, sheriff. Die had je goed kunnen gebruiken. Nu is het uit de hand gelopen en is het te laat.'

'Ik kon je niet vertrouwen, Cinta,' antwoordde Kresh. Plotseling was hij te moe om het spelletje nog langer te blijven spelen. De waarheid in het oog te houden was al moeilijk genoeg. Op de een of andere manier was het gemakkelijk om erover te praten nu de eerste woorden waren uitgesproken. 'Hoe kon ik je vertrouwen wanneer de BB op plaatsen bleef opduiken waar ze niet hoorde?'

Kresh keek haar aan en wachtte op de uitbarsting. Maar die kwam niet. 'Ja, dat bleven we doen,' zei ze terwijl ze strak naar het vuur keek, duidelijk onwillig om hem recht in zijn gezicht aan te kijken, terwijl ze een soort bekentenis deed. 'Een deel daarvan was legaal, gewoon het werk van goede agenten die iets harder bleven trekken dat ze hadden hoeven doen. Een deel ervan... een deel ervan was het vuil dat we in dit werk aan onze handen krijgen, hoe goed je ook je best doet. We hebben met misdadigers te maken, Kresh. Dat weet je. Raak ze aan en een deel ervan geeft af.'

'Dat weet ik, Cinta. Dat weet ik. Maar dit was meer dan een beetje vuile handen.'

Uiteindelijk keek Cinta Kresh aan, met haar ogen knipperend toen er wat rook in haar gezicht waaide. 'Je hebt gelijk,' zei ze. 'Meer dan een beetje vuile handen. Een deel ervan bestond uit vuile smerissen. Mijn vuile smerissen. Ik ben er bijna zeker van dat Blare en Deam door echte, op dat moment niet in functie zijnde, omgekochte BB-agenten uit de receptie zijn gehaald. Ik heb hen nog niet te pakken, maar dat komt nog wel. Ze bezorgen de BB een slechte naam, een heel slechte naam, als dit fout loopt. Ik wilde... ik wilde hen zelf opsporen.'

'En Huthwitz?' vroeg Kresh, die nu volhield. Een goede ondervrager weet altijd wanneer hij kan volhouden en het slachtoffer bereid is mee te werken. 'Een dode omgekochte smeris en je kende zijn naam, terwijl zijn eigen commandant dat niet wist.'

'Ja, ik was al bang dat het je was opgevallen,' zei Cinta. 'We hadden hem in de gaten gehouden. De BB was de oorspronkelijke bron van de tip die leidde tot de aanhouding die die Ranger bij de Oostelijke Spleet heeft gedaan. Doordat we Huthwitz in de gaten hielden, konden we die aanhouding doen. Ik wilde niet meer zeggen waar Devray en jij bij waren, niet nu mijn mensen op het punt stonden de hele operatie op te rollen. Ik kon jóu evenmin vertrouwen.'

'En heb je de hele operatie opgerold?'

'Nee,' zei Cinta met een stem die even hard en vlak klonk als het antwoord. 'Ze zijn allemaal ondergedoken nadat Huthwitz dood was. We zijn ze kwijt.'

'Heeft Bissal Huthwitz vermoord?'

'Dat is vrijwel zeker.' Ze knikte naar de smeulende ruïne van het pakhuis. 'Na deze rotzooi zullen we het misschien nooit zeker weten. Ze kenden elkaar, dat weet ik wel zeker. Broeders in de Roestrughandel, behalve dat ze niet zo goed met elkaar konden opschieten.'

'Wist je eerder dan wij dat Bissal het had gedaan?' vroeg Kresh.

'We hadden een dossier over hem,' gaf Cinta toe. 'Iedereen. Alleen was dat van ons gekoppeld aan de Roestrughandel van Huthwitz. Zijn naam dook op als een van ongeveer twintig mogelijkheden. Meer niet. Ik durf zelfs te zeggen dat we hem nog niet als een serieuze verdachte zagen voordat je team hem vond.'

'O, we hebben hem inderdaad gevonden,' zei Kresh. 'Maar nu zijn we hem weer kwijt.' Kresh draaide zich om en begon terug te lopen naar zijn luchtwagen.

