13 Schuilplaats

 

De magiër keek op.

'Zo ingewikkeld is die bezwering niet,' zei Lyman Malachy toen de voorbereidingen waren gedaan. 'Maar wel lastig. De graden van gelijkheid moeten precies in evenwicht zijn.'  

Hij keek naar zijn... werkgever? Gastheer? Vriend? Weldoener? Iemand die hem al zeventien jaar lang onderdak verleende en liet werken aan onderzoek dat elders... met afkeuring zou worden bezien, op zijn minst. Nee, verbeterde hij, waar hij elders voor zou worden opgehangen of levend verbrand.  

Ze waren alleen in de kamer, met alleen de kaarsvlam als gezelschap. De rest van het personeel was daaraan gewend. Vermoedelijk waren het de bestbetaalde bedienden buiten de grote steden en de hofhouding van de grootste heren, al lieten ze aan kwaliteit te wensen over. Maar evenals de kasteelwachters werden ze niet alleen betaald voor hun diensten maar evenzeer om te negeren wat ze hoorden en zagen.

Met licht gekrulde lippen trok de magiër zijn gewaad wat strakker om zich heen. Het regende vanavond pijpenstelen, zachtjes trommelend op de luiken en de streperige vensterruiten. Zelf had hij best een vrolijk vuurtje gewild, maar Bemarr gaf niet om de vochtige kou van deze steenhoop.  

Met goud kun je zoveel dingen doen, dacht hij. Zelfs bijgelovige angst onder bedienden en soldaten afkopen. Maar je kon er van een fort geen prettig woonverblijf van maken.  

Bemarr zwaaide met een hand die heel lichtjes beefde. 'Ja, ja. Die blaag moet zowel op mij als mijn vrouwe Elaine lijken, en met jouw bezwering kun je hem vinden,' zei hij. 'Die vervloekte vroedvrouw! Ik had het bevel gegeven om die blaag uit de weg te ruimen!'  

Lyman knikte naar de drie ondiepe gouden schalen met de dunne kristallen deksels, elk ongeveer zo groot als de cirkel van een duim en wijsvinger. Zilver, turkoois, platina en git vormden complexe inlegwerken op de binnenkant van het goud. Daarboven stond een dun laagje water, en daarin dreef een naald. Om twee van de naalden was een haar gewikkeld, en rondom de naald in de middelste schaal slingerden twee haren, elkaar kruisend. De kristallen deksels zorgden ervoor dat het geheel niet werd verstoord.  

'Het kan echter ook een geluk zijn dat ze niet heeft gedaan wat u zei,' merkte Lyman op. 'Jammer dat we niet meer bijzonderheden uit haar konden krijgen, maar dit is ook genoeg - beter zelfs, want de kennis die het brengt, is niet zeventien jaar oud.'

Lyman stond op en schudde zijn mouwen terug. Hij deed zijn ogen dicht, bewoog zijn lippen en volgde met zijn handen ingewikkelde, exacte patronen boven de middelste deksel.

Terwijl de man, die Bemarr nog steeds beschouwde als een geleerde in plaats van een magiër, zijn bezwering deed, dacht hij terug aan de avond dat ze elkaar hadden ontmoet.

Het was de avond van de grote storm: bergen en muren van purperzwarte wolken die zich opstapelden langs de westelijke horizon, oplichtend van de bliksem maar met een gouden rand van de zon die erachter onderging. De golfslag ging voor de wind uit. Vissers sleepten hun vaartuigen hoger op het land en snoerden ze vast aan bomen en rotsen uit angst voor golven hoog als bergen, om vervolgens te bidden wanneer de windstoten rond hun rieten daken kwamen krijsen. De regen die volgde, viel bijna horizontaal, voortgedreven op de krachtige wind. De uitbarsting begeleidde de barensweeën van zijn geliefde, die beval van het kleine monster dat ze nu trachtten te vinden. Uit vreugde om de naderende geboorte van zijn kind bood hij de vreemdeling gul en gastvrij onderdak. Het was een raar mannetje met uitpuilende bruine ogen en een grote neus die des te geprononceerder werd vanwege zijn sterk wijkende kin. Hij leek een paar jaar ouder dan Bemarr, halverwege tot achter in de dertig, maar over zijn werkelijke leeftijd was Bemarr onzeker, want hij zag er nu vrijwel net zo uit als ten tijde van hun ontmoeting, zo'n zeventien jaar geleden.  

