17 Plan
Robbie had de kriebels.
'Waarom zijn we nog niet binnen?' vroeg hij.
Het was saai om naar baron Bernarrs landhuis te kijken, oersaai en stomvervelend, zelfs voor iemand die gewend was om te wachten en het geduld had van een dief. Het grote vierkante gebouw stond er gewoon, te midden van de slordige, verwaarloosde tuinen, in alle stilte, behalve wanneer er af en toe even een stem klonk of een ruiter van de weg over het pad aankwam. En natuurlijk het eeuwige ruisen van de branding op de klippen, een halve mijl weg. Zelfs de wingerds aan de grijze granieten muren leken te zijn bezweken van verveling, want die waren bruin verwelkt, ook al was het al ruim voorjaar.
Zo nu en dan een glinstering van staal bij de grote, met ijzer beslagen deuren wees op een ijsberende schildwacht. Dat was het. Jarvis Coe schokschouderde. 'Drie redenen,' zei hij, een hand ophoudend en vingers buigend. 'Ten eerste: wat er daar losloopt, doet iedereen rechtsomkeert maken, zodat wij zoeken naar redenen om niet naar binnen te gaan.'
Hij keek serieus. Robbie wierp een blik over zijn schouder van achter de boom die hem schuilhield en staarde Coe met open mond van verbazing aan. 'Je bedoelt dat wij uitstellen en smoezen verzinnen en dat jij dat in de gaten hebt?' barstte hij los.
'Ja.' Jarvis hield een hand op. 'Het is geen uitstel. Het is magie. Soms merk je het verschil niet.'
'0.' Robbie huiverde even bij het idee dat er, zonder dat hij het wist, aan zijn gedachten en gevoelens werd geprutst. 'En wat zijn de andere redenen?'
'Ten tweede is het moeilijk om binnen te komen. Het is een fort, zij het geen erg sterk fort, en het is bemand, ook al zijn de troepen niet erg talrijk en niet erg goed. En wij zijn maar met zijn tweeën.'
'Waarom haal je dan geen... 0.'
'Juist. Bas-Tyra heeft nu even iets anders aan zijn hoofd. Tegen de tijd dat er een officiële klacht doorheen is, is al het bewijs al veilig begraven.'
'0.' Zoals ik al dacht, de zee verbergt vele zonden. 'En wat is nummer drie?'
'Het is nog niet helemaal tijd. We moeten toeslaan wanneer ze zijn afgeleid - en dat betekent wachten tot het bijna tijd voor hun offer is.'
'Maar-'
'Ja. Dat betekent dat we het gevaar op de koop toe moeten nemen dat zij het kunnen uitvoeren voordat ik naar binnen kan om hen tegen te houden.' Jarvis haalde een reep gedroogd vlees te voorschijn en begon erop te kauwen. 'En dat zou heel erg zijn. En door de magie - de bijwerkingen van de dodenbezwering - maken we eerder vergissingen.'
Ik wil naar huis, naar Krondor, dacht Robbie. De toorn van de Oprechte Man en de dreiging van de geheime politie kwamen hem steeds aantrekkelijker voor.
'In ieder geval zijn Flora en Lorrie in veiligheid,' zei hij.
Het Hulzebosje stelde als herberg niet veel voor, besloot Flora toen ze in de laatste uren van de dag uit de hondenkar sprong.
In feite was het eerder een boerderij, als je afging op de geuren van hooi, omgespitte aarde, mest en modder. Het gebouw had wel twee verdiepingen en was betimmerd met planken die verweerd zilvergrijs waren van de vele seizoenen zonder verf, maar voor de rest bleef het een boerderij, met schuren en een stal erachter, daarachter een veld met jonge tarwe en een boomgaard die nog een beetje in bloesem stond. De enige tekenen die wezen op de functie waren de hulsttak boven de lateibalk, de bankjes buiten aan weerszijden van de deur, de breedte van het platgetreden modderpad dat van de voren in de weg liep en het grotere weiland voor de paarden van reizigers.
