3 Gevolgen

 

Het was druk op het kruispunt.

Flora Hetevingers stond te babbelen en te lachen met haar vriendinnen, uitdagende blikken werpend naar iedere man die voorbijkwam, toen de wagen bij hen stil bleef staan. Eerst lette ze er niet op. Het wemelde op straat van de mannen te voet, kruiers met zware vracht, handkarren vol goudgebakken broden, stof, kisten en balen, een gesloten draagstoel- ze wierp een jaloerse blik op de courtisane die erin lag - en ontelbare boerenwagens met eten voor de stad.  

Maar deze wagen, die vlak voor haar bleef staan, was anders. Hij zag er merkwaardig uit, met hoge zijkanten en hoepels erop, alsof er eigenlijk een huif op hoorde. Maar aan de hoepels waren met leren riempjes dwarsbalken gebonden, zodat het leek op een kooi. Op de bok zaten twee Bas-Tyraanse gardisten, en erachter liepen er nog vier, hun schoenspijkers een tegenstem voor het geratel van het ijzeren wielbeslag op de stenen, hun hellebaarden slingerend in de maat van hun mars.  

Een paar van haar vriendinnen maakten zich behoedzaam uit de voeten - alles wat ongewoon was, voorspelde gevaar. Maar de meeste meisjes bleven staan kijken, met de armen over elkaar, de ogen flitsend naar de stegen rondom, standhoudend ondanks hun argwaan. Tenslotte kwam er een hoop klandizie van soldaten.  

De sergeant die van de wagen sprong, liep op de meisjes af met de waggelende tred van iemand die de helft van zijn leven doorbracht in het zadel. Zijn korporaal ging aan de slag om de laadklep te laten zakken en de kooideur te openen. De rest van het peloton haakte de scherpe haken aan de achterkant van hun paalwapens in elkaar, een kale rechtopstaande tent vormend.  

De sergeant pakte Flora bij de kin en grijnsde naar zijn mannen, die eveneens dichterbij kwamen, glimlachend. Hij rook naar zweet, leer en zure wijn. Daar was ze aan gewend, maar deze stonk erger dan de meesten, en ze trok haar neus ietsjes op. Flora wierp haar haren over haar schouder, en met een licht nerveuze glimlach vroeg ze: 'Kan ik iets voor je doen, soldaat?'  

'Ja,' zei de sergeant, zich naar haar toe buigend, 'je kunt met me mee komen, kleine gangreen bloesem, samen met je vriendinnetjes. We hebben een feestje voor jullie in de veste.' Zijn scheve tanden ontblotend in een gemene grijns greep hij haar arm klemvast.  

'Nou, dat is nog geen reden om geweld te gebruiken,' bitste Flora en probeerde zich los te trekken.

'Is het ook niet,' beaamde hij beminnelijk, 'maar zie je, dat doe ik graag.'

Daarop greep hij haar bij haar haren en de taille van haar rok en smeet haar halsoverkop de kooi in. De tranen sprongen haar in de ogen toen ze haar knie stootte. Voordat ze overeind kon krabbelen, werden haar vriendinnen boven op haar gesmeten, zodat ze snakte naar adem. Met een pijnscheut sloeg een van haar tanden door de binnenkant van haar lip, en ze proefde de ijzerzoute smaak van bloed in haar mond.

'Stop!' riep ze even later, zich losmakend uit de kronkelende hoop. 'We hebben niets gedaan! Wat doen jullie?'

De anderen schreeuwden mee, schelle protesten, snikkend, vloekend en woordloos krijsend van razernij. Ze trok zich omhoog aan de dwarsbalken van de wagen, net op tijd om twee van haar vriendinnen een steeg in te zien vluchten, de rokken opgetrokken. Daaruit vatte ze moed. De Oprechte Man zou ervan horen, en dan werd er iets aan gedaan. Kwaad kijkend schudde ze zo hard ze kon aan de houten balken van de kooi.  

'Jullie kunnen ons niet zomaar de gevangenis in smijten!' riep ze.

De sergeant kwam naar haar toe en sloeg met gebalde maliënhandschoen op haar vingers, niet zo hard dat er iets brak, maar zeer deed het zeker. 'Jawel, hoor,' zei hij, schijnbaar goedgemutst, als je niet op zijn ogen lette.  