Lyman had zich voorgesteld als een vriend van Bemarrs vader, een correspondent die de oude baron nooit persoonlijk had ontmoet maar die zo nu en dan door Bemarrs vader over wetenschappelijke kwesties werd geraadpleegd, in het bijzonder over de aankoop van oude boeken en manuscripten. Hij kwam informeren naar Bemarrs bedoelingen met de bibliotheek, aangezien hem onbekend was of de zoon het enthousiasme voor de wetenschap gemeen had met zijn vader, en hij verscheidene werken wilde kopen als de zoon de verzameling van de hand wenste te doen. Tot zijn genoegen had hij ontdekt dat Bernarr de liefde voor studie deelde.  

En toen was het nieuws gekomen dat de barones problemen had met de bevalling, herinnerde Bernarr zich.

Zijn geheugen bracht Bernarr pijn. Hij leunde achterover, vloekend. Toen zag hij de twee haren rond de middelste naald kronkelen, als slangen - slangen die elkaars gezelschap niet veelden. Ze wriemelden weg van de drijvende naald, drukten tegen weerszijden van het deksel en werden weer slap.  

Dat is zo ongeveer het duidelijkste geval van ongelijksoortigheid dat ik ooit heb gezien, dacht de magiër met een neutraal gezicht. Eén ding is zeker, dit paar heeft samen geen kind gemaakt.  

'Wat moet dit voorstellen, Lyman?' blafte Bernarr. Zijn ogen fonkelden van wantrouwen. Waar het zijn vrouw betrof, was de Baron van Nes lang niet gezond van geest.  

Zoals ik weet als geen ander, dacht Lyman. 'Eh... mijn heer de baron,' zei hij hardop, 'zou het mogelijk zijn dat u een ander kind hebt? Verwekt voordat u vrouwe Elaine hebt ontmoet?'  

Dat maakte een einde aan Bernarrs woede. Nu schoof hij wat in zijn stoel en pakte zijn beker warme, gekruide wijn. 'Nou,' zei hij met onzekere blik, 'ik was al volwassen voordat ik trouwde... dertig zomers... een deerne af en toe... en uiteraard, voorzover ik weet -'  

'Uiteraard, mijn heer, uiteraard,' suste Lyman. 'We zijn mannen van de wereld, u en ik. Maar dan zijn de gekoppelde haren onverenigbaar met de aard van de bezwering, ziet u. Daarom heb ik u verzocht om nog een haar van uw vrouwe. De bezwering zal niet helemaal zo scherp zijn en ook niet werken over zo'n grote afstand, maar hij hoort het wel te doen.'

Hij stond op en bewoog zijn handen boven de linkerschaal. En ik zal maar niet de schaal met alleen uw haar gebruiken, mijn heer de baron, want ik vermoed dat dat zo goed als zinloos zou zijn.  

 

Bram bleef staan toen hij op de kam van de heuvels kwam en keek neer op Nes. De stad was hem bekend genoeg, hij was er verscheidene malen geweest. Hij probeerde ernaar te kijken zoals Lorrie zou doen.  

Als eerste heeft ze geld nodig, dacht hij.  

Hij grijnsde, ondanks zijn ongerustheid en de pijn in zijn benen. Hij had onderweg geen moment getreuzeld, en hij was best toe aan slapen, om nog maar te zwijgen over eten en drinken. Erg ver zou ze niet komen met de paar koperstukken die hij onder de matras van zijn bed had verstopt. Het mocht dan alles zijn dat hij in zijn hele leven bij elkaar had gespaard, maar zo oud was hij nog niet, en naar stadse maatstaven was het niet veel. Hij onderdrukte een loze gedachte: welzeker had hij gedagdroomd over haar in zijn bed, maar niet op die manier.  

Hij verplaatste de boog, koker en rugzak naar een iets minder ongemakkelijke positie en liep met grote stappen door de gebruikelijke drukte op een weg zo dicht bij de stadspoort. Als hij het zich goed herinnerde, zaten er een paar paardenkopers niet zo ver buiten de noorderpoort. 

 

'Kan 'k je helpen, knul?' vroeg de paardenkoopman, opkijkend.

Hij stond met het voorbeen van een boerenknol tussen zijn benen om naar de hoef te kijken. Het kleine, stevige paard bewoog iets toen hij dacht dat de man werd afgeleid en begon zijn hoofd te draaien - vermoedelijk om te bijten naar het achterwerk van de man. De handelaar porde met zijn elleboog in de flank naast hem, en Bram gaf hem met het taxushout van zijn boog een tikje op de neus.  

