8 Familie
Lorrie rende.
Ze was nog niet thuis toen ze Brams vader Ossrey over de akkers zag komen. Zijn vrouw Allet en een knecht waren bij hem, en achter hen naderden meer buren. De hele vallei liep uit, de mannen met spaden en bijlen, de vrouwen met emmers. Lorrie rende hen tegemoet en wierp zich in Ossreys armen, zo hard huilend dat ze niet kon praten.
Ossrey hield haar even vast, streelde toen haar haren, en met een arm rond haar schouders nam hij haar mee naar het huis en de stal.
'Waar zijn je pa en ma?' vroeg hij vriendelijk. 'Hebben die je om hulp gestuurd?'
Ze schudde haar hoofd. Volkomen ademloos van het huilen kon Lorrie niet antwoorden. Op dat moment kwamen ze in het zicht van de boerderij en de lichamen van haar vader en moeder.
'Sung bescherm ons,' fluisterde Allet vol afgrijzen.
'Hier blijven, Lorrie,' zei Ossrey en maakte zich van haar los.
Maar Lorrie greep hem bij zijn mouwen weigerde los te laten, worstelend om zich te beheersen. Eindelijk kon ze praten.
'Mannen die dit hebben gedaan ... hebben mijn broertje,' wist ze uit te brengen. De weg af wijzend zei ze: 'Help me hem terug te halen.'
'Eerst moeten we zien of we je ouders kunnen helpen,' zei Ossrey kalm.
Lorrie schudde haar hoofd, en de tranen stroomden over haar gezicht. 'Dat kan niet, dat kan niet,' zei ze klaaglijk. Toen nog eens: 'Dat kan niet.'
'0, Lorrie,' zei Ossrey en nam haar in zijn armen. Over haar hoofd heen keken Allet en hij elkaar aan.
'Alsjeblieft,' zei Lorrie, zich wegduwend van zijn borst, 'help me Rip zoeken.'
Op dat moment stortte een deel van het staldak met een regen van vonken in, en met een ruk keek Ossrey naar het brullende vuur.
'We moeten de brand blussen, meisje,' zei hij tegen haar. 'Als het vuur overslaat op de gewassen, ben je niet de enige hier die haar akkers kwijtraakt.'
Onderwijl waren er andere buren naderbij gekomen, vol afgrijzen starend naar het tafereel.
'Wat is er gebeurd?' vroeg iemand met verbijsterde stem.
Lorrie keek van de een naar de ander en zag dat ze straks alleen nog maar oog hadden voor de brand en doof zouden zijn voor alles wat ze zei.
'Mijn kleine broertje is ontvoerd door moordenaars,' zei ze. 'Help me hem terughalen!'
'Weet je zeker dat die jongen niet in het huis is - was, meisje?'
'Nee, ze hebben hem meegenomen!' zei Lorrie met overslaande stem. Van uitputting en angst stond ze op instorten.
'Hebben jullie iemand over de weg zien rijden vandaag?' vroeg Ossrey.
Een koor van mompelende stemmen antwoordde ontkennend.
'Ik heb hen gezien!' schreeuwde Lorrie.
'Lorrie, meisje, we halen de drost, en die gaat achter die mannen aan.' Ossrey knikte naar enkele mannen, die zich repten naar de andere kant van de stal terwijl anderen naar de put renden om water te halen. Vuur in het veld dat werd aangestoken door vliegende vonken zou snel worden gedoofd.
Ze keek in Ossreys vriendelijke gezicht en wist dat niemand de moordenaars achterna zou gaan, in ieder geval niet vandaag. 'Ik ga wel,' zei ze impulsief. 'Ik ga Horace halen, en ik rij naar de drost. Dan zijn er meer mannen over om de brand te blussen.'
Maar Ossrey schudde zijn hoofd. 'Jij gaat met mijn Allet mee,' zei hij. 'Je hebt een enorme schok te verduren gehad, meisje. Er gaat wel iemand anders naar de drost. Probeer wat te slapen,' adviseerde hij. 'Wij zorgen overal voor.'
'Dit zijn tandafdrukken,' zei boer Roben, kijkend naar haar vaders lichaam. 'Dit is een dier geweest.'
Lorrie keek verwonderd naar de mannen van wie er steeds meer de brand gingen bestrijden. Het leek wel of ze haar niet hadden gehoord of verstaan wat ze zei.
