7 Tragedie
Het meisje keek op toen haar moeder sprak.
'Als je daarmee klaar bent,' zei Melda Merford tegen haar dochter Lorrie, 'moet je het vlas uit de vijver halen.'
'Toe nou, moeder,' protesteerde Lorrie.
Ze keek op van de borstel waarmee ze de keukenhaard van de boerderij had uitgeveegd en wreef in haar oog, waar een zweetdruppèltje prikte. Dat deed ze met de rug van haar pols, want haar handen waren zwart, maar toch kreeg ze een veeg op haar wang. Fijne, zwevende asdeeltjes dwarrelden stoffig omhoog naar haar neus, ruikend naar oud hout, en ze nieste. Het was geen zwaar werk om de haard schoon te maken, maar ook niet erg prettig.
'Ik zou vandaag gaan jagen.'
Ze was in elk geval niet van plan geweest om slijmerige bundels vlas uit de stilstaande vijver te halen, waarin ze lagen te weken. Dat vervelende karwei was des te ergerlijker als ze haar zinnen had gezet op een lekker uitstapje door het koele woud.
'Nee,' zei Melda, zonder haar aan te kijken, bezig met het afmeten van grofgemalen meel uit een kist in een houten mengkom. 'Ik wil niet meer dat je nog in je eentje in die bossen rondhangt.'
Lorrie kwam op haar hielen overeind van verbazing. 'Waarom niet?'
'Je wordt te oud om maar wat rond te rennen als een spring-in-'tveld,' zei haar moeder kalm. 'Trouwens, dat vlas moet klaar. Als we genoeg linnen en draad kunnen maken voor de markt, kunnen we de belasting betalen.' Met gefronst voorhoofd keek ze Lorrie aan. 'We mogen de boerderij niet kwijtraken, zoals de Morrisons.'
Met een even grote frons als die van haar moeder wendde Lorrie haar blik af. Dat de Morrisons hun boerderij waren kwijtgeraakt omdat ze hun belasting niet konden betalen, was als een schok door de hele gemeenschap gegaan. De laatste tijd waren veel mensen hun boerderij kwijtgeraakt, maar hier waren de Morrisons de eersten. Iedereen was er altijd van uitgegaan dat dat kwam omdat alle zonen naar de oorlog gingen of misschien omdat de boeren lui waren, maar dat kon je van de Morrisons niet zeggen. Zelfs de baby had er klusjes. De belastingen waren almaar hoger geworden in de afgelopen jaren, ook voor de oorlog, en hoe kleiner je boerderij was, des te moeilijker was het om die op te brengen. Inmiddels had een gemiddelde boerderij zoals die van hen al moeite het verschuldigde te betalen.
Toch was er niet echt sprake van nood.
'Maar we hebben bijna geen vers vlees meer in de provisiekast,' wierp Lorrie tegen.
Ook dat was geen nood. Ze waren geen edellieden of rijkelui, die elke dag vers vlees aten, maar het wild was een welkome aanvulling op de opbrengst van de akkers. Hoe meer ze konden verkopen in plaats van zelf op te eten, hoe beter ze ervoor stonden. De extra koperstukken van graan dat werd verkocht in plaats van er brood van te bakken, kon het verschil zijn tussen de belasting betalen en van de winter honger lijden, of de belasting betaren en genoeg overhouden om vis in de stad en kaas van de zuivelboeren te kopen.
Haar moeder beet op haar lip en wierp een blik hemelwaarts. 'Het is gevaarlijk voor een meisje van jouw leeftijd om alleen door de bossen te lopen. Wie weet wie je allemaal kunt tegenkomen, en er is niemand om je te helpen.'
'Dus als Bram terugkomt uit Nes mag ik met hem mee?'
'Nee! Absoluut niet!' sprak Melda ferm. 'Dat maakt het alleen maar erger.'
Lorrie stelde zich tegenover haar moeder op, met de handen op de heupen. 'Dus ik mag niet alleen omdat het gevaarlijk is, en ik mag niet met een vriend die ik mijn hele leven al ken omdat dat nog erger is?' zei ze met een stem die droop van sarcasme. 'Dat slaat nergens op, moeder.'
'Lorrie,' zei haar moeder vermoeid, 'je wordt al volwassen. En er zijn nu eenmaal dingen die een meisje wel kan doen maar een vrouw niet. En een daarvan is omgaan met de jongens met wie ze is opgegroeid. Als kind kun je dat doen. Maar als je ouder wordt, dan... want als die jongens ouder worden, dan...' - Melda zuchtte en keek haar dochter aan -'willen ze iets.'
