1 Ontsnapping

 

Er werd gevloekt en geslagen.

Robbie de Hand glipte als een aal tussen de kluwen vechtende mannen op de donkere kade door. Staal glinsterde in fakkel- en lantarenlicht, in rossig gloeiende bogen in de handen van ruiters neerdalend op de ongrijpbare Snaken die hen trachtten tegen te houden. Slechts enkele tellen nog totdat prins Arutha en prinses Anita waren ontsnapt, en het gevecht kreeg al het uiterst gewelddadige karakter van wanhoop. De nacht werd verstoord door geschreeuw van razernij, begeleid door het ijzeren hameren van beslagen hoeven die vonken deden opspatten van de stenen, met als tegenstem het kletteren van staal op staal.

Boeven en straatvechters vochten tegen geoefende soldaten, maar de paarden van de soldaten gleden en glibberden over de gladde planken en stenen van de kade, en het flikkerende licht was nog verraderlijker dan de ondergrond. Messen staken omhoog, paarden steigerden en handen grepen gelaarsde voeten om de Bas- Tyraanse gardeleden uit het zadel te trekken. De scherpe, zout-ijzeren geur van bloed overheerste zelfs de stank van afval in de haven, en een van de paarden zeeg jammerlijk hinnikend neer, de hielpees doorgesneden. De ruiter bleef met zijn voet haken in de stijgbeugel. Zijn been werd verbrijzeld, en terwijl zijn paard wild maaide met de benen, schreeuwde hij het uit tot hij door haveloze gedaanten werd omzwermd en stilviel.

Robbie liet zich onder een suizend zwaard door vallen, rolde ongeschonden tussen de maaiende hoeven van een krijgsros door dat dreigde uit te glijden, liet een van de soldaten struikelen die van zijn paard was getrokken en nu vocht tegen drie Snaken, en rende over de kade, zijn voeten licht op de planken.  

Aan het einde van de steiger wierp hij zich plat op het ruwe, splinterige hout en riep naar de sloep beneden.

'Vaarwel!' wenste hij prinses Anita.

Ze draaide zich naar hem om, haar lieve gezichtje weinig meer dan een bleek waas in het vroege ochtendgloren. Maar hij wist dat haar zeegroene ogen groot waren van verbazing.

Ik ben blij dat ik gedag ben komen zeggen,dacht hij met een vreemd drukkend gevoel in zijn borst, achter het borstbeen. Dat was het beetje gevaar aan lijf en leden best wel waard. 

Hij grijnsde naar haar, zij het nerveus. In het gevecht met de mannen van Jocko Radbrand ging het er heet aan toe, en hij voelde zich erg kwetsbaar in zijn rug. Het zou niet lang duren voordat de Snaken het op een lopen zetten; standhouden en vechten behoorde niet tot hun stijl.

In de sloep stond nog iemand, van groter postuur. 'Hier,' riep prins Arutha. 'Gebruik hem in goede gezondheid!'

Er vloog een rapier in de schede naar hem omhoog. Hij griste het uit de lucht en rolde opzij, net op tijd weg voor een schop van een van Radbrands bullebakken. Robbie liet zich verder rollen toen de man hem achterna kwam, een zware laars opgeheven om hem als een insect te vertrappen. Hij liet het zwaard los, greep met gekruiste armen naar teen en hiel en gaf zo'n gemene draai aan de voet dat de bullebak brullend meedraaide om te voorkomen dat zijn been brak. Dat kostte hem zijn evenwicht, en een met venijnige precisie geplaatste trap deed hem gillend in het water tuimelen. Zijn uitrusting trok hem al onder voordat de nagalm van zijn schreeuw was weggestorven.

'Tijd om te gaan!' hijgde Robbie.

Met een rol kwam hij overeind, trok onderwijl het rapier uit de schede en zocht rond naar een waardig doelwit - bij voorkeur eentje dat de beste vluchtroute blokkeerde. Beneden hoorde hij vaag het ritmische spetteren van de roeiriemen door de chaos van de veldslag om hem heen. Vaarwel, zei hij nogmaals in zijn hart. En vervolgens: Oeps!toen er een stapel stofbalen in brand vloog.  

Rondom verschenen er lantarens op de boten, uit de pakhuizen kwamen bewakers gerend, en overal werd er geroepen: 'Wat gebeurt er?' en: 'Wie is daar?' Uit steeds meer kelen klonk er: 'Brand! Brand!'