'Trouwens,' riep Cinta hem na, 'ik ben het nagegaan, op alle manieren die mij tot mijn beschikking stonden, en je had gelijk over Grieg en zijn huisgasten.'

Kresh fronste zijn voorhoofd en liep terug naar Cinta. 'Hoe bedoel je?' vroeg hij.

'Het blijkt dat hij uiteindelijk toch typisch een Ruimter was. Ik heb alle oude nieuwsberichten bekeken en met vrienden gesproken, en zo. Niemand kan zich herinneren dat hij ooit een gast in zijn huis heeft laten logeren. Nooit.'

 

Alvar Kresh staarde, zonder iets te zien, uit het raam terwijl Donald hem naar de residentie terug vloog. Hij dacht na. Dacht diep na. Vreemde bedgenoten, politiewerk en politiek. Het zou een ware uitdaging zijn om aan beide eisen te voldoen, maar hij begon te begrijpen dat beide zo met elkaar verweven waren, dat hij geen keus had. Sleutels, valse sporen, ideeën, theorieën, flarden van gesprekken en losse brokjes informatie leken door zijn hoofd te spoken. Grieg met een ploffergat in zijn borst. Griegs gesimuleerde beeld dat Kresh ervan moest verzekeren dat alles met hem in orde was. Telmhocks verholen poging om Kresh te vertellen dat hij de gouverneur was. Kresh die bijna over een dode BVR struikelde om Griegs kantoor binnen te komen. Het spookachtige beeld van Bissal dat door de integrator was gemaakt toen hij naar de lager gelegen opslagkamer ging.

De helft ervan was ongetwijfeld vitale informatie, terwijl de andere helft onbelangrijk was. Maar welke helft was wat? Hij sloot zijn ogen en probeerde zich te concentreren. Nee, niet concentreren. Ontspannen. Ontspannen. Laat het vanzelf boven komen. Verwacht niet dat het antwoord op afspraak komt. Het komt wanneer de tijd er rijp voor is, uitgenodigd of niet. Hij zei tegen zichzelf dat het geen zin had om te proberen de oplossing te dwingen te komen...

En op het moment dat hij dat tegen zichzelf zei, floepte het licht aan. Ja. Dat moest het zijn. Hij had bewijs nodig, hij moest alles bij elkaar voegen... maar dat was het.

 

Donald 111 was ervan overtuigd dat zijn meester in slaap was gevallen en zette de luchtwagen zo zacht mogelijk neer. Maar Alvar Kresh verbaasde zijn privé-robot niet voor de eerste maal. Hij was eerder uit de luchtwagen dan Donald en zag er heel wakker uit, zelfs heel energiek en vastberaden. Donald maakte een mentale aantekening om niet te vergeten dat mensen soms inderdaad konden nadenken met hun ogen dicht, zelfs al was het meestal slechts een excuus om een dutje te doen.

'Ik wil Caliban en Prospero in mijn kantoor zien,' zei Kresh, terwijl hij met een strakke blik naar de ingang liep. 'En wel nu meteen!'

'Ja, meneer,' zei Donald, die zich haastte om hem bij te houden. 'Ik zal ze meteen naar boven brengen.'

'Mooi,' zei Kresh en hij liep door de hoofdingang naar binnen. 'Ik moet eerst nog één ding doen. Iets wat wel even tijd kan kosten. Wacht in het kantoor van de gouverneur op me.'

'Ja, meneer,' zei Donald behoorlijk verbaasd. Hij wist alles over de stemmingen van Alvar Kresh en deze specifieke kende hij maar al te goed. Dit was Alvar Kresh op jacht, Alvar Kresh die het net sloot voor de doodsteek. Maar hoe? En wie? Donald haastte zich omlaag naar de geïmproviseerde cel waarin Caliban en Prospero werden vastgehouden. Zo nu en dan was hij Kresh voor geweest bij het oplossen van een zaak, maar vaak had hij ver achter gelegen. Maar nooit zo ver als nu. Had Kresh de dader op het oog, zelfs al had hij slechts een vaag idee van de lijst van verdachten?

