11 Ontdekking
Lorrie schrok wakker.
Ze hoorde de gebruikelijke ochtendgeluiden: hanengekraai, vogelzang; maar de geur klopte niet: stof en leegte om haar heen, en daaronder te veel rook en te veel mest en niets groens. En ze lag op harde planken, niet op het met stro gevulde beddentijk waar ze op sliep.
Waar - dacht ze.
Het schoot haar te binnen, verpletterend, als de schop van een paard: Ik ben in Nes. Ik ben op zoek naar Rip. Moeder en vader zijn dood.
Het was laat in de ochtend, te zien aan het gele licht dat binnenviel door het luik voor het raam, een zuil vol dansende stofdeeltjes. Ze was alleen, alleen genoeg om nog even stil te blijven liggen terwijl de tranen over haar wangen biggelden.
Mamma! dacht ze. Ik mis je zo, mamma -
Maar ze zou haar moeder nooit meer zien, en toen ze elkaar voor het laatst spraken, hadden ze ruzie gehad. Nooit meer zou ze haar vader zien aankomen over de velden, om haar glimlachend over haar bol te aaien, nooit meer zou hij op een winteravond voor de haard vertellen van vroeger, met zijn langzame, zware stem.
Ze wilde huilen, maar de tranen kwamen niet. In plaats daarvan was er een doffe, zere leegte. Ze kwam overeind en wreef in haar gezicht. Rip leeft nog, berispte ze zichzelf. Daar moest ze zich op concentreren. En ik zal hem vinden!
Maar toen ze zich concentreerde, voelde ze iets anders: Rip was niet langer in Nes. Ze smeet de doek die ze als deken had gebruikt, van zich af, schoot in haar schoenen, stond toen op en ging naar het raam.
Beneden zag ze niemand, en achter de ramen in de omringende pakhuizen zag ze ook niemand bewegen. Ze moest het er maar op wagen dat ze haar ook niet zouden zien. Ze wierp nog één blik op het verfomfaaide linnen dat ze terug op de baal had willen wikkelen en schudde spijtig haar hoofd. Daar was geen tijd voor. Rip kwam eerst. Ze legde een been over de vensterbank, draaide zich om en tastte met haar vrije been achter zich naar het dak. Het raam zat schuin boven het schuurdak. Ze wist nog dat Robbie haar had gewaarschuwd met haar linkerhand de vensterbank te pakken terwijl ze zich met haar rechterhand tegen de muur in evenwicht hield, dan een stukje naar links te zwaaien en zich omhoog te trekken. Ze besloot die procedure om te keren om op het schuurdak te komen. Daarvandaan was het maar een kleine sprong naar de steeg eronder.
'Wat heeft dit te betekenen?'
De bulderstem leek van vlak achter haar te komen. Van schrik viel Lorrie bijna uit het raam. Ze gleed omlaag en greep zich vast aan de vensterbank. Een lang moment hield ze zich roerloos, met haar kin amper boven de vensterbank uit, zich vastklampend aan het raamkozijn - niet alleen maar alsóf haar leven ervan af hing, want onder haar was niets dan harde kasseien, zes el lager. Angstig wierp ze een blik over haar schouder maar zag niemand. Aan de overkant keek er ook niemand uit de ramen.
'Hoe bedoel je?'
De stemmen kwamen van de hoofdstraat, net voorbij de hoek met de steeg, precies op de plek van de grote deuren van het pakhuis.
'Ik bedoel dat die kratten over een klein halfuur al op de kade moeten zijn als de Krab het tij nog wil halen. Waarom staan ze nog niet op de wagens? Wat heb je de hele ochtend uitgevoerd, met je handen aan je potlood?'
'Ik hoor het net een paar minuten geleden! 's Mijn schuld toch niet?'
Van opluchting omdat het niet tegen haar was gericht, gleed Lorrie een paar duim omlaag. Ze moest haar voeten een stukje naar rechts zwaaien om bij de dakpannen te komen. Net toen ze iets naar links zwaaide, voelde ze de pijn: een plotse, gemeen brandende steek die tegelijkertijd kouder was dan winters ijs, met daaronder het lelijke gevoel van een snee.
Ze had wel eens een ongelukje met gereedschap of met scherpe takken gehad. Maar niet zo. Er stak iets vlijmscherps diep in haar been. Het warme straaltje van haar eigen bloed dat langs haar been liep, deed haar huiveren, en ze snakte naar adem vanwege de extra pijn die zelfs zo'n kleine beweging veroorzaakte.
Ze wilde het uitschreeuwen en naar haar been grijpen, maar dat zou betekenen dat ze te pletter viel.
En dan heeft Rip niemand meer.
Haar hoofd begon te tollen, maar ze vocht tegen de duizeligheid, hijgend door haar mond. Niet loslaten.' commandeerde ze zichzelf. Ze keek omlaag en zag een ogenschijnlijk onschuldig stukje glas tussen de stenen zitten. Een of andere glazenier had zijn werk slordig gedaan, en het langwerpige stuk was uit een kapot raam gevallen en blijven steken tussen de stenen. Als een kristallen dolk had de glassplinter in Lorries been gesneden. Ze haalde diep adem en hield zich met al haar lichaams-én wilskracht vast aan het raam.
Haar handen verstevigden zich om het kozijn, haar vingers pijnlijk op het splinterige hout. Zo kon ze niet blijven hangen, en een val van deze hoogte zou nog veel meer pijn doen dan wat ze nu voelde. Nogmaals haalde ze diep adem en hees zichzelf op naar de vensterbank. Door de snerpende pijn van haar gekwelde wond liet ze bijna los, en van schrik vergat ze te schreeuwen. Toen de verrassing voorbij was, hield ze zich stil door haar tanden op elkaar te klemmen en aan Rip te denken.
Als ze werd gesnapt, ging ze naar de gevangenis, en als ze in de gevangenis zat, kon ze hem niet helpen. Ze mogen me niet vinden, dacht ze. Ik moet sterk zijn.
De ruzie beneden op straat ging onverminderd verder, eerder luider zelfs. Het was te hopen dat ze genoeg kabaal maakten om niets te horen van het gehijg en gespartel waarmee ze terug het zoldertje op klom. Maar ze moest snel zijn, het geschreeuw trok mensen naar de ramen rondom. Lorrie trok haar gewonde been terug zo ver als het ging, maar toen ze zich weer ophees, bleek dat net niet ver genoeg. Met een snik van pijn en frustratie bleef ze proberen, ook al sneed het door haar been.
Nu was ze halverwege naar binnen, met haar middel op de vensterbank hangend. Ze ademde in tussen haar tanden, snel en wanhopig, gaf toen een ruk waar ze het bijna van uitschreeuwde en was bevrijd van het uitstekende stuk glas. Zo stil als ze kon klauterde Lorrie terug de kamer in en liet zich op de stoffige vloer glijden, bijtend op de muis van haar rechterduim om de gil te smoren die zich door haar keel heen naar boven worstelde.
