18 Magie
De storm raasde.
'Meg!' brulde een stem buiten het hutje.
Buiten rolde de donder, en de bliksemflitsen schenen tussen de planken van de luiken door. De regen siste op het riet van het dak, maar dat was stevig gedekt en vertoonde voorlopig nog geen lekkages.
Robbie keek op van het wetten van zijn dolk. Jarvis had zijn mantel al om zijn schouders geslagen.
'Meg!' riep de stem weer, en deze keer sloeg die over in het gepiep van een puber.
Jarvis deed de deur open, en er strompelde een jongen binnen. Robbie schatte zijn leeftijd op zo'n twee jaar ouder dan hijzelf, en hij had een afschuwelijke hoeveelheid puisten, die hem tot dusver bespaard waren gebleven, Banath, de god der dieven, zij dank. De knul was drijfnat van de gestage regen buiten en hijgde alsof hij enkele mijlen had gerend - hetgeen ook bleek uit de modderspetters die helemaal tot aan zijn middel reikten.
'Kom binnen, jongen,' bromde de landman. Zijn vrouw Meg bracht een beker met iets warms en kruidigs uit de kleine ketel naast de haard.
'Maar Davy toch, wat doe jij buiten op een avond als deze?'
De jongen zweeg bij het zien van de twee vreemden. Robbie glimlachte hem toe en liet de dolk met een klikje terug glijden in de schede aan zijn riem. Het vuurlicht schitterde op het sierwerk op de kom van zijn rapier.
'Reizigers,' verklaarde de landman. 'Nou, Davy, jongen, waar had je Meg voor nodig? Iemand ziek of is het bij iemand zover?'
Tegen Jarvis en de jonge dief zei hij: 'Dit hier is Davy, zoon van Tael van Het Hulzebosje. Niet de eerste keer dat Meg met zulk vies weer wordt geroepen.'
'Twee soldaten van de baron,' zei Davy, kalmerend van de kruidendrank. 'In elkaar geslagen! Bloot en in elkaar geslagen in de stal.'
'Net goed,' gromde zijn gastheer. 'La'maar rotten, zeg ik.'
'Je moeder kan blauwe plekken behandelen en een bot zetten dat in een gevecht gebroken is,' zei Meg. Onderwijl liep ze naar het bed en sleepte er een andere kist onder vandaan, deze bekleed met ongelooid leer. 'Wat is er verder mis met hen?'
Davy keek naar de mannen, schuifelde van de ene voet op de andere en flapte er toen uit: 'Ze gingen de deur uit en zeggen dat ze door een... een hoer zijn meegelokt naar de stal en dat haar pooier hen in elkaar heeft geslagen! '
De frons van de landman werd dreigender. 'Mooi verhaal. Er zijn geen lichtekooien in Het Hulzebosje.'
'En toch zeggen ze het,' hield Davy vol. Zijn puistenkop zag er nog erger uit toen hij bloosde. 'En... wel, hun kleren en wapens waren allemaal weg, en hun haar en baard waren afgeschoren, en ze waren helemaal door de mest gerold, en... en -'
'Voor de draad ermee, jongen!'
'En iemand heeft hun een dennenappel in hun kont gestoken! Bij allebei!'
Kakelend van de lach ging Meg verder met het uitzoeken van kruiden en gereedschappen. Na een moment van verbijstering schaterde haar man met haar mee, brullend tot hij bijna dubbelgebogen met de armen om zich heen door het hutje wankelde en tegen de muren opbotste.
'Ach, hoe vaak heb ik dat zelf niet willen doen bij een van die arrogante schoften,' piepte de oude man. 'Hihihi! Die gaan de komende maanden heel voorzichtig zitten en ook heel voorzichtig op de hurken op het sekreet. Hihi!'
Davy grijnsde wat ongemakkelijk, maar zoals hij stond, kneep ook hij zijn billen tegen elkaar.
Ook Robbie grinnikte. Waarschijnlijk leuker om te horen dan om te zien, dacht hij. Maar toch, zulk nieuws zou ik ook best eens willen horen over Jocko Radbrand, of Del Garza, of hun meester.
'En die meisjes zijn weg,' vervolgde Davy.
'Meisjes?' zei Robbie, plots ernstig.
'Die meisjes die met de hondenkar uit Nes kwamen, gisteren rond etenstijd,' zei hij. 'Knap als een plaatje, allebei.' Enthousiast begon hij ze te beschrijven.
'Flora!' zeiden Robbie en Jarvis tegelijkertijd.
'- en eentje liep mank,' besloot de jongen.
'Lorrie!' zei Robbie. Hij kreeg een hol gevoel in zijn maag, en Jarvis vloekte zachtjes in een taal die Robbie niet verstond. Ze keken elkaar aan.
'Dat doet de deur dicht,' zei Jarvis grimmig.
Robbie knikte en trok zijn met vet behandelde wollen mantel aan.
Met een ruk trok hij de kap naar voren. Dat kwam er nou van Flora's pas ontdekte verantwoordelijkheidsgevoel, bedacht hij bitter. Ze had hem weer zover dat hij zijn kop in het hol van een rioolrat kon steken.
'Geen tijd voor subtiliteiten,' zei hij.
'Integendeel,' reageerde Coe.
De regen sloeg hen koud in het gezicht toen ze de gezellige, rokerige warmte van het hutje verlieten.
Robbie kreeg kippenvel achter in zijn nek, en dat was niet van het straaltje koud water dat er in liep, maar van de gedachte aan Flora en Lorrie in dat oord.
Bram Ossreys hoofd veerde op toen hij wakker schrok uit een onrustig dutje. Het donderde, en de bliksem schitterde door het hoge smalle raam - veel te klein om je doorheen te persen, en bovendien met tralies ervoor, terwijl hij bovendien was vastgeketend.
Het was geen tijd voor de karige portie brood die hij kreeg - hij zou verzwakt zijn van de honger, als de kinderen hem niets te eten zouden hebben gebracht. Het was ook geen tijd om de emmer te legen. Toch hoorde hij een sleutel in het slot knarsen. Een ogenblik later tuurde hij in het gele licht van de lantaren in de hand van de cipier, een tinnen trommel met gaten erin om het kaarslicht door te laten.
Toen ging het uit, door een grillige windvlaag veranderd in een sliert bitter ruikende rook die door het metaal naar buiten walmde. De cipier vloekte, evenals de huurlingen die achter hem dromden.
'Nou, steek een andere aan, we moeten hier licht voor hebben,' zei een van hen tegen iemand achter hem.
Bram grijnsde. Hij voelde niets van de koude angst die soms door zijn kerker gierde. In plaats daarvan voelde hij iets dat woede uitstraalde -maar die was niet op hem gericht, en op een of andere manier gaf het hem een warmer en veiliger gevoel, hoe gek het ook was. Het deed hem denken aan zijn moeder.
Er kwam een andere lamp, en ook die ging uit. De derde flakkerde hevig maar werd niet gedoofd, aangezien de drager de vlam afschermde met zijn hand. Met het licht liepen de gewapende mannen op Bram af. Een van hen had een lichte smidshamer en een beitel bij zich.