Lorrie rolde met haar ogen. Ze was een boerendochter en zag al dieren paren sinds ze kon kruipen. 'Moeder, daar weet ik alles van.'
'Daarom is het nu juist zo gevaarlijk! Jij denkt dat je alles al weet van mannen en vrouwen, maar dat is niet zo, en het heeft ook niets te maken met een stier zien met een koe of een haan zien met een hen. Het heeft alles te maken met helemaal gek worden vanbinnen als je een knul ziet lachen en vergeten wat je denkt dat je weet. Je bent een brave meid uit een braaf gezin, en als de juiste knul op een dag om je hand komt vragen, zul je me er dankbaar om zijn. Ik ben je moeder, en het is mijn plicht en je vaders plicht om je te vertellen wat goed is en wat niet. En totdat je getrouwd en uit huis bent, houden we ons daaraan.' Ze haalde diep adem, in de verwachting van een ontploffing.
Maar Lorries reactie was ijskoud. 'Dus wat je wilt zeggen is dat ik van nu af aan niet meer kan gaan jagen, wat ik goed kan en waar ik van hou en wat ik al gedaan heb sinds ik nog kleiner was dan Rip nu, maar dat ik thuis moet blijven en alle vieze, stinkende, saaie klussen moet doen die jij kunt bedenken, omdat ik een vrouw ben? Is dat het?'
'Jij doet alle klussen die ik je opdraag omdat je mijn dochter bent en dat jouw plaats in dit huis is. Jouw handen zijn vandaag hier nodig, en ik wil er geen woord meer over horen. Dus als je daarmee klaar bent, ga je naar de vijver.' Met haar armen over elkaar geslagen voor haar weelderige boezem keek ze Lorrie kwaad aan en hoopte dat ze geen tegenspraak meer te horen kreeg. Waarschijnlijk had ze dit al veel eerder moeten doen, maar Lorrie hield zo van de bossen. Net als zij toen ze nog klein was. Melda was nooit vergeten hoe smartelijk het was geweest om daar afscheid van te moeten nemen. Al die vrijheid, dacht ze weemoedig. Met moeite onderdrukte ze een zucht. Nou, ze deed het nu, tenminste.
Met een laatste boze blik en een pruilmond hurkte Lorrie neer en ging weer aan het werk, maar met haar stramme rug, bruuske bewegingen en onnodige gekletter liet ze haar moeder precies weten wat ze ervan vond. Ten slotte, na nog één klap met de houten schep, stond ze op en liep zwijgend met de emmer as de keuken uit.
Niet meer op jacht, hè? ziedde ze in zichzelf. Dat zullen we nog wel eens zien.
Het vlas lag morgen ook nog wel in die vijver. Haar moeder zou kwaad op haar zijn, wist ze, ontzettend kwaad. Maar met vers vlees was ze weer een heel eind te kalmeren, vooral als ze fazant mee naar huis bracht.
Lorrie deed de as in de ton waar die werd bewaard om te logen of om zeep mee te maken, en bracht de emmer terug naar het huis. Daarop beende ze naar de stal en pakte de hark met de pennen op de tanden voor het uitmesten van de vlas bundels en het teerkleed om ze mee naar het droogveld te brengen. Ook stak ze haar slinger en zakje steentjes in haar heupgordel onder haar schort en ging toen op weg naar de weekvijver.
De aangestampte aarde van het erf lag vol met spullen - een kapotte ploeghandgreep, een oud wiel, bundels brandhout; er scharrelden ook kippen die haar klokkend uit de weg gingen. Ze liep er tussendoor zonder bewust haar ogen te hoeven gebruiken. Ze waren haar even vertrouwd als al de geuren - het rookhuis, het buitenhuis, de mestvaalt. Veel te vertrouwd. Op dit moment leek het wel een gevangenis.
Lorrie voelde haar moeder door de spleten tussen de kromme planken van de dichte vensterluiken naar haar kijken - geërgerd, wist ze. De laatste tijd was het steeds vaker raak tussen haar en haar moeder.
Maar wat kan ik daaraan doen? vroeg Lorrie zich af. Het is altijd: 'Je bent nu geen kind meer,' of 'Je bent bijna volwassen'. En dan behandelen ze me nog als een kind! Wie springt daar nou niet van uit haar vel? En nu, ineens, niet meer op jacht! Niet eens, nee, vooral niet met Bram! Dat deugt gewoon niet.