Nadat ze op adem was gekomen, kwam ze overeind om de schade in ogenschouw te nemen.
Van wat ze zag, viel ze bijna flauw. Een lange, diepe en rafelige snee van vlak boven haar knie tot boven in haar been. Het bloed liep eruit en druppelde al in een plas op de vloer; het enige voordeel was eigenlijk dat het er niet uit spoot. Het been reageerde toen ze het van schrik bewoog, dus de pees was niet doorgesneden. De glasscherf was recht door het midden van de spier gegaan. Maar als ze zo hevig bloedde, kon ze binnen een uur dood zijn. Een boerendochter had verstand van wonden - en wist hoeveel bloed een varken had, wat ongeveer net zoveel was als een mens.
Doe iets! riep ze zichzelf toe.
Met bevende handen haalde ze de waterfles van haar gordel en goot wat over haar been. Het brandde als vuur, en even werd het haar grijs voor de ogen. Vlug pakte ze de fles weer op die ze had laten vallen en luisterde of iemand het geluid had gehoord. Er gebeurde niets, en ze keek weer naar haar been.
Toen het bloed was weggespoeld, had Lorrie kunnen zien dat de wond moest worden gehecht. Ze had haar moeder dat een keer zien doen bij Emmet, hun manusje-van-alles, toen zijn bijl was uitgeschoten, en ze had zorgvuldig naar haar instructies geluisterd. Maar dit zag er een stuk erger uit, en ze had niets om als naald te gebruiken. En ze had haar moeder ook niet. Lorrie drukte haar hand tegen haar mond, heel stevig. Ze had geen tijd om te huilen, ze bloedde, en flink ook.
Ze sleepte zich naar de baal linnen en sneed er een schoon stuk van af. Daarop trok ze haar broek omlaag en verbond het been zo strak als ze kon, met repen rondom het been over een dikke lap op de wond. Als ze hem niet kon hechten, dan kon ze hem in elk geval samendrukken. Misschien was dat ook genoeg. Vervolgens hees ze haar broek weer op en ging liggen op haar geïmproviseerde bed.
Wat moet ik nu? dacht ze. Ze voelde Rip almaar verder weg gaan. Maar met haar gewonde been kon ze niet eens naar beneden klimmen, ook al stond er niemand, laat staan twee mannen te paard achtervolgen. Ik had Horace niet moeten verkopen.
Maar ze had zo zeker geweten dat Nes hun eindbestemming was. Waarom zouden ze anders haar broertje ontvoeren dan om hem als slaaf te verkopen? Alleen werd hij landinwaarts verplaatst; het gevoel was als een innerlijk weervaantje, dat langzaam bewoog en de weg wees. Waarom? herhaalde ze in zichzelf, keer op keer.
Het innerlijke geschreeuw was begonnen in wanhoop en eindigde in woede. Waarom Rip, waarom haar ouders, waarom zij, waarom nu? Wie waren die mensen, waar waren ze mee bezig? En bovenal het allerbelangrijkste nog altijd: waarom?
Lorrie deed haar ogen dicht. Als een verpletterende golf viel de duisternis in.
Het was net licht toen Flora Robbies kamer binnenglipte; een rustige dageraad, naar Krondorische maatstaven.
'Waar was jij vannacht?' eiste ze op zeer luide fluistertoon.
Verrast trok Robbie zijn broek zo hard omhoog dat hij zich zeer deed. Hij wierp een vuile blik over zijn schouder, vechtend tegen de neiging om naar de pijnlijke delen te grijpen.
'Jij...' Zijn stem klonk zo hoog dat hij kuchte en opnieuw begon. 'Jij zou toch kloppen voordat je binnenkwam?'
'Tsk! Alsof je daar iets hebt wat ik nog niet heb gezien,' zei ze smalend.
Robbie trok zijn wenkbrauwen op. 'Weet je tante dat ook?' vroeg hij lief.
Flora's mondhoeken trokken omlaag, en blozend wendde ze haar blik af en veegde haar haren naar achteren. 'Nee. En misschien heb je wel gelijk. Misschien moet ik het maar gewoon voor me houden.'
'Ik vind eerlijk dat dat het beste zou zijn,' zei hij, niet zonder medeleven. 'Voor iedereen, bedoel ik.'
Ze snoof, niet erg gemanierd voor een dame. 'Ja, ik mag niet vergeten dat jij er ook belang bij hebt.' Toen keek ze hem aan, door de spleetjes van haar ogen. 'Maar waar was je nou, vannacht?'
'Wezen wandelen,' zei hij met een frons. 'Gewoon even rondkijken in de stad. Ik kon wel wat beweging gebruiken.'
Bezorgd perste Flora haar lippen op elkaar, liep naar hem toe en legde een hand op zijn arm. 'Je mag niets uithalen zolang je hier woont,' fluisterde. 'Alsjeblieft, Robbie, dat is belangrijk.'
'Ik heb niets verkeerds gedaan,' wierp hij tegen.
'Nou,' - ze zwaaide geërgerd met haar handen - 'als je 't maar laat!'
'Hoe bedoel je, niets uithalen? Dat kan ik niet beloven, Flora. Ik ben een Snaak, geen priester.'
'In ieder geval niet zolang je hier bent,' zei ze met smekende blik. 'Als je iets verkeerds doet, heeft dat zijn weerslag op mij en op hen, en de schande zou vreselijk zijn.'
'Met "iets verkeerds" bedoel je vast nog iets meer dan gewoon "niet stelen", hè?' vroeg hij. 'Volgens mij bedoel je ook niet naar taveernen gaan, niet dronken worden, niet vechten, niet gokken...'
Ze schudde haar hoofd, haar ogen groot.
'En...' Met een vinger streelde hij haar wang.
Flora deinsde terug alsof ze van haar leven nog nooit een zeeman had gepest. 'Dat zeker niet!' zei ze.
Robbie staarde haar aan. Het was nog niet eens zo lang geleden dat we dat deden. Moetje haar nu eens zien! In een mum van tijd was Flora officieus fatsoenlijk geworden. Hij zette zijn handen op zijn heupen en lachte haar uit.
Met een snelle blik op de dichte deur van zijn kamer siste ze hem tot stilte.
'Flora,' zei hij hoofdschuddend, 'ik kan me niet voorstellen hoe je die mate van zelfbeperking gaat overleven.' Al zouden de overvloedige maaltijden en het gebrek aan zorgen over de toekomst natuurlijk wel geweldig helpen. 'Maar als je dat wilt, dan kun je het krijgen. Ik maakte me zorgen over jou toen we hieraan begonnen, weet je nog?'
Ze keek nog steeds bezorgd, en hij kreeg medelijden met haar. Daarom legde hij een hand op zijn hart en zei: 'Ik ben niet van plan jou of je familie te schande te brengen.'
Met stille vastberadenheid vroeg ze: 'Vertel me dan alsjeblieft eens wat je vannacht hebt gedaan.'