Hij gebaarde naar de wachtrobot dat hij de celdeur open moest doen en ging al naar binnen voordat de deur geheel open was. Prospero en Caliban zaten allebei op de vloer van de cel. 'Sta op,' zei Donald zonder te proberen de opwinding en tevredenheid uit zijn stem te weren. 'De gouverneur wil jullie boven spreken.' Ze stonden allebei enigszins onzeker op. Donald was blij hun verwarring te zien. Het deed hem echt goed om deze twee bevelen te geven. Betekende deze oproep dat Kresh had besloten dat de twee pseudo-robots inderdaad de schuldigen waren? Dat zou hem een onbegrensd gevoel van plezier en triomf geven.

Kresh was niet in de kamer toen Donald een minuut of twee later zijn twee gevangenen binnenbracht. Donald gebaarde hun midden in de kamer te blijven staan, terwijl hij zich in een muurnis terugtrok. Wachten was in het algemeen geen ontbering voor een robot. Robots brachten een groot deel van hun bestaan al wachtend door tot mensen kwamen of gingen, of tot mensen een besluit hadden genomen over een bevel. Toch vond Donald het wachten op Kresh bijna ondraaglijk. Er was iets aan de hand. Hij wist het. Hij wist het.

De drie robots wachtten zwijgend gedurende zestien minuten en drieëntwintig seconden, volgens Donalds interne chronometer. En toen schoof de deur open en liep Kresh de kamer binnen. Hij had iets bij zich, een ondoorzichtige opslagkist voor bewijsmateriaal. Hij zette de kist neer op het bureau en wendde zich toen tot Caliban en Prospero. Hij kwam meteen ter zake, zonder enige inleiding. 'Ik wil precies weten,' zei Kresh, 'wat er aan de hand was tussen Tierlaw Verick en jullie. Precies. Ik wil jullie exacte woorden horen. Van hem en van jullie.'

'Bedoelt u op de avond van de dood van gouverneur Grieg?' vroeg Caliban.

'Wanneer heb je hem nog meer ontmoet?' vroeg Kresh.

'Nooit,' zei Caliban. 'Nooit daarvoor of daarna.'

'Vertel me dan wat er die ene keer is gebeurd dat jullie elkaar wel hebben ontmoet,' zei Kresh.

'Nou, het was een heel korte ontmoeting,' zei Caliban, nog steeds enigszins verbijsterd. 'We stonden bij de deur te wachten...'

'Alleen jullie beiden?' vroeg Kresh. 'Niemand anders?'

'Er was verder helemaal niemand,' zei Caliban. 'Als u hoopt op een soort getuige om mijn verklaring te staven, ben ik bang dat die er niet was. In elk geval stonden Prospero en ik bij de deur te wachten toen Tierlaw naar buiten kwam. Hij leek nogal overstuur over iets te zijn en was ook verbaasd ons daar te zien. Hij zei: "Ik dacht dat ik vanavond de laatste was." En hij lachte.'

'Ik vond het een nogal zenuwachtige lach,' zei Prospero.

Caliban knikte. 'Ja, hij was zenuwachtig. Hij sprak vrij hard en leek nogal opgewonden te zijn. Ik sprak tegen hem en zei: "Mijn vriend en ik zijn er op het laatste moment bij gekomen."

Hij antwoordde met: "Nou, daar binnen zullen jullie over allerlei veranderingen horen. Alles is besloten. Niemand krijgt de leiding en jullie gaan allemaal naar het hiernamaals. We zijn er allemaal geweest. Dat heeft Grieg me zoeven verteld. Het is allemaal voorbij."'

'En toen?' vroeg Kresh.

'Toen niets,' zei Prospero. 'Hij draaide zich om en beende met een hoop kabaal weg door de gang. Caliban en ik waren nogal verbaasd door wat hij had gezegd, maar we hadden geen tijd meer om het te bespreken. De deur naar Griegs kantoor ging open en wij gingen naar binnen voor ons gesprek. Meer is er niet tussen ons gebeurd.'

'Ik begrijp het,' zei Kresh. 'Goed, dat is alles. Jullie kunnen allebei gaan.'

'Gaan we terug naar onze cel?' vroeg Prospero.

'Doe maar waar jullie zin in hebben,' beet Kresh hem toe. 'Is dat niet wat die verdomde Vierde Wet van jullie je opdraagt? Laat me gewoon alleen en blijf binnen de residentie. Ik heb jullie later nog nodig. Ik raad jullie ten sterkste aan dat jullie niet proberen weg te gaan.'