Terwijl ze mopperend langs de heggen over het pad liep, werd Lorrie zich langzaam bewust van de aanwezigheid van haar broertje. Ze zuchtte. Dat bewustzijn van familie was een gave die ze had geërfd van haar overgrootmoeder, die stiekem een heks was geweest. Dat had haar moeder tenminste gezegd. Zo wist ze altijd wat haar moeder over haar dacht of dat ze in de buurt was. Maar nu was ze zich vooral bewust van haar kleine broertje Rip. Op dit moment voelde Lorrie dat hij zich op haar concentreerde als een pijl die op zijn doel afschiet.
Prachtig, dacht ze met een scheve glimlach op haar mond.
Haar broertje zou volgende Midzomerdag zeven worden, maar nu al had hij de voordelen van chantage ontdekt en was er verontrustend goed in.
Ze nam zich voor dat ze zou werken aan het vlas tot hij zich ging vervelen of niet langer tegen de lucht kon en ophoepelde.
Maar als ik dan bezig ben, kan ik het net zo goed afmaken, bedacht ze. Als je er eenmaal naar ruikt, krijg je die lucht alleen nog maar weg met zeep. En met die stank verjoeg ze wel grotere dieren dan de vogels en hazen waar ze achterheen was.
Misschien zelfs de rovers en moordenaars waar haar moeder zo bang voor was. Dus dan had het geen zin om de bossen in te gaan.
Rip zat rechts van haar, iets verderop, zinloos sluipend van struik tot struik in het stukje rommelige weide met boomgaard rechts van het pad. Hij wist dat ze zich bewust van hem was. Hij kon haar even duidelijk voelen als zij hem. Soms dacht ze wel eens dat hij er beter in was. Lorrie riep hem niet omdat ze tijd nodig had om te verzinnen hoe ze hem af kon schudden.
Bij het laatste bosje aalbessenstruiken sprong hij met een kreet tevoorschijn, zijn vingers boven zijn hoofd gekromd tot klauwen.
Lorrie trok een wenkbrauw naar hem op en liep gewoon verder. Even later kwam hij naast haar huppelen.
'Mag ik mee?' vroeg hij, opgewonden op en neer springend.
'Wou je helpen vlas schoonmaken?' vroeg ze met enig ongeloof in haar stem.
Rip begon te lachen, en Lorrie fronste haar voorhoofd. Hij wist het, hij wist het altijd als ze iets van plan was.
'Het is vies en het stinkt,' waarschuwde ze.
'Je gaat op jacht!' zei hij beschuldigend en sloeg een hand voor zijn mond om zijn grijns verborgen te houden.
'Waarom denk je dat?'
Rip rolde met zijn ogen om haar zorgvuldig nonchalante houding, zette zijn handen op zijn heupen en keek haar met zo'n volwassen neerbuigendheid aan dat ze ervan moest glimlachen. 'Je hebt me beloofd dat je me zou leren jagen en spoorzoeken,' zei hij. 'Dat heb je zelf gezegd.'
Ze knikte, met een triest gevoel. 'Weet ik. En als ik pappa kan ompraten, doe ik dat ook echt.' Ze bleef staan en keek hem aan. 'Dat ben ik echt van plan, Rip. Heus.'
Hij sloeg zijn ogen neer en schuifelde met zijn blote voet over de grond. 'Weet ik,' mompelde hij. 'Maar als dit de laatste keer is dat je kunt...' Van onder zijn oogwimpers keek hij naar haar op. Op dat moment trof het haar wat een mooi jochie hij was, en dat wist hij. Hij had die lange wimpers wel vaker gebruikt om zijn zin te krijgen bij zijn vader en moeder.
Ze glimlachte even naar hem. 'Dat hangt van pappa af,' zei ze schokschouderend. 'Als ik je vandaag meeneem, krijgen we allebei straf.'
Daar dacht hij over na, nog steeds heen en weer schuifelend met zijn voet.
Met medelijden keek Lorrie naar hem. 'Als Bram terugkomt van zijn oom in Nes vraag ik hem wel of hij je meeneemt. Hé,' - ze gaf hem zachtjes een stomp op zijn schouder - 'misschien kan ik dan ook wel mee.'
Met een meewarige glimlach wreef hij over zijn schouder. 'Mij best.'
'Dan proberen we het zo,' zei Lorrie beslist. 'Maar vandaag zou een slecht idee zijn.'
Rip knikte wijs. 'Ja, nou. Jij krijgt voor vijf stuivers.' Hij dacht even na, zei toen: 'Jij krijgt voor tien stuivers,' en keek haar aan, met een gezicht dat het midden hield tussen ontzag en twijfel.