Robbie slaakte een diepe zucht en liet zijn hoofd hangen. 'Goed dan, als je het per se wilt weten: ik heb een meisje gered.'
Flora maakte een verstikt geluid, en toen hij haar aankeek, zag hij een bijna komische uitdrukking van verrassing op haar gezicht. 'Wie dan? En waarvan?'
'Echt!' zei hij. 'Het was een boerendochter, vermomd als jongen, en ze was in handen gevallen van een stel zeer corrupte leden van de dievenwacht. Ken je Gerem Benton nog?'
Ze knikte. 'Gerem de Slang? Oplichter die snel rijk wilde worden door boeren te bezwendelen met balletje-balletje en valse diamanten? Ja, wat is er met hem? Die is toch dood?'
'Hij is springlevend en heeft een bende van de dievenwacht hier. Ziet eruit alsof hij onder één hoedje speelt met de mannen van de drost, zo leek het mij, tenminste. Hij had dat meisje bijna, maar ik kon haar bevrijden. Hij wist niet dat het een meisje was, anders zou hij misschien wel beter zijn best hebben gedaan haar vast te houden.' Robbie schudde zijn hoofd. 'Weet je, deze stad zou een stuk beter af zijn als ze een eigen Oprechte Man hadden,' voegde hij er wijs aan toe.
'Een boerendochter vermomd als jongen?' zei Flora bedenkelijk, haar neus optrekkend. 'Waarom was ze vermomd?'
Daar dacht Robbie over na. 'Heeft ze niet gezegd. Maar ze was wel eerlijk, want ze wilde geen oud linnen als deken gebruiken voor het geval ze het kapot zou maken.'
Kennelijk zag Flora de waarheid daarvan in, want ze knikte. 'En waar is ze nu?'
'Ik heb een slaapplaats voor haar gevonden op een verlaten zoldertje van een pakhuis,' antwoordde hij. 'Als ze geen rare dingen doet, is ze daar veilig.'
'Breng me naar haar toe,' zei Flora plots.
'Hè? Waarom?'
'Misschien kan ik haar helpen,' zei ze.
'Sinds wanneer ben jij zo'n weldoenster? Geloof je me soms niet?' Gekwetst liet hij iets van zijn wrok in zijn stem horen.
'Nou, als iemand mij eens had geholpen toen ik net wees was,' reageerde Flora enigszins verhit, 'dan had ik misschien geen hoer hoeven worden!'
'0,' zei Robbie. Au! 'Goed dan. Maar misschien is ze er niet meer,' waarschuwde hij.
'Nou, dan hebben we het tenminste geprobeerd.' Flora keek hem streng aan. 'Ik ga mijn sjaal halen en tante Cleora zeggen dat we gaan winkelen, dus help me herinneren dat we op de terugweg iets kopen.' Bij de deur voegde ze eraan toe: 'Als we terug zijn, moesten we maar eens helpen met wat huishoudelijke klusjes, als fatsoenlijke jongelui. Ik wil een goede indruk maken voordat tante Cleora me meeneemt naar opa.'
Robbie keek naar de dichte deur. Huishoudelijke klusjes, dacht hij. Schitterend.
Zijn ballingschap begon er steeds slechter uit te zien.
Flora trok de achterkant van haar rok tussen haar benen omhoog en stopte hem in haar ceintuur, en maakte zo een wijde variant op een broek waarin ze kon klimmen.
Die laat zich ook nergens door ontmoedigen, dacht Robbie, terloops links en rechts kijkend. Er stonden mensen aan het einde van de steeg die hen konden zien als ze keken ... maar dat deden ze vast niet. En als ze keken, dan kon het hun vast niet schelen. Ze hadden het veel te druk met het laden van kratten op een ezelwagen, en uit ervaring wist Robbie dat menners zich alleen maar bemoeiden met andere zaken als het na werktijd was en wanneer ze hadden gedronken.
Robbie richtte zijn aandacht op de klim. In het heldere ochtendlicht waren alle handgrepen tenminste goed te zien, en vakkundig begonnen ze het lage gebouw onder het raam van de verlaten zolder te beklimmen. Flora had erop gestaan een zak met wat te eten mee te nemen, en die had ze in haar rok gebonden. Robbie had een kleine wijnzak aan zijn riem gehangen. Als iemand ons wil tegenhouden, kan ik nog zeggen dat we hier de ramen komen lappen ook, dacht Robbie toen Flora omhoog ging.
'Robbie !' fluisterde Flora schor. 'Er zit bloed!' Ze keek omlaag en liet Robbie haar hand zien. Op de palm zat een kleverige roodbruine veeg. Het bloed was bijna droog, dus het zat er al een tijdje. Robbie trok zijn mes en klemde hem tussen zijn tanden. In sommige situaties kon dat handig zijn, en het binnendringen van een ruimte was er daar een van. Hij beduidde Flora opzij te gaan opdat hij erlangs kon.
Goed oplettend wat hij deed met zijn tong - hij hield zijn mes scherp - zakte hij onder het raam door zijn knieën en lanceerde zich met een koprol naar binnen. Hij liet het mes los, ving het op bij het heft, en zijn ogen en mespunt gingen de zolder rond.
'Verdomme,' zei hij kalm, borg het mes weg, draaide zich om en stak een hand uit. 'Ze is gewond. Kom.'
Flora hees zich omhoog naar het raam en schrok van al het bloed op de vloer - ze wist bijna zo goed als hij dat dat wees op een ernstige wond. Toen ze Lorries bleke gedaante zag liggen op het met bloed besmeurde linnen sloeg ze haar hand voor haar mond en drukte zich tegen de muur.
'Banath bescherm ons,' fluisterde ze. 'Ze is vermoord!'
Robbie ging op een knie naast Lorries slaapplaats.
'Nee, ze ademt,' zei hij opgelucht. Maar er lag wel een hoop bloed. 'Lorrie,' riep hij zachtjes. Hij raakte haar schouder aan. 'Lorrie.'
Het meisje schrok wakker en snakte naar adem alsof ze lucht hapte om te gillen. Vlug legde Robbie zijn hand op haar mond. 'Ik ben het, Robbie. Niets aan de hand. Ik heb iets te eten meegebracht.'
'We hebben iets te eten meegebracht.' Flora duwde hem aan de kant. Haar stem maakte duidelijk dat ze niet was vergeten hoezeer hij had geprotesteerd toen ze hem had gevraagd brood, kaas en wijn te kopen.
'Wat is er gebeurd?' vroeg Robbie. 'Wie heeft dit gedaan?'
Tot zijn stomme verbazing begon ze te glimlachen. 'Ik,' antwoordde ze. Er ging een schok door hem heen toen hij zag hoeveel ze op de prinses leek. 'Toen ik uit het raam klom, begon er iemand te schreeuwen.' Ze kwam op haar ellebogen overeind en keek hem versuft aan. 'Ik schrok, en ik gleed uit. Mijn been raakte iets.' Ze ging weer liggen. 'Ik heb er een verband omheen gedaan, maar het doet pijn.'