In die ogen lag iets wat haar deed huiveren, en ze dacht aan wat Robbie had gezegd over de gevaren van het alleen werken.  

De sergeant klapte in zijn gehandschoende handen. De metalen ringetjes op de ruggen rinkelden dof. 'Mag van de waarnemend gouverneur. We kunnen doen wat we willen met tuig als jullie, en da's net goed. Dus hou je kop en gedraag je als een goed, verstandig meisje of ik sla je tanden uit.'  

Flora zoog op haar gewonde knokkels en deed wat haar was gezegd.

De pijn was dof, minder echt dan het angstig bonzen van haar hart, en haar keel leek zich dicht te knijpen achter een mond die zo droog was als perkament.

 

Tegen de tijd dat ze bij de veste arriveerden, zat de kooi barstensvol en stond Flora stevig tegen de balken gedrukt - wat nog altijd beter was dan in het midden staan, aangezien er hier tenminste aan één kant frisse lucht was. De wagen stond vol met hoeren en bedelaars en een paar jeugdige zakkenrollers die helemaal niets hadden gedaan wat niet mocht toen ze gevangen werden genomen. De soldaten hadden zelfs enkele mensen opgepakt die alleen maar arm waren of toevallig net naast de verkeerde hoer hadden gestaan. Maar de meesten bij haar in de kooi waren Snaken, had ze gezien. En dat beangstigde haar. Jocko Radbrand nam het Snakenavontuur met prinses Anita duidelijk serieus.  

De poorten sloegen achter hen dicht. Door andere Bas-Tyraanse wachters werden ze uit de wagens gesleept naar een groeiende rij gevangenen die naar beneden werden geleid. Laarzen, vuisten en het stalen beslag op het uiteinde van hellebaarden en lansen beukten op lichamen. Vrijwel al het vloeken werd echter gedaan door de wachters.  

Hun gevangenen waren stil, op af en toe een kreet van pijn na.

 

Robbie had een hele dag en een nacht geslapen en werd wakker halverwege de ochtend van de tweede dag na het vertrek van de Watervlug. Hij rekte zich eens flink uit, stond op en trok schone kleren aan - of liever gezegd de goed geluchte vodden die hij in deze kamer had achtergelaten toen hij de vorige keer hier had geslapen. Hij liep de trap af. Als vanzelf liep hij dicht bij de muur, waar de planken minder snel kraakten. Alles bij elkaar vond hij het wel leuk om ouder te worden, maar het viel niet te ontkennen dat je er zwaarder van werd, en hij was plichtsgetrouw aan het leren om het extra gewicht te compenseren met behendigheid.  

'Als je ontbijt zoekt, moet je ergens anders wezen,' zei zijn hospita, een tandeloze oude feeks die hem met boze druipogen aankeek. 'Je weet da'k niks voor je heb op dit uur.'

'Doet u vooral geen moeite,' zei Robbie galant. Hij glimlachte. 'Ik had de slaap toch veel harder nodig dan het ontbijt.'

'Op jouw leeftijd?' hoonde de oude vrouw.

'Het was een lange reis, deze keer,' verklaarde Robbie.

En dat was het ook geweest, naar een heel andere wereld, eigenlijk. Maar nu was het tijd om weer aan het werk te gaan. Eerst ging hij naar Snakenrust om te zien wat er loos was. Daarna kon hij beginnen met de plannen voor iets groters dan het lichten van beurzen.

De afgelopen maanden was hij bij Lange Charlie in de leer geweest, al was dat leerlingschap opgeschort toen hij prins Arutha had zien vluchten voor Jocko Radbrand.

De prins, zijn jachtmeester - Martin Langboog - en Emus Trask - de legendarische Schendert de Piraat - waren enkele dagen voor Robbies ontmoeting met de prins incognito de stad in gekomen. Ze hadden hun aanwezigheid geheim willen houden, maar volgens Robbie vielen ze op als rode stieren in een schaapskooi. Tegen de tijd dat Robbie in de gaten had dat Jocko achter Arutha aan zat, had de Oprechte Man het bericht al uitgevaardigd om de drie nieuwkomers op te pakken.

