4 Plannen

 

Robbie glipte door de menigte. 'Larry,' zei hij.

De knaap hield goed verborgen dat hij schrok, en Robbie voelde even een golf van trots. Wachters besluipen was geen kunst, maar deze jongen was een even groot vakman als hijzelf.

'Ik heb iets ontdekt.' Robbie keek rond naar de mensen om te zien of iemand hen kon horen. 'Een ingang naar de kerker.' Hij maakte een duwend gebaar met zijn hand. 'Maar er is een probleem.'  

'Wat dan?'

'De enige die de weg weet, is Neville Neusvreugd, dus die moeten we meenemen.'

Larry's opgetogen gezicht werd zuur, alsof hij zijn tanden in iets vies had gezet.

'En ik heb hem een halve zak wijn moeten beloven - wat betekent...' Neusvreugd was van het type dat om volstrekt onduidelijke redenen in een oogwenk kon verdwijnen maar kon terugkomen om de afgesproken beloning op te eisen. Beloningen ontsnapten nooit aan zijn poreuze geheugen, al herinnerde hij zich de verleende diensten nog zo vaag.  

Ze keken om naar Neville, die een gesprek hield met iemand die er niet was. Robbie onderbrak de eenzijdige dialoog en lokte Neville mee de Rust uit door een straaltje rode wijn uit de zak te laten lopen dat Neville gauw probeerde op te vangen in zijn mond. Toen ze buiten stonden, deed Robbie de stop op de zak.  

'Jij gaat voor,' zei hij.

De oude bedelaar smakte met zijn lippen, haalde een hand over zijn gezicht en hals en likte de druppels wijn van zijn vingers.

Ostentatief zwaaide Robbie de wijnzak over zijn schouder. 'Als je zo ver bent,' zei hij.

 

'Hier is het,' zei Neville.

De drie Snaken zaten gehurkt boven het vieze stroompje dat door het midden van het riool liep. Verderop kwam er door een ovale opening in een muur een zijriviertje uit op de stinkende stroom. Aan de brede banen glinsterend salpeter was te zien dat het straaltje eens groter was geweest.  

'Duurde wel even,' merkte Larry zuur op.

Robbie haalde zijn schouders op. Nevilles waanzin was niet helemaal gespeeld. Vaker dan Robbie lief was hadden ze op hun schreden terug moeten keren terwijl de oude maar zanikte dat hij zo'n dorst had. Maar de jonge dief was onvermurwbaar geweest: geen wijn tot ze de plek hadden gevonden.

Als hij half nuchter al zo is, zien we het daglicht nooit meer terug als ik hem dronken laat worden. 

'Weet je zeker dat het hier is?' vroeg Robbie bedenkelijk.

De tunnel was inderdaad gedeeltelijk ingestort. Er liep een puinhelling omlaag naar de hoofdbuis, waarlangs ze er makkelijk in konden, maar de lucht die van boven naar hen toe blies was nog smeriger dan de bedelaar zelf. 'Er ligt daar een dood beest!' zei Larry.  

Neville sloeg er geen acht op en gaf antwoord op Robbies vraag. 'Ja, tuurlijk weet ik het zeker,' bitste hij. Zijn lippen trilden van kwaadheid, en er was een verkleurde stomp van een tand zichtbaar. 'Als je had opgelet, zou je dat weten! '  

Daar heeft die ouwe druiloor gelijk in, gaf Robbie ongelukkig toe. Ze waren gekomen langs tekenen die erop wezen dat ze de funderingen van de veste naderden.  

'Pfoeh!' kuchte Larry toen hij hoofd en schouders in het gat stak. 'Dat meen je niet! Daar kunnen we nooit in! Daar past nog geen slang doorheen!'

Robbie had serieus met Larry te doen. Hij wierp de wijnzak naar de bedelaar, die zich ermee uit de voeten maakte zonder de rest van zijn wedde op te eisen. Grimassend zag hij Neville Neusvreugd het donker in schieten, klom toen over het puin omhoog en stak de fakkel in het gat.

'Kijk, daar wordt het breder,' zei hij. 'En dit puin is best te verplaatsen.' Hij schoof een handvol opzij en veegde zijn hand af aan zijn broek. Maar goed dat ik toch al van plan was een nieuwe te kopen.  

'In nog geen uur kunnen we genoeg weghalen om erdoor te kunnen, ook als we oppassen om geen kabaal te maken. Daarna is het makkelijk zat, voor lui van ons postuur. We hoeven er per slot van rekening niet te paard door.'

De fakkel flikkerde en brandde lager in de zachte windvlaag, en wankelend deinsde Robbie terug, kokhalzend, weg van de hoop steen en aarde.  

De tranen biggelden hem over de wangen. 'Je hebt gelijk,' zei hij hoofdschuddend, 'alleen uit pure wanhoop zou ik daardoorheen gaan. En dan nog...'

 

Drie schatrijke kooplieden zaten voor de schrijftafel van de waarnemend gouverneur van de stad. De mannen waren lid van het machtige koopmansgilde - een instituut waartoe de rijkste mannen van de stad behoorden, samen met vertegenwoordigers van de andere belangrijke gilden: leerlooiers, smeden, scheepsbouwers, wagenmakers en andere. Na het gezag van het prinselijk hof en de tempels was het koopmansgilde de invloedrijkste factie van het vorstendom. Een aanzienlijk aantal edellieden in het Koninkrijk deed zaken met of had een schuld uitstaan bij de machtigste leden van het gilde. Gewassen van verafgelegen hofsteden kwamen niet op de markt als de menners geen wagens reden. Goederen in pakhuizen gingen nergens naar toe als de havenarbeiders weigerden ze aan boord van de schepen te brengen. Oorspronkelijk was het begonnen als een lichaam dat beschikte in geschillen tussen de verschillende gilden en onafhankelijke kooplieden, maar door de jaren heen was dit gilde uitgegroeid tot een stem voor de rijke klasse in de contreien van macht. Medewerking van het gilde was cruciaal voor het slagen van Del Garza's plannen, en op zijn allerminst moest hij ervoor zorgen dat het gilde hem niet in de weg zou staan.  

De mannen hadden alle drie een even hooghartig gezicht. Hun ogen, glinsterend in het kaarslicht, volgden al Del Garza's bewegingen. Met deftige gereserveerdheid wachtten ze op zijn aandacht, geen acht slaand op de tocht die de wandtapijten deed golven, nauwelijks bewegend om hun mantels strakker rond hun schouders te trekken.

Del Garza bleef schrijven, verder krabbelend aan een vrij onbelangrijk document, zich ten volle bewust van de zeldzaamheid waarmee deze heren blijk gaven van zulk geduld. Hij genoot van deze kleine machtsuitoefening. Dit was dan ook voor zijn plezier; de rest van de inspanningen van de avond waren ten voordele van zijn heer.  