Dat zal best, dacht hij, kijkend naar de strakke, doordrenkte lappen linnen. Goden, wat is ze onhandig.' Meteen voelde hij zich schuldig. Nou ja, ze is ook geen Snaak, maar een gewone boerendochter.
'Je bent veel bloed kwijt,' zei Flora. 'Zal ik maar even kijken?'
Lorrie knipperde met haar ogen en keek Robbie aan.
'Dit is Flora, een vriendin van me,' zei hij. 'Maak je maar geen zorgen.'
Lorrie knikte, hees zich moeizaam overeind, knoopte het koord om haar middel los en keek Robbie aan. 'Het is op mijn been,' zei ze.
Robbie knikte. 'Heb je hulp nodig?'
Schaapachtig keek het meisje hem aan.
'Robbie,' siste Flora tussen haar tanden door, 'draai je om.'
'O! ' zei hij en deed het. Alsof het mij iets kan schelen. Hij hoorde Flora naar adem happen. 'Wat?'
'Het is erg,' zei ze. 'Een heel diepe, lelijke snee. Je moet een paar spullen voor me halen.'
'Ja, ho eens even,' zei hij en begon zich om te draaien. De twee meisjes maakten meteen zo'n drukte dat hij met zijn rug naar hen toe bleef staan. 'Wat heb je nodig?' vroeg hij knorrig.
'Wat wondkruidpoeder, wat duizendbladpoeder en duizendbladtheebladeren, vrouwenmanteltinctuur, wat wilgenbastthee en' - hij hoorde dat ze aarzelde - 'wat papaversap. En een dunne naald en draad. Kattendarm, als je eraan kunt komen. Anders waslinnen.'
'Verder nog iets?' vroeg hij na een korte stilte. 'Dansmeisjes, olifanten...'
'Geen papaversap,' mompelde Lorrie. 'Ik moet op zoek naar mijn broertje.'
'Jij gaat nergens heen met die wond in je been,' zei Flora. 'Vandaag niet. Schiet op!' blafte ze tegen Robbie.
Hij ging, behoorlijk in zijn wiek geschoten. Hij had die Lorrie al wijn en brood gebracht, en nu moest hij ook nog een apotheker voor haar loskopen? Wat werd er verder nog van hem verwacht? Papaversap! Wist Flora wel wat dat kostte? Maar Lorrie had wel gezegd dat ze dat niet wilde. Onderweg dacht hij erover na. Nee, hij kon het maar beter gaan halen. Met al dat bloed moest ze flinke pijn hebben. Robbie zuchtte. Waarom bleken goede daden achteraf altijd zo duur te zijn?
Toen hij terugkwam, lag Lorrie weer te slapen. Flora zat te peinzen en keek op toen Robbie moeiteloos door het raam naar binnen zwaaide.
'Bedankt,' zei ze toen ze de medicijnen in ontvangst nam. 'Heel erg bedankt Robbie,' voegde ze er na een korte stilte aan toe. 'Niemand is ooit zo aardig voor me geweest.'
'Laat maar zitten,' zei hij nors, schokschouderend.
Prinses Anita, wat heb je me aangedaan? vroeg hij zich af, slechts half voor de grap. Vrienden heb ik altijd geholpen, maar dit is belachelijk! Flora heelt geen hulp nodig, die is met haar neus in de boter gevallen, en die boerentrien ken ik amper! Ook al lijkt ze nog zo op jou - als jij op de boerderij zou zijn geboren, tenminste.
Hij zag dat Flora haar best had gedaan om het bloed op te vegen. In een hoek lag een hoopje nat linnen, en om Lorries been zat schoon verband. De geur hing er nog, vaag onder het muffe schimmel en stof van het pakhuis, maar nu hoefden ze zich er tenminste geen zorgen over te maken dat iemand het tussen de planken door zag sijpelen. Ze had ook water gehaald, wat essentieel was voor iemand die veel bloed had verloren.
Flora rangschikte de medicijnen en de naald en draad. Lorrie werd wakker maar maakte een suffe indruk. Flora had haar vast die hele zak wijn gegeven tegen de pijn.
'Help me haar omdraaien,' zei ze.
Dat deed hij, en hij kromp ineen toe ze de wond blootlegde en aan het werk ging. Zedigheid was vast niet meer zo belangrijk, vermoedde hij, als er alleen maar een stuk dijbeen blootlag dat eruitzag alsof het onderweg was naar een slagerij. Maar hij wendde zijn blik toch maar af.
Op een of andere manier was het minder tandenknarserig om een wond van jezelf te laten dichtnaaien dan om te kijken hoe dat bij iemand anders gebeurde, tenzij je het gewoon kon zien als een stuk vlees.
Lorrie onderging het goed en hoefde niet vast te worden gehouden. Ze huiverde en hijgde slechts, en zijn oorspronkelijke goede oordeel over het meisje ging een paar stapjes omhoog. Trouwens, overwoog hij, zij zou er een stuk langer last van houden dan hij.
Flora verricht daar ook knap werk, dacht hij. Ze mocht dan niet zo soepel in de vingers zijn om goed te kunnen zakkenrollen, maar ze kon uitstekend overweg met naald en draad.
'We hebben je nog iets te vragen, Robbie,' zei Flora zonder op te kijken. Ze bond de laatste hechting vast en sneed de kattendarm af met een scherp mesje.
'Nee,' zei hij tegen de muur. 'Ik dacht op de terugweg al dat jullie me nog iets zouden vragen, en het antwoord is nee.'
Lorrie deed haar ogen open en keek hem aan.
'Nee!' zei hij, zijn blik afwendend. Lorries droeve ogen leken hem veel te veel op die van de prinses. Het was moeilijk te geloven dat hij gevoelig was voor de ogen van een meisje, maar hij was heel erg bang dat het toch zo was.
'Mijn broertje is ontvoerd,' zei Lorrie met hese stem. 'Hij is nog maar zes.' Ze haalde diep adem, duidelijk om te voorkomen dat ze ging huilen. 'Ze hebben mijn ouders vermoord en ons huis en onze stal platgebrand. Er is nog maar weinig van over, maar het land heeft waarde, en er is nog steeds wat vee en een wagen. Dat mag je allemaal hebben als je hem helpt.'
'Zie ik er soms uit als de drost?' vroeg Robbie. 'En is dit niet iets voor de drost?' De blik waarmee hij Flora aankeek, zei: Ja, dit is iets voor de drost, dat weet jij ook.
'Niemand zou me geloven,' weeklaagde Lorrie. Flora suste haar. 'Het spijt me,' fluisterde ze. 'Al onze buren dachten dat mijn ouders zijn gedood door wilde honden of zo en dat die mijn kleine broertje hebben meegesleept. Maar dat is niet zo. Er waren twee mannen. Een grote en een magere. Die zijn op paarden weggereden, hiernaar toe. Inmiddels zijn ze verder het land in, en ze hebben Rip meegenomen. Ik kan voelen dat ze steeds verder en verder weggaan.' Ze stortte in en huilde alsof haar hart zou breken. 'Wil je hem gaan zoeken, alsjeblieft?'
