9 Ontmoeting

 

Een eenzame gedaante sjokte over de weg.

Bram had afscheid genomen van de koopmans-karavaan - als je twee wagens en twee pakezels tenminste zo kon noemen - op de plek waar de weg zich vertakte naar het dorpje Relling, die avond vlak voor zonsondergang.  

Er was een goede herberg in Relling. Daar hadden ze eersteklas gehakt met een korst van aardappelpuree, en ze brouwden er een edel bier. Nou ja, niet zo lekker als zijn moeder kookte of zijn vader brouwde. De jonge man zwaaide zijn buidel aan de punt van zijn boogstaaf over zijn vierkante schouder en vertrok over de weg.  

Als hij de lus in de Koningsheerbaan afsneed waar de weg afboog naar Relling en bijna de hele nacht doorliep - hij sliep gewoonlijk maar vier uur - was hij vlak voor zonsopgang thuis, net op tijd voor zijn moeders ontbijt. Het was niet erg gevaarlijk op het pad dat hij volgde; maar weinig dieren die een volwassen man aanvielen, en midden in de nacht lag er vast geen struikrover langs zo'n weggetje op de loer.  

Elke heuvel die zijn benen tartte, was een stap dichter bij huis. Hij herkende bomen waar hij als knaap in was geklommen, akkers die hij had bewerkt of waar hij vee had gedreven. Hij sprong over een kreek die de weg kruiste en grijnsde om de herinnering aan die eerste keer dat hij het daarbij droog had weten te houden. Op zijn zeventiende had hij al een goede lengte, wat zacht geel dons op zijn wangen en een bos piekerig goudblond haar, brede schouders en lange benen en een paar vriendelijke blauwe ogen. Een leven van hard werken had hem spieren in zijn schouders en armen gegeven, maar aan het besluipen van herten dankte hij de sierlijkheid waarmee hij zijn zachte laarzen losjes op het zand van de weg plaatste.  

Over jagen gesproken, dacht hij, opkijkend. Er schoot iets behoorlijk groots door de struiken langs de weg. Een varken? vroeg hij zich af en bukte zich. De valse dageraad schonk hem voldoende licht om sporen te zoeken. Nee, toch een hert. De gespleten prent was iets te groot en stond iets te ver naar buiten voor een zwijn.  

Bram grinnikte. 'Hoepel op en laat je pakken door een edelman,' zei hij.

De adel joeg te paard op herten, met honden. Naar zijn idee was dat eigenlijk zoiets als kippen slachten met een strijdbijl- makkelijk gedaan en niet leuk om te doen - maar over smaak viel niet te twisten. Het leuke was het spoorzoeken en besluipen, niet het doden. Na het doden kwam het zware werk: het karkas schoonmaken en mee naar huis slepen. Maar daar had de adel bedienden voor, gaf hij toe.  

Hij ademde de bedompt-koele lucht diep in en liep verder over de weg, fluitend. Na een stevige wandeling van vier mijl was hij bijna bij de deur, en met een glimlach op zijn gezicht bleef hij even staan om naar de oude boerderij te kijken.

Het laantje naar het woonhuis zag er in het vroege ochtendlicht zo uitnodigend uit dat zijn hart ervan opsprong. Op de hekpalen stonden lantarens en bij de deur ook een, en achter de ramen op de begane grond brandden kaarsen, de vlammen wazig en zachtgeel door de geschaafde schapendarm of het gespleten hoorn van de vensters. Ook bij de staldeur stond een lantaren, zag hij.  

Dat is nog eens een verwelkoming! dacht hij. Bijenwaskaarsen waren duur, en getrokken talgkaarsen waren ook niet gratis.  

Toen drong het tot hem door dat ze onmogelijk konden weten dat hij vandaag thuis zou komen. Dat hield dus in dat al dit buitensporige licht voor iets anders was. Een bruiloft? Maar toen hij wegging, had er geen op stapel gestaan. Trouwens, het was geen zesdagmiddag, wanneer de meeste bruiloften werden gehouden. Dan was een nachtwake de meest voor de hand liggende verklaring, aangezien niemand beknibbelde op het eren van de doden. En veel mannen zouden de hele nacht drinken tot hun vrouw genoeg zei en hen mee naar huis nam.  