Hij stak zijn schrijfveer weg, strooide zand over het document en schudde ermee, legde het toen opzij en wendde zich tot de mannen tegenover hem. 'Bedankt voor uw komst,' zei hij, zijn stem koud en onoprecht.  

Marcellus Varney, een schipper van Quegse afkomst, trok een wenkbrauw op. Het was een vent met een stierennek die in zijn jeugd duidelijk hard had moeten werken. Nu, op middelbare leeftijd, scholen er nog steeds spieren onder het rijkeluisvet. 'We zijn niet uitgenodigd,' zei hij met afgemeten stem. 'Ik verkeerde onder de indruk dat we waren gearresteerd.' Zijn hele houding sprak van afkeer.  

'Niettemin,' zei de waarnemend gouverneur zeer beleefd, 'u had kunnen weigeren.' Hij hield zijn hoofd wat scheef naar opzij en spreidde zijn handen. 'Nee nee, u moet mij toestaan u te bedanken voor uw medewerking.'  

'Voor de draad ermee,' zei de schipper, zijn stem vlak, zijn blik verontwaardigd.

Del Garza keek hen een voor een aan en maakte een berustend gebaar. 'Zoals u wilt, heren.' Hij leunde achterover in zijn stoel. 'U bent zich, ongetwijfeld, bewust van de bijzondere verordeningen en de noodtoestand die ik in Krondor ga uitroepen. Ik heb een kopie van het bevel naar uw gilde gestuurd, en ik veronderstel dat u daar vandaag over hebt kunnen nadenken.'  

De drie mannen gingen verzitten in hun stoelen. Het amuseerde hem: het was alsof ze het hadden ingestudeerd, zo gelijk ging het.

'Ik heb u hier vanavond uitgenodigd om te zien of ik iets kon doen om uw steun te krijgen. Er volgen moeilijke tijden, en ik wil ervoor zorgen dat de meest gerespecteerde stemmen in het koopmansgilde de noodzaak van deze beslissingen onderstrepen.' Nu is hun belangstelling gewekt, dacht hij, vanbinnen glimlachend. Een beetje vleierij naast intimidatie deed wonderen.  

De heren keken hem aan alsof ze geloofden dat hij hun mening op prijs stelde. En dat was natuurlijk ook zo, zolang die overeenkwam met de zijne.

Rufus Tuney, een graankoopman met zes molens op sleutelposities rondom de stad, trok een grimas en zwaaide toen wat lusteloos met een hand. Het was een fatterig mannetje met een overdreven hang naar kant en poeder, en waar hij ging, dreef er een weeïg zoete wolk van parfum en seringen achter hem aan. 'De nieuwe bepalingen die u hebt voorgesteld zijn niet zonder verdienste,' vond hij. 'Het probleem is alleen dat ze wat... excessief zijn.' Met opgetrokken wenkbrauwen keek hij de waarnemend gouverneur aan. 'Al zouden wij drieën uw standpunt van ganser harte steunen,' - hij trok heel lichtjes zijn schouders op - 'van welk nut zijn slechts drie stemmen?'  

'Laat dat geen punt van overweging voor u zijn, heren,' zei Del Garza met harde, vlakke stem. 'Belangrijker zijn de voordelen die het u brengt.'  

Zijn opmerking werd ontvangen door stilte, en Del Garza zag hen de neiging onderdrukken om elkaar aan te kijken. 'Voordelen?' informeerde Varney.

Ik dacht al dat hij het zou zijn om dat te vragen.

De derde koopman, een handelaar in specerijen, Thaddius Pleet genaamd, ging verzitten in zijn stoel. Het was een onopvallend man die zich eenvoudig doch goed kleedde. 'Zeg eens, Del Garza. Waar wilt u precies heen?'  

En Del Garza had ook verwacht dat hij het voortouw in de onderhandelingen zou trachten te nemen. Soms was het haast te makkelijk. Hij zuchtte. 'Moet ik per se in details treden?' vroeg hij vermoeid. 'Vergeet niet waar u zich bevond, heren, toen mijn mannen verzochten om uw aanwezigheid alhier.' Hij liet dat even tot hen doordringen. Deze keer werden er wat blikken vanuit ooghoeken uitgewisseld.  

Wat een sukkels zijn het toch! Hij had toch al weinig achting voor dit type, maar de drie die hier voor hem zaten waren wel heel erg. Tuney en Pleet hadden genoegens waarvoor ze zich schaamden, hetgeen hen kwetsbaar maakte. Varney had een winstgevende nevenactiviteit met de verkoop van jonge vrouwen en jongens als slaven aan Kesh. Gedrogeerd smokkelde hij hen het land uit in geheime compartimenten aan boord van zijn schepen. Zodra hij niet langer van pas kwam, zou het een zegen voor het Koninkrijk zijn om een einde aan zijn praktijken te maken. Slavernij was verboden in het Koninkrijk, met uitzondering voor gevangenen van de kroon.  

Misschien verkoop ik hem wel aan Groot Kesh. Dat zou zeker wel leuk zijn. En wat de anderen betrof, dat waren gewoon oppervlakkige lieden met domme pekelzonden. De een liet zich graag over de knie leggen door knappe vrouwen, de ander deed graag alsof hij een knappe vrouw was. Behalve zichzelf deden ze niemand kwaad. Ik ben hen bijna dankbaar, en Radbrand ook omdat hij zulke prettig complete archieven heeft bijgehouden. Als hij de voornaamste leden van het gilde in de komende dagen getweeën en gedrieën liet komen, had hij hen keurig afgericht.  

'Dat zet de zaken wel in een nieuw licht,' zei Fleet grimmig. Hij keek zijn twee metgezellen even aan. Niemand hoefde iets te zeggen, ze wisten allemaal dat Del Garza de beschikking had over informatie die hen te gronde zou richten en in Varneys geval aan de galg zou brengen.  

Na een ogenblik stilte zei Del Garza ongeduldig: 'En in dit nieuwe licht ziet u vast ook de weg vrij om mijn decreten te steunen? Tenslotte komt baron Radbrand binnenkort terug, en ik verzeker u dat hij zich veel minder aantrekt van het lot van het gilde in deze kwesties dan ik.'

'Dat... zal zeker,' zei Tuney.

'Mooi. Dus ik kan rekenen op al uw stemmen?' Del Garza staarde hen aan tot ieder van hen had geknikt en iets bevestigends had gemompeld. 'Uitstekend! Ik zal u niet langer ophouden, heren.' Met een neutraal glimlachje pakte hij een document van een stapeltje links van hem en legde dat voor zich neer. 'Een genoeglijke avond, verder.'  

Hij liet een handbelletje rinkelen, en de deur van het kantoor ging open. Buiten wachtte een soldaat. Del Garza richtte zijn aandacht op het document, zich ogenschijnlijk niet langer bewust van hun bestaan.