Lorrie zag het moment waarop hij meende de situatie in zijn voordeel uit te buiten aan de kleine verandering op zijn gezicht en was hem voor. 'Als jij het gaat zeggen, zeg ik tegen Bram dat hij je niet mee moet nemen, nooit. En je weet dat hij naar me luistert.'
Rip fronste zijn wenkbrauwen en keek haar peinzend aan. Lorrie sloeg haar armen over elkaar en keek terug, één wenkbrauw opgetrokken. Zonder succes probeerde hij dat na te doen en gaf het even later op met een gesis van frustratie.
'Nou, goed dan,' mopperde hij wrokkig. 'Maar als mamma vraagt waar je bent, ga ik niet liegen.'
'Natuurlijk niet,' zei Lorrie en pakte de hark en het teerkleed op. 'Dan spreek je de waarheid, dan zeg je dat je niet weet waar ik ben. Dat is toch ook zo?' Grijnzend woelde ze haar broertjes haar door de war, tot zijn aanzienlijke irritatie. 'Je krijgt er geen spijt van, Rip, dat beloof ik.'
Hij snoof, en even later draaide hij zich om en liep weg. Lorrie glimlachte naar zijn rug en vertrok in de richting van de vijver en, heel toevallig, de lonkende bossen daarachter, een vrolijk wijsje neuriënd.
Rip begreep het niet en was ook een beetje kwaad. Waarom mocht Lorrie niet meer op jacht? En als ze echt niet mocht, waarom kon ze dan niet wachten met stoppen tot ze hem alles had geleerd wat ze wist? En wat wilden jongens dan eigenlijk van Lorrie? Haar jagersmes? Rip wilde Lorries jagersmes maar wat graag hebben. Dat had een hertshoornen heft en een zevenduims stalen lemmet met zo'n scherpe rand dat het echt overal dwars doorheen sneed.
Op een dag zou hij hem misschien krijgen, maar nu nog niet. Als Lorrie te oud was om bepaalde dingen te doen, dan was hij nog 'te jong'. Hij wierp een blik over zijn schouder in de richting die zijn zus had genomen. Hopelijk overkwam haar niets. Mamma had echt heel bezorgd om haar geklonken. En ook om Bram.
Waarom zou ze bezorgd zijn om Bram? vroeg Rip zich af. Bram was de liefste mens op de wereld. En hij vond Lorrie leuk, dat kon je zo zien. Rip schudde zijn hoofd. Grote mensen waren bezorgd om allerlei dingen waar hij niets van snapte. En met vragen stellen maakte je het er meestal alleen maar erger op.
Met een zucht keek Rip rond. Zijn ochtendklusjes waren af, dus hij was vrij om te spelen tot het middageten. Ik ben een krijger.' besloot hij, en draafde weg naar een denkbeeldig paard om de indringers van de andere wereld te verslaan. Hij griste een goeie stok van de grond en zwaaide ermee in het rond.
'Aha! Schurken! Mijn kasteel aanvallen, hè?'
En de veldslag om het Koninkrijk te redden begon.
Kom bij Lorrie, dacht het meisje.
Het was een jong en mollig diertje, en ook naar konijnenmaatstaven niet al te snugger. Langzaam huppelde hij door het struikgewas langs de rand van het woud, dat kleurrijk smaragdgroen van de eerste lentegroei was. Af en toe bleef hij staan om te knabbelen aan besjes of scheuten. En hij was op weg naar het konijnenparadijs: een groepje wilde bosbessenstruiken.
Nu!
Het konijn hield de kop naar beneden en de oren naar voren, de aandacht volledig gericht op wat hij at. De volgende generatie zou alerter zijn.
Lorrie hield de slinger paraat, een rond steentje in de holte, het binnenste riempje stevig tussen duim en wijsvinger, de buitenste met haar andere vingers tegen haar handpalm gedrukt. Met een soepele, doorgaande beweging kwam ze vanuit haar gehurkte positie omhoog en bracht onderwijl de slinger in beweging. Die werd wazig toen ze arm, schouder en bovenlijf in de beweging betrok, één volle cirkel boven haar hoofd. Het konijn kwam op zijn achterpootjes overeind, de ogen en oren draaiend op zoek naar het geluid, blaadjes vallend uit de nog knabbelende kaken.
Zwiep!