'Geen geintjes,' zei een grote huurling. Bram herkende hem van het gevecht bij de voorde en keek hem vuil aan. De kerel grijnsde en vervolgde: 'Heer Bernarr zegt dat we je niet mogen doden. Maar we kunnen je wel door de mangel halen, hè? Niemand zegt dat je sterke benen of ongebroken armen moet hebben, toch?'
Hij deed een nieuwe jutezak over Brams hoofd en trok het touwtje pijnlijk strak aan. De jongeman snakte naar adem, rook de zoete geur van de haver die nog niet zo lang geleden in de zak had gezeten en nieste hulpeloos.
'Gekkigheid,' zei iemand - Bram zag nu niets meer en voelde alleen dat er door ruwe handen werd getrokken en geduwd. 'Waarom kunnen die boeien niet gewoon blijven zitten?'
'Was iets met koud ijzer, zei die magiër,' antwoordde een andere stem - die van de dunne met de rattenkop.
De hamer timmerde muzikaal op de kop van een koude beitel, en toen de boeien afvielen, kreunde Bram zachtjes van verlichting. Meteen moest hij een kreet verbijten toen er touw in zijn polsen kneep waar het ijzer zijn huid rauw had geschuurd. Maar zijn voeten waren tenminste vrij, en hij kwam sterk in de verleiding om te schoppen.
Beter maar van niet, dacht hij. Dan krijg ik alleen maar een pak slaag. Wacht maar even af Waar ze me ook heen brengen, het kan nooit erger zijn dan vastgeketend zitten in een kamer waar onzichtbare geesten in rondspoken.
Toen de mannen hem naar buiten duwden, hoorde hij een uit de toon vallend geluid: de roep van een winterkoninkje, het kleine vogeltje dat thuis in de vallei in de heggen woonde.
Onder de ruwe stof moest Bram grijnzen. Vorig jaar zomer had hij de kleine Rip nog geleerd hoe hij zo moest fluiten. Hij had hier meer vrienden dan zijn cipiers vermoedden.
Lorrie vocht tegen de neiging over haar been te wrijven. Dat jeukte en deed zeer. Het jeuken wees erop dat het genas, maar genezen was het nog lang niet, en als ze te ver ging, kon de wond weer opengaan.
Bram, dacht ze. Rip. Als het moest, kon ze het.
'Ik wou dat Robbie hier was,' zei Flora zenuwachtig.
'Niemand heeft huid noch haar van hem gezien,' merkte Lorrie op.
'Kan ook niet, als hij dat niet wil,' zei Flora. 'Maar wij moeten nu iets doen.'
Het bliksemde weer, en terwijl de regen onophoudelijk neerplensde, werd de onheilspellende massa van het landgoed verderop tegen de nachtelijke hemel afgetekend. Ze tuurde. 'Daar is een lichtje!' zei ze. 'Kijk, daar, in de toren op de hoek.'
Daar kwam een onzekere gele gloed uit de smalle ramen, smal genoeg om ook als schietgaten te fungeren.
'Misschien merken ze ons dan niet op,' hoopte Flora.
Toen ze het terrein naderden, kregen ze een vaag onprettig gevoel. Het leek sterker te worden met elke stap die ze dichter bij de ingang kwamen. 'Er deugt iets niet,' fluisterde Flora.
'Misschien moeten we eerst op zoek naar Robbie?' opperde Lorrie.
'Ik denk het wel.' Flora wilde net haar paard keren toen ze zei: 'Wacht eens even!'
'Wat?'
'Wil je echt niet meer verder zoeken naar Bram?' vroeg Flora.
'Nou, we zoeken natuurlijk nog wel door, maar we...'
'Stellen het alleen eventjes uit?'
'Ja, dat zou het zijn,' beaamde Lorrie. 'En trouwens, misschien is het morgen beter weer, en volgens mij kunnen we ook beter eerst naar ... ' Ze zweeg toen ze Flora vreemd zag kijken.
Flora rimpelde haar voorhoofd van concentratie en klemde haar kaken op elkaar alsof ze een schreeuw probeerde in te houden. 'Verdomme!' zei ze met tot spleetjes toegeknepen ogen en bewoog de teugels. Pas bij de smeedijzeren poort bracht ze het paard tot stoppen. Naast de poort was een deurtje in de muur die rond de tuin liep. De muur was maar twee el hoog, maar er stonden wel staken op. Hij was lang na het landhuis gebouwd, bedoeld om wild en vee buiten te houden in plaats van vijanden. Alsof het haar grote moeite kostte, vroeg Flora: 'Wat zou je nu liever doen dan daar naar binnen gaan?'
Lorrie drukte zich in het leer van de zitting alsof ze zoveel mogelijk afstand tot de poort wilde bewaren. 'Alles, eigenlijk. Zo'n beetje alles wat je maar kunt verzinnen.'
Flora knikte heftig. 'Juistem. Volgens mij is dit zo'n bescherming waar rijkelui die ouwe Alban soms voor betalen.'
'Wie is Alban?'
'Een magiër die ik vroeger kende,' zei Flora slechts. 'Zoiets heet een afweer. Die leg je aan rond een plek waar niemand iets heeft te zoeken, en dan verzinnen ze allerlei redenen om er maar niet naar toe te hoeven, alsof ze het helemaal zelf bedenken.'
'Ik geloof dat ik het begrijp,' zei Lorrie, 'maar zou het niet beter zijn als we eerst Robbie gingen zoeken?'
'Ja,' zei Flora en gaf de teugels aan Lorrie. Ze stapte uit, met een hand in de buidel onder haar mantel, met daarin nog meer van het poeder dat mensen treft als een vuistslag. 'Maar als we hem vinden, verzinnen we wel weer iets anders om hier niet naar toe te gaan,' zei ze over haar schouder terwijl ze naar het poortwachtershuisje liep. 'Op dit moment wil ik overal liever zijn dan hier, dus dat zegt me dat ik hier moet wezen.'
Lorrie begreep het niet helemaal. 'Dus we gaan toch?'
'Het zou beter zijn als Robbie erbij was, maar we gaan toch.' Ze stak haar hoofd door het raam, de enige opening aan die kant, en keek rond. 'Niemand te zien,' zei ze en trok haar hoofd terug. 'Maar het stinkt: er heeft hier iemand gewoond.'
'Hoe komen we erdoor?' vroeg Lorrie, met bezorgde blik kijkend naar de hoge ijzeren poort. Met beide benen gezond zou ik er misschien wel overheen kunnen klimmen, dacht ze ongelukkig. Maar nu zou ik al last hebben om weer in die hondenkar te klimmen, als ik eenmaal op de grond sta. Misschien moeten we toch wachten tot mijn been beter is...
'Geen probleem,' onderbrak Flora Lorries volgende reden om niet naar binnen te gaan.
Ze trok haar mantel uit, duwde hem door de spijlen van de poort, gespte vervolgens haar geleende - gestolen - zwaardriem los en deed daar hetzelfde mee, voorzichtig.