Vol ongeloof keken de drie kooplieden elkaar aan. Ze waren het niet gewend om zomaar te worden weggestuurd. De blik die ze op Del Garza's neergebogen hoofd wierpen toen ze overeind kwamen van hun stoelen, beloofde kwalijke reprimandes.  

De waarnemend gouverneur had ook dit verwacht, dus toen hij op het juiste moment opkeek, zag hij die blikken en glimlachte. De dreiging in die glimlach was veel machtiger, en dat wisten ze. 

 

'Hoort, zegt het voort!' declameerde de heraut.

Robbie de Hand bleef staan in de schaduw van een portiek, zorgvuldig onopvallend. De heraut ging vergezeld van een soldaat in zwart en goud, en diens ogen waren bedenkelijk actief. Twee dagen waren er verstreken sinds zijn tocht door het riool met Neville Neusvreugd en Larry het Oor, en hij was nog maar net verlost van de lichte buikloop die hij daarvan had overgehouden, dus hij voelde er weinig voor om te worden achternagezeten.  

'Bij proclamatie van de waarnemend gouverneur van de stad Krondor zijn de volgende wetsveranderingen doorgevoerd. Straatprostitutie wordt vanaf nu beschouwd als een misdrijf, gelijk aan roof en inbraak, en zal ook als zodanig worden bestraft. Alle bordelen in de stad moeten een vergunning van de kroon hebben om te mogen opereren. Bedelen is eveneens verklaard tot misdrijf en zal worden bestraft met niet minder dan vijftig zweepslagen.'  

Hij ging verder met het formele besluit van: 'was getekend, vandaag' enzovoorts, maar Robbie luisterde al niet meer.

Als de bordelen een vergunning moesten hebben, hield dat in dat de agenten en soldaten van de hertog de gebouwen doorzochten en de meisjes registreerden. Dat was het punt niet.

Maar inbraak en roof werden bestraft met de strop, en vijftig zweepslagen overleefden alleen de allersterksten. Aangeslagen trok hij zich terug in de steeg. Dat hield in dat iedereen die ze al hadden gepakt - Flora en Gerald en de anderen - eraan gingen. Hij draaide zich om en haastte zich door de doolhof van stegen naar de dichtstbijzijnde ingang naar het riool. Het was nu slechts een kwestie van dagen dat ze nog leefden.  

'De waarnemend gouverneur heeft zijn proclamatie gedaan,' mompelde hij in zichzelf, omlaag zwaaiend aan een rooster en geluidloos neerkomend op de glibberige bakstenen. 'Nu eens zien wat de Oprechte Man te zeggen heeft.' 

 

Snakenrust zat stampvol. Robbie had er nog nooit zo veel mensen gezien, en hij kon zichzelf amper horen praten. Er hing een beangstigde stemming, maar de gezichten om hem heen stonden hard. Er was hier geen Snaak zonder een vriend of familielid die al in de cel zat. Robbie vroeg zich af of de gevangenen wisten wat hun wachtte.  

Tussen de lijven door glippend kwam hij erachter dat niemand enig nieuws had buiten de aankondiging zelf. Niemand wist wat de Oprechte Man eraan wilde doen, noch had iemand de Dagmeester sinds uren gezien, en over twee uur werd de Nachtmeester al verwacht. Onderwijl durfde niemand naar buiten, vooral de vrouwen en bedelaars niet.  

Robbie zag Larry het Oor zitten in de V van een van de plafondbalken, gehurkt als een gargouille, en ging naar hem op weg. Toen hij eindelijk onder Larry's hoge stek stond en ze elkaar aankeken, was dat als een handdruk; ze dachten hetzelfde, zonder een woord te wisselen. De jongere knaap klemde zijn kaken opeen en slikte nerveus. Toen hij opkeek, zag hij iets dat hem deed verstijven.  

'Wat is er?' vroeg Robbie.

'Lachebek Jaap,' riep Larry omlaag.

Anderen hoorden het en volgden de starende blik van de jongen. Een golf van stilte trok door de schaduwen toen het bericht zich verspreidde dat de luitenant van de Nachtmeester in aantocht was. Tegen de tijd dat de Nachtopzichter op een van de tafels stond, was het doodstil in de grote ruimte, op af en toe een kuch en het druppen van water na. LachebekJaap draaide een keer rond om iedereen aan te kijken, nog kwader dan normaal.  

'Jullie hebben het allemaal gehoord,' bulderde hij, 'dus ik hoef de verordening niet te herhalen. Er is gezegd om niets te doen. Laat het over aan de Oprechte Man, en hou je zo gedeisd mogelijk. Begrepen?'

Geruime tijd bleef het stil terwijl de verontwaardiging zich opbouwde als een golf.

'Nou?' eiste Jaap, vuil kijkend.

Hier en daar werd er wat gemompeld, maar de meeste Snaken zeiden niets, staarden slechts, in verwachting van meer, dat eisend met hun stilte.  

'Zijn jullie effe een lekker stelletje,' hoonde Lachebek Jaap. 'Geen vertrouwen, hè?' schreeuwde hij. 'Waar zouden we dan zijn zonder de Oprechte Man? Nou? Ik zal het jullie zeggen, de meesten zouden dan al lang dood zijn geweest. Er is geen kunst aan om trouw te zijn als het goed gaat. Makkelijk zat om je aan de regels te houden en te doen wat er wordt verlangd als alles gladjes verloopt. Maar als het moeilijk gaat, juist dan moet je je aan de bevelen houden. Als we trouw zijn, komen we allemaal door deze zware tijden heen.' Hij keek iedereen onverbiddelijk aan. 'Dus wat wordt het? Bevelen opvolgen, of de straat op geknikkerd, waar de wachters jullie vinden?'

Een beduusd stilzwijgen was het antwoord op die vraag. Er hing een bevestigend gebrul in de lucht, maar de Snaken keken elkaar ongemakkelijk aan, zich afvragend hoe ze het niet konden laten klinken alsof ze niet op straat wilden worden geschopt.  

'Nou ja, als je het zo stelt,' mompelde Robbie. 'Oprechte Man!' schreeuwde hij en stak zijn vuist in de lucht.

Uitbundig schreeuwend nam de menigte die kreet over, bulderend tot er mortel van het plafond naar beneden kwam en Lachebekjaap zijn handen ophief om stilte.

'Ga terug naar je stek,' commandeerde hij. 'Hou je gedeisd en wacht op bevelen. Ik kan jullie wel beloven dat we dit niet zomaar op ons laten zitten, maar niemand doet iets tot je iets anders hoort.'  

Er barstte nogmaals gejuich los dat snel wegstierf toen Lachebek J aap van zijn geïmproviseerde podium stapte. Robbie keek omhoog naar Larry, knikte in de richting van de deur en vertrok, in de wetenschap dat de knaap hem zou volgen als hij kon. 