Toen hij wegging, was iedereen nog gezond, maar dat zei niets: een ziekte of een ongeluk kon een gezond mens zomaar overkomen, dat wisten boeren net zo goed.

Bram haastte zich het laantje op en bleef even staan toen hij boer Gliddens wagen zag, aan het oog onttrokken door zijn moeders seringen. Toen wierp hij een blik in de stal waar ook een lantaren brandde, en zag daar enkele paarden van buren en een paar dieren van Lorrie Merfords familie, waaronder hun melkkoe Tessie.  

Er was beslist iets aan de hand en waarschijnlijk niet veel goeds. Waarom stond het vee van Merford in zijn vaders stal? Bram wist dat zijn familie de dieren onmogelijk kon betalen en dat de Merfords ze niet eens wilden verkopen.

Bram rende naar het huis. Binnen hoorde hij stemmen, en zachtjes betrad hij het huis door de achterdeur, waar hij de felle discussie die werd gevoerd, beter kon horen. De ene grote kamer met de brede haard zat vol buren, velen gezeten op de banken rond de keukentafel, anderen op krukjes in de kamer, de rest staande of hurkend tegen de muur.

'Het waren dieren! Wilde honden of zoiets!' zei Tucker Holsworth, met vlakke hand op de tafel slaand en zwaaiend met zijn pijp. Zijn gezicht was zwart van roet en vuil.  

'Maar wat Lorrie heeft gezegd, dan?' vroeg Brams vader.

'Je bedoelt over die kerels met een soort tang?' Holsworth trok aan zijn pijp om hem brandende te houden.

'Nou, zij was erbij. Als ze dat heeft gezien, moeten we daar dan aan twijfelen?'

'Maar die afdrukken zijn van dierentanden! Dat kan niet met een mes zijn gedaan,' wierp Rafe KimbIe tegen, die bij de keukenhaard stond. Ook hij was zwart van het roet.

'En kleine Rip? Waar is die gebleven als hij dan niet is ontvoerd?' vroeg zijn vrouw Elma.

'Die kan in de vlammen zijn omgekomen, zonder dat het meisje het heeft gezien,' hield Allet vol.

'Als dat beest groot genoeg was, kan die hem hebben meegesleept naar zijn hol.' Dat kwam van Jacob Reese, die met de twee andere mannen aan de tafel zat.  

'Maar hoe kan zo'n beest of een hele roedel van die beesten in de omgeving zijn zonder dat wij er iets van merken?' vroeg Ossrey. 'Waar zijn ze dan gebleven? Ik heb er niets over gehoord dat zoiets als bij de Merfords ergens anders is gebeurd.'  

'Waar hebben jullie het over?' riep Bram uit. 'Wat is er gebeurd?'

'Bram!' riep zijn moeder. Allet sprong op van haar stoel en liep door de menigte om hem te omhelzen.

'Zoon!' zei Ossrey. 'Fijn je te zien, jongen!' Hij stak zijn hand uit boven de keukentafel, en Bram boog zich tussen de mensen door om hem met een glimlachje te drukken. Aan de etensresten op de tafel en de geopende kruiken was te zien dat de vrouwen de hele nacht in de keuken hadden gestaan om ontbijt te maken voor de mannen, die net klaar waren met eten.  

'Je zult wel honger hebben,' zei Allet. 'Ga zitten, Bram,' - ze duwde hem naar haar plaats aan de tafel - 'dan haal ik wat voor je.'

'Dat hoeft niet, moeder,' zei Bram, maar hij nam wel plaats op haar stoel, nadat hij zijn buidel had losgemaakt en zijn boog en koker naast de deur tegen de muur had gezet. 'Wat is er gebeurd? Zo te horen iets ernstigs.' Zijn blik ging rond langs zijn buren, en verwachtingsvol keek hij zijn vader aan.