Het dier slaakte een diepe zucht en bedaarde, en de handelaar liet de hoef met een doffe dreun zakken. 'Rotstraal,' zei hij over zijn schouder tegen de eigenaar. 'Je dacht toch niet dat je met een beetje teer een ongezonde hoef voor mij verborgen kon houden, Ullet Olmson. Ik neem hem niet, ook niet als je die hoef behandelt en met hem terugkomt, voor geen prijs. Hij is vals.' De teleurgestelde verkoper nam zijn dier mee, en de man wendde zich tot Bram. 'En wat kan ik voor jou doen?'  

'Ik zoek een meisje,' zei Bram en bloosde onder zijn licht verbrande huid toen de paardenkoopman bulderde van het lachen en hem van top tot teen bekeek.

'Nou, daar zal je niet zoveel moeite mee hebben, lijkt me, ook al heb je een platte beurs,' gierde de man even later, 'want je bent een knappe knul. Maar da's mijn handel niet. Veulens en merries, dat wel, maar alleen met hoeven. De naam is Kerson, trouwens.'  

Bram stelde zich voor en schudde hem de hand, die net zo sterk bleek als de zijne of iets sterker, hetgeen te verwachten was.

'Ze kan u een ruin hebben verkocht,' zei hij. 'Hooguit drie dagen geleden. Een trekpaard, berijdbaar maar meer gewend aan ploegwerk en allang en breed aftands.' Hij ging verder met de beschrijving van Horace, die hij door en door kende. Zijn hele leven ruilden de twee families onderling al werkvee.  

'Wacht eens even!' zei de koopman. 'Ja, dat beestje heb ik gekocht -maar van een jonge knaap, niet van een meisje. Kan hij hem hebben gestolen?' Hij fronste zijn wenkbrauwen.  

Ja, natuurlijk geeft ze zich uit voor een jongen, idioot.' dacht hij. Ze kan toch moeilijk in je oude broek over het platteland de stad in als een meisje in jongenskleren. 'Nee, die knaap ken ik,' zei Bram.  

De handelaar haalde zijn schouders op. 'Het leek me best een aardige jonge spruit. Knap als een meisje, alleen, en een paar jaar jonger dan jij. Vandaag nog kwam er een vriendin van hem informeren naar het paard.'  

'Vriendin?' vroeg Bram.

'De kleindochter van Yardley Heywood, net hier uit Krondor,' zei Kerson. 'Knap meisje, en met lang niet zoveel pretenties als anderen uit die familie. Logeert bij haar tante. Maar goed, ze was hier nog, vandaag, maar ik had het beestje al verkocht aan een jonge knaap van ongeveer dezelfde leeftijd. Halverwege de ochtend is hij erop vertrokken naar het noorden.'

Bram vroeg zich af wie die knaap kon zijn en waarom hij Horace had gekocht om naar het noorden te rijden, maar hij besloot zich te concentreren op Lorrie. 'Waar zou ik die jongedame, Yardley Heywoods kleindochter, kunnen vinden?'  

De handelaar wees hem de weg, en met tollend hoofd repte Bram zich Nes in. Hij had verwacht Lorrie verdwaald aan te treffen, of schuilend in een of andere goedkope herberg. En ze had een vriendin gemaakt? Een rijke ook nog, zo te horen. En hoe was het met Rip? 

 

Elaine roerde zich. Ze was nog steeds onzeker van de staat waarin ze droomde, want ze wist dat ze moest dromen. Eerst had ze over pijn gedroomd, maar na vele malen wakker worden kon Elaine zich van de pijn losmaken. Nooit gemakkelijk, want de pijn eiste de aandacht op en weigerde zich te laten temmen, maar een tijdlang kon ze eraan voorbij en voelde ze hem als van veraf. Die momenten doorstond ze, ingespannen luisterend of er iemand in de buurt was. Soms hoorde ze het krassen van een nachtvogel, af en toe een schreeuw van ver. Maar verder leek ze alleen te zijn.  

Dat verbaasde haar. Ze was de vrouwe van de baron, en ze was zojuist bevallen. Waar was iedereen? Waarom werd ze niet geholpen? Hoe lang lag ze al zo? En het allerergste: moest ze zo de rest van haar leven blijven liggen?  

Ze wist dat haar lichaam roerloos lag, of vermoedde dat tenminste. Daarom nam ze aan dat ze was gevangen in een ingewikkeld soort droom, maar dan een die in verbinding stond met de wakkere wereld.

De pijn was haar eerste overwinning geweest, en toen kwam dat verschrikkelijke ding dat haar had gekweld. De tijd viel moeilijk bij te houden. Ze wist zeker dat er vele uren, zelfs dagen, waren verstreken sinds de geboorte van haar kind. Misschien kampte ze met een ziekte die ze in het kraambed had gekregen, of met koorts die na de bevalling was opgekomen.  