Nee, dat neem ik terug, dacht Flora. Ze hebben een handvol tichels rondom de deur gelegd, en er ligt een houten schoenenkrabber. Beschaving!
Een van de werkplaatsen was een smederij, niet volledig uitgerust, maar een kleine hoefsmid met een klein houtskoolvuur, een blaasbalg en een enkel aambeeld, net genoeg voor het beslaan van paarden of het uitvoeren van kleine reparaties. De smid was aan het werk, hamerend op een te vormen hoefijzer met het galmen van ijzer op ijzer. De leren blaasbalg werd bediend door een knul. Ze zwaaide, en hij doopte zijn maaksel in een tobbe met water en legde hem aan de kant. Met grote stappen stak hij het erf over, op houten klompen die het kostbare leer vrij hielden van modder. Met een respectvolle blik pakte hij het hoofdstel van hun paard vast.
'Brengen jullie de nacht door, meissies?' vroeg hij in ongeveer dezelfde brouwende klanken als die van de houthakker.
'Als u een kamer hebt,' zei Flora. Ze zag hem opkijken toen hij haar Krondorische accent hoorde.
'Kamers genoeg,' zei de boer-herbergier. 'Geen kooplieden of reizigers, vandaag.'
Het was een man van gemiddelde bouwen lengte, al gebruind door de zon, goed gespierd van hard werken. Het enige wat aan hem opviel was de rode tint in zijn haar en de sproeten op zijn gezicht.
'Ik ben Tael, en ik hou deze herberg en boerderij. Bessa! ' ging hij verder, zijn hoofd draaiend om te roepen. 'Bessa! Kom de kar van de dames eens halen. Davy, hier komen! '
Flora hielp Lorrie uit de hondenkar, en Tael klakte met zijn tong toen hij zag dat ze een stok gebruikte om haar been te sparen. 'Hier, leun maar op mij, juf,' zei hij. 'Beetje modderig hier, door de regen.'
'Dank u,' zei Lorrie verlegen. 'Ik heet Lorrie.'
Er ging een wenkbrauw omhoog vanwege het accent, dat zo sterk leek op dat van de man en zo anders was dan dat van Flora. Hij keek van de een naar de ander. Ze leken ook niet op elkaar, al had hij vermoedelijk aangenomen dat ze zusjes waren.
'We zijn op zoek naar Lorries vriend Bram,' zei Flora, en heel even veranderde er iets op Taels gezicht.
'Straks,' zei hij beslist. 'Kom binnen. Kamer is drie per nacht, en da's met het avondmaal.'
Er kwamen twee kinderen aangerend, een jongen als de man, met vijftien jaren minder, onder de puistjes met purperen randen, en een rondborstig meisje, eveneens sproetig, dat de tenen mand met hun bagage pakte.
Met groot respect bracht de herbergier hen naar een tafel in het schenklokaal, en Flora merkte dat ze daar wel van genoot. Het was fijn om met respect te worden behandeld - en niet weggejaagd of afgezet voor een deel van haar verdiensten of persoonlijke gunsten bovendien.
In de vallende schemering was het al wat donker binnen, en een vrouw van middelbare leeftijd was bezig met het aansteken van bundeltjes in olie gedrenkte lappen in kleien schaaltjes. Dit voegde een rokerige geur van lijnzaadolie toe aan de kookluchtjes in de kamer. Op de vloer lagen echter keurig verse biezen, en de haard brandde vrolijk.
'Bonensoep met ham,' riep de vrouw, twee kommen vol lepelend uit een grote ijzeren ketel die boven de kolen hing. 'Er is appelsap, appelwijn, hop bier en dun bier. Appelwijn warm, als je wilt. Jullie zullen wel honger hebben, na zo'n lange reis. Uit Nes?' Ze zette de aardewerken kommen voor hen neer, samen met brood, boter, kaas, uien en een houten nap met zeezout.
'Ja,' zei Flora. 'Ik... woon bij mijn tante Cleora in Nes. Warme cider, voor mij.'