Stomverbaasd keek hij naar de twee jonge vrouwen. 'Hoe moet ik dat dan doen?' vroeg hij. Ook al zou ik het willen. 'Ik heb geen idee hoe die mannen eruitzien of waar ze naar toe zijn, ik ken je broertje niet, ik heb geen paard, en al had ik er een, ik kan niet rijden. Je vraagt me het onmogelijke!'
'Hou je mond! ' siste Flora. 'Ga er maar even over nadenken terwijl ik Lorrie schoonwas.'
Weggestuurd ging Robbie uit het raam zitten kijken. Waarom ben ik nou opeens de schurk? dacht hij, ervoor wakend een pruillip te trekken. Ik heb haar toch al gered? Twee keer!
Na voor zijn gevoel geruime tijd - en een paar kleine, gesmoorde kreten van pijn, op een of andere manier onrustbarender dan de vele die hij al had gehoord - zei Flora: 'Je kunt je weer omdraaien.'
'Kijk,' zei hij, en hij zag hoe bleek beide meisjes waren, 'het is niet om egoïstisch te zijn. Het is alleen...'
'Dat je er liever niet dieper in betrokken raakt,' maakte Flora zijn zin af.
Hij stak protesterend een vinger op. 'Dat zei ik niet.'
'Dat hoeft ook niet,' zei ze smalend. 'Ik ken je, Robbie. Maar...' Flora zweeg, slaakte een zucht en liet haar schouders hangen. 'In Krondor zou je Lorrie nooit hebben geholpen. Maar ik ben toch teleurgesteld, ik dacht dat je was veranderd.'
Robbie trok een wenkbrauw op, en zijn mond verstrakte. Hij zou Lorrie wel degelijk hebben geholpen, ook in Krondor. Maar dat kon Flora niet weten, die had de prinses nooit ontmoet en wist niet wat hij voor haar voelde. En misschien wilde hij haar dat ook wel helemaal niet laten weten. Hij keek naar Lorrie, die inderdaad heel sterk leek op prinses Anita, tot in die gekwelde blik die de prinses had gehad wanneer ze dacht aan haar gevangen vader.
Lorrie verplaatste haar blik en keek hem aan. Toen hij één kristallen traan stil over haar wang zag rollen, slaakte Robbie een zucht. Nu was hij verloren. Die ogen kon hij onmogelijk de rug toekeren zonder minder over zichzelf te gaan denken.
'Goed dan, ik zal het proberen.' Hij stond op, en al zijn bewegingen spraken van zijn tegenzin. 'Maar ik beloof niets, en ik weet niet wanneer ik terug ben.' Tegen Flora zei hij: 'Je zult een verhaal moeten verzinnen om je tante te vertellen waarom ik weg ben.'
'Ik zal haar zeggen dat je op reis bent...'
'Zeg maar dat het voor werk is. Handelsleerling of zoiets. Blijf vaag, ik heb je de bijzonderheden niet verteld - ik zorg welvoor een compleet in elkaar gezet verhaal als ik terugkom.'
Flora knikte.
'Volgens mij gaan ze in noordoostelijke richting over de kustweg,' zei Lorrie. 'Probeer die kant maar eerst. En wees voorzichtig. Die twee hebben mijn moeder en vader en Emmet moeiteloos vermoord, en slap of zwak waren ze geen van allen. Pas goed op jezelf.'
'Bedankt,' zei hij. 'Zal ik doen.' Hij keek naar Flora, die een stuk verband oprolde en eruitzag alsof ze van trots uit elkaar zou barsten. 'Doe je tante de groeten, voor het geval het wat langer duurt.'
Voordat hij nog iets kon zeggen, sprong ze overeind voor een onstuimige omhelzing. Toen ze hem losliet, gaf ze hem een duwtje. 'Vooruit, dan, en doe voorzichtig.' Ze sloeg haar armen over elkaar onder haar borsten en keek ernstig. 'Je weet waar je me kunt vinden.
Robbie glimlachte naar haar en schudde zijn hoofd. Ze veranderde zo snel dat hij haar amper nog herkende. Toen draaide hij zich om en klom uit het raam. Het eerste wat hij moest, waarschijnlijk, was op zoek naar een paard.
'Nee,' zei de herbergier onverschillig. 'Die zijn net na zonsopgang gegaan. Als altijd.'
Jarvis Coe liet een paar munten op de toog vallen. Vreemd, dacht hij. Na dat gesprekje van hen gisteren, had ik verwacht dat ze een flink ontbijt zouden drinken. Goedkope huurlingen hadden zelden discipline of wilskracht. Anders deden ze wel ander werk - of rekenden ze hogere prijzen, op zijn minst.
De herbergier negeerde het koper en poetste eromheen. Zijn wenkbrauw bewoog even toen er zilver glansde naast het doffere metaal.
'Welke weg hebben ze genomen?'
De munten verdwenen in de vlezige hand van de herbergier. 'Noord over de kustweg, als altijd.'
Je kon geen paard bij een stal huren, maar je kon er wel een kopen in de wetenschap dat de staleigenaar hem later terug zou kopen. Met ferme pas liep Coe door de noorderpoort, het oponthoud vervloekend. Het was een redelijk warme, laat-zomerse dag, ideaal reisweer - maar helaas ook voor zijn prooi. Als vanzelf nam zijn geoefend oog bijzonderheden in zich op - hoe de wachters nonchalant leunden op hun speren en hellebaarden, tegenover de ontspannen alertheid van hun kapiteins blik; en de kwaliteit van hun uitrusting: versleten maar duurzaam. Alles wat hij had gehoord, wees erop dat de Heer van Nes ongebruikelijk veel zorg besteedde aan de bewaking van de hoofdstad van zijn baronie. Hij had het grootste deel van zijn leger - zo'n tweehonderd soldaten - gestationeerd in het oude fort aan de rand van de stad en hield slechts een kleine erewacht op zijn landgoed, vele mijlen ver weg. Maar hij had geen erfgenaam, dus misschien vond hij de veiligheid van zijn burgers belangrijker dan die van hemzelf.
Het bestuur leek te worden overgelaten aan de enige koninklijke magistraat van het district, de leiders van de stads gilden en de havenmeester. Dat systeem werkte vermoedelijk goed genoeg zolang er geen oorlog uitbrak, want anders liet de hertog wel beslag leggen. Maar het plaatselijke garnizoen was het platteland gaan verwaarlozen. Er werd niet eens regelmatig gepatrouilleerd tussen het oude kasteel en het landgoed van de baron.
Dat had geleid tot wanorde op het platteland. Verwaarlozing leidde al gauw tot de komst van bandieten. Of van een groep plaatselijke bullebakken die het makkelijker vonden om vrouwen te verkrachten en schapen te stelen in plaats van te werken. En de drost had noch de tijd, noch de middelen om de wet echt te handhaven, zonder een opdracht van de baron of een bevelschrift van de magistraat.