Maar wat het ook was, ze had ertegen gevochten en was opgekrabbeld tot iets wat op bewustzijn leek om dan weg te glijden in perioden van vaagheid waarin herinneringen zweefden. Soms ervoer ze zulke sterke beelden dat ze zich afvroeg of ze niet echt waren, misschien het soort profetische visioenen die heksen of wijze vrouwen zouden hebben; of misschien echo's uit een ver verleden, of de herinneringen van iemand anders. Dan kwam de duisternis weer. Twee dingen waren er altijd, de duisternis en de pijn.  

Tussen de perioden van duisternis riep Elaine in gedachten om hulp, razend en schreeuwend en de verschrikkelijkste dingen toewensend aan haar man, die haar zomaar in de steek had gelaten. Eén keer voelde ze dat iemand haar lichaam aanraakte. De koude aanraking, het gevoel van iets slijmerigs dat over haar huid gleed, onder haar japon: een schandelijke intimiteit, ongewenst en weerzinwekkend. Maar ze kon er niets tegen doen. Was die gruwelijke aanraking echt of een herinnering? De vrees en de verontwaardiging die met het gevoel gepaard gingen, waren echt, want ze herinnerde zich dat ze in stille walging had geroepen: Blijf van me af! En de aanraking was weggegaan. Was die teruggekomen, of was de volgende slechts de herinnering van die keer geweest? Ze wist het niet.  

Mettertijd werd haar geest krachtiger en veranderden de vrees en afkeer in woede en berekening. Zo nu en dan herinnerde ze zich een botsing, een moment van verzet waarin ze iets had afgestoten dat haar benauwde, maar de bijzonderheden ontgingen haar. Kwalijke dingen hadden haar gekweld, en op een of andere manier had ze die aangevallen. In gedachten had ze beelden opgeroepen waarin die kwalijke dingen een lichaam hadden, en met in gedachten gevormde handen had ze er een gegrepen. Die probeerde te vluchten, maar ze scheurde hem aan stukken, net zo lang tot er niets meer van over was dan rafels en flarden die leken op te lossen in het niets, met achterlating van een langgerekte kreet van pijn en angst.  

Ze had gezocht naar iets anders dan de pijn en de koude indringer, denkend aan de veile, slijmerige aanraking. En toen had ze hen gevonden, wezens die zich ophielden in de hoeken van het landgoed.  

Ze voelde hun aanwezigheid, geschokt, angstig, verontwaardigd dat ze konden worden aangetast. Ze hielden zich voor haar verborgen. Straks viel ze weer in slaap, want ze was erg moe. Maar ze wilde er nog een, ze wilde hen ontzettend graag allemaal vernietigen. Doch hoewel ze zich vlakbij schuilhielden, kon ze er geen vinden. Ze moest hen naar zich toe laten komen. Tussen de perioden van duisternis maakte ze plannen in haar dromen. Helderheid kwam in vlagen, maar als ze droomde, kon ze de droom regels opleggen, en ze wilde het uitvechten met die stiekeme schaduwen in haar gedachten.

Elaine deed alsof ze sliep, onderdrukte alle gedachten en wachtte af. Uiteindelijk kwam er een van haar vijanden aan om te kijken, en Elaine greep hem.

Ze kneep, en hij jankte, trok haar her en der in zijn pogingen te ontsnappen. Ten slotte kwam hij bij een soort barrière en begon zich erdoorheen te slepen. Elaine hield vast, probeerde hem terug te slepen zodat ze hem beter beet kon grijpen. Maar deze was sterker dan de eerste en bleef zich hardnekkig verzetten. Uiteindelijk sleurde hij haar helemaal mee tot aan de barrière, waar hij maar bitter weinig van zichzelf in haar denkbeeldige handen overliet.  

Het was alsof ze tegen iets hards en heets werd aangedrukt, maar toch voelde ze zich erdoorheen glijden en greep het wezen in haar handen steviger vast. Als ze haar grip verloor, wist ze niet waar ze terechtkwam, en ze wilde er niet slechter op worden dan ze al was, dus klampte ze zich uit alle macht vast.  

Plotseling kon ze zien! Elaine schrok er zo van dat ze het wezen losliet. Het was dag, maar er stonden allemaal kaarsen rondom haar bed. Toen voelde ze zichzelf omhooggaan, licht als paardenbloempluis, en even machteloos trachtte ze zich tegen te houden. Het enige wat ze ermee bereikte, was dat ze omdraaide zodat ze naar beneden kon kijken.  