Robbie wist al dat er iets gaande was tussen de smokkelaars en de Snaken, iets anders dan hun gewoonlijke ongemakkelijke wapenstilstand, want Gregor Tromps mannen konden komen en gaan in gedeelten van het riool die duidelijk Snakenterritorium waren, maar aangezien hij nog maar een knul was, zij het met veel talent, was hij niet op de hoogte van het geheim om de prins uit de veste te helpen ontsnappen.  

Doordat hij Arutha tegen het lijf was gelopen, was Robbie midden in een samenzwering beland die had voortgeduurd tot de nacht voordat Anita, Arutha en diens metgezellen hadden weten te ontkomen. Hij was niet alleen samenzweerder geworden maar hij had ook nog eens zowel prins Arutha als prinses Anita gezelschap gehouden terwijl ze de gelegenheid afwachtten om te ontsnappen. Nu hij zijn rol had gespeeld en daar koninklijk voor was beloond, had hij voor het eerst in zijn jonge leven de behoefte aan iets groters dan hijzelf alleen.  

Na dergelijke triomfen voelde Robbie er weinig voor om weer in de leer te gaan, oefensloten openmakend terwijl Lange Charlie over zijn schouder meekeek. Trouwens, sloten openmaken was een trucje dat hij toch allang kende, en de voorbeelden die hij had gezien, hadden nu niet bepaald een uitdaging gevormd. Eerlijk gezegd was de opleiding die hij kreeg maar saai, en diep in zijn hart wist Robbie dat hij was voorbestemd voor spannender dingen. Soms leek het hem dat Charlie hem gewoon maar vervelend werk opgaf om hem bezig te houden. Al voor het avontuur met Arutha en Anita had Robbie besloten om een nieuwe mentor te vragen. Het leven is te kort om te wachten op de dingen waar ik recht op heb, dacht hij.  

Eén ding wat hij vandaag wel moest doen, was wat fatsoenlijker kleren stelen. De dingen die hij aanhad, stonken, zelfs volgens zijn maatstaven.  

Ik kan ze natuurlijk ook eens kopen, voor de verandering, bedacht hij. Maar eerst een geldwisselaar.

De wisselaar hield zijn nering in een smal winkeltje in een steeg, aangegeven door een uithangbord met een weegschaal boven de deur. De verf was zo verschoten dat er nog maar een zweem van goud door het vuil heen knipoogde. Robbie nam een sprongetje over het smerige straaltje water in het midden van de steeg, knikte naar de zware jongen die voor de deur de bakstenen stond op te poetsen met zijn schouders, en ging naar binnen. De zware jongen zou wel een reden vinden om eventuele burgers buiten te houden zolang er een Snaak binnen was.  

Ference, de geldwisselaar, keek op. 'Ah, Robbie! Wat kan ik voor je doen?'

Robbie haalde zijn muntbuidel uit zijn tuniek, en na een snelle polsbeweging rolden er een half dozijn munten over de toonbank. De andere lagen veilig verborgen op een plafondbalk in zijn kamer.  

'Goud?' zei Ference, kijkend naar de duimnagelgrote munten die Robbie over het gladde hout van de tafel schoof.

De geldwisselaar was een man van middelbare leeftijd met een smal, gegroefd gelaat en de schele ogen die een mens kreeg van het piekeren over je kluis terwijl je hoorde te slapen. Hij kleedde zich met het sobere fatsoen van een welvarend winkelier.

'Ambitieus aan het worden, Robbie, knul?'

'Eerlijk verdiend,' wierp Robbie tegen, 'voor de verandering.' En het was nog waar ook, deze keer.

Hij lette scherp op de balans waarop prins Arutha's munten veranderden in een rinkelend hoopje versleten en veel minder opvallend zilver en koper. Door de regels van de Oprechte Man bleven mannen als Ference gematigd eerlijk - een gebroken arm was bij het eerste vergrijp doorgaans de straf voor wisselaars en helers die Snaken benadeelden, en daarna werd het pas echt lelijk - maar het kon nooit kwaad om onafhankelijk te zijn.  

'Daar,' zei de wisselaar ten slotte. 'Dat trekt veel minder aandacht.'

'Mijn idee,' zei Robbie, in zichzelf een beetje lachend.