Peinzend over deze merkwaardige gang van zaken liep Coe door de poort. Nes was eigenlijk nog steeds eerder een groot dorp dan een kleine stad, bestaande uit de gebruikelijke verzameling ambachten en werkplaatsen die binnen de muren van een stad onpraktisch of verboden waren, daarom was het nooit gekomen tot bewoning buiten de muren maar was er voorbij de open ruimte onder de muur wel een welvarende open markt ontstaan. Hij ging af op de onmiskenbare geur van een paardenhandel, en hield zijn pas in toen hij naderbij kwam.
'Meester Robbie! ' zei hij. 'Is dat even een leuke verrassing. Hoe is het met je pleegzusje?'
Als het voor Robbie net zo'n grote verrassing was, dan hield hij dat meesterlijk verborgen. Zijn donkere ogen stonden zelfs strak, koel berekenend, oud voor zijn leeftijd, ook al was hij hard en snel opgegroeid, waar Coe om durfde te wedden.
Hem van top tot teen opnemend kwam Coe terug op het oordeel dat hij aan boord van het schip over Robbie had gevormd: een knul nog, van amper vijftien zomers. Maar een zeer ongewone en getalenteerde knul. In dat ei van zijn jongensjaren tikt een man tegen de schaal, en een gevaarlijk man ook nog naar het zich laat aanzien. Bruin krullend haar - slecht geknipt, waarschijnlijk met een mes gesneden - contrasteerde met de keurig nette maar niet opzichtige tuniek en broek. Coe vermoedde dat de laarzen niet aan Robbies voeten zo waren versleten.
Maar er was nog iets, bedacht Coe. Hij gedraagt zich zonder een spoor van jeugdige onzekerheid. Hij beweegt zich als een acrobaat, soepel als een kat die zich van alles in zijn omgeving bewust is. Hij kan mensen uit de weg gaan zonder erop te hoeven letten, door behendig door een menigte te gaan zonder iemand aan te stoten. Coe glimlachte. Misschien was dat niet helemaal waar, maar als Robbie op straat tegen iemand aan botste, dan was dat naar Coe's vermoeden met opzet.
Het zwaard aan zijn zij was genoeg om de aandacht te trekken. Het was het wapen van een volwassen man, en het gevest was veel te duur voor de rol die de jongen speelde, van iemand aan de vervallen kant van de adelstand. Maar Coe vermoedde dat de kling van gelijke kwaliteit was als de kom en de schede, en dan was het wapen de huur van tien boerderijen waard. En afgezien van de vraag hoe de jongen het in handen had gekregen, kon hij er vast zo goed mee omgaan dat het onverstandig was om hem uit te dagen. Nu al zou een verstandig man voorzichtig zijn. Die knaap is beslist zo snel als een fret en waarschuwt vast al evenmin voordat hij iemand naar de keel vliegt.
'Flora? Die maakt tante Cleora helemaal gelukkig,' antwoordde Robbie. 'Leuk om u weer te zien, meneer.'
'Insgelijks, mijn jongen. Ben je op zoek naar een baantje als stalknecht?'
'Goden, nee, meneer!' grijnsde Robbie. 'Ik heb geen verstand van paarden. Maar ik moet een eind over de kustweg, en dan heb ik er toch eentje nodig.'
'In welke richting?' vroeg Coe.
Robbie keek hem argwanend aan. 'Eh, noord, oost.' Hij schokschouderde.
'Precies de kant die ik op moet,' zei J arvis opgewekt. 'Waarom rijden we niet samen op?'
Zonder te wachten op antwoord riep hij de stalmeester toe om nog een rijdier te zadelen, en voordat Robbie kon protesteren, wierp hij een gouden munt naar de man met de woorden: 'We willen ze terugverkopen als we terugkomen.'
Behendig ving de stalmeester de munt op. 'Als u ze gezond en wel terugbrengt, koop ik ze.'
Glimlachend wendde Coe zich tot Robbie. 'Zo. Geregeld.'
Als de jongen een hekel aan zulk eigenmachtig gedrag had, dan hield hij dat goed verborgen. 'Ik heb geen ervaring,' zei hij slechts.
'Doe maar een vriendelijke,' riep Coe naar de stalmeester.
'Ik wil u niet ophouden, meneer,' zei Robbie.
'Dat doe je ook vast niet, Robbie. Ik ben niet van plan om in galop te gaan. Net als een mens kan een paard verder lopen dan hardlopen. Heb je proviand?' Of iets anders dan de kleren aan je lijf dat absurd dure zwaard en een verdacht grote hoeveelheid klinkende munt?
'Eh, nee, ik dacht eerst een paard te regelen en dan op de markt te kopen wat ik nodig heb,' antwoordde Robbie. 'Zoals ik al zei, meneer, ik wil u niet ophouden.'
'Helemaal niet, helemaal niet,' zei Jarvis en gaf de knaap een vriendschappelijke mep op de rug. 'Want zoals ik al zei, ik heb geen gloeiende haast. Waar ga je heen?'
Er klopte iets niet met die jongen. Hij kon er alleen zijn vinger niet op leggen. Maar zowel hij als zijn zogenaamde pleegzusje, zo jong als ze waren, leek hem stukken ervarener en minder welwillend dan ze zich voordeden. Dat intrigeerde hem, en hij wilde er meer van weten. Dat wil ik altijd. Dat is een van de dingen waarom ik zo goed ben in mijn werk, dacht hij met puur realisme. En daarbij was het mooi meegenomen dat hij aan zijn nieuwsgierigheid toe kon geven zonder een omweg te maken. Deze keer. Bij andere gelegenheden had die nieuwsgierigheid hem gebracht in situaties die iemand fataal werden.
Zijn rug deed nog zeer van die vriendschappelijke mep, en Robbie grijnsde ongemeend. Misschien deed hij er niet onverstandig aan om die kerel uit de weg te gaan. Over het algemeen vertrouwde hij rugmeppers niet, want die vond hij bullebakken die dat eigenlijk niet wilden laten blijken. Maar bullebakken pakten je altijd iets af, en Coe struikelde bijna over zijn eigen benen om behulpzaam te zijn. Dat was verwarrend.
'Ik probeer alleen een paar vrienden in te halen,' zei hij. 'Die zijn vanmorgen vroeg vertrokken.'
'Ach.' Coe's interesse was zichtbaar gewekt. 'Dan vraag ik me af of ik hen niet ken. Ik ben ook aan de late kant om mee te rijden met een paar kerels die ik moet spreken. We doen wel samen met mijn proviand, mijn jonge vriend.' De stalmeester bracht de twee paarden, gezadeld en wel. 'Stijg op.'