 

Robbie liep voorop, het riool uit en door een doolhof van steegjes, de meeste groezelig, een enkele schoon, tot ze uitkwamen bij een omheining van in steen gevatte cederhouden palen. Daar klom hij overeen, zette even een voet op een vensterbank en hield zich vast in het gat van een afbrokkelende baksteen om zich op te hijsen zodat hij op de vensterbank kon gaan staan. Balancerend tastte hij omhoog naar de dakrand. Daaraan trok hij zich omhoog, tot zijn tenen het gat in het metselwerk vonden. Met die voetsteun kon hij zich verder omhoogwerken tot hij op de dakpannen lag.  

Stilletjes schoof hij op, zodat Larry achter hem aan kon klimmen. Geen van beiden hijgde, want de hoge wegen waren voor hen even gewoon als de zoldertrap voor een huishoudster.  

Ze lagen op het dak van een luidruchtige haventaveerne - de pannen trilden bijna onder hen van het dronkemanslied dat door matrozen was aangeheven - maar toch zo zachtjes mogelijk schuifelden ze naar de donkere schaduw van een dakkapel. Robbie waagde een snelle blik door het raam en zag dat de kamer leeg was. Op zijn rug, kijkend naar de sterren, lag hij te luisteren of ze werden gevolgd. Larry zat stilletjes naast hem, kennelijk eveneens luisterend.

'Volgens mij gaat de Oprechte Man nog wel iets aan Del Garza doen,' fluisterde Larry uiteindelijk, diep ongelukkig.

Robbie knikte, besefte toen dat het te donker was om dat te zien en gromde beamend.

'Het probleem is alleen,' vervolgde de knaap fel, 'dat niemand anders het doet. En waarom zouden ze? Niemand zal erover klagen als hij tientallen Snaken laat ophangen. Honderd nog wel!'  

Robbie maande hem sissend tot stilte, want dat laatste had hij bijna geroepen. Larry mompelde verontschuldigend, en Robbie gaf de knaap een vriendschappelijke mep op de arm. Maar hij voelde wel met Larry mee. De waarnemend gouverneur maakte het de Oprechte Man zo goed als onmogelijk voordat hij toestemde tot onderhandelingen, als hij dat al ooit zou doen.

In de geschiedenis van het dievengilde hadden Snaken en kroon nooit rond de tafel gezeten, maar in de tientallen jaren sinds het gilde was gesticht, hadden de Snaken bij verscheidene gelegenheden regelingen met de Prins van Krondor getroffen. Bericht van een koopman met connecties aan het hof, een handelaar die het soms niet zo nauw nam met de wet; zo kon een boodschap worden doorgegeven, en van tijd tot tijd vermeed dat een lastige situatie. De Snaken gaven zich over als ze op heterdaad werden betrapt, dat wist iedere dief, zware jongen en bedelaar. Maar af en toe was er een overijverige stadswachter die de verkeerde knaap naar de galg wilde sturen of een onschuldig animeermeisje of bedelaar arresteerde voor een ernstiger vergrijp, en van tijd tot tijd werd er iets afgesproken. Menige Snaak was al plotseling de nor uitgesmeten nadat de schout van Krondor het bewijs van zijn onschuld had gekregen - doorgaans de verblijfplaats van de echte boosdoener, soms op een schuilplaats, soms dood. Andere keren werd er een bende die opereerde zonder toestemming van de Oprechte Man overgedragen aan de mannen van de schout, zodat die er niet achteraan hoefde.  

'De Oprechte Man doet helemaal niets, hè?' zei Larry.

'In zijn huidige positie denk ik niet dat hij het gevaar kan lopen om de situatie nog te verergeren,' antwoordde Robbie. 'Volgens mij hebben we Del Garza niets te bieden. Naar mijn idee is die alleen maar blij als Radbrand terugkomt met de prinses op sleeptouw. En aangezien die onderhand al halverwege Schreiborg is met prins Arutha, zie ik dat zo gauw niet gebeuren. Dus als hij er een hoop van ons ophangt, kan hij tenminste zeggen dat hij zijn best heeft gedaan als Zwarte Gys terugkomt. En als Radbrand onderweg iets overkomt, dan kan Del Garza hem mooi de schuld geven en laten zien dat hij er nog het beste van heeft gemaakt. Het ziet er inderdaad slecht uit voor onze jongens en meisjes.'  

Robbie zweeg een tijdlang. Het zag er niet zomaar slecht uit, het was gebeurd met hen. 'Het is aan ons,' zei hij uiteindelijk.

Hij hoorde een onderdrukte snik en zag Larry's ogen glinsteren toen de jongen hem aankeek. 'Dat kan goed fout voor ons aflopen,' waarschuwde hij.  

Robbie grinnikte. 'Dat doet het ook als Del Garza's mannen ons uiteindelijk te pakken krijgen omdat we niets doen. En de Oprechte Man...' Hij zweeg even om te kijken naar een vallende ster en te overwegen wat de Oprechte Man zou doen. 'Een beloning krijgen we niet, dat is zeker, waarschijnlijk krijgen we een pak slaag voor ongehoorzaamheid. Maar als het ons lukt om iedereen vrij te krijgen...' 

'Iedereen!' piepte Larry.

'Ja, tuurlijk. Waarom niet.'

'Ik wil alleen mijn broertje bevrijden.'

'Nee, dat is niet genoeg!' zei Robbie en ging rechtop zitten. 'Jij wilt je broertje bevrijden, dat begrijp ik, maar als we de anderen ook vrij kunnen krijgen, dan zou dat prachtig zijn. Niet dan?'  

Even bleef het stil, toen: 'Ja-a?'

'En dan zijn wij de helden van het gilde. Dan zijn we veel te populair om te worden omgelegd.'

'Ja, dat zal wel.'

Niet de enthousiaste bevestiging waarop Robbie had gehoopt, maar het kon ermee door. Hij stond op.

'Eerst gaan we kijken op die plek die Neville Neusvreugd ons heeft gewezen. Als we eenmaal weten waar we aan toe zijn, kunnen we plannen maken. Daarna zien we wel.' Hij ging op weg, gevolgd door een schoorvoetende Larry het Oor.  

'Zien we wat wel?' vroeg de jongen.

'Of de Oprechte Man ons laat omleggen of niet,' antwoordde Robbie opgewekt.

 

Robbie droeg een in azijn gedrenkte lap voor zijn neus en mond, en nog moest hij bijna kokhalzen van de stank. Ze hadden een hoop puin van de blokkade geruimd, maar niet alles. De mensen die ze gingen redden waren niet al te groot en hoe dan ook magerder dan toen ze werden gearresteerd. De twee jongens zwoegden stil en snel, tot het zover was dat een van hen omhoog kon klimmen door de verticale schacht waarover Neville hun had verteld. Robbie keek naar Larry. Die was zenuwachtig, zag groen en leek ieder moment te kunnen overgeven. Hij hoefde de knaap niet te vragen om omhoog te gaan. Robbie haalde een keer diep adem door zijn mond, alsof hij onder water zou gaan, en stak zijn hoofd in het gat. Toen hees hij zichzelf omhoog.  