Hij kocht een geldriem om het in te doen - een te grote, rinkelende beurs was ook opvallend - en wandelde de straat op.

'Pastei! Pastei!' hoorde hij, en door die woorden liep het water hem in de mond. Hij had zijn ontbijt gemist. 'Twee van uw beste, mevrouw Pease,' zei hij gewichtig.

De verkoopster zette de steunen van haar handkar neer en pakte er twee. Ze waren nog warm, en de geur deed zijn neus krullen. En daarbij zat er in de pasteitjes van mevrouw Pease echt varkensvlees, geen konijn, kat of de nog minder smakelijke brouwsels die je van andere venters kreeg. Hij nam een hap.  

'We voelen ons rijk, zie ik,' zei ze toen hij haar vier koperstukken gaf.

'Hard werken en braaf leven, mevrouw,' reageerde hij, en haar buik schudde van het lachen.

Ach, een dunne kokkin is ook niet echt goede reclame, wel? dacht hij. 

Hij spoelde de pasteitjes weg met een fles cider die hij bij een andere venter kocht en ging tevreden in de zon zitten boeren, met zijn rug tegen de stenen rand van een put.

Hij was net zijn vingers aan het aflikken toen hij een kiezeltje op zijn kop kreeg.

Auw, dacht hij en keek op.  

Lange Charlie stak zijn lijkachtige snuit om de hoek van een gevel. Hij bewoog met zijn handen: Melden in Snakenrust, zei hij in de gebarentaal. Nu meteen. Geen uitstel, geen smoesjes.  

In één teug dronk Robbie de rest van de cider op en bracht de fles met een beleefd bedankje haastig terug naar de venter. Toen ging hij op weg naar de dichtsbijzijnde steeg.

Eenmaal in het riool liep hij verder op een zelfverzekerd drafje - ook in het pikkedonker, wat het op verscheidene plaatsen was -langs de bewakers die de Snaken op diverse plaatsen hadden uitgezet en die vandaag ongewoon alert leken. Niet dat ze ooit minder dan klaarwakker waren. Van slapen of drinken op wacht kon je zwaargewond raken en zelfs serieus doodgaan.  

Het rook er vertrouwd, zij het smerig. Robbie stak zijn teen naar opzij, en een iets te strijdlustige rat vloog door de lucht. Zijn gepiep eindigde in een doffe bons - je moest uitkijken met de beesten die niet wegrenden, want die konden iets onder de leden hebben. Robbie had eens iemand zien schuimbekken na een rattenbeet, en dat was iets wat hij niet licht zou vergeten.  

De Rust leek wel een mierenhoop, zo druk als het er was - alleen maakten mieren niet zo'n kabaal en zwaaiden ze niet met hun armen zodat je bijna een mep in je gezicht kreeg als je langsliep. Opgewonden liepen mensen van groep naar groep, en iedereen praatte door elkaar heen. Hij zag een jongen die hij kende apart staan en ging naar hem toe. 'Wat is er gebeurd?'  

De jongen, Larry het Oor genaamd omdat die van hem enorm waren, stond gespannen als een boogpees te kijken naar de drukte. Zonder zijn blik van het tafereel los te maken gaf hij Robbie antwoord. 'Bas-Tyra's mannen arresteren de meisjes en de bedelaars en iedereen die ze maar in hun verrekte klauwen kunnen krijgen,' gromde Larry. 'Ze hebben Gerald opgepakt.'

Robbie knipperde met zijn ogen. Gerald was Larry's kleine broertje van een jaar of zeven, hooguit. Robbie wist al dat Radbrand een rancuneus zwijn was, maar zulk klein spul arresteren was het laagste van het laagste. 'Was hij aan het zakken...'  

'Nee!' blafte Larry en keek Robbie woest aan. 'Hij deed niets. Hij was gewoon aan het spelen, als ieder klein kind!'

'Die vuile schoft van een Radbrand,' zei Robbie op vlakke toon.

'Dat is hij zeker,' zei Larry. 'Maar dit was Del Garza. Radbrand is de stad uit - op een schip, nog geen uur nadat de prinses was ontkomen.' Robbie knipperde met zijn ogen. Als Larry wist dat het de prinses was die laatst was ontsnapt, dan wist iedereen het. Einde geheim, dus. 'Del Garza is de baas, en die is vals geworden.'