Een man in het zwart en goud van Bas-Tyra griste een lantaren uit de handen van een der bewakers en marcheerde naar de rand van de kade. Robbie kreeg al een idee wie hij kon aanvallen. De soldaat grijnsde bij het zien van de magere, haveloze jongen tegenover hem.

'Nieuw zwaard voor me meegebracht?' zei hij. 'Ziet er goed uit. Veel te goed voor uitschot wiens bakkebaarden nog geen scheermes hebben gezien. Bedankt.'

Hij haalde uit naar Robbie, een luie slag met meer kracht dan techniek. Ongetwijfeld meende hij moeiteloos het rapier uit de hand van de jeugdige dief te slaan en hem vervolgens neer te maaien.

Het kunstig vervaardigde zwaard leek te leven in Robbies hand. Zwaar maar volmaakt in balans, wendbaar als een toeslaande slang. Welhaast uit zichzelf flitste het omhoog om de onhandige slag af te weren met een langgerekt zingen van metaal op metaal. De soldaat gromde van verbazing toen hij door de afgebogen kracht van zijn eigen slag zijn evenwicht verloor, en brulde het uit toen Robbie lichtvoetig opzij sprong en naar hem uithaalde.

Met meer geluk dan wijsheid raakte het scherpe staal de soldaat op de pols, snijdend door het taaie leer van zijn handschoen en in de huid eronder. Geschrokken schudde de man zijn licht gehavende pols en deed een stap achteruit, het ongeloof zichtbaar op zijn grove gelaat, ondanks het duister.

Robbie lachte verrast en opgetogen. Niet iedereen was dus zo vaardig met het zwaard als Arutha. De uren die hij met de prins had geoefend terwijl ze wachtten tot de smokkelaars van Gregor Tromp een schip hadden gejat waarmee Arutha en die oude piraat, Emus Trask, konden ontsnappen, waren het waard geweest. Voor Robbie was het alsof de soldaat maar half zo snel was als prins Arutha. Hij lachte nogmaals.

Die lach bracht de soldaat tot handelen, en hij maaide naar de jonge dief met de ene na de andere krachtige slag.

Als een boer die graan dorst,dacht Robbie. Hij had weinig ervaring met plattelandszaken maar wel een diepe minachtig voor boerenkinkels.  

De man sloeg hard en snel, maar elke slag was een kopie van de vorige. Intuïtief bracht hij het rapier omhoog, en het scherp gleed weg op de stalen kling en de knap gesmede, sierlijke kom. Meer dan eens moest hij zijn linkerhand op zijn rechterpols leggen om te voorkomen dat het wapen met brute kracht uit zijn hand werd geslagen. Maar hij kon straks naar links duiken en hard toesteken, zo in de buik van de soldaat. Arutha had altijd gewaarschuwd geduld te hebben, om een tegenstander in te schatten.  

Een ogenblik later stapte Robbie met zijn rug tegen een baal. Naar weerskanten blikkend besefte hij dat hij keurig klem was gezet in een kort doodlopend pad tussen opgestapelde vracht. De soldaat tegenover hem grijnsde en stak een keer plagend met zijn zwaard.

'In de val, als de kleine rioolrat die je bent,' gromde hij.

De man hief zijn zwaard, en Robbie bereidde zich voor op zijn manoeuvre, zeker dat hij straks klaar was met de soldaat. Plots daverden er twee worstelende mannen voorbij, de een met een hand om de pols van de hand met het mes van de ander. Stampend en vloekend draaiden ze rondjes als in een snelle, dodelijke volksdans. Ze botsten tegen de Bas-Tyraanse krijger, die met een kreet van verbazing naar voren werd gesmeten. Robbie aarzelde niet. Heel even vond hij het jammer dat hij zijn knappe manoeuvre niet kon uitvoeren, maar zo'n makkelijk verkregen doelwit kon hij toch niet laten schieten. Robbie stak toe en voelde de smalle punt van het rapier door spier gaan en op bot stuiten. Het vreemde gevoel drong door staal en gevest omhoog, tot in zijn schouder en onderrug.

De man liet zijn lantaren vallen met een kreet die omsloeg in een krijsend gevloek toen het glas kapotsloeg. De opspattende olie vlamde hoog op, en de gewonde soldaat deinsde terug. Hij liet zijn wapen vallen en sloeg naar vlammen op zijn kleren, terwijl Robbie als een aap over de stapel balen klauterde.