Elaine staarde naar haar eigen lichaam op het bed. Ben ik dood? vroeg ze zich af. Ze had wel verhalen gehoord van mensen die boven hun lichaam zweefden en rouwenden of beelden van hun huis zagen voordat ze werden meegenomen naar Lims-Kragma's dodenpaleis. Die verhalen werden verteld door lieden die door de geneespriesters waren teruggeroepen, vlak voor de overgang van leven naar dood.  

Toen zag ze haar borst rijzen, uiterst langzaam - maar ze ademde! Ze bekeek zichzelf aandachtig. Ze zag er erg slecht uit. Ben ik stervende? Ze raakte in paniek en probeerde dichter bij haar lichaam te komen, zwaaiend met haar armen alsof ze zwom. Toen besefte ze dat ze geen fysieke armen had. Ze had geen lichaam om zich heen! De schok van dat besef deed haar blindelings grijpen, alsof ze met haar spirituele handen haar lichamelijke wezen wilde pakken. Ineens was ze terug in haar lichaam, terug bij de pijn en de lange, langzame stilte. Haar kwellers waren weg: ze voelde dat ze weer alleen was. Toen, plots, als een kaars die uitging, was het bewustzijn verdwenen. 

 

Toen ze weer bijkwam, begreep ze het: de 'dromen', zoals ze die in gedachten noemde, waren haar geest die haar lichaam verliet, terwijl in de wakende momenten haar geest erin gevangenzat. Ze moest leren dit vermogen te beheersen, besloot ze, om haar geest te bevrijden.  

Hoe lang het duurde wist ze niet, maar met veel concentratie merkte Elaine dat ze haar lichaam kon achterlaten en van kamer tot kamer kon zweven, dwars door muren en vloeren alsof die van water waren.

Het landhuis was verwaarloosd en bijna verlaten. De weinige mensen die ze vond waren van het huurlingentuig dat zelfs haar vader niet zou hebben aangenomen, maar de meesten droegen het wapenkleed van de kasteelwacht.  

Haar vijanden hielden zich nog steeds schuil maar kwamen niet meer bij haar in de buurt. Soms ziedde ze als ze eraan dacht wat ze met haar hadden gedaan en maakte ze jacht op hen. Andere momenten was ze hen bijna dankbaar, want ze hadden haar de weg gewezen uit de duisternis en de pijn. Het liefste nog wilde ze hen zien, om erachter te komen wat het waren. Daarna zou ze besluiten wat ze eraan zou doen. Waren het bovennatuurlijke wezens? Of spoken? Of vertegenwoordigers van een andere macht?  

Waar is mijn baby? vroeg ze zich plotseling af. En plots verbaasde het haar dat ze daar niet eerder aan had gedacht. Hoe kon ze haar enige kind vergeten? Haar kleine jongen. Ze moest hem vinden.  

Maar het was te laat, ze voelde dat ze werd teruggetrokken. Elaine verzette zich niet eens meer, ze wist dat ze het onmogelijk kon tegenhouden. In elk geval hoefde ze er niet de hele tijd te zijn. Voordat ze werd teruggezogen in haar kwijnende lichaam zag ze dat de kaarsen een stukje waren opgebrand. 

 

Toen ze daarna wakker werd, hoorde ze stemmen van kinderen! In de verte galmde de stem van een meisje dat haar riep. Meteen zweefde Elaine in de gang, en voor het eerst in lange tijd voelde ze de aanwezigheid van de gruwelen die haar zo hadden mishandeld. Hierheen! riep ze. Om de hoek van de gang kwam een groepje kinderen, twee jongens en twee meisjes, een van de jongens wat jonger dan de andere kinderen. Ze zagen er uitgeput en ook bang uit.  

Boven hen zwevend zag Elaine haar vijanden voor het eerst. Ze zagen eruit als zwarte rookslierten, slingerend en kronkelend vanuit een zwarte kern, en er ging angst en een ijzige kou van hen uit.  

Hierheen, riep ze weer, wijzend naar de deur van haar kamers. Keer op keer schreeuwde ze naar hen, en eindelijk leek een van de meisjes haar te verstaan en wees de anderen naar haar deur. Ze vielen haar kamer in en sloegen de deur achter zich dicht.  

Woedend zweefde Elaine naar de zwarte wolk en greep naar een van de slierten. Die deinsde terug, zich iets terugtrekkend, net ver genoeg om te treiteren. In plaats van haar energie te verspillen ging Elaine terug naar haar kamer en zweefde beschermend boven de kinderen, blij met hun aanwezigheid, verrukt over de kleinste: die was misschien een jaar of acht, en ondanks dat hij doodsbang was, hield hij zich erg kranig.  