Daarna deed ze een handvol stappen terug, rende lichtvoetig naar voren en sprong als een kat. Zo kwam ze bijna op hoofdhoogte in de poort. Ze beklom de rest van het glibberige metaal alsof het een ladder was, liet zich behendig over de bovenkant tuimelen en klauterde aan de andere kant omlaag. Ze sprong toen ze nog hoger was dan haar eigen lengte en kwam soepel terecht, de klap beheerst opvangend met gebogen knieën.
Lorrie keek haar ogen uit. Wat had ze in Krondor voor de kost gedaan? Gewerkt als nar en acrobaat?
Grijnzend maakte ze de lange grendel los die de poort aan de binnenkant dichthield. 'Geen slot!' zei ze. 'Alleen deze grendel en een ketting erdoorheen.'
Kletterend viel de ketting los, en nadat Flora haar mantel en wapens had gepakt, reden ze verder naar de ingang van het landhuis.
'Ik kom eraan, Bram, Rip!' zei Lorrie grimmig. Eenmaal uitgesproken leken die woorden korte metten te maken met het verschrikkelijke gevoel dat ze eerst andere dingen moesten doen alvorens het terrein te betreden.
'Wie bent u?' vroeg Bram.
'Stilte,' antwoordde de zalvende stem, en er kwam een korte pijnprik van overal en nergens.
De adem siste tussen zijn tanden door. Het rook onaangenaam in de kamer, als in een ziekenkamer: oud verrot bloed en kwaadaardigheid. Hij lag met zijn rug op koud steen, en de huurlingen bonden hem vast met leren banden. Vreemd, die gingen om zijn knieën en ellebogen, niet om zijn polsen en enkels.
0, goden, dacht hij misselijk, die zijn voor kinderen! Dit is de tafel waarop ze de ontvoerde kinderen hebben geofferd! Zijn maag draaide zich om.
De huurlingen deden hun werk vlot, alsof het een zwijn was voor de slacht. Hij lag met armen en benen gespreid, als een zeester, en dat deed zeer aangezien de banden iets lager vastzaten dan de randen van de tafel waarop hij lag. Koude lucht stroomde over zijn huid toen broek en hemd werden losgesneden en weggetrokken. Er frunnikten vingers aan het touwtje van de zak over zijn hoofd. Door het grove weefsel van de stof kon hij al een diffuse lichtgloed zien. Toen de zak werd losgetrokken, ving hij even een glimp op van een grote, rijkelijk gemeubileerde kamer met twee ramen en twee deuren, met achter een van die deuren een bed waarop een mooie maar erg bleke vrouw lag, kennelijk in slaap.
'Dek zijn gezicht af!' blafte iemand. Het was de stem van een oud en vermoeid man, maar er lag gezag in.
Van hem zag Bram alleen zijn rug en zijn ineengeslagen handen. Er zaten ringen met edelstenen om de vingers, en zijn jasje was van duur, donker fluweel.
'Alles is klaar, mijn heer,' zei de onopvallende man van middelbare leeftijd die bij Brams hoofd stond.
Onopvallend, ja, totdat je zijn ogen zag. Die waren als vensters op... geen leegte, maar een gat waarin zelfs duisternis zou worden uitgedoofd. Nooit van zijn leven had Bram zoiets gezien, en het bezorgde hem vrees in zijn maag, ijskoude rillingen over zijn rug en kippenvel op zijn armen. De ogen van de man waren vensters op minder dan niets.
Hij glimlachte en drapeerde een lange zijden sjaal over Brams gezicht.
'Om je niet uit te sluiten van de festiviteiten, jongen,' mompelde hij en ging aan het werk. De zijde hield hem verborgen voor iemand die keek, maar Bram zelf kon door de gaasachtige stof heen zien - vaag.
In de korte tijd dat zijn ogen onbedekt waren geweest, had hij ook patronen op de vloer met zwarte kaarsen op de punten gezien. Een opgerold tapijt tegen een muur wees erop dat die tekens gewoonlijk waren afgedekt. Bram kon lezen. Hij wist niet wat die kronkeltekens betekenden en wilde het ook niet weten. Ze deden pijn aan zijn ogen, en hij wendde zijn blik af. Langs de randen van zijn bewustzijn werd er onderdrukt en nerveus gegiecheld.
'Laat me los, smeerlap!' schreeuwde Bram.
'Stilte,' zei de man weer, en de pijn kwam terug, als stekende naalden in zijn buik, kruis en gewrichten.
Stilte dan maar, dacht Bram en probeerde de banden. Sterk leer, zo te voelen, veel sterker dan nodig voor kinderen, en hij kon de stenen tafel niet eens laten schommelen. Die moest met zes sterke kerels worden verplaatst, of door twee met een wagentje.
Niet goed, dacht hij. Helemaal niet goed. Help!
Tot zijn verbazing werd zijn gezicht heel even aangeraakt - als door een vrouwenhand, warm en teder.
Ergens in de verte viel er iets om met denderend geraas. Hij hoorde iemand janken van pijn en toen: 'Dat zijn die pokkenjongens weer! Ga zand halen, ga water halen, doof dat godenverdomde vuur!'
Niet in het minst onder de indruk haalde de man met de verschrikkelijke ogen zijn schouders op. 'Tijd om verder te gaan, mijn heer,' zei hij. 'Het duurt nog maar een uur en' - hij keek op een zandloper - 'misschien nog vijf minuten voor het zover is.'
'Elaine,' zei de oudere man. Zijn stem klonk omfloerst, en er lag een verlangen in dat woord dat de jongeman wel moest opmerken, ondanks zijn droge mond en het hameren van bloed in zijn slapen.
Bram zag dat de man met de boze ogen, de magiër zoals Bram hem nu noemde, een klein werktuig en een pot oppakte, en hij bereidde zich voor op nog meer pijn, maar hij voelde alleen maar even iets nats en kouds, vlak boven de plek waar zijn schaamhaar begon. De magiër was zachtjes aan het zingen, in een snel rijzende en dalende taal die Bram niet herkende.
Weer koud en nat, een ietsje hoger dan de eerste keer. Bram hief zijn hoofd op tot zijn nek ervan kraakte om boven de gespierde welving van zijn borstkas heen te kijken wat de man aan het doen was. Het duurde even voordat hij doorhad wat er gebeurde, en toen begon hij weer aan de boeien te trekken.
Over het midden van zijn lichaam werd er een keurige, rode stippellijn geschilderd, in de richting van zijn borstbeen.
'Waarom is hier niemand?' vroeg Flora zich af, rondkijkend door de vestibule van het landhuis.
In zo'n groot huis hoorde er iemand bij de voordeur op wacht te staan, ook al was het al bijna middernacht. Maar er was alleen een helderblauwe vlam in een dure lantaren die gevuld was met geïmporteerde aromatische olie.
'Wees daar nou maar blij om,' merkte Lorrie op.
Ze trokken allebei hun natte mantel uit en gooiden hem op de vloer. De geur van de vette wol was er in de regen niet beter op geworden, en ze kregen het er alleen maar kouder van nu ze binnen waren.
'Rip is hier. Hij is vlakbij - hij denkt aan me! '
'Waar moeten we -' begon Flora, maar van schrik slaakte ze een gil. Naast de grote haard zwaaide er een stuk van de houten lambrizering naar buiten op soepele, geluidloze scharnieren.