Tael kwam weer binnen en stapte uit zijn klompen. Zijn voeten knerpten over de afgesneden stukken riethalmen, waar een prettig groene geur van opsteeg, want ze waren vermengd met pittige kruiden en bloemen die aangenaam roken, als hooi.
'Cleora Winsley zal dat dan zijn,' zei hij toen hij opving wat ze zei. 'De vrouw van Karl Winsley en de dochter van Yardley Heywood?'
'Ja,' antwoordde Flora, licht verbaasd. Leuk om familie te hebben die ook een beetje bekend is, dacht ze.
'Ik heb zaken gedaan met Karl Winsley,' zei Tael. 'Hop gekocht.' Hij keek Lorrie aan. 'En Bram Ossrey is jouw vriend?'
'We zijn buren,' zei Lorrie. 'Zijn... zijn paard is terug naar Nes gekomen, het zadel leeg en met een pijl erin. Ik logeer bij mevrouw Winsley. We kwamen kijken of het wel goed met hem gaat.'
'Kan ik je niet zeggen,' zei Tael.
Zijn vrouw kwam terug met kroezen van gedraaid esdoornhout en een ijzeren staaf met een houten handvat. De punt van het metaal was roodgloeiend.
'Dank je, troel,' zei Tael.
Hij nam het warmijzer van haar over en stak het in Flora's cider. De appelwijn borrelde en siste rond het afkoelende metaal. Het ijzer was dof geworden toen hij het er even later uithaalde, maar het was nog wel zo heet dat hij er voorzichtig mee terugliep naar de haard. Er steeg een prettige geur op van appels en kruiden, en voorzichtig nam Flora een· slokje.
Tael nam een ferme teug van zijn bier toen hij terugkwam, en veegde met de rug van zijn hand over zijn mond om het schuim uit zijn snor te halen. Zijn gezicht stond nadenkend. Flora at wat van haar soep - ze had honger, en de soep rook verrukkelijk - en brak een van de kleine broden om te soppen. Het was goed tarwebrood, bijna wit, en de damp kwam er nog een beetje van af.
'Nou, wat Bram Ossrey betreft, die kwam hier een paar dagen geleden rond het middaguur nog binnen om eten,' begon Tael abrupt, alsof hij zijn gedachten op een rijtje had gezet. 'Aardige knul, beleefd, ook al is-t-ie uit Relling. Neem me niet kwalijk.'
'Geeft niet,' zei Lorrie, haar mondhoeken iets opgetrokken door een glimlachje.
'En hij was op zoek naar een jonge knaap die Rip heette, naar hij dacht in het gezelschap van twee mannen en daar misschien niet zo verrukt over.'
Flora en Lorrie knikten. De herbergier aarzelde, nam nog een slok en knikte, als tegen zichzelf na een innerlijke dialoog.
'Nou, zo'n jongen hadden we niet gezien,' zei hij. 'Maar wel twee kerels die het goed konden zijn, zie je.' Weer een aarzeling. 'Huurlingen van het landhuis, mannen van de baron. Smalle en Rox, heten ze. Galgenaas. Ik ben zelf nog soldaat geweest toen ik jong was, en ik heb er genoeg zo ontmoet: leeglopers, als leeg tenminste geld voor geen werk betekent, maar niet de lui die een goede kapitein tussen zijn manschappen wil, of lui aan wie een verstandige kameraad zijn beurs of zijn leven zou toevertrouwen, als jullie begrijpen wat ik bedoel?' Ze knikten. 'Ik heb jullie Bram dat ook verteld, want hij leek me best een goeie kerel, en het zijn mijn vrienden niet, wat ze van hun wedde hier ook komen uitgeven. Hij zei dankjewel, heel beleefd, en is naar het noorden gereden, naar het huis van de heer. En voor we het weten komt zijn paard terug rennen. We probeerden hem nog te vangen, maar dat ging niet. Dacht er pas aan hem te lokken met graan toen hij al halverwege de weg af naar Nes was. Blij dat hij terug naar jullie is gekomen. Ik zou bericht hebben gestuurd als ik het beestje had kunnen vangen.'