Met een lange, vloeiende boog schoot de steen los, zo snel dat hij een grijze veeg werd. Net toen het konijn wilde springen, trof de steen hem tegen de zijkant van de kop, met de doffe klap waar ze altijd van ineenkromp. Maar toch, eten was eten, en het konijn was al dood voordat hij bang had kunnen zijn - varkens slachten vond ze veel erger, want varkens waren slim genoeg om te weten waar al die voorbereidingen voor waren.
Het lange, wollige lijf lag nog net te stuiptrekken toen ze aan kwam rennen.
'Twee tot drie pond minstens,' zei ze blij toen ze hem oppakte aan de achterpoten. Goede kost. Konijnenstoofpot met aardappelen en tuinkruiden, geroosterde konijnenbout, vleespastei met uien en peen ... Ook de ingewanden werden gebruikt: de honden en de varkens waren er dol op, en de botten braken ze en gooiden ze op de composthoop.
Een mooie dag, dacht ze opgewekt. Vier fazanten en vier vette konijntjes. En aangezien ze niet lang goed bleven, werd dat de hele week eten als op een oogstfeest.
Met de zon laag aan de horizon lag ze op haar gemak onder een grote eik te dagdromen. Bram kwam binnenkort terug uit Nes, en ze stelde zich voor hoe het zou zijn als hij haar kwam opzoeken. Misschien bracht hij wel een cadeautje voor haar mee, een haarspeld of wat mooie stof voor een sjaal die ze kon dragen op een dansfeest. Als het hem aan de middelen voor een aandenken ontbrak, dan zou hij vrijwel zeker weidebloemen voor haar meebrengen. Die zou hij haar geven met die charmante glimlach van hem, en misschien kreeg ze wel een kus van hem. Ze voelde haar wangen warm worden bij de gedachte.
Op haar vijftiende was Lorrie al druk aan het bedenken wie haar man zou worden, en Bram was de beste kandidaat van de buurt. Knap, kon alles, wist alles wat een plattelander moest weten en was erfgenaam van een goede boerderij. Hij werkte hard, was eerlijk en oprecht en niet gespeend van intelligentie en humor, kwaliteiten die vaak verloren gingen in het harde leven van een man die zo jong was als Brams zeventien jaren. Met een tevreden zucht dacht Lorrie aan zijn knappe gezicht, zijn gouden haar en de bijzondere glimlach die hij haar had geschonken toen hij afscheid was komen nemen.
Brams moeder, Allet, wilde dat hij zijn aandacht richtte op de dikke, verwende Merrybet Glidden, wier vader de grootste boerderij in de omtrek had, en dat wicht verbeeldde zich dat ze zich nooit hoefde vuil te maken aan eerlijk werk, met haar drie dienstmeiden en twaalf knechten. Lorrie glimlachte grimmig. Zo zou dat verwaande mormel het ongetwijfeld ook het liefste hebben. Toen trok ze haar neus op, en grijnzend nestelde ze haar schouders dieper in het zachte gras waarop ze lag. Zowel Brams moeder als Merrybet stond een teleurstelling te wachten - Bram werd de hare. Ze wist het gewoon.
Lorrie zuchtte. Het werd tijd dat ze terugging, ook al was het vroeger dan ze van plan was geweest. Ze had weg willen blijven tot het net donker was. Als dit de laatste keer moest zijn dat ze alleen ging jagen - of ooit nog ging jagen - en ze toch straf zou krijgen, had Lorrie het ervan willen nemen ook. Laat hen maar ongerust zijn, had ze zichzelf voorgehouden. Ze was graag zo lang mogelijk in de koele, groene afzondering van het woud, in de muffe herfstgeur van paddenstoelen en gevallen bladeren. Dat zou ze zo missen.
Maar haar schuldgevoel riep haar naar huis. Lorrie vond het toch wel erg om haar moeder en haar vader ongerust te maken. Pappa zou geduldig de volle laag van haar moeders bezorgde drift verduren tot ze kwam opdagen, luisterend naar dreigementen die afschrikwekkender werden met het verstrijken der minuten. Maar daarna zouden ze ruziën over haar straf, elk bewerend dat de ander te streng was, tot ze het eens werden over iets wat nauwelijks nog straf was te noemen. Lorrie glimlachte. Ze waren zo voorspelbaar.
Toen ze overeind kwam om te gaan, overviel haar een vreemd gevoel dat langs haar hals naar beneden stroomde tot in haar maag. Eerst dacht ze dat het verbeelding was, maar toen voelde ze een flits van iets wat schel was als angst. Of zelfs meer dan angst, maar het was vrijwel meteen weer verdwenen. Lorrie was zover van huis dat het gevoel van Rip afkomstig moest zijn. Ze schrok er zo van dat ze op een holletje naar huis vertrok, onderwijl denkend aan alle mogelijke dingen waar een jongetje van zes zo doodsbang van kon zijn.