Ossrey boog zijn hoofd en keek van onder zijn borstelige wenkbrauwen terug. Zijn haar was donker, werd boven op zijn hoofd echter wat dunner, en hij was breder gebouwd dan zijn zoon ooit zou zijn. 'Het spijt me dat we je moeten verwelkomen met zulk slecht nieuws, jongen,' begon hij. 'Er is iets verschrikkelijks gebeurd bij de Merfords.'  

'Lorrie?' vroeg Bram meteen.

Zijn moeders lippen versmalden, en haar voorhoofd iets fronsend verplaatste ze haar blik naar boer Glidden om te zien hoe die reageerde op Brams enkelvoudige belangstelling voor Lorrie Merford. 'De laatste keer dat we haar zagen, was er niets met haar,' zei Allet, haar armen over elkaar slaand.

'Hoe bedoel je, de laatste keer dat jullie haar zagen?' vroeg Bram. Toen er geen antwoord kwam, pakte hij zijn moeders arm en vroeg: 'Moeder, wat is er gebeurd?'

'Lorries ouders zijn allebei dood,' zei boer Glidden snel. 'Hun huis en stal zijn afgebrand, en we zijn de hele nacht bezig geweest met het blussen van branden in de velden. We zijn net een uur terug.' Even zweeg hij en vervolgde toen: 'Haar broertje wordt vermist. Ik heb gehoord dat Lorrie op haar paard is weggereden. Vermoedelijk achter de jongen aan.'  

Er klonken wat geluiden als commentaar, zowel medelevend als veroordelend, en hier en daar werd geknikt of een hoofd geschud.

Bram liet zijn moeder los. 'Dus Lorrie en Rip zijn allebei weg?' 

'Dat heb ik toch net gezegd?' zei Glidden.

'Is iemand achter hen aan gegaan?'

Aan de blikken die werden uitgewisseld zag Bram van niet. 'Wanneer is dit allemaal gebeurd?' Wanhopig haalde Bram een hand door zijn haar, verward rondkijkend.

'De wonden in de lichamen van Melda en Sam zagen eruit alsof ze door een beest zijn gemaakt,' zei Ossrey. 'We denken dat de jongen is weggesleept door de beesten die hen hebben gedood.'

'Beesten!' zei Bram. 'Hier?' Weer keek hij rond. 'Heeft iemand de sporen gevolgd? Willen jullie zeggen dat ze... Melda en Sam hebben opgegeten?' Toen drong het tot hem door. 'Willen jullie me vertellen dat Lorrie in haar eentje achter een beest aan is dat groot genoeg en gevaarlijk is om twee volwassenen te doden? Wanneer is ze vertrokken?'  

'Lorrie zei wel dat het mensen waren geweest,' zei Dora Commer met een tartende blik in de richting van Allet en Ossrey. 'Ze zei dat die de lichamen hebben verscheurd met een soort tang om het eruit te laten zien alsof het beesten waren geweest en toen wegreden in de richting van Nes. Ze wilde er meteen achteraan, maar dat konden we haar natuurlijk niet laten doen. We dachten dat ze in paniek was.' Met een schuldig gezicht trok de vrouw haar schouders op. 'En de boerderij stond in brand, die moesten we blussen. Voorzover wij wisten was de jongen in het huis of de stal en wilde zij dat gewoon niet accepteren. Trouwens,' vervolgde ze toen hij stil bleef, 'als het mannen waren die allebei haar ouders hadden vermoord, wat kon één meisje dan tegen hen uitrichten?'  

'We hebben haar hierheen gebracht en in bed gestopt,' zei zijn moeder. 'De mannen moesten de hele nacht branden blussen op de akkers, en sinds ze hier zijn, hebben ze hierover zitten praten. Toen de Lormers weggingen, kort voordat jij kwam, zagen ze dat het paard van de Merfords weg was. Toen ben ik in jouw kamer gaan kijken, en daar was ze niet meer. Ze was uit het raam geklommen, in oude kleren van jou, en ze heeft je beurs onder het bed gestolen!' Het laatste zei ze alsof dat nog het belangrijkste was.  