Lorrie twijfelde er niet aan dat hij dat meende, maar op het platteland betekende 'bericht sturen' dat hij tegen een wagenmenner die langs reed in de richting van de stad zou zeggen dat hij een paard had gevonden, voor het geval er iemand kwam zoeken.
'En de volgende avond komen Rox en Smalle, en maar lachen, en maar uitgeven - een hele gans met zijn tweeën, en alles van het beste. Wijn en bier en gestookt, en ik heb Bessa vroeg naar bed moeten sturen.'
Flora keek Lorrie aan, en de moed zonk hen in de schoenen. Lorrie boog zich naar haar toe en fluisterde: 'Rip is hier... vlakbij. Helemaal niet ver.'
'En als Rip er is, en die twee mannen ook, dan Bram misschien ook wel.' Tenzij hij dood is, dacht Flora. En dat zou zonde zijn. Hij is lief, en knap als een plaatje. En Lorrie is mijn vriendin, ik zou niet willen dat ze haar man verliest voordat ze hem zelfs maar heeft gekregen.
Tael sloeg het onderonsje gade, met een stukje ui knerpend tussen sterke gele tanden. 'Punt is... ' zei hij toen ze hem aankeken.
'Ja?' zei Lorrie gretig.
'Meis, ze zagen er allebei uit alsof ze hadden gevochten. Niets ernstigs, maar blauwe plekken en zo. En die Smalle, die heeft een boog in een houder aan zijn zadel. Korte boog, met een hoornen laag en dubbel gebogen, Grootkeshische stijl.'
Na die woorden knikte hij hen toe en ging aan het werk. Terwijl de meisjes aten, keek Flora rond. 'Ik heb een idee,' zei ze, kijkend naar het plafond.
Dat was niet zo hoog - zo'n twee, tweeënhalve el, vast laag gehouden om de gelagkamer makkelijker te kunnen verwarmen. De balken waren van ruw gehouwen dennenstammen, en tussen de daarop gespijkerde planken zaten brede kieren, vermoedelijk om duur gezaagd hout uit te sparen. Er staken stukjes stro tussendoor.
Het zingen onder hun kamer was weggestorven. Flora en Lorrie lagen languit op de vloer, Lorrie met haar oog boven een spleet die ze voorzichtig hadden vrijgepeuterd tussen twee planken. Van de tafel onder hen kwamen luide stemmen, ruwen slepend. Flora huiverde een beetje.
Robbie had gelijk, dacht ze, terugdenkend aan de korte hete blik in de ogen van de sergeant die haar op de wagen had geslingerd toen ze in Krondor de Snaken aan het oppakken waren. Ik zit niet meer in het vak. 'Dat zijn ze,' fluisterde Lorrie.
Haar gezicht was wit; van woede, besefte Flora plotseling, niet van angst. Moorddadige woede.
'Dat zijn de twee die Rip hebben ontvoerd,' zei ze, haar stem als krakend ijs op een bevroren plas waar je 's winters op stapte, krakend terwijl er iets door sijpelde. 'En ons huis in brand gestoken en mijn ouders vermoord.' Onbeholpen klopte Flora haar op de schouder. Zij had de hare al vroeg verloren, en voorzover ze zich hen herinnerde, waren het toch al geen schatten geweest.
Ze bracht haar oog weer naar het gat. Er zaten vier kerels rond de tafel met de afgekloven resten van verscheidene kippen. Ze herkende Smalle en Rox van Lorries beschrijving. Slecht volk, dacht ze, haar neus optrekkend. Ze rook het schrale bier in hun zweet en de wambuizen die nooit werden gewassen, met oud bloed erop en erger, en het klauwenvet op hun wapens. Slechter dan normaal.
Smalle lachte te vaak, en Rox helemaal niet. Ze zagen er inderdaad uit alsof ze pas nog hadden gevochten. Smalle had een blauw oog, en Rox opgezette knokkels op zijn rechterhand. De andere twee waren onopvallende kerels, van dertien in een dozijn, behalve dan een ongewoon aantal littekens, harde en felle ogen die af en toe zichtbaar waren wanneer ze hun flessen achterover sloegen, en vettig donker haar dat naar achteren golfde.