Het was lang niet zo krap als hij door de verhalen van de oude man had verwacht, maar misschien had de oude bedelaar in zijn jonge jaren nog wat vlees op zijn botten gehad. En de wanden waren makkelijk te beklimmen, kennelijk nog van een natuurlijke kloof in het gesteente onder de veste, met meer dan genoeg bulten en gaten voor vingers en tenen. Zelfs de meisjes moesten het kunnen.  

Tot dusver was het enige probleem dat het er glibberig was, van dingen waar je maar beter niet over na kon denken. En het stonk er zo erg dat je neusharen ervan verschroeiden, dwars door de scherpe azijngeur heen. Onophoudelijk beloofde hij Ruthia, de godin van het geluk, dat hij haar een offer zou brengen als ze hem erdoor liet zonder dat er op zijn kop werd gepist. Hoe hoger hij kwam, des te buitensporiger werden de offers.  

Hij hoorde een stem boven zijn hoofd en versteende, maar de spreker liep door. Hij dankte de Vrouwe van het Geluk en keek omhoog. Hij had toch niet zoveel verder kunnen gaan. Vlak boven hem hadden ze steentjes tegen de zijkant van de schacht gemetseld tot zo'n vier voet diepte vanaf de bovenkant, zodat alleen zijn hoofd er nog door kon.  

Vlug klauterde Robbie naar beneden, met bezwaard gemoed. Hij had gedacht de extra stenen rond het rooster weg te kunnen hakken en zich afgevraagd hoe ze het kabaal hadden kunnen maskeren. Maar daarbij had hij er nooit bij stilgestaan dat hij vier voet ver moest hakken! Misschien dat ouwe Neusvreugd het niet had geweten of dat het volgens hem niet zoveel uit zou maken, maar het was zeker een grote complicatie.  

Robbie kon zich de toorn goed voorstellen die de cipier ten deel was gevangen toen er werd ontdekt dat er een gevangene was ontsnapt -misschien Neville Neusvreugd wel, toentertijd. Dus óf de zwaar gekastijde cipier, óf zijn pas aangestelde opvolger had de moeite genomen om ervoor te zorgen dat het de laatste keer was geweest. Een frivool ogenblik vroeg hij zich af wat de huidige cipier zou zeggen om Del Garza en de schout te vertellen dat er tientallen Snaken in één nacht waren gevlucht. Maar hij zette dat grappige fantasietje gauw uit zijn hoofd en dacht na over het probleem om in korte tijd een hoop steen en cement weg te kunnen krijgen.  

Larry stond onder de deels ingestorte tunnel te wachten. 'En?' vroeg hij op fluistertoon.

'Ik moet in bad,' zei Robbie. Dat was iets wat hij niet vaak zei, en hij had het nog nooit zo oprecht gemeend.

'Ik ook,' knikte Larry en vroeg toen: 'Nou?'

'We zitten met een probleempje,' antwoordde Robbie. 'Een kraag van metselwerk die de opening versmalt zodat er nog geen kat doorheen kan. En nog vrij diep ook. Ik moet erover nadenken.'  

 

'Hier kunnen we niet naar binnen!' siste Larry het Oor in Robbies oor. 'Het is hier veel te netjes! '

Dat was het ook: een gebouw van twee etages met meer schoorstenen dan een huis, een bestemming voor mensen die netjes genoeg waren om zich regelmatig te wassen maar de middelen misten om zich de spullen te veroorloven. Er was ook een portier, een zwaargebouwde man die eruitzag als een gepensioneerde soldaat, met een grijze baard en een knoestige knuppel van een wijnstok.

Robbie greep Larry beet en trok hem naar zich toe zodat niemand anders hem kon horen. 'We moeten ons wassen. Del Garza's mannen hebben het voorzien op rioolratten. Nu zien we er niet alleen zo uit, we ruiken ook nog zo. We moeten ons wassen, en het zou een stuk schelen als we er een tijdje niet als Snaken uitzagen. Daarom zijn we hier en niet bij iemands regenton of in de fontein op het Oude Plein.' Hij keek even om naar de portier. 'Doe gewoon alsof je iemand bent en hou je stil.'  

Robbie liep op de man toe. De portier trok zijn neus op - Nou ja, dat kan ik hem niet kwalijk nemen, dacht Robbie - en kneep zijn ogen tot spleetjes. Een vlezige hand ging naar de wijnstok.  

Zonder een woord hield Robbie een zilveren munt ter grootte van zijn duimnagel op. Zoiets werkt altijd, dacht hij, een beschaamd en tegelijkertijd hooghartig gezicht trekkend. Ik heb alleen nog nooit een bad in een net badhuis kunnen betalen.  

Hij was hoe dan ook nooit zo'n badderaar geweest, maar de omgang met heren en prinsessen, hoe kort ook, deed de normen nu eenmaal veranderen. Hij had ontdekt dat hij de goedkeuring van prinses Anita kon verdienen als hij om de andere dag of zo een emmer koud water en wat zeep doorstond, en dat was het waard geweest. Ook was hij erachter gekomen dat hij zich daarna een stuk beter voelde en veel minder jeuk had.  

'Mijn goede man, wij zijn toe aan een bad,' zei hij, zich een accent uit de hogere kringen aanmetend. 'En we willen ook nieuwe kleren kopen.'

'Een bad hebben jullie zeker nodig,' gromde de man. 'En je zal ook wel luizen hebben.'

'Niet in het minst. We zijn wezen ehh...' Robbie trok een schaapachtige grijns. 'Nou ja, we hebben liever niet dat onze ouders erachter komen, en...' Haastig besloot hij: 'U kunt deze zelf houden?'

Argwaan maakte plaats voor minachting toen Robbie hem de munt gaf, en dat vond hij prima.

'We zijn aangevallen door straatschoffies,' kwebbelde Robbie verder - onnodig uitweiden maakte het schuldgevoel geloofwaardiger. 'Ze hebben onze kleren afgepakt en ons in een varkenskot geduwd. We kregen thuis van de meid wat geld om ons schoon te maken. Alstublieft, meneer, mijn moeder is erg strikt, en ze wordt ontzettend boos als we zo thuiskomen.' Robbie had altijd al goed kunnen toneelspelen, en aan de tijd die hij met prins Arutha en prinses Anita had doorgebracht, had hij een heel nieuwe vocabulaire overgehouden. Hij deed het heel aardig in de rol van de zoon van een kleine edelman of rijke koopman. Zolang Larry er maar aan dacht zijn kop te houden.  