Als een hond, dacht Robbie, roerloos nadenkend over de gevolgen. prinses weg, Radbrand achter haar aan - Del Garza zal een hoop mensen de schuld willen geven als de hertog terugkomt. Radbrand kan tenminste zeggen dat hij meteen achter hen aan is gegaan. Hoe zeiden ze dat ook weer? Winst heeft wel duizend vaders maar verlies is een wees. Del Garza wil zoveel mogelijk andere kandidaten voor het vaderschap van dit verlies.  

'Del Garza is een slang uit hetzelfde ei als Radbrand,' zei Larry geëmotioneerd. 'Hij is iets van plan, en al moet hij er een klein kind voor straffen, hij doet het.'

Robbie knikte beamend. 'Maar daar gaan wij een stokje voor steken,' zei hij kalm. 'We zullen zien wat de Oprechte Man beslist, en als hij de juiste beslissing niet neemt, nou, dan zullen we eens zien.' Hij gaf Larry een klap op de schouder. 'Doe je mee?'

De ogen van de jongere knaap schoten vol hoop, en hij knikte.

'Wie denk je dat het er nog meer met ons eens zullen zijn?' vroeg Robbie stil.

'Zal ik uitzoeken.' Larry veegde met zijn vieze mouw over zijn ogen, donkere vlekken makend.

Robbie knikte. 'Ik ook. Maar we praten hier pas weer over tot we weten wat er wordt gedaan.' En daarmee doelde hij net zozeer op Del Garza als op de Oprechte Man en diens luitenants. 'Rondlopen, kijken wat we te weten kunnen komen.'  

Larry knikte, en ze liepen allebei weg.

'Zijn ze ook huizen binnengevallen?' vroeg een dikke man aan een groep prostituees. 'Waar wij achter zitten, bedoel ik.'

'Nog niet,' antwoordde een van de vrouwen. Ze had een steekneus en was duidelijk de veertig ruim gepasseerd. 'Maar als die ouwe Jocko nog niet heeft wat hij wil, zijn die aan de beurt. Ze kunnen toch geen kant uit.'

'Er gaat een hoop adel naar die huizen,' wierp een van haar vriendinnen tegen. 'Die zien niet graag dat hun pleziertjes worden vergald.'  

'Nee, dat zal de geheime politie een zorg zijn,' hoonde Steekneus. 'Die zullen maar wat blij zijn dat ze iets hebben tegen een heer van stand of een rijke koopman met een jaloerse vrouw. Let op mijn woorden, als die schoft hiermee niet heeft gekregen wat hij wil, wordt dat hun volgende stap.'

'Da's waar,' beaamde de dikke man. 'Waarom zou hij stoppen, nu hij eenmaal bezig is?'

Daar moest Robbie het ook mee eens zijn. Hij vond het eerder een verrassing dat de geheime politie zoiets niet allang had gedaan. Radbrand was er slim genoeg voor. Voor zo'n smerige, zielloze machtswellusteling was het gewoon logisch, veel logischer dan het oppakken van de straatmeisjes. Je kwam een hoop aan de weet als je de macht had om de hoerenkasten uit te knijpen. De muren hadden er letterlijk oren _ slim geplaatste afluisterposten achter valse wanden in de duurdere bordelen. Menig koopman betaalde een madam met genoegen wat extra's per maand om hem op de hoogte te houden van de dingen die zijn dronken concurrenten vertelden om indruk te maken op hun huidige favoriete. Het kostte Robbie geen moeite om zich een agent van de kroon op die afluisterpost voor te stellen in plaats van de madam.  

Ook vóór de gebeurtenissen van de afgelopen week werd er al gezegd dat Gys van Bas-Tyra de volgende Prins van Krondor wilde worden en dat Jocko Radbrand zijn zinnen had gezet op het hertogschap. De westerse edellieden zouden in de Raad der Heren beslist openlijk tegen dergelijke aanstellingen protesteren, maar westerse heren die iets te verbergen hadden, zouden een stuk minder luidruchtig zijn bij het uiten van die protesten. Trouwens, hoe meer bruikbare resultaten Radbrand en Del Garza hieruit konden persen, des te milder zou de hertog zijn gestemd als hij terugkwam.  