'Die mag ze hebben,' zei Bram, 'als ze die nodig heeft om Rip te vinden.'  

'Ik heb bij hun boerderij gekeken,' zei Lange Paul, de voorman van Gliddens boerderij. 'Ik ben er met een lantaren naar toe gereden en heb rondgekeken. Niets van haar te zien.'

'Ja, maar daar heeft ze nu ook niets meer te zoeken, wel?' merkte de vrouw van Jacob Reese droevig sniffend op.

'Als de zon op is, sturen we bericht naar de drost,' zei Glidden gewichtig. 'Het is zijn werk om hier iets aan te doen.'  

Bram keek ongelovig. 'De drost?'

Glidden vertrok zijn gezicht. 'Zal wel niet veel van komen. Die hebben natuurlijk veel belangrijker dingen aan hun hoofd om achter een meisje aan te gaan dat op zoek is naar haar broertje.'  

'Maar was hij er niet meteen bij toen de Morrisons van het land werden gezet waar hun familie al sinds heugenis op werkte?' vroeg Dora verontwaardigd. 'Voor een geldschieter die wil executeren springen ze meteen overeind.'  

Hierop barstten er meer discussies los die nog wel even door dreigden te gaan.  

Bram keek er verbaasd naar en schreeuwde uiteindelijk boven het geschetter uit: 'Wat hebben jullie gedaan om Lorrie en Rip terug te vinden?'  

'Wat moeten we dan doen?' vroeg zijn moeder op beledigde toon. 'We hebben haar ons huis en haard aangeboden, en ze is ervandoor gegaan, met jouw beurs, zonder een woord van dank of afscheid. Als ze ons niet hoeft, kunnen wij ons niet aan haar opdringen.'  

Hij keek haar aan en wendde zich tot zijn vader. 'En is er verder nog iets gezien van die zogenaamde beesten?'

'Niets,' antwoordde Ossrey. 'Daarvoor niet en daarna niet.'

'Er waren geen sporen die we konden volgen,' zei Lange Paul.

Bram staarde hem aan. Lange Paul was de beste jager van de streek, van hem hadden Lorrie en Bram leren jagen. Als Lange Paul geen sporen kon vinden, dan waren ze er inderdaad niet. 'Vindt niemand dat dan vreemd?' vroeg hij. 'De boerderij van de Merfords ligt op zeven mijl van een redelijk bos. Een beest dat groot genoeg is om een volwassen man en vrouw te verslinden, moet toch door iemand zijn gezien als het over de akkers van het Oude Woud of de Vrije Bossen loopt? Als jullie tenminste niet denken dat hij gewoon over de Koningsheerbaan is gehuppeld, zonder door een handelaar, reiziger of ruiter te worden opgemerkt, en de Oude Molenweg heeft genomen naar Lorries boerderij.'  

Zijn buren keken elkaar beduusd aan.

'Eh, jawel,' zei Lange Paul. 'Niet dat het iets zegt. Sporen, bedoel ik. Die wonden waren duidelijk van de tanden van een beest, Bram. Dat zweer ik. Het feit dat het vreemd is, doet niets af aan het bewijs. Misschien kon dat beest wel vliegen.' Hij schokschouderde.  

'Vliegen?' vroeg Bram.

'Nou ja, ik heb er nooit eentje gezien maar wel horen vertellen over vliegende beesten in de bergen die groot genoeg zijn om een mens aan te vallen, basilisken en zo.' Toen hield hij zijn hoofd schuin, met gefronste wenkbrauwen. 'Waar doel je op?'

'Dat er hier iets niet klopt,' zei Bram. 'Lorrie zei dat ze heeft gezien dat haar broertje door mensen is meegenomen, en jullie geloofden haar niet.' Hij keek nadrukkelijk naar zijn moeder. Haar gezicht werd nog zuiniger. 'Maar het enige bewijs van dieren zijn de wonden in de lichamen, en zij heeft gezegd dat die zijn gemaakt door mensen met een of andere tang. Ondertussen is Lorrie er in haar eentje vandoor gegaan, en iedereen zit er hier alleen maar over te praten.'  