Ze voelde haar vijand loeren in de gang, maar hij deed geen pogingen om binnen te komen. En pas toen zag ze de bescherming langs haar muren, mazen van licht, van bevel, van blijf-hier-af. Misschien had iemand haar dan toch horen smeken.  

Luisterend naar de kinderen begreep ze dat ze wanhopig trachtten te ontsnappen. Het bedroefde haar dat ze van haar net zo bang waren als van de entiteit in de gang, maar dat kon ze hun eigenlijk niet kwalijk nemen. Kon ik die arme bloedjes maar helpen. Elaine tuurde de gang in; het wezen gniffelde naar haar, en ze trok zich terug.  

Rondkijkend in de kamer werd ze zich gewaar van een oudere bescherming en ging ernaar op zoek. Ze zweefde door de muur en vond de geheime gang daar terug. Haar man had haar die gewezen toen hij haar deze kamers had gegeven. 'Die gaan door het hele landhuis,' had hij gezegd.  

Ze zag de kleinste van de jongens naar die muur staren, en iets in zijn blik zei haar dat hij op het punt stond het te begrijpen. Ze sprak tegen het meisje dat de anderen naar haar kamers had gebracht, vertelde haar over de geheime gang, zei haar dat de sleutel zich bevond in het houtsnijwerk aan de muur. Algauw zag ze dat ze luisterde. Ze stond op, ging naar het houtsnijwerk en probeerde alle knopjes uit tot ze de juiste had gevonden. 0, knap kind! dacht ze.  

Toen was haar tijd weer om en werd ze teruggetrokken naar haar lichaam. Nu kwam ze er misschien nooit achter hoe dit was afgelopen, en dat was hoogst frustrerend. Ze wou dat ze voorgoed kon wakker worden. 

 

Toen ze daarna wakker werd, vroeg Elaine zich af hoe het met de kinderen was, vooral met het meisje dat haar kon horen. Ze stelde zich haar voor, en plots zweefde ze naast haar. Dit was eerder gebeurd, maar ze had het niet in de hand. Dan dacht ze aan iemand of aan een plek, en plots bevond ze zich daar, doch alleen binnen de grenzen van het landhuis. Het was haar zelfs nog nooit gelukt naar de rozentuin te gaan. Maar binnen het huis kon ze wel overal naar toe. Behalve naar Bernarr. Als ze aan hem dacht, bevond ze zich ineens in de aanwezigheid van een veel oudere man. Een oom of een neef, veronderstelde ze, aangezien zijn vader was overleden.  

Zo erg vond ze het niet dat hij hier niet meer kwam. Ze had niet van hem gehouden en miste hem niet. Maar ze wilde wel haar baby zien, en haar kleine moest beslist bij de baron zijn. Ze zuchtte, en de kaars in de hand van een van de jongens flakkerde.

'Pas op!' viel het oudste meisje uit, en haar stem klonk erg hard in de gang.

Het kleinere meisje, dat Elaine soms kon horen, jammerde maar hield haar tranen dapper in bedwang. Ze deed Elaines hart smelten.

Alle kinderen zaten onder de stoffige vegen, en ze zagen er uitgeput uit. De voedselzak die het oudste meisje droeg, zag er droevig leeg uit. Arme bloedjes, dacht ze. Ze hadden een schuilplaats nodig, maar haar kamers waren niet geschikt. Zij maakte hen bang, en de oude man die op Bernarr leek, sliep daar.  

'Is mijn schuld niet! Het tocht!' zei de jongen met de kaars, zijn jeugdige boosheid omdat hij de schuld kreeg van iets wat hij niet deed, tijdelijk sterker dan zijn angst en de noodzaak om stil te zijn.  

De anderen zeiden niets maar keken angstig naar het kaarsstompje. Het was duidelijk dat ze bang waren om in het donker te komen te zitten.  

Elaine wist nog een mooi plekje waar ze zich konden verstoppen. Bernarr had het haar laten zien, toen ze hier nog maar net was. 'Het is er beschermd, zodat niemand je er lastigvalt als je alleen wilt zijn.' Trots had hij geglimlacht. 'Dat wordt jouw eigen toevluchtsoord.' Ze had helemaal geen behoefte aan zo'n plek gehad, maar hij was zo trots op zijn geschenk geweest dat ze had geglimlacht en op haar tenen was gaan staan voor een kus op zijn wang, een kus die hij met zijn lippen had opgeëist.  