Robbie zag Neville Neusvreugd alleen in een hoekje zitten - niet ongebruikelijk, gezien Neville's aroma, waarvan het onschuldigste ingrediënt bestond uit oud zweet. De bedelaar was echter een frequent bezoeker van de kerkers van Krondor en kon bruikbare informatie hebben. Het hing er alleen van af hoe beneveld hij vandaag was.  

Robbie hurkte voor de oude bedelaar neer en zwaaide heen en weer met een zilverstuk, de beste manier om zijn aandacht te trekken. Geleidelijk aan hield Neville op met schommelen, en zijn ogen begonnen de munt te volgen. Zijn hand kwam omhoog om hem te pakken, maar Robbie trok hem terug en hield hem in zijn gesloten hand.  

'Neville,' zei hij, 'ik heb informatie nodig.'

De oude man staarde hem aan. Hij was niet goed bij zijn hoofd, maar diep in zijn ogen school een lepe intelligentie. Tenslotte was hij in al die tijd nog niet verhongerd, doodgevroren of door dronkelappen doodgeschopt.  

'Wamojje vamme?' vroeg hij met dikke tong.

'Vertel eens over de kerkers in de veste,' zei Robbie. 'Ik wil er alles over horen wat je nog weet.'

Neville begon te grinniken tot hij zich verslikte, en hoestte tot Robbie dacht dat hij elk moment een long kon uitspuwen. Geërgerd, omdat hij vermoedde dat het hoesten eigenlijk een verzoek was om iets te drinken kwam Robbie toch maar overeind om een kroes bier voor de oude bedelaar te halen.

Nauwelijks hield Neville hem in zijn handen of hij hield inderdaad op met hoesten.

'Kosje meer dan een zilwer,' raspte de oude en nam een slok.

'Hoeveel dan?' vroeg Robbie.

De bedelaar haalde met zijn hele lichaam zijn schouders op. 'Twintig,' zei hij, al wist hij zichtbaar dat hij die nooit zou krijgen.

Robbie stond op en liep weg.

'Hé!' riep Neville, duidelijk geërgerd. 'Ga je heen?'

'Praten met iemand die niet gek is,' riep Robbie over zijn schouder.

'Kom trug jij,' eiste de bedelaar. 'Weejje nie hoe je moet onderhandelen? Wat hebbie d'r voor over? Ik ben wel gek maar niet dom.'

Robbie hield de munt omhoog, en Neville begon te schommelen en onverstaanbaar te morren. 'Geemme d'r drie,' wenste hij.

'Ik heb al twee koperstukken aan je bier uitgegeven,' protesteerde Robbie. 'Ik blijf niet met mijn goeie geld smijten. Geef me er eerst eens iets voor terug, en als ik dat de moeite waard vind, betaal ik meer.'

'Snie onreelijk,' gaf Neville toe. 'Wawijje weten?'

Robbie ging voor hem zitten, ademend door zijn mond om de verbazingwekkende stank van de oude niet te hoeven ruiken, en stelde hem vragen over de kerkers. Hoe diep lagen ze, hoe kwam je binnen, hoeveel cellen, hoeveel bewakers, hoe vaak werd de wacht gewisseld, hoe vaak kregen de gevangenen te eten, hoe vaak werd het vuile water afgevoerd, als dat al gebeurde? Neville Neusvreugd beantwoordde alle vragen, Robbie al die tijd recht aankijkend, en met elk antwoord zakte de moed Robbie weer wat verder in de schoenen.  

'Kun je helemaal nergens naar buiten zonder dat de bewakers het merken?' vroeg hij ten slotte.

Neville Neusvreugd blafte een lach. 'Bij de godin van het geluk, die de pest aan me heeft, hoe moet ik dat nou weten?' vroeg hij. 'Heb ik niet eens geprobeerd. Is al die moeite niet waard. Langste dat ik er heb gezeten is vier dagen.'  

Dichter naar hem toe leunend vroeg Robbie: 'Heb je ooit gehoord over iemand die is ontsnapt?'

De oude bedelaar begon te giechelen en stak een smerige vinger naar hem uit. 'Tister loos? Jocko je lieffie ontvoerd?'