'Natuurlijk niet,' zei Caliban. 'Niemand van ons wil zelfmoord plegen.'

'Echt niet?' vroeg Kresh. 'Jullie hebben een vreemde manier om dat te laten blijken. En nu wegwezen.'

Donald keek de twee pseudo-robots uiterst verward na toen ze vertrokken. Hun verslag van hun ontmoeting met Tierlaw Verick was in strijd met dat van Verick zelf, maar gezien Vericks vijandschap jegens robots, viel te verwachten dat hij grof tegen hen zou zijn.

Ernstiger was, dat gouverneur Kresh het verhaal van de pseudo-robots ronduit voor waar scheen aan te nemen, hoewel zowel Prospero als Caliban in staat waren om te liegen. Even dacht Donald eraan dit punt onder Kresh' aandacht te brengen. Maar er was iets in de felle, geconcentreerde uitdrukking op zijn gezicht dat Donald duidelijk maakte dat dat een ernstige fout zou zijn. Nee, gouverneur Alvar Kresh was een man die precies wist wat hij deed.

En één ding wat hij deed, was geen enkele aandacht aan Donald te besteden. Mensen vergaten vaak dat er robots bij waren die alles zagen wat er gebeurde. Donald kon zulke momenten altijd wel waarderen, omdat ze hem een onvergelijkbare kans gaven menselijk gedrag te observeren. Hij keek onbeweeglijk vanuit zijn muurnis toe hoe Kresh een vel papier uit Griegs antieke bureau pakte, even met een van Griegs vreemde oude pennen speelde en toen ging schrijven. Hij leek een lijst op te stellen.

Hij was klaar met schrijven, legde de pen neer en bekeek het papier een ogenblik lang. Toen wendde hij zich tot het comm-paneel naast het bureau en toetste met de hand een nummer in. Het scherm lichtte op en Donald kon Justen Devray op het scherm zien. 'Kom hierheen,' zei Kresh, en hij verbrak de verbinding voordat Devray de kans kreeg om iets te zeggen.

Kresh pakte het papier en stond van achter het bureau op. Hij begon door de kamer heen en weer te lopen, almaar heen en weer, met een flinke, vastberaden pas, al zijn aandacht op het papier gericht. Hij liep terug naar het bureau en pakte de pen weer. Hij streepte iets door en voegde iets anders toe.

De deurbel klonk en Kresh drukte een knop op zijn bureau in.

De deur ging open en Justen Devray kwam binnen.

'Nou, Justen,' zei Kresh. 'Het lijkt erop dat ik een opdracht voor je Rangers heb.' Hij gaf Devray het vel papier. 'Neem contact op met Cinta Melloy en stel de BB op de hoogte. Haal die mensen hierheen, Justen. Allemaal. Nu. En ik wil jou en Melloy hier ook hebben. Voor jou is het een bevel, maar geef mijn uitnodiging om te komen ook door aan Melloy. Ik heb het gevoel dat ze hem wel zal aannemen.'

Devray bekeek de lijst en schudde zijn hoofd. 'Misschien wil Melloy wel komen,' zei hij. 'Maar sommige van deze mensen zullen het niet leuk vinden,' zei hij.

'Ga hen nu maar halen,' zei Kresh. 'Ik wil hen allemaal hier zien, in dit kantoor, over twee uur.'

Devray knikte en toen, na een korte aarzeling, dacht hij eraan te salueren. 'Ja, meneer,' zei hij. En daarmee draaide hij zich om en vertrok. Kresh liet hem uit met een druk op de deurknop.

Kresh keek Devray na toen hij vertrok, wachtte een minuut, en ging toen achter hem aan. Hij gebruikte het identificatie-scannerplaatje om de deur te openen. Kresh bleef staan en bekeek iets in de deurlijst toen hij naar buiten liep. Wat hij daar aantrof leek hem te bevallen, en hij liep verder. De kamer voelde dat er geen mensen meer waren en deed de lichten uit.

Waardoor Donald alleen in het donker achterbleef. In meer dan één opzicht.