Een van hen haalde iets uit een buidel aan zijn riem en schudde ermee in een gesloten vuist - vast dobbelstenen. 'Kom op, jullie,' zei hij. 'Laat maar eens wat zien van dat goud waar jullie zo over opscheppen. Ik hoor het naar me roepen - het wil in mijn beurs, dat wil het.'
'Tuurlijk wil het dat, als ik zo dom was om met jouw dobbelstenen te spelen, Forten.'
Fortens vuist verstrakte rond de bikkels die hij had gepakt. Wellicht zou hij er een punt van hebben gemaakt als Rox niet massief aan de andere kant van de tafel had gezeten. Flora kon Smalles rechterhand zien, en de vingers streken langs het heft van het mes dat in zijn laars zat.
'En we hebben het nog niet eens allemaal, de prijs voor die nieuwe nog niet,' zei Smalle.
Met een grom stak Forten zijn bikkels weg en schonk nog wat wijn uit een kan in zijn kroes. 'Erg genoeg, die kleintjes die zich in de muren verstopt houden. Bijna mijn kop kapot, toen ze vet op de trap bij de hoofdpoort hadden gesmeerd. Die nieuwe, die zou knap lastig kunnen zijn als die loskwam, zo groot als een volwassen vent. Hij kan trouwens de klere krijgen. De baron en die magiër van hem geven hem gauw genoeg zijn vet.'
De huurlingen vielen even stil, ongemakkelijk kijkend. Een paar sloegen een kwaadwerend teken met een hand, en ze namen allemaal een slok.
Flora draaide haar hoofd. Lorries gezicht straalde van hoop. Ze trokken zich terug in een andere hoek van de kamer, zachtjes pratend. 'Dat zijn ze!' zei Lorrie. 'Die nieuwe - groot als een vent - dat moet Bram zijn. En die kleintjes, dat moeten Rip en wat andere kinderen zijn!'
Bram, ja, dacht Flora. En misschien is het je broertje. Dat zit er wel in, ja.
Ze knikte, en Lorries glimlach verdween toen ze verder sprak. 'Maar dan moeten ze in het landhuis zitten. Hoe komen we daar naar binnen? Dat is net een fort, en het is bewaakt, en... je weet wat de herbergier over het kasteel heeft gezegd.'
Flora huiverde. 'Dat het er niet pluis is? Ja. Maar -'
'Maar we moeten hen bevrijden,' zei Lorrie. 'En gauw. Je hebt het gehoord. Er staat iets op stapel voor Bram!'
Het meisje uit Krondor knikte, opnieuw geneigd tot huiveren. Ze dacht snel na, over dingen die ze had gehoord van andere meisjes en van andere Snaken. 'Wacht eens even,' fluisterde ze. 'Volgens mij kunnen we naar binnen! En dat doen we via die huurlingen.' Ze voelde in de zak van haar rok. Het buideltje met het 'handige spul' zat er nog. Robbie wist wel wat hij deed toen hij me dat gaf! dacht ze. 'Ik zal je vertellen hoe we het gaan doen.'
Flora maakte de veters van haar lijfje los zodat ze het kon draaien, waardoor haar halslijn misschien nog wel dieper werd dan ze ooit in de straten van Krondor had gedragen. Ze deed de hoofddoek af die ze onderweg
. had gedragen, schudde haar haren los en liet ze vrij over haar schouders vallen. Ze trok nog één keer aan haar lijfje om er zeker van te zijn dat het bloot genoeg was om er geloofwaardige werkkleren van te maken. Buiten was het koud en bewolkt geworden, en de wind van zee rook naar regen. Ze kreeg kippenvel, maar dat deed niets af aan haar brede glimlach toen de twee huurlingen de deur van Het Hulzebosje uit kwamen strompelen. Even stonden ze afgetekend tegen een achtergrond van rood haardlicht, en toen zwalkten hun onvaste voeten door de modder.