Ossrey keek beschaamd, en hij was niet de enige, maar niemand sprak een woord, en niemand verroerde een vin. Bram pakte zijn buidel en stond op.

'Waar ga je heen?' vroeg Allet ongerust.

'Moeder, Lorrie is een buurmeisje, en bovendien is ze mijn vriendin en nog maar vijftien. Ze is alles kwijt wat ze had, en ze is daar ergens in haar eentje. Rip is er ook nog, als hij niet net zo dood is als zijn ouders, want dat weten we niet. Maar we weten het wel van Lorrie. Het is onze plicht haar te helpen.'

'Nee,' zei zijn moeder met een zuinig mondje. 'Nee, zo zie ik het niet. We hebben het geprobeerd, en ze heeft onze hulp afgewezen. Wat mij betreft is onze plicht daarmee afgelopen. En zij mag dan nog maar vijftien zijn, je bent zelf nog maar zeventien. Dus je hoeft heus niet te denken dat jij meer bereikt door achter haar aan te gaan dan ze zelf kan doen.'  

Bram was teleurgesteld in haar maar niet verbaasd. Zodra hij enige belangstelling in Lorrie had getoond, had zijn moeder iets tegen het meisje gehad. Dit was gewoon meer van hetzelfde. Hij keek zijn vader aan.

'Doe wat je goeddunkt, zoon,' baste Ossrey.

Allet gaf Ossrey een klap op zijn arm en keek hem woest aan.

'Wil iemand me helpen met zoeken naar Lorrie?' vroeg Bram.

Er werd druk geschuifeld met voeten en gemompeld dat ze beter bij hun familie konden blijven als er beesten in de buurt zaten. En de drost, ze moesten wachten op de drost.

'Goed, dan,' zei Bram. Hij had niet anders verwacht. Hij kuste zijn moeder op de wang, knikte naar zijn vader en draaide zich om.

Allet stak een hand uit, haar gezicht een en al verbazing, maar haar man hield haar tegen en legde een vinger over haar lippen. Bram deed gauw een paar dingen in een haverzak - een grof bruin brood, een stuk kaas en wat gerookt varkensvlees - pakte zijn boog en koker, knikte de aanwezigen gedag en ging weer naar buiten.

 

Lorrie hield de teugels in, een halve mijl van de poorten van Nes. De zon brandde op haar schouders. De oude Horace had er langer over gedaan dat ze had gedacht. In plaats van vroeg in de ochtend had het arme dier het pas tegen de middag gehaald. Als kind was ze natuurlijk al naar de stad geweest. Het was de enige marktplaats binnen een straal van twee weken reizen, en haar vader had haar een keer meegenomen voor het Midzomerfestival, maar verder wist ze er heg noch steg.  

En ik ben de hele nacht onderweg geweest.

Het leek haast onmogelijk dat er nog maar één dag was verstreken sinds haar wereld was vergaan...

Ze werd gepasseerd door een ezelwagen; en pakpaarden; mensen haastten zich naar de stad om hun zaken te regelen voordat de marktkramen leeg waren. Er wachtte nog steeds een halve dag handel voor de gewilligen. Ze spoorde Horace aan tot een snelle stap en keek vooruit.  

De stad lag in de kom van de heuvels. De hellingen in de onmiddellijke nabijheid waren te steil en te schraal voor goed akkerland, maar ze waren wel leeggekapt, en aardig wat van het handelsverkeer op de weg betrof brandhout van verder weg. Achter haar rezen heuvels op met schattige boerderijtjes, waarvan er vele haar deden denken aan die van haar, en op nog geen dagreis afstand was de smeulende as het enige wat er nog van die boerderij restte.  