'Moet je maar geen rat in een hoek drijven!' riep hij over zijn schouder, sprong aan de andere kant op de grond en zette het op een lopen.

Hij hoorde iemand het signaal fluiten om terug te trekken en zag Snaken in stegen en zijstraten schieten als nevelflarden in een harde wind. Robbie rende met hen mee, maar voordat hij een steeg in dook, draaide hij nog even om naar de baai. Gregor Tromp en zijn smokkelaars doken het water in. Sommigen zwommen onder de steigers terwijl anderen op weg gingen naar klaarliggende sloepen. Verderop ontwaarde Robbie het silhouet van de Watervlug, op weg naar het gat in de blokkade, met klapperend zeildoek als spookachtig verlichte wolken in het donker. Hij stak een arm op om te zwaaien. Dat was natuurlijk zinloos, want de prinses zou veilig naar beneden zijn gebracht zodra ze aan boord kwamen, maar hij kon het zwaaien net zo min weerstaan als hij het had kunnen laten om dat ene laatste woord tegen haar te zeggen.  

De jeugdige dief keerde zich om en rende door de steeg, lichtvoetig als een kat en zich bijna even scherp bewust van zijn omgeving. Hij mocht dan nog geen groot zwaardvechter zijn - nu nog niet - maar vluchten door de donkere stegen van Krondor was een kunst die hij al lang grondig meester was geweest voordat hij de rijpe leeftijd van dertien had bereikt.

Meanderend door de stille straatjes van de stad liet hij zijn gedachten teruggaan naar de tijd die hij in de afgelopen weken met de prinses en de prins had doorgebracht. Prinses Anita was alles wat meisjes moesten zijn en in zijn ervaring nooit waren. Voor een jongen die was opgegroeid in het gezelschap van hoeren, dienstertjes en dieveggen, was zij... zeldzaam, delicaat, een vleesgeworden, ademend minstrelenverhaal. Als hij bij haar was, wilde hij meer zijn dan hij was.

Maar goed dat ze weg is, dan, dacht hij. Een knaap in zijn positie kon zich dergelijke nobele ideeën niet permitteren.  

Trouwens, bedacht hij met een scheeflachje, op een dag zou ze trouwen met prins Arutha - ook al had hij dat zelf nog niet door - dus Robbie hoorde dergelijke gevoelens niet eens voor haar te hebben. Niet dat hij zich ooit had laten tegenhouden omdat iets niet hoorde.

Als ze dan toch moet trouwen, en prinsessen moeten dat, dan toch het liefste met hem.

Robbie mocht Arutha graag, maar het was meer dan dat. Hij had respect voor hem en... ja, hij vertrouwde hem. De prins deed hem begrijpen waarom mensen een leider volgen, waarom ze met hem ten strijde trekken, alleen maar om zijn woorden, iets wat hij nooit had kunnen begrijpen. Robbie had alleen ervaring met mannen die commandeerden uit angst of omdat ze iets voor hadden op de mensen die hen volgden. En Robbie danste naar de pijpen van de Oprechte Man, die dat allebei deed.

Zijn hand gleed langs de schede van Arutha's rapier, nu van hem. Hij glimlachte. Toen werd hij plotseling ernstig. Hun aanwezigheid had iets bijzonders in zijn leven gebracht, en nu was dat afgelopen. Maar ach, hoeveel mensen in het Koninkrijk gingen ooit zo om met prinsen en prinsessen? En hoeveel van hen waren dief?

Robbie grijnsde. Hij was behoorlijk wijzer geworden van zijn kennismaking met de hoge adel: tweehonderd goudstukken, een goed zwaard, inclusieflessen in de omgang daarmee, en een meisje om van te dromen. En al miste hij prinses Anita, in ieder geval had hij haar leren kennen.

Met kwieke pas ging hij op weg naar Moeders, toe aan een lichte maaltijd en flink wat uurtjes slaap.

Bij voorkeur tot Radbrand weer is afgekoeld,dacht hij. Al kon dat betekenen dat hij moest slapen tot hij oud was.  