Naarmate ze dichter bij huis kwam, nam haar ongerustheid toe, en op het laatst rende ze zo hard als ze kon, haar lange slanke benen flitsend als die van een hert, springend over struiken, dwars door een troep halfwilde zwijnen die naar eikels aan het wroeten waren.
Ze voelde Rip, maar het was alsof hij sliep, en met een schok besefte ze dat ze haar moeder helemaal niet kon voelen. Heel haar leven was daar dat contact geweest, de warmte van haar moeders aanwezigheid ergens in een hoekje van haar bewustzijn. Nooit was daar een leegte geweest, als het zere gat dat werd achtergelaten door een getrokken kies. De zak met de konijnen en fazanten bonkte tegen haar been, en haar longen begonnen te branden en haar hart te bonzen. Ze sloeg er geen acht op.
Geleidelijk aan werd ze zich gewaar van de geur van rook. Brandt er iets? vroeg ze zich af. Lorrie bleef staan en probeerde te bepalen waar de rook vandaan kwam. Als het hartje winter was geweest, dan had haar vader bezig kunnen zijn met het afbranden van een akker. Maar daarvoor was het veel te laat in het jaar, het nieuwe zaad zat al in de grond, en al verbrandde je nog zoveel onkruid, daar kreeg je niet zoveel rook van. Trouwens, het was ook te laat op de dag. Haar gedachten sprongen naar de as die ze die ochtend had weggegooid. Nee, dacht ze. Die ton is niet groot genoeg voor zoveel rook, en hij staat pal naast de waterkuip bij de dakrand, met het zachte regenwater voor het loogproces. Met één ruk aan een touw kon je het er zo in kieperen.
Er schoot een nieuwe siddering van afgrijzen door haar maag toen ze bedacht: Het huis staat in brand!
Daar konden doden bij vallen - eens in de paar jaar was er wel een grote brand in de omgeving.
'Moeder! Vader! Rip!'
Van paniek snakte ze naar adem. Ze liet de wildzak vallen en verliet het pad, sprong over de zigzagvormige afrastering die de drie hectare akkerland scheidde van de bossen. Het hooi was geoogst, en als de wind snelde ze door de stoppels die tot halverwege haar kuiten reikten.
Ze dook langs een enorme oude eik, die haar vader had laten staan als markeerpunt tussen twee akkers, omdat het te veel moeite zou zijn om hem helemaal uit te graven. Haar voet bleef haken achter een knoestige wortel. Ze maaide met haar armen om evenwicht, maar het was te laat. De grond vloog haar tegemoet, en met een smak kwam ze languit terecht. Versuft bleef ze liggen en proefde bloed in haar mond - ijzer en zout - waar haar tanden langs de binnenkant van haar wang waren geschuurd.
Nog even nahijgend wilde ze net opstaan en verder rennen toen ze twee vreemden zag, allebei mannen. Ze zagen er onguur uit, en angstig liet Lorrie zich weer vallen. De bruine wol en het leer van haar kleren waren maar moeilijk te zien tegen de aarde en het verschoten stro, en haar haren hadden vrijwel dezelfde kleur. De late middagzon wierp lange schaduwen, en het landschap was inmiddels beschilderd met heldere randen rond ondoordringbare duisternis. In de schaduw van de stokoude eik was ze onzichtbaar voor de mannen. Die hadden recht naar haar moeten kijken toen ze de heuvel af kwam rennen, om haar te hebben gezien voordat ze viel.
De mannen zagen er precies uit als het soort kerels voor wie haar moeder zo bang was, met hun vette haren, vuile kleren en gezichten die getekend waren door een hard leven. Maar ze waren jong en sterk, dat kon ze zien aan de gespierde koorden in hun nek en onderarmen.
Ze stonden gebogen over iets dat op de grond lag, en een van hen haalde een werktuig uit een vlekkerige jutezak. Het leek op zo'n langwerpige tang van een smid, maar dan breed van voren.
Een van de mannen bediende de handgrepen van het werktuig terwijl de ander zich bukte naar iets op de grond. Met een kreet van afkeer gaf de man met de tang een ruk en deed een stap achteruit, met iets nats en glibberigs in de greep van iets wat eruitzag als tanden.