'Kom maar mee,' fluisterde ze tegen het meisje dat haar kon horen. 'Ik weet een plek waar jullie veilig zijn.'

 

Neesa stond op en keek de donkere gang in. Ze hield op met jammeren en glimlachte.

'Wat is er?' siste Mandy. Haar ogen schitterden in het kaarslicht toen ze overal tegelijk probeerde te kijken.

'Laten we deze kant nemen,' zei ze als in een droom. 'Dat is de goede kant.' Ze liep weg.  

Kay en Mandy keken elkaar aan, maar Rip krabbelde overeind en ging achter Neesa aan. 'Kom nou,' zei hij ongeduldig.

Mandy stond op en volgde. 'Kom je nog?' zei ze over haar schouder tegen Kay.

Rip liep voorzichtig om de kaars, hun enige lichtbron, niet uit te laten waaien. 'Wacht!' zei hij tegen Neesa, en zijn adem blies hem uit.  

Mandy hijgde, en Kay schreeuwde van schrik.

'Maak niet zo'n herrie!' waarschuwde Rip. 'Ik sta vlak voor jullie. Geef elkaar een hand! We moeten bij elkaar blijven.'

'Het is jouw schuld!' bitste Kay.

'Dat maakt niet uit,' zei Rip vermoeid, 'hij ging toch al uit. Voorzichtig zijn! Goed, is iedereen er?'  

'Ja-a,' mompelde Kay, zijn stem door angst gereduceerd tot een schor gefluister.

'Kom op, dan,' zei Rip. 'Telkens als Neesa zo'n gevoel had, heeft ze ons in veiligheid gebracht.'

'Ik zou dit niet veilig noemen,' sneerde Kay.

'Veiliger dan in de gangen,' bracht Rip hem in herinnering, 'of in de kamer waar we waren opgesloten.'

'We kunnen er niet uit!' riep de andere jongen uit.

'Ssst! ' zei Mandy. 'We konden er eerst ook niet uit, dus als je geen beter idee hebt, hou dan je waffel, Kay.'  

Het bleef stil, en voorzichtig schuifelden ze door het pikkedonker. De gangen waren zo smal dat ze zijdelings moesten lopen, en ze gingen over smalle en krakende trappen omhoog en omlaag tot Neesa eindelijk stil bleef staan.

'Hier,' zei ze zachtjes.

De anderen bleven staan en hoorden haar op de muren kloppen. Er klonk een gedempte klik, en ze schrokken allemaal toen er een oogverblindend licht door een smalle spleet viel. Als vanzelf duwde Neesa het paneel open en stapte de gang uit. Ze gaf een gilletje van verrukking toen ze zag waar ze was.  

Alles zat onder het stof, en het rook er muf van lange jaren onbruik, maar het was er onmiskenbaar knus, en de kamer werd goed verlicht door een hoog raam.

'Hier raken de kaarsen niet zo gauw op,' glimlachte Mandy.

Overal waar ze keken stonden veelarmige kandelaars met kaarsen erin. Er stond ook een volle kolenkit. Stoelen en banken met dikke kussens te over, en er heerste een vredige sfeer.  

'Nu hoeven we alleen nog maar iets te eten,' zei Kay. 'En water. Heb je daar nog een gevoel over?'

Rip trok een wenkbrauw op en was meteen blij met zichzelf omdat dit de eerste keer was. Dus in plaats van zich te ergeren aan de jongen dacht hij na over de vraag. 'Ja,' besloot hij, pakte de lege zak en keek Kay aan. 'Ga je mee?'

Ten antwoord trok Kay twee kaarsen uit een standaard en stak ze aan met de strijkel. Hij was niet van plan te weigeren wat de kleinere jongen bereid was te proberen.

 

Rip gluurde door het gat in het schilderij. Dit is leuk, dacht hij. Zijn jonge geest had geen begrip van alle verschrikkingen die hem waren overkomen sinds hij in dit kasteel was wakker geworden, maar mensen begluren vanuit een geheime verstop plaats was iets wat hij eindelijk snapte, en het was net een spelletje voor hem.  

De geheime gangen bleken veel deuren en kijkgaten te bevatten. In de smalle gangen voelde het een stuk veiliger dan in de oude kamer. Hij huiverde, draaide zich om en legde een vinger op zijn lippen, hield vervolgens zijn oog weer voor het gat.  

Hij zag weer een erg grote kamer, maar aan de andere kant waren vrijwel alle kamers groot. In deze stonden de ramen open, en hij keek er verlangend naar. Er stond een langwerpige tafel, gedekt voor een maaltijd met chique metalen serviesgoed, niet van hout en aardewerk, niet eens van tin maar van echt zilver. Aan het hoofd zat een rare meneer die iets zei tegen twee andere mannen die met hun muts in de hand stonden.