Ze hadden allebei genoeg schrammen en blauwe plekken om hun verhaal geloofwaardig te maken. En door het rondstommelen in het donkere riool en het beklimmen van muren en huizen waren ze ook aardig gehavend.  

'Loop maar door,' zei de portier. 'Jullie mogen in de baden, maar dan moet je je eerst goed afspoelen. Jullie moeten zelf op zoek naar nieuwe kleren, het is hier geen kleermakerszaak, jongens.'

Ze gingen naar binnen. De portier sprak een paar woorden in het oor van de vrouw die bij de kleren van de bezoekers zat opdat daar niets uit werd gepikt, en haar boze blik klaarde iets op.

'Ik leg die vodden niet naast de kleren van fatsoenlijke mensen,' zei ze.

'Steek ze maar in brand,' instrueerde Robbie terwijl Larry en hij zich uitkleedden. Dat paste heel goed. Zelfs vodden waren nog iets waard, en de vrouw zou er ongetwijfeld een paar koperstukken voor krijgen. Ze knikte glimlachend, en Robbie begreep dat ze ze later op de avond zou schoonkoken en morgen zou verkopen aan een voddenkoopman.  

'Hé, knul,' zei Robbie. Hij kreeg er schik in. Een van de knechten zette zijn bezem neer en kwam naar hem toe.  

'Mijn broer en ik hebben nieuwe kleren nodig,' zei Robbie uit de hoogte. Hij bekeek de knaap, die qua grootte net tussen Larry en hem in zat. 'Ga jij even wat dingen kopen,' droeg hij hem op. 'Broeken, hemden en ondergoed. Net te groot voor jou is voor mij, en net te klein voor jou is goed voor mijn broer. We zullen het maar doen zonder sokken en schoenen, dunkt me.' Hij keek naar Larry, die knikte, met een hooghartig gezicht. 'Een beetje gedekte kleuren,' vervolgde hij en slaakte een zucht vanwege het vragende gezicht van de knaap. 'Niets roods of oranjes of met een patroontje,' legde hij uit.

Hij telde vijf kleine zilverstukken uit, meer dan genoeg voor de spullen. 'Hou de rest maar,' zei Robbie, ervoor zorgend dat die er was. 'En als je snel terugkomt, krijg je deze ook nog.' Hij hield nog twee zilveren munten omhoog.  

'Dank u, heer,' zei de jongen, tikte met een vinger tegen zijn voorhoofd en stoof weg.  

'Wachten wij in het stoombad?'

Larry rook aan zijn arm en trok een gezicht. 'Ja!' zei hij gloedvol.

 

Schoon en aangekleed gingen ze op weg naar het Armenkwartier. Ze zagen er netjes uit, als gildeleerlingen misschien, als ze schoenen hadden gedragen, dus ze zouden zich redelijk veilig kunnen voelen in de fatsoenlijke wijken van de stad. Maar gezien de omstandigheden konden ze zich nergens veilig voelen, en daar waren ze goed van doordrongen.  

In het Armenkwartier werd er misschien met vreemde ogen naar hun nieuwe kleren gekeken, maar uit hun houding zou duidelijk blijken dat ze er thuishoorden, zodat ze geen onnodige aandacht trokken.

Normaal gesproken, tenminste. Maar onder normale omstandigheden waren er overal straatkinderen en bedelaars en een niet gering aantal hoeren op zoek naar klandizie. Waar de jongens nu liepen, waren de straten vrijwel verlaten. De weinige mensen die er liepen waren voornamelijk volwassenen, die onophoudelijk om zich heen keken, en van hen kregen Robbie en Larry behoorlijk wat aandacht. Het was haast alsof ze waren omsingeld door de geheime politie.  

'Ik kan hier niet tegen,' zei Larry. 'Ik denk steeds dat ik in mijn nek word gegrepen. Ik ga naar de Rust.'

Robbie schudde zijn hoofd. 'Ik niet. Ik heb voor vandaag genoeg van het riool. Ik ga iets drinken.'

Nu schudde de jongere knaap zijn hoofd. 'Vanavond niet.' Hij keek Robbie even aan. 'Morgen,' zei hij, en het was bijna een vraag.

Robbie knikte. 'Morgen.' Hij liet het klinken als een belofte.

Ze gingen uiteen, zonder ook maar één keer om te kijken, Larry verdwijnend in de schemering van een steeg, Robbie weglopend over straat.  

Onderwijl dacht Robbie na.

Die gemetselde kraag moest weg, en dan op zo'n manier dat het geen bewakers trekt. Makkelijker gezegd dan gedaan. Drogeren? vroeg hij zich af. Dan zou het sterk spul moeten zijn, willen ze het kabaal van hakwerk niet horen.  

Maar om bij de bewakers te komen, moest hij naar de gevangenis, waar het in het gunstigste geval een probleem was om de bewakers te benaderen.

Diep vanbinnen roerde zich een idee, nog te vormloos om zich te laten grijpen. Robbie liet het gaan en liep zijn neus achterna, zonder erbij na te denken. Zo konden ideeën soms zijn, had hij gemerkt, ze vluchten weg als je erachteraan gaat maar kunnen zomaar ineens naar je toe komen als je ze met rust laat.  

Hij liep verder, zijn handen in zijn zakken, zijn ogen gericht op zijn blote tenen, luisterend naar de geluiden om hem heen. Na geruime tijd en een flinke afstand bleef hij staan en keek op. Hij bevond zich voor een taveerne. Een uithangbord was er niet, en de anatomische beeltenissen die in de eens gepleisterde muur waren gekrast, kon je nauwelijks meetellen, maar er hing wel een verwelkte takkenbos boven de deur, waarachter geroezemoes en de geuren van veel te oude biezen op de vloer en veel gemorst bier vandaan kwamen.  

Ach, natuurlijk, grijnsde hij en ging naar binnen. Waar anders? Mijn voeten zijn vanavond een stuk slimmer dan mijn hoofd, die hebben me precies gebracht waar ik moet zijn. Pas op dat moment besefte Robbie dat hij meer behoefte had aan magie. Hoe zouden ze het anders moeten klaren? En waar anders in Krondor vond hij een magiër die bereid was hem te helpen? Nergens.  

En er was maar één magiër binnen een straal van een week reizen die niet eerst allerlei vragen zou stellen of het niet aan iemand anders zou vertellen: Asher.

De weinige magiërs in het vorstendom die machtig of rijk genoeg waren om niet door de plaatselijke bevolking te worden verjaagd wegens een vermeende vloek - dode kalveren, zure melk, mislukte oogst - bemoeiden zich met niemand. Bij de zuidoostelijke stadspoort stond een stenen huis van drie verdiepingen waarvan werd gezegd dat er soms een machtig magister woonde, maar Robbie had er nog nooit een teken van leven bespeurd als hij erlangs kwam. Van tijd tot tijd ging het bericht door de stad dat er een rondreizend magiër overnachtte in deze of gene herberg, met daarbij de mededeling of die wel of niet bereid was diensten of magische goederen te verkopen voor goud, maar dat gebeurde maar zelden.  