'Nee,' begon ze.
Allet sloeg haar arm om Lorries schouders. 'We zullen het maar overlaten aan de mannen, goed?' Ze draaide het meisje in de richting van haar eigen boerderij en klopte haar op de arm. 'Jij kunt best wat rust gebruiken.'
Lorrie trok zich los, probeerde dat tenminste. Allet nam haar arm in een stevige greep.
'Ik moet mijn broertje zoeken!' schreeuwde Lorrie. Ze zwaaide verwoed met haar vrije arm. 'Heeft iemand hier hem gezien? Hij is meegenomen door moordenaars, niet door dieren, en we moeten hem helpen! We moeten meteen achter hem aan, of we zijn hem voor altijd kwijt!'
'Zo is het genoeg!' Allet gaf een ruk aan haar arm. 'Je laat het over aan de mannen en komt nu met me mee! Doe niet zo hysterisch, meisje,' waarschuwde ze.
Met open mond staarde Lorrie haar aan. Toen keek ze naar de kring van de buren die nog niet naar de brand waren gegaan. 'Jullie geloven me niet, hè?' vroeg ze ten slotte, haar stem vol verbazing.
Een van de vrouwen kwam naar voren en legde een hand op Lorries wang. 'Het gaat er niet om of we je geloven, kind. Het gaat erom dat we doen wat we kunnen. Je haalt niemand in op je oude Horace, en iemand van ons die helemaal terug moet naar zijn eigen boerderij om paarden te halen evenmin.' Ze zuchtte. 'Onderwijl kan die brand helemaal uitslaan. Je bent het huis en de stal kwijt, maar de gewassen staan er nog, en als die eraan gaan, kan het vuur overslaan op andere boerderijen. Trouwens, als we nu gingen, was je nog niets dichter bij je broertje. We sturen wel iemand naar de drost, die weet wel wat hij hiermee aanmoet. Heb een beetje vertrouwen, lieverd.'
Uit pure frustratie begon Lorrie weer te huilen, begon toen aan een weeklacht die ze tot haar eigen afschuw niet kon bedwingen. Allet gaf nog een ruk aan haar arm en keek haar streng aan. De andere vrouw kwam dichterbij om haar zachtjes maar stevig vast te houden. 'Wat kan een meisje alleen nou doen tegen volwassen mannen, zonder zich in de nesten te werken?' vroeg ze stil.
'Laat het nou maar over aan de mannen,' zei Allet, 'en vertrouw er maar op dat ze hun best doen.'
Lorrie liet zich meevoeren naar de boerderij van Ossrey en Allet, in de wetenschap dat dat niet voldoende zou zijn.
Hoe kan ik er nu op vertrouwen dat ze hun best doen voor Rip als ze hem al hebben opgegeven? Haar hoofd werd helder, en ze kreeg iets kouds over zich, als wind die door rook of mist sneed. Als ik herrie schop, houden ze me in de gaten, dacht ze. Maar als ik meespeel, kan ik ertussenuit knijpen.
Allet stopte haar in bed in Brams kamer - het was kenmerkend voor een goede boerderij en een kleine familie dat ook de oudste zoon een eigen kamer had - en Lorrie voelde een schok toen ze zich omringd voelde door zijn vertrouwde geur die ze zo had gemist.
'Hier is een kandeel voor je,' zei Allet. Ze was een vooraanstaand kruidenvrouw. 'Drink maar op, lieverd.'
Lorrie kokhalsde een beetje van de smaak - scherp, muskusachtig en tegelijkertijd mierzoet. Toen begon de wereld te draaien en legde ze haar hoofd weer op de veren kussens.
Langzaam werd ze wakker. Haar hoofd barstte van de pijn, het brandde in haar borst en ze was overal bont en blauw.
Goden! dacht Lorrie toen ze zich plots alles weer herinnerde. Hoe laat is het?
Ze begon te huilen en begroef haar gezicht in Brams kussen, haar gesnik uit alle macht bedwingend. Daar was nu geen tijd voor.
Stilletjes stond ze op en liep naar de deur. Die bleek op slot - van buiten vergrendeld.