Lorrie besefte dat het bloed en vlees was, en haar adem stokte van afgrijzen. Als ze een schaap hadden geslacht, waarom zouden ze het dan zo verscheuren? Waarom sneden ze het niet in stukken met de zeer bruikbaar ogende messen die ze op hun heup droegen?
'Ik moet er nog van kotsen!' zei de man met de tang. Hij liet het losgescheurde vlees in een zak vallen en kwam weer naar voren met zijn gereedschap. 'Waarom moeten we het per se zo doen?' Er verdween nog een reep vlees in de zak.
'Dat moet,' zei de ander, overeind komend, 'omdat we ervoor worden betaald.' Hij grijnsde zijn vooruitstekende tanden bloot. 'En als ik had geweten dat jij een meissie was, had ik je wel voor iets anders gebruikt.'
Bij wijze van commentaar spuwde de man in de buurt van de voeten van zijn metgezel, maar niet helemaal erop.
De tweede man keek naar het ding dat ze hadden verscheurd. 'Denk je dat het zo genoeg is?'
'Voor mij wel,' antwoordde de man met de tang en liet het werktuig in de zak glijden. 'Laten we wegwezen hier.'
Ze liepen weg. Lorrie bleef hen nakijken tot ze verdwenen achter een heg, en gebukt rende ze toen naar de plek om te zien wat ze hadden gedaan. Zenuwachtig alle kanten op kijkend ving Lorrie een glimp op van een van de vreemdelingen die verdween over de heuvel naar hun huis, en versteende. Ze hield haar adem in tot ze zeker wist dat ze weg waren en liep toen voorzichtig verder naar de plek des onheils.
Even kreeg Lorrie helemaal geen adem, zo geschokt was ze om te zien dat wat hier lag, eens een mens was geweest. Plotseling leek er iets te klikken achter haar ogen en drong het tot haar door dat ze hem kende.
Het was Emmet Congrove, het manusje-van-alles. Dat zag ze aan zijn kleren en aan het dunnen de grijze haar en de wrat op de rug van zijn rechterhand, altijd ontstoken omdat hij eraan peuterde.
Al sinds vlak voordat Rip werd geboren, hoorde hij bij de familie. Hoe konden ze hem dat aandoen? Hoe kon iemand zoiets doen?
Haar blik losscheurend van de verschrikkelijke wonden in het lijk wendde Lorrie zich af, met haar handen voor haar mond. Ze viel op haar knieën, hulpeloos brakend en onbeheersbaar snikkend. Eindelijk zakte de misselijkheid, en Lorrie sloeg haar armen om zich heen om het zere gevoel te stillen, de laatste resten uit haar mond spugend.
Een plotselinge steek van angst die niet van haar was, bracht haar bij haar positieven. Rip! Lorrie sprong overeind en rende naar huis. Rip was in gevaar. Maar waar is moeder? Waarom kan ik haar niet voelen? Inhaar hart vreesde Lorrie het antwoord, en ze weigerde het te geloven.
De rook werd dikker.
Over de top van de heuvel die het huis en de stal aan het zicht onttrok, rende ze in een rooksluier die zo dik was dat ze niets meer zag. Hoestend bleef ze staan. Ze hoorde hoefgetrappel en het hinniken van een paard maar voelde niet langer de paniekerige angst die Rip kort te voren nog had uitgezonden. Een zuchtje wind spleet de rook, en ze zag dat de stal was gehuld in oranjerode vlammen die bijna wit langs de nokbalk lekten en brulden waar het hooi op de zolder lag opgeslagen. Daarachter meende ze twee ruiters te paard naar de weg te zien galopperen.
Dikke roetzwarte rook wolkte uit alle ramen van hun huis. Ook uit het riet kwamen sliertjes, en ook wat aarzelende tongen vuur. Lorrie slaakte een kreet als de woordeloze roep van een havik en rende de heuvel af, zonder op te letten waar ze haar voeten plaatste, zonder acht te slaan op de dreunende schok waarmee ze op de geribbelde sporen sloegen.
De wind draaide weer en stuurde rookwolken naar haar toe. Ze zag niets, en haar ogen liepen vol tranen. Ze hoestte met haar hele lijf, haar longen droog brandend van de inspanning en de scherpe rook. Toen struikelde ze en viel met een bons voorover. Waar was ze over gestruikeld? Langzaam keek ze om, haar hart bonzend van ontzetting. Het was haar vader, zijn keel opengereten, zijn ogen blind omhoogstarend, zijn baard zachtjes golvend in de wind die de rook voortdreef. Hij lag in een plas bloed, zoveel dat de grond eronder veranderde in modder. Zijn houthakkersbijl lag niet ver van zijn uitgestrekte hand, de rand nog steeds glimmend.