'Hal-lo, daar,' zei Flora met omfloerste stem.
De huurlingen bleven staan en keken haar lodderig aan. Het waren Forten en Sonnart. Hun metgezellen waren al eerder naar huis vertrokken, en lang niet zo dronken.
'Wie ben jij?' vroeg een van de twee.
'Niet de dochter van de herbergier, met de dikke tieten,' merkte de ander uilig op.
'Ik ben het nieuwe meisje hier, jongens,' zei ze vrolijk, wiegde even met haar heupen en knipoogde. Alle trucjes haalde ze uit de kast om haar weerzin te onderdrukken. In haar tijd had ze wel met weerzinwekkender kerels gelegen, maar dat was voordat ze zichzelf was gaan zien als iemand met een beter bestaan dan leven van dag tot dag. Ze deed haar best niet te kokhalzen toen ze vroeg: 'Wandelen jullie naar huis, of kom je eerst nog mee naar de stallen voor een ritje?'
De onderhandelingen verliepen snel, en bijna loeiend liepen ze hijgerig achter haar aan, tegen elkaar opbotsend en puffend op sleeptouw naar de achterkant van de herberg.
'Zo is ver genoeg,' gromde een van hen, naar haar grijpend.
'Hier ligt modder, en het gaat zo regenen,' zei Flora over haar schouder. 'In de stal hebben we een dak en mooi stro en paarden-dekens. Nog maar een klein stukje! '
Ondanks alles wat ze hadden ingenomen, hadden de huurlingen nog een goed ontwikkeld gevoel voor lijfsbehoud. Ze lieten haar als eerste door de deur de donkere stal in gaan, en hun handen gingen naar hun zwaardgevesten toen ze daar Lorrie zagen staan.
Ze ontspanden weer, grijnzend, toen ze zagen dat het nog een meisje was. 'Ruthia!' flapte een van hen eruit. 'Dit is onze geluksdag!'
Lorrie stak haar hand uit, met de palm naar boven. Toen Forten op haar afkwam, haalde ze vlug adem en blies over de hand in zijn gezicht.
Flora dook al opzij, met ingehouden adem. Het was donker in de stal, met maar weinig licht dat naar binnen viel door de deur en de kieren onder de dakrand, maar ze had de houten bijlsteel precies op de goede plaats neergelegd, en haar hand kwam er keurig op terecht.
Forten ging al gestrekt, slap neervallend met zijn gezicht in de mest en het stro van de stalvloer. Sonnart achter hem had niet veel van het stof in zijn gezicht gekregen, en met een verstikte kreet wist hij zijn zwaard half te trekken met een glinstering van licht metaal in het donker. Flora nam de harde, veerkrachtige steel in beide handen stevig beet.
Pok!
De el-lange bijlsteel trof zijn knieschijf met het geluid van een slegel op een houten blok. De huurling gaf een hoge schelle gil die verstierf tot een gegorgel toen Flora zich vermande en nogmaals zwaaide met haar wapen, ditmaal achter op zijn hoofd.
Het licht vlamde op toen Lorrie een emmer optilde van de lamp die ze hadden meegebracht. De paarden stampten onrustig in de slieten, en eentje snoof toen hij de geur van bloed rook. Beide huurlingen leefden nog, maar Sonnart zou zich niet al te best voelen als hij bijkwam.
Lorrie trok haar mes, haar tanden ontbloot in iets wat zeer beslist geen glimlach was. Flora rende naar haar toe en pakte haar arm.
'Nee!' zei ze.
Lorrie richtte haar woede op haar. 'Waarom niet?' zei ze fel. 'Ze werken voor de man die mijn broertje heeft laten ontvoeren en mijn ouders heeft laten vermoorden!'
'Maar dat hebben zij niet gedaan,' wierp Flora tegen. 'Anders zou ik je ook heus niet tegenhouden. Maar als we die twee doodmaken, krijgt Tael een hoop last - van de strop. Het mogen dan nog zulke zwijnen zijn, maar het blijven wel de soldaten van de baron, Lorrie!'