Robbie verhardde zijn blik. 'Je hebt nog maar drie tanden over, Neville,' merkte hij op. 'Zal ik ze er voor je uitslaan?'  

Snel als een slang greep de oude Robbies arm met verrassende kracht.

'Moet je voor de grap es proberen,' snauwde hij. 'Snotaap.' Hij slingerde de arm van de jonge dief van zich af. 'Dacht je dat het toeval was dat ik nog steeds leef? Dat Lims-Kragma me misschien was vergeten? Dacht je dat soms? Ha! Stom joch.' Hij spuwde naar opzij.  

Daaruit maakte Robbie op dat de oude nog steeds bereid was zijn zilverstuk te verdienen. Als hij klaar was met praten zou Neville waarschijnlijk op hem hebben gespuugd. En dan had ik die ouwe smeerlap van kant moeten maken. Of zichzelf. Zo weerzinwekkend was het om door Neville Neusvreugd te worden bespuwd.  

'Heb je ooit gehoord over iemand die is ontsnapt?' herhaalde Robbie op vlakke toon.

De oude man keek opzij, schudde zijn hoofd en wuifde de vraag weg.

'Is dan er een in- of uitgang die de bewakers niet in de gaten houden?' vroeg Robbie wanhopig.

'Enige dat ik weet is het putje in de vloer van de grote cel.' Hij grinnikte en wierp Robbie een gemene blik toe. 'Maar dat vind je vast niks, want da's het gat waar we in zeken.'  

Robbie staarde hem slechts aan en dacht diep na. Nee, het stond hem niet aan, maar het zou een mogelijkheid kunnen zijn.

'Dat putje, komt dat uit op het riool?' vroeg hij. 'Of heeft de veste een aparte uitgang op de haven?'

Neville begon weer te lachen, en Robbie bedacht dat die ouwe duikelaar meer genoot van dit gesprek dan de bedoeling was.  

'Hoe moet ik dat nou weten?' vroeg Neville. 'Dachie dat ik me pis achterna ging om te kijken waar het bleef? Dat gat is maar zo groot!' Met zijn handen vormde hij een cirkel ter grootte van een etensbord, en Robbie zag het niet meer zitten.

'Hé,' zei Neville en stootte de jongen aan. 'Misschien weet de Oprechte Man hoe je uit de gevangenis kunt komen. Waarom vraag je 't hem niet?' En hij lachte uitbundig.  

De jonge dief stond op en liep weg.

'Hé!' gilde de bedelaar. 'Waar's me geld?' Hij stak een magere hand uit.

Robbie gooide hem het zilverstuk toe dat hij hem had voorgehouden. 'Hé!' schreeuwde Neville Neusvreugd. 'Ik krij'no'meer vajje! Hadden we afgesproken!'  

'We hadden afgesproken,' zei Robbie kil, 'dat ik je meer zou geven als jouw informatie meer waard was. Geef maar eens iets waar ik wat aan heb.'

De oude man morde wat en keek hem kwaad aan, maar iets deed Robbie wachten. 'Loopt naar het riool,' gaf Neville uiteindelijk prijs. 'Maar de tunnel is half ingestort, niet veilig.'

'En het putje?' vroeg Robbie. 'Kan daar iemand doorheen?'

Neville draaide zijn hoofd her en der, alsof hij protesteerde tegen de verdere vragen, maar knikte toen. 'Putje was vroeger groter,' gaf hij toe. 'Is een eindje opgevuld met stukkies steen en mortel. Afvoer is groot genoeg voor een dunne. Paar keer flink schoppen, en dat putje valt open, groot genoeg om weg te kruipen als je niet te dik ben.'  

Er ging Robbie een lichtje op, en hij staarde de oude bedelaar aan. 'Jij bent erdoor geweest!' zei hij beschuldigend. 'Jij bent door die afvoer ontsnapt!'

Neville barstte los in een vlaag van verdwaasde bewegingen om aan te geven: Ga weg en laat me met rust of er zwaait wat, een manoeuvre die hij had vervolmaakt tijdens zijn lange carrière in de omgang met het publiek.  