Nee, Asher was uniek: magiër en zuiplap. En naar verluidde ook iemand die hield van gokken en van vrouwen die maar half zo oud waren als hij. Daarom had hij zijn intrek genomen in een deel van de stad waar niemand met kalveren, melk of gewassen werkte. Met zo weinig welvarende ondernemingen in het Armenkwartier was er nauwelijks reden om iemand anders aan te wijzen als de schuldige van een tegenvaller. Tegenvallers waren hier aan de orde van de dag.  

De taveerne had betere tijden gekend. De knusse hokjes in de hoek waren te chic voor de huidige clientèle, van wie de meesten op hun messchede zaten tijdens het dobbelen, zodat ze meteen zouden weten waar het heft zich bevond.  

Robbie keek naar de verste hoek van de gelagkamer, en zijn grijns werd breder. Maar Alban Asher liet zich in deze taveerne even gemakkelijk vinden als slecht bier in een vieze kroes. Robbie had hem nog nooit buiten deze hoek vol spinnenwebben gezien. Voorzover de jonge dief wist, had hij daar wortel geschoten. Maar aan de andere kant hoefde Asher ook nergens naar toe. De wereld kwam wel naar hem. Hij mocht dan een ouwe zuiplap, een gokverslaafde en een rokkenjager zijn, als hij nuchter genoeg was, deden de bezweringen die hij verkocht het uitstekend. Robbie had wel eens gehoord dat er iets was mislukt, maar dan was er eerder sprake geweest van een teleurstelling dan van een ramp. In ieder geval niet erg genoeg om potentiële klanten af te schrikken. Trouwens, waar moest je in het vorstendom anders naar toe voor een magiër die magie verkocht voor genoeg goud om dronken te worden, kaart te spelen of een jonge meid het bed in te krijgen met iemand van haar opa's leeftijd.  

Robbie bestelde een kroes bier en vroeg een beker van de beste wijn van het huis. Die rook looiig genoeg om verf mee te krabben, en al was hij lang niet kieskeurig, hij was zeker niet van plan om een slok te drinken van het bier dat hij had gekocht. Hij liep ermee naar het tafeltje van de magiër, zette de wijn voor hem neer en nam plaats op de andere stoel, kijkend naar de vormeloze hoop in het zwarte gewaad tegenover hem.  

Het duurde even voordat de man tot leven kwam, maar uiteindelijk lokte de geur van de wijn toch een reactie uit. Uit een mouw verscheen een hand als een klauw die de beker oppakte. De magiër nam een slok en maakte een goedkeurend keelgeluid. Robbies keel sloeg dicht toen hij bedacht wat de man dan gewoonlijk innam. De magiër hikte, liet plots een krachtige boer en grinnikte vals om Robbies gezicht toen de dampen hem bereikten.

Robbie bleef zitten wachten.

Ashers leeftijd viel onmogelijk te schatten. Om te beginnen was het donker in de taveerne en in deze hoek nog donkerder. Daarbij was het hoofd van de magiër omringd door een bos rossig haar. Zijn baard, snor, wenkbrauwen en hoofdhaar waren alle zo dicht en ondoordringbaar als braamstruiken. En van zijn gezicht was niet meer te zien dan een klompneus van ongeveer dezelfde kleur als de wijn en de glinstering van zijn ogen onder zijn borstelige wenkbrauwen. Men vermoedde wel dat hij slechts zestig zomers jong was, maar er waren ook lieden die beweerden dat hij negentig was en alleen nog maar leefde dankzij onzalige bezweringen. Al wat Robbie van de geruchten wist, was dat de magiër leefde in een schijnbare staat van onverschilligheid ten opzichte van de rest van de wereld, tenzij hij aan de drank, de kaarttafel of de vrouwen zat. En alle verhalen repten erover dat hij aardig wat succes met het kaarten en de vrouwen had als hij niet al te buitensporig dronk.  

'Jij heb' iets nodig,' zei Alban Asher op zakelijke toon. Zijn stem klonk zwaar en raspend. Zelfs op zijn stoel zat hij te wiebelen, wat erop wees dat hij al aardig in het glaasje had gekeken.

'Klopt, meneer,' bevestigde Robbie opgewekt. 'En ik betaal extra voor geheimhouding.'

Even later begon Asher te grinniken op een manier die sprak van pure hebzucht. Met een gebaar nodigde hij Robbie uit om verder te spreken.

'Ik heb een paar bezweringen nodig die ik met me mee kan nemen en in werking kan stellen waar en wanneer ik wil,' zei de jonge dief. 

'Liefdesmagie,' zei Asher, wijs knikkend. 'Knapen van jouw leeftijd willen altijd liefdesmagie. ' Hij grinnikte wellustig en tikte met een groezelige vinger tegen zijn neus.

Robbie nam aan dat hij knipoogde maar wist het niet zeker. 'Nee,' zei hij snel, 'geen liefdesmagie.'

'Jongens van jouw leeftijd...' begon de magiër op geërgerde toon.

'Zeer zeker geen liefdesmagie,' herhaalde Robbie.

Ik heb liever dat meisjes een keus hebben, dacht hij. Da's een kwestie van trots. Niet dat het zin had om dat uit te leggen aan iemand die geen weet van dat begrip had.  

'Ik wil een gemetselde muur neerhalen, maar ik heb geen zin om mijn rug daarop te breken. Heb je daar iets voor?'

Asher priemde met een vinger naar hem. 'Jij bent een dief!' snauwde hij op nogal luide fluistertoon.

Robbie wierp een blik naar het plafond. 'Dieven breken geen muren af,' verduidelijkte hij.

De haarmassa pakte samen boven zijn neus, zodat Robbie aannam dat de magiër zijn wenkbrauwen fronste. 'Hmm, da's waar,' gaf Asher toe, knipperend met zijn ogen als een uil in lantarenlicht. 'Weet wel iets wat kan werken.' Peinzend wreef hij over zijn kin. 'Maar daar was iets mee...'

'Maakt me niet uit,' zei Robbie snel, nu zeker dat de magiër dronken was. 'Ik heb ook iets nodig om mensen bewusteloos te maken.'

'Ah!' zei Asher en grinnikte. 'Meisjes! Ik wist het wel!' En hij grinnikte nog wat.  

Het was Robbie opgevallen dat de magiër zeer genuanceerd kon grinniken. In dit geval wees zijn gegrinnik erop dat Ashers relaties met vrouwen, wanneer hij niet genoeg geld had voor de hoeren, het daglicht niet konden verdragen.

'Nee, geen meisjes,' zei Robbie. 'Kerels, grote, zware kerels, dus als hun omvang van belang is, moet je daar rekening mee houden.'