'Je hebt toch gehoord wat ze zeiden over Bram!' ging Lorrie door, maar de wilde blik was al uit haar ogen aan het verdwijnen, en ze probeerde haar arm niet meer uit Flora's greep los te rukken.
'Ja,' zei Flora. 'Nou, daar heb ik nog eens over nagedacht.' Ze hield twee gedroogde dennenappels uit de tondeldoos van de smederij omhoog. 'Zie je dat alle bladeren van de dennenappels dezelfde kant op wijzen?'
'Ja?' zei Lorrie verwonderd.
Een half uur later reden er twee gemantelde ruiters over de heerbaan van Het Hulzebosje in de richting van baron Bernarrs landhuis. Een van hen krabde zich vol afkeer.
'Hebben ze die dingen nooit gekookt om de neten eruit te halen?' vroeg ze.
'Had erger kunnen zijn,' reageerde de ander.
'Nog erger?'
'Help me herinneren dat ik je een keer vertel over Neville Neusvreugd,' antwoordde ze.
De baron kreunde en klampte zich weer vast aan zijn lakens. Maar nu liepen droom en herinnering door elkaar, alsof hij wakend sliep. Zo wist hij nog wat voor nacht het was en dat hij in zijn bed lag, en zo dacht hij dat hij nog jong was en een verschrikkelijke keus moest maken.
Vol afgrijzen stond hij te kijken naar de bleke gedaante van zijn vrouw, uit wie het leven wegvloeide met het bloed dat in het bed liep, terwijl de vroedvrouw het huilende kind vasthield.
Een stem vlak bij hem. 'Ik kan uitkomst bieden.'
Zonder te kijken wist hij dat het Lyman was. 'Hoe dan?'
'Dek de vrouwe toe en verlaat het vertrek,' commandeerde de bezoeker, en aldus geschiedde.
Toen was hij buiten de kamer. De vroedvrouw was al weg om het kind voor de wolven te leggen. Maar...
Bernarrs ogen knipperden, en hij besefte dat het nacht was en dat hij alleen was, en dat de baby nu een jongeman was, vastgeketend in een geheime kamer. Kreunend draaide hij zich om, zich vastgrijpend in het kussen, zijn ogen stijf dicht.
'Een uur is slechts een tel, en een dag luttele seconden in die kamer,' zei Lyman. 'Zo wacht ze af, terwijl wij een manier zoeken om haar uit het Paleis van de Dood te houden.'
Er kwamen genezers, chirurgijnen, een priester van Dala en eentje van een sekte uit de woestijn van Groot Kesh, maar niemand kon de vrouwe van het huis weer tot leven brengen wanneer Lyman de tijdsbezwering ophief. Telkens wanneer hij faalde, zwoer hij zijn inspanningen te verdubbelen om een manier te vinden. En telkens wanneer Bernarr die belofte accepteerde, voelde hij zijn geest en hart verder wegzakken in duisternis.
Algauw was Lyman een permanent lid van het huishouden geworden, met zijn eigen kamers en onderkomens voor zijn bedienden. Boeken werden gekocht, tekstrollen werden gestuurd door verzamelaars uit alle uithoeken van de beschaving. Bernarr betaalde, ongeacht de prijs, maar een oplossing bleef uit.
Toen verschenen de boeken met onzalige magie, waar bloed voor nodig was. Eerst van dieren, maar toen ...
Bernarr schoot overeind. Uit zijn borst ontrukte zich de schreeuw van een ondraaglijk gekweld man. Uit alle macht sperde hij zijn ogen open, schudde zichzelf wakker en zette zich af in de richting van de glazen deur naar zijn balkon. Hij rukte het gordijn opzij, smeet de deuren open en stapte naar buiten, het koude nachtelijke donker in. Twee nachten nog maar. Hij ademde de koude lucht diep in zijn longen en fluisterde: 'Over twee nachten is het voorbij.'