Lorries hand ging naar haar mes. Toen snakte ze naar adem en liet zich op een knie vallen, ondanks de steken in haar been, haar armen uitgestrekt.
'Lorrie!' piepte Rip.
Hij rende zo hard dat hij uitgleed en haar bijna omverkegelde. Achter hem verschenen drie andere kinderen. Lorrie kromp ineen.
'0, neem me niet kwalijk,' zei Rip, haar loslatend. 'Was ik vergeten.
Bram had gezegd dat je been gewond was.' 'Bram!' zei Lorrie. 'Waar is hip'
'Boven,' antwoordde een blond meisje van ongeveer Rips leeftijd, gekleed in een stoffig jurkje. Ze wees naar een hoek van de vestibule, waar een stenen trap omhoogwentelde. 'Ze hebben hem meegenomen,' zei ze, met schrik in haar grote blauwe ogen. 'En wie wordt meegenomen, komt nooit meer terug.'
De andere twee kinderen knikten. Die waren jonger - een jongetje met een tartende en tegelijk angstige blik en een meisje dat zich vastklampte aan een pop.
'We zagen het gebeuren maar konden niets doen,' zei het kleine meisje, haar duim uit haar mond halend. 'Ze zijn groot.'
'Ze hebben zwaarden!' zei het jongetje. Hij probeerde dapper te klinken maar verried juist hoe bang hij eigenlijk was.
Het kleine meisje wees op Lorrie. 'Zij heeft ook een zwaard.' Het mollige vingertje ging naar Flora. 'En zij ook al.'
'Maar het zijn maar meisjes,' reageerde het jochie, lang niet gerustgesteld.
'Hou je kop, Kay!' bitste het oudere meisje.
Lorrie rechtte haar rug. 'Wij hebben zwaarden, ja,' zei ze, kloppend op het ongebruikte wapen aan haar zij. Ook al kunnen we er geen van tweeën veel mee. Maar ik ben een kei met een bijlsteel!
Flora boog zich een beetje voorover. 'We hebben iets beters dan zwaarden,' zei ze en klopte op haar zak. 'Magie!'
De ogen van de kinderen werden groot. 'Er is al magie hier,' zei Rip. 'Hele erge.'
'Breng ons naar Bram, dan,' zei Flora beslist.
Lorrie liep mee, en Flora ondersteunde haar om haar te helpen de trap op te hinken zonder haar gewonde been te. zwaar te belasten. Er leek geen einde aan te komen. Flora was nog nooit in zo'n groot gebouw geweest en had zich er niet eens een kunnen voorstellen voordat ze Nes had gezien. Dat was al intimiderend genoeg, maar er was iets anders waarvan ze wilde tandenklapperen, en dat had niets te maken met de kou in haar vochtige, geleende kleren. Er bewoog steeds iets in haar ooghoeken, iets wat ze net niet kon zien, maar het leek te bestaan uit zwart draad, en het giechelde en schimpte en deed telkens een uitval naar haar.
En dan was er nog de spanning in de lucht, als vlak voor een storm - maar de muren van het kasteel beefden onder het geweld van buiten, dus dat kon het ook niet zijn. Haar hoofd voelde strak aan, alsof het van binnenuit werd opgerekt, en het zou een opluchting zijn als het ontplofte.
'Daar,' fluisterde Rip eindelijk. 'Ik... ik weet dat het daar is.' Hij wees door een lange, donkere gang met een stenen vloer, zware houten tafels langs de muren en wandtapijten die zachtjes fladderden van de tocht. Aan het einde was een hoek en daarachter een vage gloed van lantarenlicht.
'Ga maar vast,' zei Rip. Hij hield zijn hoofd schuin naar opzij, alsof hij naar iemand luisterde. 'Wij komen zo. Ze gaan Bram straks pijn doen.'
Lorrie knikte, een beetje verbaasd maar zich concentrerend op wat er komen ging.
Ze liepen de gang door, en hun laarzen dreunden dof op de tapijten op de vloer. Het licht werd feller toen ze de hoek naderden, en Lorrie kon zien dat het een T-splitsing was en dat zij door de steel liep. Rechts licht, links donker.
'Zijn jullie dat, Forten, Sonnart?' riep iemand. 'Stelletje luie zwijnen, het is al bijna middernacht ! Jullie hadden een uur geleden al terug moeten zijn!'
Flora maakte een gedempt geluid en probeerde haar stem schor te laten klinken. Lorrie deed haar na. Zo te horen aan de stemmen was het vanaf de hoek niet meer dan een el of twee naar de spreker toe.
Woordloos biddend tot een handvol godheden liet Lorrie zich iets terugvallen en boog haar hoofd. Ze haalde diep adem en bewoog haar vingers.
Bram. Denk aan Bram.
Ze sloegen de hoek om. Aan weerskanten brandden lantarens in metalen houders. Voor een hoge dichte deur van glanzend hout luierden vier mannen. Twee zaten er op bankjes, de andere twee stonden bij elkaar, leunend op een hellebaard.
Jarvis Coe snakte naar adem en hield halt voor de smeedijzeren poort. Die stond open, zij het op een kiertje. Ze moesten hun gestrekte galop onderbreken om erdoor te gaan.
En ook omdat het zo donker is als in een rioolrattennest, dacht Robbie. Het zadel had zijn achterste weer beurs geslagen, en het rapier had hem ook een paar keer flink onder de ribben te pakken gehad, maar hij had het per se binnen handbereik willen hebben als hij haastig af moest stijgen. 'Is er iets mis?' vroeg hij, door de poort naar het landhuis turend. Door afstand en regen was er nauwelijks iets meer te zien dan een flakkerend licht uit een hoog raam.
'Heel erg mis,' zei Coe benauwd. 'We zijn laat. Erg laat. Het is al begonnen.'
Ze slingerden door de ingang en zetten hun onwillige paarden aan tot een korte galop. Bij het bordes hielden ze halt, vlak bij een hondenkar met een paard dat geduldig de regen stond te verduren. 'Dat is het paard van Flora's tante!' zei Robbie. 'Ik heb hem in het schuurtje achter het huis zien staan. Flora en Lorrie zullen ons hier zijn komen zoeken!'
'Of de jongeman die je bent tegengekomen,' zei Coe.
De voordeur van het landhuis stond een stukje open, en onwillekeurig werden Robbies lippen gekruld tot een grijns. Flora had geen tijd verspild en was ook lang niet alles vergeten wat ze als dief had geleerd voordat ze het matrassenvak in was gegaan. Ze sprongen uit het zadel, hingen de teugels aan een ring in het lage muurtje naast de brug over de slotgracht.
Misschien moeten we halsoverkop weg, dacht hij.
'Ik ga eerst,' zei Coe oplichtend en trok zijn zwaard.
'Jij gaat eerst,' stemde Robbie in en deed hetzelfde.
Er kwam een gedempte kreet door de buitendeur van de offerkamer. Bram hoorde iemand verschrikt schreeuwen, toen het kletteren van staal op staal en een hoge gil die door een vrouw moest zijn geslaakt, vervolgens een kreet van pijn die van iedereen afkomstig kon zijn.