 

Robbie naderde Moeders, ook wel Snakenrust genoemd, de grote ruimte in de tunnels van het riool. Voor een burger uit de bovenstad zou het er best somber hebben uitgezien: het druipen van water en glinsteren van salpeter op eeuwenoud steen. Maar het zou ook weinig meer zijn geweest dan een gewone kruising van tunnels in het stadsriool, iets groter dan normaal, maar niets opmerkelijks. Voor de gemiddelde burger van de bovenstad zouden de ogen die Robbie naar de ingang van Moeders zagen komen, onzichtbaar zijn geweest, evenals de dolken in parate handen, tenminste tot het laatste, fatale moment dat ze doel troffen om het geheim van Snakenrust zeker te stellen.

Voor Robbie betekende het veiligheid en een gelegenheid om bij te komen. Hij duwde tegen een steen, en een luide klik ging vooraf aan het verschijnen van een kleine opening toen er een deur van zeildoek en hout, knap beschilderd zodat het eruitzag als steen, openzwaaide. Hij was klein genoeg om gebukt te gaan door de opening waarin een volwassen man moest kruipen, en vlug liep hij door de korte gang naar de verborgen kelder. Er stond een zware jongen op wacht, die knikte toen Robbie binnenkwam. Aldus bleef hem een dodelijk welkom bespaard. Een onbekend gezicht dat door die gang kwam, had ongeveer een tel de tijd voor het wachtwoord: 'Er is een feestje bij moeder thuis,' voordat zijn hersenen verspreid lagen over de stenen vloer.

Het was een enorme ruimte, gemaakt van drie kelders, alle met een trap omhoog naar een gebouw van de Oprechte Man. Een bordeel, een herberg en een handel in goedkope goederen boden een verscheidenheid aan vluchtroutes, en Robbie wist er langs alle blindelings de weg, net als alle andere Snaken. Ongeacht het uur van de dag of nacht brandde er maar weinig licht, opdat de Snaken bij een eventuele snelle uitval naar het riool al gewend waren aan het donker.

Robbie knikte een groet naar enkele bedelaars en straatschoffies die wakker waren. De meesten lagen te slapen, want het was nog diep in de nacht. Op een gewone dag zouden ze al kort na zonsopgang op de markt zijn. Maar vandaag zou het alles behalve een normale dag zijn. Nu de prins en de prinses veilig op weg waren, zouden reprimandes aan de orde van de dag zijn. De stadswacht en de Wacht van het Koninklijk Huis waren door de jaren heen nooit tot veel last geweest, maar deze geheime politie, die Gys van Bas-Tyra had ingesteld zodra hij tot onderkoning was benoemd, was een ander verhaal. Menig Snaak was een verklikker voor dit instituut geworden, en dat was te merken aan de sfeer in de ruimte. Er was dan wel een stil gevoel van triomf vanwege de ontsnapping van prinses Anita, maar de vruchten waren voor de lange termijn. Zo dacht de Oprechte Man altijd, begreep Robbie. Op een dag zou prinses Anita terugkeren in Krondor - dat hoopte Robbie tenminste - en wie haar en haar vader, prins Erland, steunden, hadden nu bij de Oprechte Man een schuld uitstaan die hij zo voordelig mogelijk zou gaan innen.

Maar dat was allemaal voor de toekomst, voor de Oprechte Man. Voor de gewone dief, zakkenroller of hoer was er vandaag niets behaald. In plaats daarvan zou het in de stad wemelen van boze spionnen en informanten, op zoek naar degenen die Jocko Radbrand, hoofd van de geheime politie, in zijn hemd hadden gezet. En Jocko Radbrand liet zich niet zomaar ongestraft in zijn hemd zetten, begreep Robbie.

De ontsnapping van de prinses was een geheime onderneming geweest, en slechts enkele lieden onder de Snaken en Gregor Tromps smokkelaars wisten wie er de stad uit was getoverd. Maar toen eenmaal het gevecht was uitgebroken, had menig Snaak het gezicht en het karakteristieke rode haar van de prinses gezien, en tegen zonsopgang zouden de geruchten over haar ontsnapping de ronde doen langs de marktpleinen, herbergen en winkels.

De meesten zouden doen alsof ze er niets van hadden geweten, maar de reden achter de plotselinge strafcampagne van Bas- Tyra's soldaten en de geheime politie zou algemeen bekend zijn.

Robbie liep naar de overkant en haalde wat oude lappen, een wetsteen en een klein flesje olie uit de opslagkist bij de wapenkasten. Dergelijke gedachten maakten hem duizelig. Zijn leeftijd was onbekend - veertien misschien, of zestien, niemand wist het - en dergelijke overwegingen intrigeerden hem, maar helemaal begrijpen kon hij ze niet. Politiek en intrige trokken hem wel aan, maar op een vreemde manier.