Een woedend gesis onderdrukkend ging ze de luiken proberen. Gelukkig gingen ze open en lieten een straal helder maanlicht binnen waarin zichtbaar werd dat haar kleren er niet waren. Hoofdschuddend en in gedachten Allets grondigheid vervloekend liep Lorrie naar de kist aan het voeteneind van het bed. Na een beetje rommelen vond ze wat kleren en schoenen waar Bram was uitgegroeid. Ze voelden vreemd aan toen ze die aantrok, maar volgens haar wende ze er gauw genoeg aan. Ze zwaaide een oude mantel over haar schouders en begon uit het raam te klimmen. Ze bleef staan. Intuïtief voelde ze onder de stromatras op Brams bed. Haar vingers raakten zacht leer: een beurs, half zo groot als haar vuist, half gevuld. Onmiskenbaar voelde ze de kleine, scherp gerande metalen vormen van de munten onder haar vingers.
Even aarzelde ze - hier had hij waarschijnlijk jaren over gespaard, met allerlei klusjes die hij buiten de boerderij had gedaan - en nam hem toen mee. Net als de andere boerenkinderen in de omgeving had ze geleerd dat diefstal nog erger was dan luiheid en bijna net zo erg als lafheid, maar haar nood was groot,
Het is niet anders dan een bijl of een emmer lenen als je geen tijd hebt om het te vragen, hield ze zichzelf voor. Zoiets deed je gewoon.
Lorrie keek links en rechts. Brams familie bezat de zeldzaamheid van een bovenverdieping op haar huis, door zijn grootvader bijgebouwd in een welvarend jaar, en het was drie el naar de grond beneden. Een snelle blik op maan en sterren leerde haar dat het halverwege middernacht en de ochtend was. Op dit tijdstip was er vermoedelijk niemand op. Onder het raam liep een smalle strook gras, door de schapen kort gegraasd. Ze klom naar buiten, liet zich omlaag hangen aan haar armen en liet los.
Bons.
Er bewoog iets. Ze wachtte af, slaakte toen een zucht van verlichting toen ze zag dat het slechts de heemhonden waren, Grijp en Houvast, grote bastaardhonden die haar al hun hele leven kenden. Ze waren aan het werk, ervoor zorgend dat er geen vossen bij de kippen of de lammeren kwamen.
'Stil,' zei ze en liet hen ruiken aan haar handen. Het waren plichtsgetrouwe dieren die zeker wilden weten dat er geen vreemde hun territorium binnendrong. 'Stil!'
Een glimp om de hoek van de boerderij, haar gezicht tegen de grove splinters van de balken gedrukt. Geen lantarens, alleen zilveren maanlicht op het erf en de twee stallen, een schuur en een omheinde wei waar het werkvee en de melkkoeien van de familie stonden.
Zoals ze al had gedacht hadden ze het vee van haar familie meegenomen, en ze had Horace zo gevonden. Snel zou hij niet zijn, maar ze had hem zijn hele leven al zo nu en dan bereden, om hem te drenken tijdens het ploegseizoen, om hem te laten beslaan, of soms gewoon voor de lol. Hij drukte zijn neus tegen haar aan alsof hij blij was iemand te zien die bekend was, en ze wreef hem over zijn fluweelzachte neus. Bijtend op haar lip probeerde Lorrie te bedenken wat ze moest doen. Ze had een zadel en tuig en wat graan voor het paard nodig. Dat was stelen, zo klaar als een klontje, en haar ouders zouden teleurgesteld in haar zijn geweest.
Misschien ook niet, dacht ze fel, misschien waren ze meer teleurgesteld in hun niets doende buren.
Net voorbij de deur van de kleine stal lag een oud zadel, een simpel vulkussen, want boeren reden niet vaak.
Als ik het niet doe, doet niemand het. En dan is Rip dood, of erger.
En dan, wist ze, zouden haar ouders pas echt teleurgesteld zijn.
Ze haalde Horace, deed hem het hoofdtuig om, legde de deken zorgvuldig neer en hees met een kreun van inspanning het zadel op zijn rug, want dat woog bijkans een kwart van haar eigen gewicht. Daarop gespte ze de buikriem vast. Het paard slaakte een berustende zucht, in de wetenschap dat hij aan het werk moest.
Terug naar de stal. Door een gat tussen de planken keek ze naar het huis, maar daar was geen leven te bekennen, alleen een rookkringeltje uit de schoorsteen van het gebluste vuur. Dat deed haar handen een ogenblik beven, maar ze dwong zichzelf tot kalmte door diep adem te halen.