De man in het fluwelen jasje sprak een scherp bevel. Bij de deur stonden Smalle en Rox. Een van hen haalde het klepje van een kijkgat en gluurde er voorzichtig doorheen - bang om te worden gestoken, misschien.
'Waarschijnlijk die kleine ratten weer, mijn heer,' zei Rox. 'Otto ligt op de grond. Hij bloedt niet, voorzover ik kan zien. De anderen zullen wel achter hen aan zijn.'
'Ga naar buiten maar blijf dicht bij de deur,' commandeerde baron Bemarr. 'Laat er niemand door, al kost het je je leven.' Hij draaide zich weer om naar de magiër.
'Het juiste moment is nu van cruciaal belang, mijn heer,' sprak de man met de lege ogen. 'We moeten op precies het juiste moment toeslaan, en we hebben maar enkele tellen terwijl uw vrouwe tussen leven en dood zweeft. Als u uw positie in wilt nemen?'
Baron Bernarr kwam dichterbij. De magiër gaf hem een lang gekromd mes aan, dat hij met onrustbarende vertrouwdheid in ontvangst nam. Ook op het mes stonden symbolen, en net als bij die op de vloer kon hij er niet naar kijken, zo obscuur en weerzinwekkend als ze eruitzagen.
'Voorzichtig,' zei de magiër. 'De beste symbolische weergave van een scherp mes is een scherp mes.'
De andere man grinnikte wat, werktuigelijk - zoals iemand lacht om een grap die hij vaker had gehoord.
Het was koud in de kamer, maar Bram kon zijn eigen zweet ruiken en voelde de druppels jeukend en ijskoud langs zijn gezicht en lijf lopen. Hij had altijd gedacht dat hij een dapper man was - hij was vaker in gevaar geweest: bij brand, bij overstroming, tijdens een paar gevechten voor een karavaanmeester - maar nu zou hij toch hebben gebeden en gesmeekt als het niet zo overduidelijk zinloos zou zijn geweest.
Lorrie zag de ogen van de bewaker groot worden toen ze de hoek om kwamen.
'Hè, jullie zijn Forten en Sonnart niet,' zei een van de mannen met de paalwapens. Zijn ene hand zat in het verband; vermoedelijk vanwege een brandwond.
'Verrek nou!' zei de andere hellebaardier. 'Het is een meisje!' Flora blies over haar handpalm.
Slap zakte de hellebaardier finaal door de knieën. Met een kreet sprongen de twee mannen van de bankjes, grijpend naar hun zwaarden. Lorrie had het hare al getrokken en hield het lange, met leer omwikkelde gevest in beide handen geklemd. Ze wist er op tijd mee te zwaaien om de kop van het paalwapen te raken toen daarmee naar Flora werd gestoken. Staal galmde op staal, een schrille, onmuzikale gil, en haar zwaard gleed langs de punt boven op de hellebaard tot hij bleef steken in de inkeping tussen de spies en het blijblad. De man grijnsde en gaf met alle kracht in zijn dikke armen en schouders een draai aan zijn wapen. Het zwaard vloog uit Lorries handen en over zijn hoofd, zijn kameraden moesten opzij springen voordat het kletterend tegen de deur achter hen sloeg.
Toen sprong de man met een gil achteruit. Flora had hem met haar mes in zijn bovenbeen gestoken.
'Rennen!' riep ze.
Lorrie zette het op een lopen. Flora had de andere arm van de T-splitsing genomen, en de twee zwaardvechters zaten haar achterna - zonder haar in te halen, zo te horen aan hun gevloek. Ze rende zover als ze kon, telkens naar adem snakkend wanneer haar linkervoet de grond raakte. De huurling achter haar schreeuwde een mengelmoes van dreigementen en obsceniteiten. Een snelle blik over haar schouder wees uit dat hij bijna net zo moeilijk liep als zij.
Mankenrennen, dacht ze, bijna grijnzend.
Zo is het net of ik weer Flora Hetevingers ben, dacht ze, door de gang rennend en links en rechts zoekend naar een plek om zich te verstoppen. Maar dit hou ik nooit vol. Achter haar dreunden gelaarsde voeten. Zij kennen het gebouw, ik niet. Ze laten me in de val lopen. De adem schuurde haar door de keel, en ze proefde de zure smaak van angst. En dan te bedenken dat ik in Nes had kunnen zitten, met tante Cleora aan de bosbessentaart met slagroom!
Toen hield het dreunen op, en toen ze omkeek, zag ze haar achtervolgers met hun gezicht op de vloer tuimelen. De ene haalde daarbij zijn linkerarm open aan zijn eigen zwaard, en jankend kronkelde hij over het tapijt. Achter hen lag een donker koord dwars over de gang. Het ene einde was vastgebonden aan de poot van een zware eiken tafel. De lambrizering zwenkte open, en er doken vier kleine gedaanten op die met dingen smeten - Flora ving een glimp op van een zilveren kandelaar. Ook brak er aardewerk, en ze rook de kokende olie in de kruiken.
Rennen! zei ze bij zichzelf. De kinderen doken alweer terug in de muur, en de huurlingen krabbelden overeind. Ze rende, denderend langs een muur en verder door een kortere gang en een trap af.
'Hierheen!' riep Jarvis Coe en stormde een wenteltrap op.
'Kom er al aan,' hijgde Robbie. Midden in de nacht rondrennen door een edelmanshuis was niet helemaal nieuw voor hem, maar het gevoel van spanning achter zijn ogen werd steeds erger. 'Jij kan die magiër aan, hoop ik?'
'Ik kan hem beteugelen,' antwoordde Coe. 'Laat maar aan mij over.'
'Ha, wat dacht je.'
'Ik kan voelen wat hij aan het doen is. Bij de godin! We hebben niet veel tijd meer.'
Ze renden door een lange gang, en het was alsof ze door gefluister werden achtervolgd. En nu hoorde Robbie ook een stem, gedempt als door een deur, maar scherp en bevelend. De woorden vielen als klanken van brandende as.
0, ik wil die man helemaal niet tegenkomen, dacht Robbie en bleef rennen. Behalve Alban Asher waren alle ontmoetingen met magiërs voor de Snaken altijd verkeerd afgelopen - en Robbie kon zich niet voorstellen dat magiërs dieper werden gewantrouwd en gevreesd dan dieven.
Ze sloegen rechtsaf. Vier el vanaf de hoek zat een deur, en daar stonden twee mannen voor, met getrokken zwaarden, een grote donkere en een kleine magere. Allebei stapten ze een stukje naar voren.
J arvis Coe liet er geen gras over groeien. Hij dook recht op hen af, punt vooruitgestoken. De grote donkere man sloeg het zwaard opzij en probeerde Coe tegen de knie te schoppen. Coe liet de trap afglijden langs zijn been en ramde de grote kerel met zijn schouder in de maagkuil, waardoor die tegen de deur sloeg en achteruit de kamer in wankelde.