 

'Ik moet gaan, Gubber,' zei Tonya.

'Je zou ertegen kunnen protesteren,' zei Gubber. 'Beroep je op diplomatieke onschendbaarheid. Weiger te gaan. Het was al erg genoeg dat Caliban zomaar verdween en in de gevangenis terechtkwam. Ik kende hem nauwelijks, maar ik schrok me toch halfdood. Als het met jou zou gebeuren, zou ik het niet kunnen verdragen. Laat je niet door hen pakken. Blijf.'

'Dat kan de dingen er alleen maar slechter op maken,' zei Tonya op een kalmere toon dan de betekenis van haar woorden behoefde. 'Ik weet dat dit niet gemakkelijk voor je is geweest, maar ik beloof je dat het na vanavond voorbij is. Ik weet niet wat Kresh van me wil, maar het is nou eenmaal zo. Ik weet niet of ik een verdachte of een getuige ben, of dat hij gewoon een praatje wil maken over terravormen. Hij vraagt naar me en dus moet ik gaan.'

'Waarom dan?'

Tonya deed een paar stappen in de richting van de deur, draaide zich toen om en keek hem aan. Ze wist dat er normaal gesproken niets aan de hand was. Er zou niets gebeuren. Maar ze voelde zich toch anders. Er heerste angst in de wereld. 'Ik moet gaan,' zei ze, 'omdat we op deze wereld wonen, jij en ik. Wij wonen hier en Alvar Kresh is misschien de enige mens die hem kan redden. Als ik me hier met alle wettelijke middelen die me ten dienste staan tegen verzet, is dat niet goed voor hem.

En vanaf vandaag geldt dat wat slecht is voor Alvar Kresh, goed is voor Simcor Beddle.'

 

Kresh probeerde zich te ontspannen. Hij nam snel een douche, trok schone kleren aan, at even wat... en probeerde er goed bij te gaan zitten. Hij vond de bibliotheek van de residentie en koos min of meer op goed geluk een boekband uit om te lezen. Hij bleef zitten, terwijl de woorden langs zijn ogen schoven. Hij nam niet meer dan één op de tien woorden van het verhaal in zich op.

Kalm. Langzaam. Hij startte de band een keer of wat opnieuw, voordat hij het opgaf. Hij kon zich op niets anders dan de zaak concentreren. Want nu hád hij plotseling een zaak.

Hij had meer dan dat. Hij had het antwoord. Daar was hij zo zeker van als hij ooit in zijn leven ergens zeker van was geweest. Maar hoe dan ook, hij kon nog steeds heel gemakkelijk een fout maken. Kresh legde de band terzijde en dacht er keer op keer opnieuw over na.

Justen Devray kwam bijna exact twee uur nadat Kresh hem had weggestuurd de bibliotheek binnen. 'Ze zijn er allemaal,' zei hij. 'En ze zitten op u te wachten.'

'Mooi,' zei Kresh. 'Mooi. Laten we dan maar naar hen toe gaan.'

Justen ging Kresh voor de trap op naar het kantoor van de gouverneur - zijn kantoor - en liet hem binnen. Kresh haalde diep adem en stapte de deuropening door, een kamer binnen vol met mensen die moesten denken dat ze allemaal verdacht waren in de zaak van de moord op Grieg. In de zaak van de moord op de gouverneur, dacht hij. En jij bent nu de gouverneur. Kresh keek naar de muurnissen en was opgelucht toen hij Donald daar zag staan. Fijn te weten dat er hier iemand was die volkomen onbetwistbaar achter Kresh stond.

Kresh keek de kamer rond, keek hen allemaal aan. Leving, Devray, Melloy, Beddle, Verick, Phrost, Caliban, Prospero. De mensen onder hen zagen er ongedurig, opgewonden en zenuwachtig uit. Zelfs de twee robots leken slecht op hun gemak te zijn. Wat maar goed was ook. 'Ik heb een probleem,' zei hij. 'Een heel eenvoudig probleem, maar met een minder eenvoudige oplossing. En mijn eenvoudige probleem is: jullie zijn allemaal schuldig.'

Er volgde een verbaasde stilte van ruim tien seconden voordat ze hun ontkenningen begonnen te schreeuwen.