Hij trok zich terug in een stil hoekje om zijn rapier schoon te maken. Zijnrapier, en nog gekregen ook! Het was maar zelden dat hij ooit iets had gekregen, en dat maakte het mooie wapen des te kostbaarder. Een uitmuntend ambachtsman zou er een half jaar over doen om zo'n dodelijk prachtig wapen te smeden. Het was niet te vergelijken met de grove, zware wapens van gewone soldaten, zoals een krijgsros niet was te vergelijken met een muilezel.  

Toen hij de kling uit de schede haalde, merkte hij tot zijn afgrijzen dat hij het wapen bebloed had weggestoken. Even trok hij een zuur gezicht. Ach, hij had zo'n ding nog nooit gehad, dan kon je toch ook niet meteen precies weten hoe je ervoor moest zorgen. Bij nadere inspectie zag hij dat de schede met ivoren en koperen pennen in elkaar was gezet en dat je hem uit elkaar kon halen om hem schoon te maken en in te vetten.

Zijn plezier met dit geschenk ging nog een streepje omhoog, als dat al kon. Wat een beloning was dit!

'Buit als dat mot worre ingeleverd om te worre verkocht, zodat we eerlijk kenne delen,' zei Lachebek Jaap. Zijn hand ging naar het zwaard, en als een aal gleed Robbie ermee bij hem vandaan.

'Dit is geen buit,' zei hij. 'Dit heb ik gekregen. Van prins Arutha zelf.' 'Zooo, dus jij krijgt tegenwoordig al geschenken van een prins, hè?' Niemand hadj aap ooit zien lachen, en zijn bijnaam had hij bij wijze van grap gekregen van Robbie.  

Maar hij hoont wel als de beste,dacht Robbie.  

De Nachtopzichter greep nogmaals naar het wapen, en weer glipte de jonge dief weg. Als eerste luitenant van de Nachtmeester had hij behoorlijk wat gezag. Meestal koos de Nachtmeester, als die erbij werd gehaald, de kant van

Jaap in een geschil. Maar nu stond Robbie in zijn recht, en hij wist zeker dat de Nachtmeester deze keer zijn kant zou kiezen.

Tartend bleef Robbie staan. Menig lid van de Snaken had Robbie al voorspeld dat Jaap hem op een dag zou vermoorden vanwege de bijnaam die hij de woest kijkende man had gegeven. Nu leek Jaap op het punt om die voorspelling te doen uitkomen.

Robbie was zeker twee koppen kleiner dan de Nachtopzichter. Hij was niet erg groot maar wel lenig, en in zijn handen en zijn voeten had hij een snelheid die maar weinig Snaken konden evenaren en geen van hen kon overtreffen. Zijn eigen bijnaam was zeer verdiend, want geen Snaak kon beter een beurs lichten op een drukke markt zonder te worden betrapt. Het was een knappe jongen, met kortgeknipte, bruine krullen. Zijn schouders beloofden al breder te worden. Zijn glimlach was aanstekelijk, en hij had een goed gevoel voor humor, maar met een dreigende blik in zijn ogen stond hij nu met zijn hand op de knop van zijn zwaard, klaar om Jaap zo nodig met bloed tegen te spreken. Zijn onbekende leeftijd mocht dan niet erg hoog zijn, maar hij had al meer dood en gevaar van nabij meegemaakt dan menigeen die zeker tweemaal zo oud was als hij. 'Hij is van mij, Jaap,'zei hij zacht.  

'Van hem. Gezien.' Blake Knetters stem klonk als pratend gesteente. Zonder een verder woord liep de enorme zware jongen gewoon verder naar de andere kant van de ruimte alsof hij niets had gezegd.

Lachebek Jaap keek de zware jongen onzeker na. Blake heette niet voor niets Knetter. Hij was onvoorspelbaar als een wild dier en kon als een verschrikkelijke wildeman tekeergaan. Als J aap besloot een punt te maken van Robbies recht op het zwaard nadat de zware jongen in zijn voordeel had gesproken, zou het er lelijk voor de Nachtopzichter uit kunnen gaan zien, of hij nu eerste luitenant van de Nachtmeester was of niet. Jaap richtte zijn vuile blik weer op Robbie.

'Hou maar, dan, maar hij mot wel achter slot.' Hij knikte in de richting van de wapenkasten.