'Vlug!' schreeuwde een jongeman in de kamer. 'Uit naam van de goden, schiet op! '
Robbie had geen tijd om verder te kijken. De magere huurling kwam op hem af, met een zwaard in de rechterhand, een lang mes in de andere, het mes vooruitgestoken. Verwoed deed de jonge dief zijn best zich te herinneren wat prins Arutha hem allemaal had geleerd, alles tegelijk en zonder woorden te gebruiken.
'Smalle zal jou eens even netjes aan stukken snijden, mijn lieve jongen,' zei de schriele huurling. 'Kom bij pappie, kleine smeerlap, dan krijg je slaag!'
'Help!' klonk de stem van de jongeman in de kamer verderop. Er galmde staal. 'Maak me los! '
Smalle viel uit op hetzelfde moment dat hij naar voren stapte, waardoor hij ontzettend ver kon reiken. Robbie probeerde niet eens terug te deinzen. In plaats daarvan maakte hij gebruik van zijn kleinere postuur om de zwaardstoot van de ander op te tillen en naar voren te stappen om hem in de keel te steken. Dat lukte niet. Het rapier ging omhoog over de schouder van de huurling, en de gevesten klemden zich tegen elkaar. Wanhopig maakte Robbie een draai toen de soldaat toestak met de dolk in zijn andere hand, en plots stonden ze borst aan borst, en hield Robbie de arm met het mes onder zijn eigen arm geklemd.
Niet best, dacht Robbie toen hij de ander een knietje probeerde te geven maar zijn bovenbeen raakte in plaats van zijn kruis. Hij is een stuk sterker dan ik.
Ze cirkelden even rond - de huurling stonk bijna net zo erg uit zijn bek als Neville Neusvreugd - en toen wist Robbie zijn hiel neer te stampen op de naar voren komende voet van de andere man. Smalle jankte het uit en duwde. Robbie stuiterde achteruit, en hij bleek in de kamer achter de deur te staan. Ze waren helemaal omgedraaid zonder dat hij het had gemerkt.
In de kamer was het lichter dan in de gang erbuiten. Terwijl hij meer terrein prijsgaf, nam Robbie de situatie bliksemsnel in ogenschouw en viel toen uit met een stopstoot waarmee hij de gretige Smalle bijna aan zijn rapier rijgde. Nu was het zijn beurt om terug te springen, en ze cirkelden om elkaar heen, Smalle aan de buitenkant, Robbie draaiend op zijn achterste been, linkerhand op de heup, punt omhoog vanuit gedraaide pols zoals de prins hem had geleerd.
Er stond een man in een duur jasje met een krom mes bij een naakte jongeman - dat moest Bram zijn. Bram had een rode stippellijn midden over zijn lichaam lopen.
'Vijfduizend gouden kronen als je hen tegen kunt houden!' schreeuwde de dure man. 'Vijfduizend - gratie en vijfduizend kronen!'
Robbies ogen werden groot. Voor vijfduizend kronen kan ik dit landhuis kopen.'
Smalle dacht hetzelfde. Hij sprong weer naar voren, nog breder grijnzend, en uit zijn ene mondhoek liep een straaltje kwijl.
Al die tijd ging die bevelende stem door als maalstenen over de funderingen van de wereld.
Flora sloeg een hoek om en gilde. Aan de andere kant kwam Lorrie op haar af hinken - en achter haar hinkte de bewaker die ze in zijn been had gestoken!
Wat nu, wat nu? dacht Flora. Toen riep ze: 'Lorrie! Rechts de deur door in het midden van de gang! '
Ze renden naar elkaar toe, terwijl hun achtervolgers bijna blaften van gretigheid. De twee meisjes botsten bijna tegen elkaar aan, smeten toen samen hun schouders tegen de deur, zwaaiden naar binnen en sloegen hem weer dicht.
Het was een slaapkamer, met vier stapelbedden, verlicht door een kleilamp op een tafel met een enkele houten stoel. Verwoed gingen Flora's ogen rond. 'Pak die stoel! Die kunnen we tegen de deur zetten!'
Lorrie stormde ernaar toe, viel bijna toen haar knie knikte, greep de stoel en sleepte hem mee terug. Flora wilde net de stoel pakken toen de deur werd opengesmeten, en samen met Lorrie probeerde ze hem dicht te houden, maar door het gewicht van de bewakers werden ze met brute kracht achteruit gesmeten.
De deur zwaaide open, en de twee mannen verdrongen elkaar om tegelijkertijd binnen te komen. Flora deinsde terug tot ze met haar billen tegen de tafel stond. Ze greep achter zich om niet te vallen, en de splinters staken pijnlijk in haar handen. De mannen gingen tekeer als bezetenen. Hun monden spuwden haat en frustratie, hun baarden glommen van de vlaszaadolie uit de kruiken die de kinderen hadden gegooid.
Flora dacht koortsachtig na, maar al het andere leek heel langzaam te gaan. Ze draaide zich half om, pakte de kleilamp, voorzichtig, want de kous kon doven als ze er te wild mee deed. Ze nam twee stappen, smeet en zag de brandbare vloeistof uit het reservoir in de gezichten van de mannen vliegen.
De olie vatte meteen vlam, niet zo snel als dennenhars, maar snel genoeg. Baarden en haar stonden in lichterlaaie. Beide mannen leken te dansen op de plaats, gillend en slaand in hun eigen gezichten terwijl het gele vuur om zich heen greep via de olie in hun kleren en het leer op hun lichaam. Flora bleef stokstil en met grote ogen staan toekijken.
Lorrie deed een stap langs haar heen, bukte zich om een van de zwaarden op te pakken die de mannen hadden laten vallen, greep het gevest wat stuntelig met twee handen vast en zwaaide ermee, keer op keer. Maar mikken kon ze wel.
Ze zal wel vaak hebben geholpen bij het slachten van varkens, dacht Flora.
Kronkelend en kreunend vielen de mannen neer. Lorrie bleef hijgend staan, met het bebloede zwaard in haar hand.
De laatste huurling zag zijn vrienden branden, en het zwaard viel uit zijn hand .. Met bewegende lippen deinsde hij terug voor de twee vrouwen, draaide zich om en zette het op een lopen.
Zijn schenen raakten Kays rug op precies de goede hoogte, en hij tuimelde voorover en sloeg met zijn gezicht tegen de tichels. Achter Kay stapte Mandy naar voren, met een kachelpook in haar hand. Achter haar kwam Neesa met een kandelaar, en Rip had er ook een, een zwaardere.
Ik begin dit beu te worden, dacht Robbie.
De tweelingpunten fonkelden in de lucht. Smalle had een licht bloedende snee op zijn ene knie, maar daar werd hij alleen maar kwader van. 'Mijn goud,' floot hij en kwam weer naar voren.
'Ik neem hem wel,' zei Jarvis Coe en kwam naast hem staan.
Smalle en Robbie keken allebei opzij. Rox lag ineengezakt tegen de muur, de benen recht vooruit, kijkend naar zijn buik, die hij met beide handen vasthield. het bloed stroomde tussen zijn vingers door.
'Jij krijgt het offer gratis!' blafte Coe. 'Godin, het is net of je vier gaten moet dichtstoppen met één plug!'