Haver, dacht ze beslist. De zoete geur leidde haar naar de trog, waar altijd een paar jute zakken bij lagen. Ze vulde er twee en voegde nog enkele paardendekens toe aan haar buit voor de nachten die ze in de open lucht moest doorbrengen.
Horace hinnikte zachtjes van belangstelling toen ze de zakken over zijn schoften hing. Hij kende die geur. 'Straks,' fluisterde ze tegen hem en nam even de tijd om hem tot kalmte te brengen voordat ze op zijn rug klauterde - want hij was erg hoog voor een vijf tienjarig meisje - en haar benen om zijn brede bast van een paardenlijf klemde.
Gehoorzaam liep het paard over de weg dat zich als een lint van maanlicht zuidwaarts afwond.
Ik kom eraan, Rip! dacht ze.
Het bleek een fluitje van een penning om Flora's grootvader te vinden, want zoveel wetsprekers waren er niet in een stadje als dit. De moed verzamelen om hem op te zoeken was veel moeilijker geweest.
'Wat als hij me niet kan luchten vanwege mijn vader?' vroeg Flora ongerust en voor de honderdste keer, kijkend naar het hoge huis van lichte gemetselde steen, niet ver van het grote stadsplein. Dat huis ademde aanzien uit, tot in de dure glazen vensterruiten.
'Dan is het een opa van niks,' zei Robbie vastberaden. 'En wat moet je met hem, in dat geval?'
Dat antwoord had hij haar bijna even vaak gegeven als zij de vraag had gesteld. Onderhand ging het haast vanzelf, tot de klank van zijn stem aan toe. Robbie luisterde eigenlijk nog nauwelijks naar haar, en hij wist aardig zeker dat zij al helemaal niet naar hem luisterde.
Ze stonden aan het begin van de Legaatlaan, een welvarend ogende straat. Het waren prachtige gebouwen, met grote glazen vensters en gordijnen van geborduurde stof. De rode dakpannen vormden een aangenaam contrast met de honingkleurige steen, en in alle raamkozijnen stonden bloembakken met bloeiende planten. Er was zelfs een veger, een haveloze knul met een bezem, pan en kist om de kasseien vrij van paardenmest te houden.
Het was schoon, het was keurig.
Het doet Robbie de Hand het water in de mond lopen, dacht Robbie. 0, de zilveren serviezen en kandelaars die ze hier zouden hebben, allemaal neergezet om te laten bewonderen door de gasten! Het glaswerk, het kluisje dat ergens was 'verborgen' op een plek die de koopman voor veilig hield, en hou daarmee op, man! Je bent de pleegbroer van een fatsoenlijke vrouw die haar veilig naar haar familie komt brengen!
Toen moest hij lachen. En als Flora's opa ons van de drempel jaagt, nou, dan ben ik het pleegbroertje van een fatsoenlijke vrouw niet meer, dan ben ik Robbie de Hand, op zoek naar fondsen!
Linksom of rechtsom zou die ouwe bijdragen aan het welzijn van zijn kleindochter, En dat van Robbie ook, als de vangst groot genoeg was.
Uiteindelijk kwam er een man naar hen toe. 'Wat doen jullie hier?' Hij sprak met gezag maar vriendelijk, en hij droeg het insigne van de Nesse Wacht.
'We zijn op zoek naar de grootvader van deze jongedame, meneer,' antwoordde Robbie. Hij had zijn favoriete verwaarloosd-kind-gezicht opgezet en hoopte maar dat hij daar inmiddels niet te oud voor was.
'En wie mag dat zijn?' vroeg de man.
Hij leek niet aangedaan door het verwaarloosd-kind-gezicht, waaruit Robbie concludeerde dat dat niet langer bruikbaar maar ook nog niet helemaal belachelijk was.
'Meneer Yardley Heywood, meneer,' zei Flora zacht.
'Ach, meneer Heywood, hè?' Hij draaide zich om en wees met zijn knuppel. 'Derde huis, met de groene deur en de viooltjes in de bloembakken.'
'Dank u wel, meneer,' zei Flora en deed een knixje.
De wachter knikte minzaam en glimlachte.