Robbie was echter niet onder de indruk en priemde met een vinger naar hem. 'Hou op t' Hij keek kwaad totdat de oude man kalmeerde en kwaad terugkeek. 'Goed,' zei hij vlak, 'vertel me wat ik wil weten, en als het waar blijkt te zijn, dan geef ik je dit.' Een fractie van een tel liet hij een gouden munt zien.

Een goudstuk was een fortuin voor iemand als Neville, daar kon hij vijftig flessen bier van kopen - honderd als hij zich beperkte tot het echt gore spul dat ze in het Armenkwartier verkochten. Mummelend dacht hij erover na.

'Waarom ook niet,' zei hij ten slotte. 'Zo'n groot geheim is het nou ook weer niet. Ik ben ook eens dief geweest, en jong. Ik werd betrapt, viel niet mee.'

Neville Neusvreugds mond zakte open tot een grijns toen hij eraan terugdacht, en net toen Robbie meende dat hij hem door elkaar moest schudden om hem terug te brengen naar het heden, begon hij weer te praten.

'Ze zouden me gaan hangen,' spuwde Neville uit. 'Maar als ik tijd en geduld had, kwam ik er wel uit, wist ik. Er zit een rooster.' Met één vieze vinger wees hij omlaag.  

Als vanzelf keek Robbie naar de vloer, trok een grimas en keek de oude man weer aan.

'Niet zo groot, hoor, maar ik, ik kon d'r door.' Neville schommelde heen en weer op zijn zitplaats, met zijn armen boven zijn hoofd alof hij zich door een smalle ruimte perste. 'Vel van me schouders,' zei hij en lachte fluitend om de twijfel op het gezicht van de jonge dief.

Niet dat Robbie er nog nooit van had gehoord, maar het was nauwelijks te geloven dat dit menselijke wrak een nuttige eigenschap had.  

Lachend sloeg Neville zich op de knie, en even later sprak hij verder. 'In die tijd zat dat rooster niet eens vast, ze geloofden niet dat er iemand door die afvoer kon.' Grijnzend schudde hij zijn hoofd. 'Had hun smoelen wel willen zien toen ze me kwamen halen.' Hij grinnikte.  

Robbie knikte. 'En waar is dat?'

Neville staarde in het luchtledige, met een vinger tekenend in de lucht om zich de route voor de geest te halen. 'Bij de Vijfsprong neem je de vierde buis,' begon hij onzeker. 'Nee nee, de tweede ... ' Hij viel stil, staarde. Plots werd hij enthousiaster. 'In de richting van de haven, altijd naar omlaag ... 0 nee, dat gaat naar de vollers. Daar moet je niet zijn.' Hij snoof ongeduldig. 'Ik weet hoe je d'r moet komen,' mopperde hij, 'ik heb alleen nooit iemand hoeven zeggen hoe je d'r komp.'

Robbie stond op. 'Laat maar zien, dan. Da's makkelijker.'

De oude bedelaar keek hem aan alsof Robbie had gezegd dat hij zich moest uitkleden tot op zijn lendendoek om op de tafel te dansen.

'Ikke niet!' zei Neville. Hij zwaaide met zijn fles. 'Ik ben hier van alle gemakken voorzien.' Zwaaiend met een hand keek hij rond, alsof hij sprak over de gezelligste gelegenheid van de stad.

Zo dichtbij dat hij zijn neusharen kon tellen zei Robbie: 'Vier zilverstukken boven op die gouden munt als je me de weg wijst.'  

Neville liet zijn mummelmondje op en neer gaan, starend in het niets. Hij gaf geen antwoord.

Ongeduldig beet Robbie op zijn bovenlip, zich ervan bewust dat Neville de overhand had. Die moest hij snel terug zien te krijgen voordat de bedelaar hem bankroet onderhandelde.  

'Ik koop een halve zak wijn voor onderweg,' bood Robbie aan. 'Wat er over is als we er zijn, mag je houden.'

'Hele zak,' kaatste Neville terug.

'Halve.'

'Hele!' blafte de oude bedelaar. "t Is nogal een ruk.'

'Akkoord,' zei Robbie en stak wat schoorvoetend zijn hand uit. Neville spuwde in de zijne, drukte Robbies hand voordat hij hem terug kon trekken en lachte bulderend om de weerzin op Robbies gezicht.