Nu sta ik bij hem in de schuld, dacht Robbie. En dat wordt alleen nog maar erger. Ik heb een hekel aan schulden, maar het is ook dom om hulp af te slaan als je die nodig hebt. Wat weet ik nou van achtervolgingen door velden en bossen? Stegen en riolen en zelfs Radbrands kerkers, daar redde hij zich wel. Maar op het platteland was hij net zo verloren als ... wel, als Lorrie hier in de stad, waar zelfs een volslagen vreemde als Robbie op zijn pootjes terechtkwam.
Robbie nam de situatie in ogenschouw. Ik zou gewoon weg kunnen rennen, maar dat trekt de aandacht. Trouwens, zolang je nog niet dood bent, heb je altijd nog een keuze. Hij kon de gok wagen om met Coe mee te reizen en te zien wat er gebeurde. Als het er link uit ging zien, kon hij ergens stoppen met mensen in zicht en zeggen dat het zijn vrienden waren. En in het ergste geval kon hij de bossen in om zich te verstoppen. Daar was hij goed in, verstoppen en klimmen.
Hoeveel moeilijker kon het zijn om je in een struik of een boom te verstoppen dan in een steeg?
Hij vertrouwde de man niet, maar aan de andere kant vertrouwde hij een nieuw gezicht nu eenmaal nooit. Coe had hem geholpen, met de polsband die een einde had gemaakt aan Robbies zeeziekte, en hij had hem goede raad gegeven over een verblijfplaats in Nes. Een van de dingen die hij tijdens zijn wandelingetje van vannacht te weten was gekomen, was dat het in de Jonge Haan inderdaad net zo min pluis was als in sommige kroegen in Krondor. En eigenlijk werd de man er met beide daden zelf niets beter van, want hij had geen reden gehad om te verwachten dat hij Robbie ooit nog terug zou zien.
En ik ben nieuwsgierig naar hem. En nieuwsgierigheid is een van de dingen die van mij zo'n goeie dief maken, en verdomd, hiermee wordt die jacht op Lorries broertje alleen maar minder saai. Per slot van rekening had hij zich al afgevraagd wat hij zou doen als hij de ontvoerders had ingehaald.
Nou, dacht hij bij zichzelf, ik ben toch een dief? Dan steel ik die jongen terug.
Maar dat was grootspraak, en dat wist hij drommels goed. Een van de dingen die Robbie de laatste tijd had geleerd, was dat hij niet alles kon wat hij dacht, alleen veel. Een geharde tegenstander met een zwaard in de hand was zorgwekkend. Twee tegenstanders, wel, dat was gewoon dom. Als hij Coe in kon zetten, dan had hij zowaar een kans om Rip te redden.
Er was iets met die man wat niet helemaal klopte, maar Robbie voelde wel aan dat hij deugde. Hij speelde geen open kaart en hield, net als Robbie eigenlijk, zijn ware bedoelingen verborgen, maar hij was niet slecht. Zijn leven in Krondor had hem gevoelig gemaakt voor alles wat slecht was, en negen van de tien keer had hij gelijk. Zijn narigheidsknobbel reageerde gewoon niet op Coe.
Wat hem wel zorgen baarde, was wie Jarvis Coe eigenlijk wilde inhalen. Heel even overwoog Robbie of hij niet een collega kon zijn van de twee die Rip hadden ontvoerd. Toen zette hij dat idee van zich af. Was dat het geval geweest, dan zou Robbies narigheidsknobbel beslist hebben opgespeeld.
De stalmeester schraapte zijn keel, en Coe keek hem met een opgetrokken wenkbrauw aan.
'Neem me niet kwalijk,' zei hij. 'Ik was even weg.'
Een van de stalknechten vouwde zijn handen in elkaar. Robbie keek ernaar, toen naar het hoge paard en zette zijn voet erin. Niet dat hij een opstapje nodig had, maar hij had gemerkt dat gewone mensen altijd een beetje schrokken als je blijk gaf van een uitzonderlijke behendigheid.
De stalknecht had enorme bovenarmen. Hij verraste Robbie ook met de kracht waarmee hij hem in het zadel hielp. Was de dief iets minder behendig geweest, dan zou hij zo over het paard zijn geknikkerd. Hij wierp een vuile blik op de man, die grijnzend zijn schouders ophaalde en haast teleurgesteld keek.
Jarvis schudde zijn hoofd. 'Zo zijn ze allemaal,' zei hij tegen Robbie. 'Iedereen vindt het leuk om met beginnelingen een geintje uit te halen.'
De kerel schokschouderde nog eens en toonde sterke gele tanden die veel leken op die van zijn beschermelingen. 'Het leven is saai,' zei hij. 'Je moet een pretje maken waar je kunt.'
Weer keek Robbie hem vuil aan. 'Hou je van giften?' vroeg hij en haalde en zilverstuk uit zijn riem.
'Hè?' vroeg de knecht.
Overschakelend op straat jargon herhaalde Robbie: 'Hou je van fooien?'
De grijns van de man werd breder. 'Tuurlek!'
Robbie stopte de munt weer weg. 'Zoek dan iemand anders om een pretje mee te maken.'
Coe schoot in de lach. 'Kom,' zei hij en keerde zijn paard.
Maar nog voordat ze het erf hadden verlaten wist Robbie al dat zijn paard eenzelfde gevoel voor humor had als de knecht.
Iedereen die ik ontmoet, is ineens een rare snuiter, dacht hij. Goden, wanneer kan ik weer terug naar Krondor? Tegen de tijd dat ze de laatste kraam aan de rand van de markt passeerden, was zijn kont al beurs. Het kan me niet vlug genoeg zijn, dacht hij.
Verkeer was er nog steeds - alles van een kudde schapen die naar de stad werd gedreven tot wagens die de stad verlieten en voetgangers die voortsjokten langs het stoffige witte lint van de heerbaan die noordwaarts kronkelde. De wind voerde een zweem van oceaanlucht met zich mee, en de enkele bomen wezen de richting van de heersende wind door naar rechts over te hellen. Er kwam stof tussen zijn tanden, opgeworpen door voeten, hoeven en wielen. Aan de diepe voren was te zien dat modder misschien nog erger was.
Robbie hoestte en ging ongemakkelijk verzitten, en de ruin maakte daaruit op dat hij er op een draf vandoor moest. Niets wat hij zei of deed, kon hem nog op andere gedachten brengen. Coe verscheen naast hem, en hij had zichtbaar moeite zijn lachen in te houden. 'Ga achter in het zadel zitten,' zei hij. 'Niet zo aan die teugels trekken, want daar erger je hem alleen maar mee. Geef een rukje als je gaat verzitten en laat dan vieren. Als hij niet inhoudt, geef je nog een rukje.'
Robbie schoof naar achteren in het zadel. Het paard aarzelde, alsof hij niet zeker wist wat zijn berijder wilde, maar na een paar stappen minderde hij vaart en bleef toen staan.
Coe's paard wilde naar hem bijten, en handig trok Coe het hoofd van zijn ruin opzij.