Rip tuitte zijn lippen. Dat waren de mannen die hem gevangen hadden genomen en hierheen gebracht. Dat hoorde hij aan hun stemmen. Ze zagen er gemeen uit, en eng ook. Er was nog een man, die met zijn rug naar het gat toe zat, zonder iets te zeggen.  

'Neem dit mee,' zei de rare man en schoof iets over de tafel naar hen toe.

Een van de mannen stak zijn hand ernaar uit en trok hem terug alsof hij zich aan het kleine ding had gebrand. 'Magie!' flapte hij eruit.

'Natuurlijk is het magie, idioot,' schold de oude man. 'De naald wijst in de richting van de man die jullie voor me moeten halen.'

De andere man aan de tafel sprak, en zijn kalme stem deed Rip op een of andere manier denken aan het spul dat zijn moeder op brandwonden smeerde of op de plek waar je was geprikt door giftige sumakstruiken of brandnetels. 'Het kan volstrekt geen kwaad, verzeker ik u,' zei hij. 'U hoeft alleen maar de punt van de naald te volgen. Het kan een lange tocht worden - de man in kwestie kan wel vijftig mijl ver weg zijn - maar moeilijk hoeft het niet te zijn.'  

'En je wordt goed betaald,' blafte de oudere man. 'Meer dan voor alle anderen.'

Een van de staande mannen stootte zijn metgezel aan. Die pakte het kleine ding met tegenzin van de tafel, wikkelde het in een doek en stak het in zijn gordel.

'Is het een man, deze keer?' vroeg hij. 'Geen jongen?'

'Hij zal net zeventien zijn,' zei de oude man en hield zijn hoofd opzij. Heel even kon Rip zien hoe triest hij keek en had een beetje medelijden met hem. Zijn stem stierf weg, zodat de jongen hem nog amper kon verstaan. 'Net zeventien... Hij zal lang zijn, misschien blond, misschien bruin haar.'  

'Wij zijn uw mannen,' zei een van de twee staanden. 'Voor zeshonderd zijn wij uw handen en vingers, m'n heer.'  

'En als jullie hem komen brengen, doe dan een zak over zijn hoofd. Ik wil zijn gezicht niet zien. Nooit!'

'Maar hoe weet u dan dat-ie het is, heer?'

De kalm pratende man gaf antwoord. 'Die naald wijst maar naar één persoon op deze hele wereld. En die persoon brengen jullie hier. Op weg!'

Ze maakten allebei een diepe buiging. Even later vertrokken de oude man en zijn metgezel in dezelfde richting, pratend.

'Mooi, zo,' fluisterde Rip en zette de deur op een kiertje. Die zat in de lambrizering, en zelfs Mandy en hij moesten bukken om erdoor te gaan. 'Goed - kom maar, ze zijn allemaal weg!'

De vier kinderen draafden de kamer bij. Rip bleef bijna staan toen hij ze weer voelde, de slechteriken, maar hij had honger. Mandy en Neesa renden recht op de tafel af en begonnen eten in grote zakdoeken te laden: brood, gebraden kip, pasteitjes gevuld met groenten. Rip en Kay bleven er niet voor staan, al rook het nog zo lekker, zij renden verder naar de deur.  

Die deden ze op een kier en gluurden naar buiten, wachtend terwijl de meisjes zoveel mogelijk eten pakten als ze konden dragen. Rip wilde zijn hoofd in de gang steken maar weerstond de neiging.

Kay pakte zijn arm. 'Ik voel iets aankomen,' fluisterde hij.

'Ik ook,' zei Rip. Hij had een misselijk gevoel in zijn maag, zoals in de kamer waar ze waren opgesloten, en het werd erger.

Zonder een woord staken ze de kaarsen weer in hun zak en renden naar de geheime deur. De meisjes waren er al door, met grote ogen, en allemaal slaakten ze een zucht van verlichting toen het paneel dicht klikte.

Meteen voelden ze zich allemaal ook beter. Dat gevoel van glurende kwaadaardigheid ging weg, alsof de bedompte duisternis van de geheime gang deel uitmaakte van een andere wereld.  

Zou het altijd zo zijn als we de gangen uit gaan? vroeg Rip zich af.  

Toen begon Mandy een van de servetten open te vouwen. 'Wat heb jij?' vroeg hij gretig, en ze begonnen aan de terugtocht naar hun toevluchtsoord.