'Kerels?' zei de magiër alsof hij daar nog nooit van had gehoord. Even later haalde hij zijn schouders op. 'Nou ja, ieder zijn meug. Ik weet wel iets - ik kan het wat sterker maken. Maar de bezwering voor die muur...'

Zijn stem stierf weg, en hij keek zo strak over Robbies hoofd heen dat die omkeek. Er was niemand, behalve de kastelein die zat te dutten achter de toog, en een vent die in zijn bier zat te huilen. Waren er verder nog mensen geweest, dan zou dat gewoonlijk wat hoongelach hebben opgeleverd, ware het niet dat de man ongeveer de helft van het gewicht van een zwaar cavaleriepaard leek te hebben en bovendien een litteken als een verse geul van de hoek van zijn kaak tot over een lege oogkas, om nog maar te zwijgen over de lagen glad weefsel van een halve duim dik over de knokkels van beide handen.  

Vanuit zijn ooghoeken keek Robbie naar de magiër en terug naar de toog. Als Asher meer wijn wilde, moest hij maar wachten tot ze klaar waren met onderhandelen en de goederen werden geleverd.

'Wat is er mis met die bezwering voor de muur?' vroeg Robbie. 'Doet die het niet?'

'Jawel hoor, doet het best,' zei Asher langzaam. Hij schudde zijn hoofd alsof hij daarmee iets kon losmaken in zijn hoofd. 'Er was alleen iets...' Hij stak een duim en wijsvinger omhoog, alsof hij iets wilde pakken.

'Is die gevaarlijk?' vroeg Robbie op een toon alsof hij dat ook kon zijn.

De magiër blies zijn wangen bol. 'Alleen als je 'num niet zou moeten gebruiken!' zei hij. 'Maar hij doet het. Hij doet het erg goed, zal ik je vertellen. '

'En bewusteloosheid?' vroeg Robbie.

Met een wegwuivend gebaar liet Asher een buideltje op de tafel neerploffen. 'Nauwelijks magie te noemen,' antwoordde hij. 'Maar als je 'nut wil voor potige kerels in plaats van strakke meisjes...' Hij zweeg even, keek Robbie aan alsof hij iets volstrekt vreemds trachtte te doorgronden en zei toen: 'Maakt ook niet uit. Wacht maar even.' Hij deed zijn ogen dicht, zwaaide met zijn hand boven het zakje en mompelde wat voor zich uit.

Het haar achter in Robbies nek ging overeind staan. Wat hij zijn 'narigheidsknobbel' noemde, liet hem weten dat Asher inderdaad magie gebruikte. Al sinds hij het zich kon herinneren beschikte Robbie over een welhaast bovennatuurlijk vermogen om naderend gevaar of de aanwezigheid van magie te voelen.  

'Nu is-ie krachtiger,' zei Asher toen hij klaar was en duwde het buideltje naar Robbie. 'Neem een snufje, en blaas het in het gezicht van degene die plat moet, en plat gaat-iel'  

'En de muur?'

De magiër gromde. Hij greep een zak van achter zijn stoel, hees hem op de vieze tafel en begon erin te rommelen, steeds dieper gravend tot hij halverwege in de zak zat. Er rammelde en rinkelde van alles, en zo nu en dan grinnikte Asher even, alsof hij moest denken aan een vuil trucje dat hij nog wilde uithalen zodra hij er tijd voor had. 'Ah!' zei hij ten slotte en trok zijn hoofd terug, slingerde de zak terug achter zijn stoel en zette een klein, met een loodje verzegeld flesje op tafel tussen hen in. 'Asjeblieft,' zei hij trots.  

Robbie staarde ernaar. Het was maar zo groot als het bovenste kootje van zijn pink en voorzover hij in het schaarse licht kon zien nog leeg ook. Hij wilde hem pakken om van dichtbij te bekijken, maar voordat hij het flesje kon aanraken, plofte Ashers hand eroverheen.  

'Eh!' zei de magiër waarschuwend. 'We hebben het nog niet over de prijs gehad.'

'Er zit helemaal niets in,' zei Robbie.

'0, toch wel,' fluisterde de magiër. 'Eén klein druppeltje. Meer hebbie niet nodig om het cement te veranderen in zand. Maar wat je ook doet, knoei er niet mee op jezelf,' waarschuwde hij. 'Doe het op je muur, en de klus is geklaard! Maakt niet uit waar - onder, boven, middenwant zolang het steen en het cement elkaar raken, komt het allemaal piekfijn voor elkaar.' Hij leunde achterover. Te oordelen naar de stand van zijn bakkebaarden glimlachte hij.  

'Hoeveel?' Robbie wist het allemaal nog niet zo net, maar een beter idee had hij nog steeds niet.

En een ander idee eigenlijk ook niet, behalve iets met een hamer en beitel en heel veel gebeden tot Ruthia. Niettemin was hij niet van plan om het eerste bod van de magiër te accepteren.

'Wat is het je waard?' vroeg Asher.

'Laten we nog een slok nemen om het ons makkelijker te maken,' stelde Robbie met een opgewekte glimlach voor. 'Herbergier!' riep hij, de man wakker makend. 'Nog twee van hetzelfde! '

 

Het liep tegen zonsopgang toen Robbie met zijn aanwinsten de taveerne verliet. Hij hield het flesje omhoog en tuurde ernaar tegen het licht van een flakkerende lantaren. Het was buiten vochtig en koud, en het rook zoals altijd in dat duistere gat tussen nacht en ochtend: even ontmoedigd als de jonge dief zich voelde.  

Ik zie nog steeds niets. Maar dat zou die ouwe nooit doen. Je kon veel van Asher zeggen, maar in de jaren dat hij in Krondor zijn handeltje dreef, had niemand hem ooit beschuldigd van oplichterij, wat in het Armenkwartier zo goed was als een koninklijk doodvonnis.

Het was bij lange na geen koopje geweest. Maar al was het een pijnlijke aanslag op prins Arutha's goud, hij zou zoveel magie nooit hebben kunnen betalen als de man niet zo zoop. Mijn probleem niet, en mijn schuld niet. Maar het was een redelijke prijs, dus hij hoefde niet bang de zijn dat hij binnenkort onder de steenpuisten wakker zou worden. Tenminste, het was een goede prijs als er daadwerkelijk iets in het flesje zat.  

Iets dat ik niet op mezelf moet knoeien, bedacht hij. Een zorgwekkend idee, als je erover nadacht. Hoe druppelde je iets wat niet leek te bestaan? Heel voorzichtig, leek hem.  

Positief blijven, hield hij zichzelf voor. Ik heb de middelen om Larry's broertje en Flora en alle anderen te redden. Waarschijnlijk. Dus we zijn al een stuk beter af dan eerst.  

Nu hoefden ze het alleen nog maar te doen.