Ze wilde gillen, maar haar keel kneep zich dicht, en het enige wat eruit kwam was een zielig gepiep waarmee ze achteruit over het zand schoof. Met een verstikte snik dwong ze zichzelf op te staan. Een lang moment bleef ze staan kijken naar het weerzinwekkende tafereel. Lorrie stak een hand naar hem uit, staakte haar beweging en trok hem terug, drukte hem tegen haar borst, haar hoofd schuddend van ongeloof. Toen keek ze in de richting van het huis - haar hoofd bewegend met kleine schokjes - en zag haar moeder, gelukkig op haar buik liggend. Ook rondom haar lag er bloed, zoveel dat ze onmogelijk nog kon leven.
Lorrie uitte een snik en hield zich in. Rip leefde nog! Rip had nu alleen haar nog, en alleen zij kon hem redden. Met de grootste moeite maakte ze zich los van de verschrikking, wendde haar blik van haar moeders lichaam, draaide zich om en rende om het huis, de weg af, achter de verdwijnende ruiters aan.
Ze rende tot haar longen pijn deden en ze bloed achter in haar keel proefde. Ze stormde een heuvel op en langs een helling omlaag tot ze weer boven kwam en hen zag: twee mannen, een van hen worstelend met een jongetje.
Rip, dacht ze. Een van zijn schoentjes viel, en de man die hem vasthield, gaf hem een mep tegen zijn hoofd. Een oogwenk later verdwenen ze uit het zicht, rond een bocht in de weg, en algauw kon ze ook het holle geluid van de hoeven op de harde grond niet meer horen.
Zo hard ze kon rende ze naar de plek waar haar broertjes schoen was gevallen. Ze pakte hem en viel op haar knieën, snakkend naar adem tot ze begon te snikken van wanhoop. Nog steeds huilend stond ze uiteindelijk op en wankelde de weg af in de richting die de ontvoerders hadden genomen. Na een paar stappen bleef ze staan.
Ik moet een paard hebben, dacht ze. Ze hadden alleen Horace, hun oude ploegpaard. Het was geen snelle hengst, maar altijd nog beter dan de benenwagen. De ontvoerders konden niet blijven galopperen, op een gegeven moment moesten ze vaart minderen.
'Kalm aan, dan breekt het lijntje niet,' zei haar vader altijd, 'en een mens kan verder lopen dan hij kan rennen.'
Scherp als een visgraat stokte de adem in haar keel toen ze besefte dat ze hem zoiets nooit meer zou horen zeggen. De pijn was lichamelijk, als naalden die staken in ogen en hart.
Huiswaarts kerend zag ze vlammen opflitsen door de rook die boven de heuvels uit kolkte. Alles stond in brand. Lorrie dacht aan haar moeder en vader die in hun bloed lagen...
Ze zijn dood, dwong ze zichzelf in gedachten te zeggen. Een diep zwart gat dreigde omhoog te komen en haar te overweldigen. Het liefste wilde ze wakker worden uit een gruwelijke droom of erachter komen dat ze ijlde van koorts. Ze bleef maar rondkijken in de verwachting dat er iets zou veranderen. Als ze snel omkeek, zou haar vader naar het huis lopen, of als ze snel naar huis rende, zou haar moeder in de deuropening staan.
Een diepe oersnik liet haar lichaam beven, gevolgd door een schreeuw - meer dan een schreeuw: een zwaar gebrul van razernij, pijn en verzet waarmee ze haar vuisten balde, haar hoofd in de nek wierp en krijste tot haar keel er rauw van was en er geen lucht meer in haar longen restte.
Snakkend naar adem dwong ze zichzelf helder vooruit te kijken. Ze moest de pijn verbijten. Later kon ze nog rouwen. Rip leeft nog! dacht ze opnieuw, en alles in haar lichaam werd koud, haar woede en pijn veranderend van vuur in ijs. Rip moet gered! Met hysterie en verwarring liep hij alleen maar meer gevaar. Hij was niet zonder reden levend meegenomen, want anders lag hij wel dood bij zijn ouders.
Rip kon worden verkocht als slaaf, of erger. En voor haar ouders kon ze niets doen. Nu tenminste nog niet. Ze keek nog een keer rond, de beelden van dit moment in haar jonge geheugen brandend. Vergeten zou ze nooit.
Met stille besluitvaardigheid ging ze op weg naar huis.