'Zo gauw hij schoon is,' stemde Robbie in. Zo waren de regels, en dat wisten ze allebei.

De Nachtopzichter draaide zich om en beende weg. Robbie wierp een blik op Blake, die alleen aan een tafel zat, een kroes in zijn vlezige klauw, starend in het niets. Hij hoefde niet naar hem toe te gaan om hem te bedanken, dat deed je niet bij Knetter. Maar hij knoopte wel in zijn oren dat hij hem iets verschuldigd was, wat veel eerzamer en nuttiger was dan een dankwoord.

'Zo, ziet dat er even mooi uit.'

Robbie keek op en glimlachte naar Flora Hetevingers, zo genaamd vanwege haar vroege successen bij het bietsen van pasteitjes waarvan de eigenaars abusievelijk meenden dat die nog te heet waren om beet te pakken. De ongevoeligheid die Flora daartoe in staat stelde, betekende helaas ook dat ze erg slecht was in zakkenrollen, ondanks Robbies grootste moeite. Knap als ze was, richtte ze zich op haar zestiende op een ander beroep.

Ze kwam naast hem zitten en sloeg haar armen om zijn nek, legde haar benen op zijn schoot en gaf hem een kusje op zijn wang.

'Hallo, Robbie,' snorde ze, met haar oogwimpers naar hem knipperend en met een mollige hand over zijn borst wrijvend.

Hij begon te lachen. 'Alsof ik daar iets van waarde heb verstopt.'

Flora trok even een pruillip en glimlachte toen enthousiast. Ze zwaaide haar benen van zijn schoot en wees op het zwaard. 'Wat ga je daarmee doen, hm?' Robbie gaf nog een veeg met de vette doek en hield hem omhoog naar het fakkellicht. 'Die ga ik houden,' zei hij beslist.

Ze keek hem onderzoekend aan en liet haar blik de grote ruimte rondgaan. 'Er is flink gevochten vannacht,' zei ze. ' Er wordt al gezegd dat de prinses met een paar andere edelen naar het westen is ontsnapt.' Ze trok een gezicht. 'Radbrand en zijn schoften springen uit hun vel als dat waar is. Als de hertog terugkomt ... ' Ze maakte haar zin niet af, maar aan haar opgewekte gezicht was te zien wat de hertog met de aanvoerder van zijn geheime politie zou doen. 'Het zal wel stil zijn op de markt met al die Snaken die hun wonden liggen te likken.' Flora keek hem veelbetekenend aan. 'Moeten er bij jou nog wonden worden gelikt, lieffie?'

Hij lachte en gaf haar een duwtje. Vanbinnen voelde hij het kriebelen van de opwinding die het flirten hem vaak bracht, en flirten met Flora eindigde meestal in bed. Flora was niet Robbies eerste geweest, maar wel een van de eersten. Zijn hele leven trok hij al met hoeren op - zijn moeder was er een geweest - maar Flora kwam uit een betere klasse dan de meesten. Haar vader was bakker geweest voor hij stierf, en tot haar tiende was ze opgevoed als een fatsoenlijk meisje. Ze kon praten als een dame als het nodig was, wat haar soms een betere klasse klanten opleverde. Ze had een smalle kin en een eigenwijs neusje. En als ze lachte, was het een schatje. Het was zo zonde dat ze niets kon met haar vingers, dacht Robbie voor de zoveelste keer, ze hoorde haar geld gewoon niet op straat te verdienen.

Flora had gezegd dat ze zich veilig bij hem voelde, en zonder een greintje wrevel was hij ervan uitgegaan dat dat kwam omdat zij een kop groter was dan hij. En hijzelf, tja, hij mocht Flora wel, en hij genoot intens van hun momenten samen. Hij glimlachte om haar schaamteloze uitnodiging en schoof iets dichterbij. Maar toen schrok ze, en haar hand vloog naar haar mond. '0,' zei ze, 'helemaal vergeten. Ik, eh, moet over een uur bij iemand zijn.' Ze nestelde zich tegen hem aan. 'Maar tot die tijd ben ik helemaal van jou.'