Smalle schreeuwde iets en viel aan. Robbie sprong met graagte opzij.
Het was een grote kamer, en die daarachter was nog groter. En het was zes passen naar de magiër die aan de voet van de tafel stond, met opgeheven handen. Er hing een golvend aureool om hem heen, maar dan eerder als duisternis in mensenvorm. Met een vlekkeloze lange uitval stapte hij naar voren.
Brabbelen met twee voet staal in je longen, dat gaat niet, redeneerde Robbie.
Een van de opgeheven handen bewoog. Er ontplofte licht achter Robbies ogen, en hij schreeuwde van pijn.
'Nee!' brulde Bram Ossrey toen de knaap met het rapier achteruit wankelde. 'Nee, nee, nee!'
De oude man hief zijn gekromde mes, en de magiër reciteerde door. Bram voelde wind waaien - een bries van razernij en plotseling ook een luchtverplaatsing. Er klonk geruis, het gillen van een vrouw dat van overal en nergens kwam.
'Nu!' donderde de magiër. 'Nu! Steken!'
En de zijde vloog van Brams gezicht. Hij keek in het gerimpelde gezicht van de man die hem ging doden en staarde hem woest en tartend aan.
Het mes zakte, ondanks het gebulder van de magiër. 'Zakry?' fluisterde hij.
Wie? vroeg Bram zich af. Van verbazing waren zijn angst en woede verdwenen. Hij had nog nooit zo'n leed gezien als op het gegroefde gezicht dat boven hem hing. De gelaatstrekken bewogen, en de tranen biggelden over de wangen.
'Zakry! Zakry's zoon! Het was waar! Elaine, jij hoer! Jij teef!'
'Ze is dood,' zuchtte een andere stem. '0, verdoemenis. U hebt te lang gewacht.'
Ik ben dood!
Dat galmde door Brams hoofd als het luiden van een grote bronzen klok. Er stond nu een gedaante voor de heer. Hij kon de stem ervan horen, niet zo hard, maar galmend, alsof zijn beenderen in medeleven meetrilden.
Zeventien jaar sterven! Zeventien jaar, elke minuut sterven. Je hebt me vermoord! Je hebt mijn Zakry vermoord, mijn lieveling, de vader van mijn zoon! En je wilde mijn kind ook vermoorden, maar ik heb je tegengehouden, jij monster!
'Hoer,' piepte de oude man. 'Zeventien jaar lang heb ik geleefd met maar één doel: jou terugbrengen, en nu zie ik dat Zakry me de waarheid heeft verteld. Jij was zijn minnares, en dit was zijn kind! Wat haat ik je!' Hij hief de dolk en stak in op de onstoffelijke gedaante die voor hem stond.
De mond van die gedaante viel open, en zo smartelijk was de eindeloze jammerklacht die eruitkwam dat Bram met zijn hoofd wilde beuken tegen de stenen tafel waarop hij lag, als hij het zo kon laten ophouden. Het mes flitste weer, en weer.
Robbie de Hand piepte van pijn die zo erg was dat hij niet eens kon schreeuwen. Maar er werd wel geschreeuwd, en de schreeuw ging door hem heen als een bries, als jarenlang gerekte doodsnood. Zijn ogen werden er iets helderder van, en hij wist dat hij geen pijn meer zou lijden -nooit meer, welke pijn dan ook - als hij niet gauw iets deed.
Daar. De glinstering van staal. Hij draaide zich om en viel uit.
Het deed hem pijn, maar zijn hoofd werd er helderder van. Hij zag baron Bernarr wegspringen, achteruit voor de punt van het rapier. Dat bracht hem bijna bij het raam.
Het raam was gemaakt als schutterspositie. De mansbrede spleet aan de buitenkant van de muur had schuine zijden aan de binnenkant, opdat de boogschutter naar weerskanten kon schieten. Zijn hiel bleef achter de dorpel hangen, en hij viel achterover. Het mes viel glinsterend uit zijn hand en bleef met de punt in de vloerplanken staan. Maar hierdoor kon hij zich vastgrijpen aan het gladde schuine steen, zodat hij bleef hangen dankzij de wrijving van zijn handen. Met moeite trachtte hij een been achter zich te krijgen om zich terug te duwen.
Er verscheen iets tussen de baron en Robbie. Robbie dacht dat het een vrouw was, maar zijn hoofd deed nog zo zeer dat hij er niet zeker van kon zijn, en hij meende ook de baron erdoorheen te kunnen zien.
Het krijste, en Robbie liet zijn zwaard vallen om naar zijn hoofd te grijpen. Hij zag de handen van de oude man eveneens omhoogvliegen en ook de 0 van zijn mond toen hij achterover uit het raam viel, dwars door het breekbare, kostbare glas, met een langgerekte kreet neervallend in de bliksemende nacht.
'Vijftien el naar beneden, op steen,' floot Robbie, zich bukkend en grabbelend naar het gevest van zijn rapier.
Het was alsof er een enorm gewicht van zijn schouders werd genomen - of van de binnenkant van zijn hoofd. De nacht blies naar binnen door het verbrijzelde glas, en de zwarte kaarsen flakkerden uit. Drie el verderop keek Smalle hem met uitpuilende ogen aan en glibberde achteruit. Het bloed spoot uit zijn keel toen hij zich lostrok van de punt van Coe's zwaard.
Een zucht sneed door de stilte.
De magiër aan Brams voeten schudde zijn hoofd en stak zijn handen in de mouwen van zijn gewaad. 'Het lijkt erop dat ik op zoek moet naar een andere patroon voor mijn ... kunst,' zei hij, met eigenaardige, lichte stem. Hij hief een hand op, en plots was hij verdwenen.
Coe staarde naar de leegte die de magiër net nog had ingenomen en vloekte. Robbie herkende de taal niet, maar de klank was onmiskenbaar.
Achter hem kwam Flora de kamer in. Ze ondersteunde Lorrie, maar de boerendochter maakte zich van haar los en hobbelde naar Bram, met haar broertje dansend achter haar aan.
Bram hief zijn hoofd op en keek hen een voor een aan. 'Wil iemand me alsjeblieft losmaken?' vroeg hij smekend. 'En een broek voor me halen!'
Robbie de Hand trok aan de teugels en keek om, de weg af. Er stonden zoveel mensen bij de voordeur van het landhuis dat het geroezemoes van hun stemmen van een halve mijl ver weg was te horen. Meewarig schudde hij zijn hoofd en klopte op het gevest van zijn rapier, dat aan zijn zadelboog hing. 'Minstrelen kun je ook al niet vertrouwen,' zei hij en ademde een diepe teug frisse voorjaarslucht in.
Er vlogen meeuwen over, wat hem aan thuis deed denken met een verlangen waarvan de pijn hem verbaasde.
Coe en hij reden, en Flora bestuurde de hondenkar. Lorrie bleef liever bij Bram en de kinderen, die naar Nes zouden rijden in een oude wagen uit de stal van de baron. In de tijd die ze zichzelf hadden gegund, had Robbie aan Flora uitgelegd wie Coe eigenlijk was, zonder daarvan iets te zeggen tegen de anderen. Robbie vond dat Flora er alles over behoorde te weten maar achtte het raadzaam om Coe's ware identiteit voor Bram, Lorrie en de anderen verborgen te houden. Waarom wist hij niet, alleen hielden Snaken sommige dingen nu eenmaal voor buitenstaanders geheim.