'Bedankt,' hijgde Robbie. Ik lijk wel gek om bang te zijn om van die knol af te vallen.' dacht hij, wrijvend over een rib die een pijnlijke tik van zijn zwaardgevest had gekregen. Ik ben van veel hogere daken naar beneden gesprongen.'
'Je kunt echt niet rijden, hè?' zei Coe.
De jonge dief schudde zijn hoofd. 'Ik was Krondor nog nooit uit geweest,' zei hij. 'En daar hoefde ik niet te kunnen rijden.' Hij trok een zuur gezicht. 'Maar ik heb het vaak gezien, en het zag er zo makkelijk uit dat ik zeker wist dat het me wel zou lukken.'
Coe gaf een kuchje dat verdacht veel klonk als een onderdrukte lach. 'Nou, om te beginnen: zie je die lus voor je linkerknie? Daar kun je de schede van je zwaard door laten glijden. Als je nog niet zo vaak hebt gereden, kan het gevaarlijk zijn om hem los aan je zij te laten hangen.'
Robbie maakte prins Arutha's geschenk los van de gordel en stak hem door de lus, waar de schede goed in bleef hangen.
'Rijden is eerder dansen dan gewoon maar wat op het paard zitten.
Maar je bent snel en sterk, dus moeilijk hoeft het niet te zijn. Onthou alleen dat de rug van het paard op en neer gaat als het dier loopt. Hoe sneller hij loopt, hoe sneller de beweging. Daarom grijp je je vast, zodat je niet nog harder op en neer stuitert. Gebruik je knieën als veren, alsof je omlaag springt van een hoogte...'
Goed, zal ik proberen, dacht Robbie. Hij moest denken aan de manier waarop prins Arutha hem had leren zwaardvechten. Meteen merkte hij dat de ruin meer ontspannen raakte. Dan is hij niet de enige, dacht hij bitter.
'Goed. Denk eraan dat het paard kan voelen wat je van hem wilt. Als je harder knijpt met je benen en voorover leunt, weet hij dat je sneller wilt. Als je achterover gaat zitten, weet hij dat je wilt stoppen. Probeer maar eens een bocht te maken door te drukken met één knie. Je houdt de teugel aan dezelfde kant tegen de hals en leunt een beetje voorover en naar de kant die je op wilt - nog iets meer, eerder een kwestie van je gewicht te verplaatsen dan van verzitten - je trekt alleen maar aan het bit als je moet schreeuwen. Juist, dat is hem. Nu dan -'
'Dit is knap vermoeiend,' zei Robbie een poosje later.
'Dat komt misschien omdat je te gespannen bent,' verklaarde Coe. 'En je gebruikt spieren die je nog nooit hebt gebruikt. Maak je geen zorgen, dat wordt vanzelf minder.'
'Ik hoop dat we niet ver hoeven,' mompelde Robbie.
Daar moest Coe om lachen. 'Bekijk het eens van de positieve kant: te paard leg je een grotere afstand af.'
'Ja, maar daarna kan ik niet meer lopen.'
'Je bent jong en gezond, Robbie, dat gaat zo weer over.' Coe reed een stukje vooruit en zei geruime tijd niets meer om het Robbie zelf uit te laten zoeken. Nadat de ruin en hij tot een verstandhouding waren gekomen, verhoogde Robbie het tempo tot hij weer naast de man reed.
Robbies benen voelden ongemakkelijk aan, maar dat was niets vergeleken bij het ongemak dat hij voelde omtrent Coe en diens relatie tot de mannen die ze volgden. Langs zijn neus weg vroeg hij: 'Die mannen die je zoekt, zijn dat vrienden van je?'
Coe schudde zijn hoofd. 'Nee. Ik denk alleen dat ze iets weten wat ik interessant vind.' Hij keek Robbie aan. 'En jij?'
De jonge Snaak kon zich nog goed herinneren dat hij hem had verteld dat hij achter vrienden aan ging. Kennelijk was hij niet geloofd. Vroeg of laat zou ik hem de waarheid toch hebben moeten vertellen. Kan ik dus net zo goed meteen doen. 'Eerlijk gezegd,' begon hij voorzichtig, 'heb ik hen nog nooit gezien.'
'0, penvrienden?' vroeg Coe grijnzend.
Robbie lachte niet eens en schudde zijn hoofd. 'Nee, het zit zo: Flora en ik kwamen een meisje tegen, een boerendochter die naar de stad was gekomen om haar broertje te zoeken. Ze is gewond en kan nergens heen, en ze zegt dat haar broertje door die mannen is meegenomen van de boerderij van haar familie. Ze heeft me gevraagd hem terug te halen.'
'Zomaar?' vroeg Coe. Hij keek oprecht verbaasd. 'Dat is erg edelmoedig van je, meester Robbie, maar hoe wilde je hen ervan overtuigen om die jongen los te laten?'
'Eerst moest ik een paard hebben,' antwoordde de jonge dief, 'en daar was ik me op aan het concentreren toen jij verscheen. En het probleem met het paard was zo vlot opgelost, dat eh...' Robbie aarzelde. 'Eerlijk gezegd had ik zo ver nog niet eens nagedacht.'
Coe grinnikte. 'Wel, wat zeg je daarvan?' Hij schudde zijn hoofd. 'Het lijkt erop dat we achter dezelfde twee kerels aan zitten. En die zijn heel erg gevaarlijk.'
Robbie deed zijn best zelfverzekerd te klinken. 'Ik heb wel vaker met gevaarlijke kerels te maken gehad.'
Coe keek Robbie aan, en er school geen humor in zijn blik. 'Dit is geen lolletje, jongen. Dus als je van plan bent de held uit te hangen zonder dat er gewonden vallen, dan stel ik voor dat je dat beestje nu meteen omkeert en je terugrept naar Nes. Want zo gaat het niet gebeuren. Die twee beschikken over informatie die ik nodig heb, en ze zullen niet geneigd zijn zomaar te gaan praten. Ik ga ervan uit dat er bloed vloeit voordat we hiermee klaar zijn. En aangezien ik niet wil dat je mijn plannen verstoort, moet ik erop staan dat ik de leiding heb. Want ik heb wel een plan, en voorlopig ga ik ervan uit dat ik ook meer ervaring met dit soort dingen heb. Volg mijn instructies, dan zullen we er onze uiterste best voor doen dat het bloed dat gaat vloeien, niet van ons is. Zijn we het daarover eens?'
Robbie zweeg even en begon toen te lachen. 'Ik kan je niet zeggen hoe opgelucht ik ben om met iemand te zijn die een plan heeft. Want ik ben hier eigenlijk tegen beter weten in toe overgehaald en heb geen idee waar ik mee bezig ben.' Hij slaakte een theatrale zucht van verlichting. 'Nou, hoe gaan we het doen?'
Als de man versteld stond van Robbies praktische enthousiasme, dan hield hij dat knap verborgen achter een onmiskenbare uitdrukking van pure twijfel. Toen zuchtte hij en voerde het tempo weer op.
'Eerst' zei hij, 'moeten we hen vinden.'