Daar dacht Robbie over na. Eerst moesten ze een plekje zoeken, dat vast niet erg gemakkelijk en fris zou zijn, gezien de tijd die ze hadden, en Flora moest ook vroeg weer weg om zich aan haar afspraak te houden... dus dat werd veel minder dan een uur, misschien maar een paar minuten. Maar toch, het zou niet de eerste keer zijn dat hij met een van de meisjes gauw even een wippie maakte in een donker hoekje terwijl er anderen vlakbij lagen te slapen. Zijn hele leven woonde hij al in een buurt waar stelletjes het ervan namen waar en wanneer ze dat konden - maar al was Flora een van zijn favorieten, het jeukte bij hem niet echt, het kriebelde alleen een beetje.

Hij was echt moe. Trouwens, elk moment raakte de prinses steeds verder bij hem vandaan, en zijn hart werd zwaar. Ineens leken hem een paar minuten in Flora's armen best aantrekkelijk. Hij hield niet van die triestheid...

Nu wist hij tenminste hoe hij zich precies voelde. Maar het zou niet eerlijk zijn om die vreemde stemming af te reageren op zijn vriendin.

'Jammer genoeg heb ik er nu geen tijd voor, helaas,' zei hij met een grijns en zette de stukken van de schede terug in elkaar. 'Nooit gedacht dat ik dat ooit nog zou zeggen.' Maar nu hij het had gezegd, voelde hij zich zowaar edel.

Flora giechelde. 'Geen zorgen,' fluisterde ze, 'er komen nog wel meer gelegenheden.'

Hij sloeg een arm om haar heen, trok haar tegen zich aan en plantte een kus op haar wang. 'Ach, Flora, mijn bloesem, je bent veel te goed voor me. Trouwens, ik zou je vast alleen maar teleurstellen. Ik heb alleen nog maar de kracht om een plekje te zoeken om vannacht te slapen. Ik voel me alsof ik vanaf mijn geboorte aan één stuk door van hot naar her heb gesjouwd.'  

'Je mag dan overal zijn geweest, maar ik heb je nergens gezien,' mopperde Flora. 'Waar heb je gezeten?'

'Dat vond ik dus ook al van jou,' loog Robbie vlot. 'Ik dacht al dat je ergens was aangenomen in een huis van plezier.'

'Welnee.' Hooghartig wendde ze haar blik af. 'Ik doe het hartstikke goed op mezelf.'

Hij bekeek haar. De nieuwe jurk was een mooie maar van goedkope stof, ruw geweven en gekleurd met stoffen die algauw zouden uitlopen en verbleken. Er was geen aluin aan uitgegeven om ze te fixeren. Aan haar voeten staken een paar smaakvolle slippers, en in haar bruine haar zat een sjaal met pailletjes. Meer nieuwe dingen dan ze van haar leven had gehad. Maar ze zag er moe en niet al te fris uit.

Over een maand of zes was de glans eraf, wist hij, en over een jaar zag ze eruit als dertig. De huizen van plezier in de stad waren geen vakantieoorden, maar het was er wel een wereld van verschil met de straat. Daar hadden de meisjes tenminste de hoop op een toekomst.

Hij kon maar niet vergeten wat er met zijn moeder was gebeurd. Vermoord door een zuiplap, alleen maar omdat ze alleen was zodat niemand hem kon tegenhouden. Beter dan menigeen wist hij dat onafhankelijkheid voor vrouwen soms een veel te hoge prijs had.

'Nee, je doet het helemaal niet goed,' zei hij kalm. 'Elke keer als je met iemand meegaat, riskeer je lijf en leden. Kijk, Flora, als dit echt is wat je wilt, dan ben ik de laatste om je in de weg te staan. Maar luister eens naar wat goedbedoelde raad. Je bent knap genoeg om te worden aangenomen in de huizen van de stad, en in de betere wordt er goed voor je gezorgd. Je bent welbespraakt genoeg, bijna als een dame, je kunt zo een baan krijgen bij de Witte Vleugel, volgens mij.'

'Tsk!' wierp Flora het hoofd in de nek, maar hij zag dat ze wel luisterde.

'In de huizen van plezier wordt er voor je op de klanten gelet, zodat je geen vieze dronkelappen krijgt of schoften die je voor de lol in elkaar slaan en je niet betalen. Stukken beter dan de straat.' Hij keek haar ernstig aan. 'Stukken beter, uiteraard, dan iets anders.'

Ze trok een schouder op. 'Zoals? Je weet dat ik als dief niet deug. En voor bedelaar kan ik ook niet echt doorgaan, wel?'