Nou, haar verwaarloosd-kind-gezicht deed het tenminste nog, dacht Robbie. Zal bij meisjes wel langer meegaan. Hij stak een van de bundels onder zijn arm, pakte Flora's hand en begon te lopen naar het huis dat de wachter had aangewezen. Na een paar stappen begon ze in te houden, tot ze helemaal stil bleef staan en ze hun armen gestrekt hielden als in een dans.
Ongeduldig draaide hij zich om. 'Flora, je hebt veel grotere risico's genomen voor een veel kleinere beloning.'
Langzaam liep ze naar hem toe, haar ogen bijna onlosmakelijk gevestigd op het mooie huis.
'Zo voelt het anders niet,' zei ze met een klein stemmetje.
'Dan doe ik het wel.' Robbie draaide zich op zijn hielen om, beende het bordes op en greep naar de koperen deurklopper. Voordat hij die kon pakken ging de deur open en stapte er een vrouw naar buiten.
'0, hallo,' zei ze verrast en opgewekt, en stapte terug. 'Ik had je niet gezien.' Ze was gekleed om boodschappen te doen, met een sjaal en een hoed en een lege mand aan haar arm. 'Kan ik iets voor je doen?' vroeg ze.
Toen viel haar blik op Flora, en haar gezicht verstrakte. 'Orletta?' zei ze verbaasd. Maar meteen schudde ze haar hoofd. 'Maar nee, dat kan niet, je bent veel te jong.' Ze liep Robbie straal voorbij, stapte het bordes af en stevende op Flora af. 'Wie ben jij, lieverd?'
Flora maakte een knix, onhandig, voor het eerst sinds ze die was gaan maken. 'Ik heet Flora, mevrouw, Mijn vader was Aymer de bakker, en mijn moeder heette orletta Heywood.'
'O!' riep de vrouw uit en nam Flora in een hartelijke omhelzing. Robbie moest grijnzen om Flora's verraste ogen boven de stevige schouder van de vrouw. Was dit haar oma? Zo ja, dan was er geen enkel probleem.
'Ik ben je tante Cleora,' zei de vrouw, Flora nu van zich afhoudend. '0, ik dacht dat ik je nooit van mijn leven zou zien, kind.' Daarop trok ze Flora weer in haar armen, en Robbie moest zijn uiterste best doen om niet te lachen om het gezicht van zijn vriendin, half ontroerd, half ontsteld.
'Waar kom je vandaan?' riep Cleora uit.
'K-Krondor,' stamelde haar nichtje, volledig overstelpt.
'Ach, arm kind! Je moet doodmoe zijn! Kom maar mee, dan maken we het je gemakkelijk. O!' zei ze en keerde zich met een glimlach tot Robbie. 'En wie is dit?'
'Een vriend van me,' zei Flora nerveus. 'Eigenlijk een broer. Hij heeft me gebracht.'
'Kom dan ook mee! Ik zal iets lekkers voor je te eten halen. Jongens hebben altijd een beetje honger,' vertrouwde Cleora haar nichtje toe. Ze liep de straat in, met haar arm om Flora's smalle schouders. 'Ik geloof dat jij ook wel iets te eten kunt gebruiken, lieverd,' zei ze en begon te lachen.
Verrast knipperde Robbie met zijn ogen, pakte toen de tassen aan zijn voeten en rende achter hen aan. 'Neem me niet kwalijk, mevrouw,' zei hij, 'maar woont u niet hier?' Hij wees naar het huis achter hen.
'Nee, nee, daar woont mijn lieve papa. Die doet nu een dutje, lieverd. Die ontmoet je nog wel. En hoe dan ook, lieve Flora, wil ik je voorlopig helemaal voor mezelf. Nee, mijn lieve man en ik wonen vlakbij. Ons huis is niet zo voornaam als dat van mijn vader maar wel meer dan groot genoeg om er met zijn allen gezellig in te wonen. Wacht maar af!'
Met die woorden zette ze de pas erin, met een blij verbaasde Flora op sleeptouwen een even verbijsterde Robbie met de bagage achter zich aan.
Robbie lag op het zachte, schone bed dat hem was toegewezen, en klopte tevreden op zijn ronde buik. De kokkin van tante Cleora was fantastisch, en haar werkgeefster hoefde Robbie er nauwelijks toe aan te zetten om te eten en te eten. Het speet hem alleen dat hij soms moest stoppen. Hij keek de kamer rond. Die was klein maar netjes en in het hoofdgedeelte van het huis, met een kleine haard en figuurtjes in het roomkleurige pleisterwerk op de muren.