'Minstrelen?' vroeg Flora.
Robbie knipoogde. Kennelijk had ze de kunst van Lorrie afgekeken, want ze bestuurde de kar met het grootste gemak.
Jarvis Coe grinnikte. 'Volgens mij bedoelt Robbie dat de held altijd het meisje, het goud en het halve Koninkrijk krijgt,' zei hij.
'Alleen krijgt Bram Blokhoofd dat nu allemaal,' zei Robbie. Flora zuchtte, en hij keek haar even van onder zijn wenkbrauwen aan. 'Wat voor een baron zou hij worden, denk je?' vroeg hij Coe.
Die schokschouderde. 'Een betere dan de vorige, als het hof en de hertog hem goedkeuren. Er zijn getuigen genoeg die kunnen bevestigen dat hij de verloren zoon van barones Elaine is - en het komt goed uit om iemand uit de streek te hebben, nadat Bernarr zijn plicht heeft verzaakt en het landgoed te gronde heeft gericht. Hertog Sutherland lette er niet op omdat hij vaker in Rillanon zit dan aan het westerse hof, en de baron betaalde zijn belastingen op tijd. Met Gys van Bas-Tyra in Krondor zal er denk ik een kritischer blik op Nes worden gericht. Groot Kesh is vlakbij, er is hier een sterk man nodig. En onze Bram heeft het in zich om een held te worden.'
Nu trok Robbie zijn schouders op. 'Mooie held. 0, zijn uiterlijk heeft hij wel mee - maar wat heeft hij nu helemaal gedaan? Zich neer laten slaan, zich vast laten binden en zich laten redden door... '
'Door een paar jongens, vier meisjes, een dief en een heksenjager die officieel niet bestaat,' zei Flora vinnig. 'En toch vind ik Bram lief.'
'Meisjes,' verzuchtte Robbie en begon te lachen. 'Misschien ben ik dan een held-in-opleiding.'
'Of een heksenjager,' opperde Coe. 'Je hebt een hoop talent, Robbie. Ik zou wel een leerling kunnen gebruiken...'
Robbie huiverde en stak een hand op. 'Nee, dank je wel, dat is te veel eer voor me. Ik heb respect voor je godin, en ik zie ernaar uit haar te ontmoeten, over een heleboel jaar.'
'Nou, als je je bedenkt, stuur je maar bericht naar de tempel. Ik moet op zoek naar die magiër, en ik kan wel wat hulp gebruiken.'
'Waar denk je dat hij is?'
'0, ergens,' antwoordde Coe. 'Alweer narigheid aan het voorbereiden.' Hij wierp een blik op Flora, die naar Robbie keek, en zei toen tegen de jongen: 'Er zijn dingen in de wereld waarvan je je misschien wel nooit bewust zult zijn, mijn jonge vriend. Zoals de oorlog tegen de Tsurani in het verre westen. Je hoort er wel eens over, en het kan van invloed op je leven zijn, maar je blijft gelukkig onwetend van alles wat er daar gebeurt. Maar je kunt ook plots in aanraking komen met een aspect van een strijd die ik me niet eens kan voorstellen, laat staan dat ik erover kan vertellen. Die magiër, die Lyman Malachy, die kwam niet toevallig langs het landhuis op de nacht dat Bram werd geboren. Waarom hij er was, hier, op die nacht, zal wel altijd een mysterie blijven, maar dit kan ik je wel vertellen. Hij, of iemand die net zo is als hij, zal hier terugkomen om meer kwaad aan te richten. Op het laatst voelde ik onzalige geesten in dat huis. Wat de baron ook dacht dat er zou gebeuren, ik vrees dat het veel erger zou zijn geworden. Volgens mij was er een ander kwaad, dat wachtte om op het kritieke moment bezit te nemen van vrouwe Elaines lichaam. Er zijn zeer kwalijke krachten actief in de wereld, mijn vriend, kwalijke krachten die beter worden van bloed, moord en chaos.'
Robbie lachte als een boer met kiespijn. 'Bedankt, maar ik denk dat ik me maar hou bij dingen die iets minder gevaarlijk zijn, zoals goud jatten onder de neus van slapende draken.'
'Je kan ook bij m - bij ons blijven, Robbie,' zei Flora.
De jonge dief trok een wenkbrauw op, en ze bloosde.
'Ik denk niet dat ik geschikt ben als jouw ... pleegbroertje,' zei hij opgewekt. 'En als ik zou blijven, moest ik van jou oude dametjes helpen oversteken en demonen verslaan en Ruthia weet wat nog meer! Trouwens, wat zou je tantes kapitein Karl voor me bedenken? Ketelbinkie, zodat ik wacht na wacht de longen uit mijn lijf kan kotsen?'
Flora en Coe schoten in de lach.
'Wat ga je dan doen?' vroeg Jarvis nieuwsgierig.
'Terug naar Krondor - over land!' antwoordde Robbie.
Coe lachte weer. 'Draai dan maar om, mijn vriend, want dan ga je de verkeerde kant op.'
Robbie knipperde met zijn ogen als een uil in plots lantarenlicht. Toen lachte ook hij. 'Dat wist ik heus wel, hoor!' riep hij, keerde zijn paard en gaf het de sporen. 'Vaarwel, vrienden! Als je ooit weer in Krondor bent, weet je waar je me kunt vinden, Flora!'
Ze stopte de hondenkar en stond op om te zwaaien. 'Dat zal ik doen, Robbie de Hand!'
'En met alle respect, meester Coe, maar ik zou een stuk beter slapen als wij elkaars pad nooit meer kruisten!'
'Het ga je goed, jongeman!' lachte Coe.
Ze staarden hem nog lange tijd na, terwijl de hoefslagen in de verte verdwenen, een ritme slaand dat weerkaatste tussen klif en zee. Denk je dat hij veilig thuiskomt?' vroeg Coe.
Flora begon te lachen. 'En met goud in zijn zakken ook, verzeker ik.'
'Goud?'
Grijnzend zette ze het paard weer in beweging. 'Die ontwijkt Bram en Lorrie en de kinderen in de wagen, cirkelt rond door de bossen en brengt op weg naar huis nog even een bezoekje aan het landhuis. Als Bram bij terugkomst nog een zilveren kandelaar of een van vrouwe Elaines juwelen aantreft, dan heb ik me lelijk in Robbie vergist.'
Lachend bracht Jarvis Coe zijn paard naast de hondenkar. 'Ik hoop dat die jongen een andere roeping in het leven vindt. Het zou zonde zijn om hem zijn dagen te zien eindigen aan het uiteinde van een touw.'
'Dat zal nooit gebeuren, meester Coe,' lachte Flora. 'Wat er van hem komt weet ik niet, maar ik durf er mijn leven onder te verwedden dat geen beul ooit zijn touw legt rond de hals van Robbie de Hand!'
Ze reden verder.