Hij gaf haar weer een duwtje en glimlachte. 'Kom kom, je bent een slimme meid. Ik kan wel wat valse referenties voor je regelen. Hoe dacht je dat Carstens zus in het paleis is komen te werken?'

Bedachtzaam keek Flora hem van opzij aan. 'Vindt ze het leuk, daar?'

'Kennelijk,' loog Robbie, die er geen flauw idee van had. 'En waarom zou ze niet? Ze slaapt in een warm bed van zichzelf, alleen, tenzij ze er iemand bij wil hebben, ze krijgt elk jaar een nieuwe jurk, goed te eten en wordt nog betaald ook. 't Is waar, ze werkt hard, en ze krijgt geen schatten betaald, maar al met al vindt ze het zeker de moeite waard.'

En ze heeft prinses Anita helpen ontsnappen,popelde hij om erbij te vertellen, maar hij hield zich in. Dat leidde alleen maar tot: En ik ook, wat niet iets was dat hij rond wenste te strooien. Hij kon het missen als kiespijn om in persoonlijke hoedanigheid op Jocko Radbrands lijstje van gezochte mensen te staan.  

Flora wilde net iets zeggen toen Lachebek Jaap op een bankje stapte en op een tafel ging staan. 'Iedereen luisteren! '

Toen het stil was geworden en alle gezichten naar hem waren gekeerd, sprak de Nachtopzichter verder. 'Bericht van de Oprechte Man zellef! Alle Snaken moeten zich koest houden.' Hij hief zijn handen op om stilte toen zijn aankondiging een stroom van gemompelde protesten uitlokte. 'Dat betekent uit het zicht, hier, of als je ergens een stek hebt, binnenblijven. En vooral de bedelaars en jonge dieven. Radbrand schijnt het vooral op jullie te hebben gemunt. Er wordt niet gelicht, nergens.' Hij zweeg even en keek kwaad de ruimte rond. 'Alleen met speciale toestemming van de Dag- of Nachtmeester. Er wordt later iets te eten gebracht, zodat jullie niet omkomen van de honger, totdat dit gedoe voorbij is. Vragen' - weer liet hij zwijgend zijn blik rondgaan- 'hou je maar voor je.' Lachebek Jaap stapte van de tafel en keerde het aanzwellende koor van speculerende stemmen de rug toe.

'En de hoeren?' vroeg Flora met gefronst voorhoofd.

'In Banaths naam, Flora,' zei Robbie, de god der dieven aanroepend, 'gratis eten en een veilige slaapplaats! Eindelijk krijgen we eens iets terug voor alles wat we altijd inleveren. Waarom werken als je kunt luieren als -' Een prinses, had hij willen zeggen, maar hij veranderde het in: 'Bas-Tyra's bullebakken. Trouwens, dan heb je meteen de kans om eens na te denken over je toekomst.'

Ze knikte met een verlegen glimlachje, blij met de aandacht. '0, voor...' 

De Nachtopzichter klom weer op de tafel en zei geërgerd: 'Iedereen die een eigen stek heeft: wegwezen! De anderen kunnen blijven.' Hij stapte weer op de vloer, en ditmaal verliet hij de ruimte.  

'Nou,' zei Robbie, overeind komend, 'ik ga naar bed.'

Hij wierp een blik op het rapier in zijn hand en besloot om hem toch maar in de wapenkast te zetten. Een knaap van zijn leeftijd en stand die op toch al bijna klaarlichte dag met een eersteklas zwaard over straat liep, zou beslist in de gaten lopen. De koopsom zou voor een kleermaker of een pottenbakker al tienmaal een jaarsalaris zijn, laat staan voor een gewone arbeider of een straatkind. Hij kon toch slecht de wacht ervan overtuigen dat hij hem, nee hoor, helemaal niet had gestolen maar had gekregen van een prins die even op bezoek was geweest. ..

'En jij, Hetevingers?' vroeg hij. 'Heb jij geen escorte nodig?'

'Ga nou!' lachte ze. 'Een escorte!' Ze gaf hem een mep op zijn achterste. 'Nee, ik blijf hier om misbruik te maken van de gastvrijheid van de Oprechte Man.'

Geschrokken keek Robbie rond. Dat was een nogal overmoedige uitspraak, maar gelukkig had niemand het gehoord.

'Welterusten, dan,' zei hij en salueerde even met het gevest van het zwaard.

Flora giechelde weer toen ze het zag. 'Escorte!' hoorde hij haar zeggen toen hij wegliep.