Hij had verwacht te worden ondergebracht in de bediendenvertrekken, maar kennelijk was dat niet eens bij Cleora opgekomen.
'Het is er klein,' had ze gezegd toen ze hem de kamer had laten zien, 'maar jongens vinden zoiets nooit erg, toch?' En ze had hem glimlachend aangekeken, met een zweempje van bezorgdheid in haar vriendelijke bruine ogen alsof ze zich afvroeg wat ze moest als hij zijn onderkomen af zou keuren.
'Het is een prachtkamer !' had hij haar verzekerd.
En dat vond hij nog steeds. Dit was, buiten kijf, de zachtste slaapplaats die hij ooit had gehad. Als hij niet uitkeek, ging hij onder tante Cleora's invloed straks nog op zoek naar eerlijk werk. Hij trok een grimas. Van zo'n gedachte kreeg je de koude rillingen.
Oom Karl, Cleora's man, was zeekapitein en momenteel op de vaart naar Krondor. Flora's tante had hen er allebei van verzekerd dat hij het absoluut schitterend zou vinden dat ze hier waren. Dat moest Robbie dan maar van haar aannemen, want Cleora had geen idee wanneer hij terug zou zijn. Bedachtzaam fronste hij zijn wenkbrauwen. Als het langer dan twee weken duurde, zou hij vrijwel zeker alweer weg zijn. Tegen die tijd had Flora hier haar draai vast al wel gevonden.
Yardley Heywood werkte niet meer. Flora's grootvader was eerder dat jaar ziek geworden en werd maar langzaam beter. Hij herstelde thuis, waar tante Cleora hem dagelijks verzorgde. Ze had Flora beloofd dat ze over een dag of twee mee mocht, nadat ze de oude advocaat had verteld dat het meisje terug in de familie was. Robbie fronste zijn wenkbrauwen. Het zou nog aardig wat moeite kosten om de relaties en verhalen in stand te houden, dacht hij. Maar dat leek Flora wel toevertrouwd, en al na een paar uur in dit huis was het moeilijk om je het leven op de straten van Krondor te herinneren.
Desondanks wist Robbie dat hij bij nadere beschouwing in de rol die hij speelde door de mand zou vallen. Flora had de eerste negen jaar van haar leven in een mooi huis gewoond, en veel van haar klanten waren rijkelui geweest. Zij kon praten als een fatsoenlijk meisje, en Robbie, die de schijn best op kon houden als hij niet te veel hoefde te zeggen, had maar een paar weken mensen van stand horen praten, toen hij bij de prins en prinses was.
Nee, hij hield zijn mond, beantwoordde zo weinig mogelijk vragen als hij maar enigszins kon en liet zich een warm bed en goede maaltijden welgevallen terwijl hij bepaalde wat hij hierna in zijn ballingschap zou doen. Nes was dan geen Krondor maar wel een stad van enig formaat, en voor een knaap met lenige vingers was er genoeg buit te behalen.
Toen keerde zijn glimlach terug, en hij sloeg zijn armen over elkaar achter zijn hoofd. Dit was een mooi plekje om als uitvalsbasis te gebruiken. Niemand zou de lieve tante Cleora ervan verdenken dat ze een dief onder haar dak had, en er was geen Nacht-of Dagmeester om zijn handelingen te dicteren. Dat arme Nes zou niet weten wat het overkwam. Hij grinnikte vals.
'Wat lig jij te lachen?' vroeg Flora.
Robbie vloog bijna op van de matras. 'Heb jij nog nooit gehoord van kloppen?'
Met gefronst voorhoofd keek ze hem aan en kwam binnen, de deur achter zich sluitend. 'Praat wat zachter,' fluisterde ze. 'Ik mag hier eigenlijk niet komen.'
'Heeft je tante dat gezegd?' vroeg hij verbaasd. Zoals Cleora zich gedroeg, verwachtte Robbie nog dat ze Flora elk moment de sleutel van de voordeur kon geven.
Flora wierp hem een geërgerde blik toe. 'Nee, natuurlijk niet. Die gaat ervan uit dat ik wel weet hoe een jongedame zich dient te gedragen.'
Met vragende wenkbrauwen keek Robbie naar het lange gezicht dat Flora trok. Ze nam plaats op het bed en dook terneergeslagen in elkaar. 'Ik moet haar de waarheid vertellen, Robbie,' zei ze.
Hij veerde overeind en hield zijn hoofd schuin naar haar toe. 'Wat zeg je?'
'Ze verdient het om de waarheid te weten.' Van onder haar oogwimpers keek Flora hem aan en gebaarde onbeholpen op zichzelf. 'Hoe ik ... aan de kost ben gekomen.'
Robbie zwaaide zijn benen uit bed, legde een hand op haar schouder en keek haar ernstig in de ogen. Geen wonder dat ze zo'n slechte dief was, dacht hij, ze is goudeerlijk!
'Dat kun je niet doen, Flora.'
'Ik moet wel, Robbie. Ze verdient de waarheid.'
'Zo egoïstisch kun je niet zijn, Flora, dat kun je niet.'
Flora's mond viel open. 'Hè?'
'Bedenk eens hoe gekwetst ze zou zijn,' verduidelijkte Robbie. 'Je hebt haar gezicht toch gezien toen je vertelde dat je vader overleed toen je nog maar klein was? En hoe opgelucht ze keek toen je zei dat je bij een oudere dame kon intrekken om haar gezelschap te houden? Als je haar de waarheid vertelt, voelt ze zich vreselijk schuldig, dat weet jij ook! Hoe zou je haar zoiets aan kunnen doen?'
Flora keek nog steeds geschokt. Haar mond ging open en dicht maar er kwam niets uit, en haar ogen liepen vol tranen.
'M-maar ik kan toch niet zomaar blijven liegen? Ze is zo aardig, Robbie, ik vind haar echt een lieverd. Ik wil geen leven bouwen op een leugen.'
'Dan moeten we misschien maar gewoon weggaan,' zei hij en stond op. 'Als je de kracht niet hebt om je familie te beschermen tegen de waarheid,' - hij schudde zijn hoofd - 'dan moeten we weg. Dat is veel vriendelijker. '
Flora begon te huilen, en Robbie wierp een blik omhoog. Nu was hij de schurk. Hij keek naar haar. Nou, misschien ben ik dat ook wel. De jonge dief ging zitten en sloeg een arm om Flora's schokkende schouders. En als je vervloekt verstandig doet en liegt als een zeeman, dan kan ik in dit heerlijke kamertje blijven en eten van Cleora's fantastische dis.
Misschien was het ook wel het beste, het eerlijkste, het edelste om alles meteen vanaf het begin op te biechten. Maar in zijn hart was Robbie ervan overtuigd dat het ook de beste manier was om het huis uit te worden geschopt en afscheid te moeten nemen van het leven waar Flora zo overduidelijk voor was bestemd. En het zou haar tantes hart breken. Hij schudde zijn hoofd. Ik ben volstrekt egoïstisch en tegelijkertijd volstrekt behulpzaam. Verdomd, er is geen twijfel mogelijk: ik ben geboren voor grote dingen.
'Soms is het gewoon niet goed om eerlijk te zijn, Flora. Ik zie veel meer droefenis en ellende komen uit het eerlijke opbiechten van de harde feiten dan uit jouw zeer aannemelijke leugentje om bestwil. Ik raad je aan er een nachtje over te slapen. Misschien zie je het morgen allemaal veel helderder voor je. Ik vraag je alleen om het mij eerst te zeggen als je haar gaat vertellen dat je bij de Snaken bent. Goed?'
Ze snoof en keek hem plechtig aan, sloeg toen even haar armen om hem heen en stond op. 'Je hebt gelijk,' zei ze en veegde met de rug van haar hand langs haar ogen. 'En ik zal erover nadenken. Ik zeg je morgen wel wat ik heb besloten, dat beloof ik.' Zich bukkend gaf ze hem een kusje op de wang en verdween met ruisende rokken.
Robbie trok een zuinig mondje. Ineens lag al dat goede eten als een loden gewicht op zijn maag. Waarom konden vrouwen niet eerst nadenken? Ze keken altijd naar de emotionele kant van de dingen, nooit naar de logische. Hij zuchtte geërgerd. Met zo'n last van zijn maag kon hij onmogelijk slapen. Misschien was een lekker avondwandelingetje wel op zijn plaats.