Er liepen ook schapen maar toch voornamelijk melkkoeien, en dat verbaasde haar, tot ze besefte dat een stad een goede plek was om verse melk te verkopen. Dichter bij de stad stonden er werkplaatsen aan weerszijden van de stoffige witte weg: ambachten die in een stad niet waren toegestaan of meer ruimte nodig hadden - een grote leerlooierij waar het zo stonk dat ze ervan moest hoesten, pottenbakkersovens als grote stompe bijenkorven waarvan de hitte op tien el afstand te voelen was, een paar smederijen en ... ja, een veehandel. Paarden, voornamelijk. Ze zag hen rondlopen in de kralen achter veldstenen muren die tot op borsthoogte waren opgetrokken. Met ernaast een zadelmaker, met wat eigen paarden. Vermoedelijk kon je bij allebei ook rij- of trekpaarden huren in plaats van kopen.  

Lorrie voelde haar maag knorren toen ze de kookgeurtjes uit een van de kramen rook. Sinds de vorige ochtend had ze niets meer gegeten; door de schok van de gebeurtenissen van die dag had ze geen honger gehad. Maar inmiddels was gisterochtend voor haar maag toch wel erg lang geleden.

Ze had van tevoren geweten dat ze Horace niet kon houden als ze eenmaal in Nes was, ook al brak het haar hart. Er was geen geld om hem te stallen en voederen, alleen het beetje in Brams beurs voor haarzelf.

Ik betaal het Bram allemaal terug! dacht ze. Dus laat ik hem maar zo goed mogelijk verkopen.  

De zadelmaker zat in zijn open kraam zijn gereedschap in te pakken voordat hij ging sluiten. Hij keek op toen ze zich uit het zadel liet zwaaien, een man van in de dertig, gekleed in een broek en mouwloos wambuis, met koorden van spieren en zijn handen groot en gehavend, vol littekens van priem, mes en sterk wasdraad. Zijn groene ogen stonden listig. 'Kan 'k je helpen, knul?' vroeg hij.  

Ze aarzelde. Het was nog niet bij haar opgekomen dat ze er in Brams kleren, met haar haren onder haar hoed, uitzag als een jongen. Heel even bedacht ze dat dat een voordeel kon zijn, want een jongeman kon makkelijker gaan en staan waar hij wilde dan een boerendochter. Maar wat zou haar moeder ervan denken? Dat bracht haar gedachten bij haar moeder, en gauw gaf ze antwoord, voordat de tranen kwamen. 'Ik wil het paard verkopen.'

'Naar de stad om je fortuin te maken, hè?' zei de zadelmaker met een schattende blik op paard en tuig. 'Nou, maar dat paard is al aftands, en het tuig is niets jonger. Laat allebei maar eens zien.'

Even later leunde de zadelmaker met een grimas achterover op zijn bank. 'Vijf zilverstukken, alles bij elkaar, tuig, kussen en buikriem, meer kan ik er niet van maken,' zei hij. 'En dan mats ik je.'

'Da's een goeie prijs,' zei Lorrie braaf. Buitenlui zijn geen willige slachtoffers, wat ze in de stad ook mogen beweren, voegde ze er voor zichzelf aan toe.  

'Ik geef je er vijfentwintig voor het paard,' zei de zadelmaké!r. 'En dan leg ik erop toe, hoor, dan leg ik erop toe.'

Lorrie aarzelde. Het was een redelijke prijs, maar ze vond de dieren achter de kraam er niet zo best uitzien. Volgens mij geeft hij ze niet genoeg te eten, dacht ze.  

Sommige mensen kochten goedkope paarden, lieten ze zich doodwerken en kochten nieuwe. Weggegooid geld, vond ze, maar misschien de moeite waard in een stad, waar voer moest worden gekocht en dus duur was. Maar ze kon de gedachte niet verdragen dat Horace zo zou worden gebruikt, terwijl hij zich verbijsterd afvroeg waarom hij was afgedankt.  

'Da's voor het eerst sinds dik een jaar dat Swidin Betton iemand zo heeft gematst, familie, vriend of vreemde,' klonk een stem.

De man die over het hek leunde was van ongeveer dezelfde leeftijd als de zadelmaker, met rossig krulhaar en een vriendelijke glimlach.

'Ik neem hem wel van je over, knul,' zei hij. 'Voor dezelfde prijs. Het is een goed beestje, maar zo te zien eigenlijk een trekpaard, hè?'

En jouw paarden zien er niet ondervoed uit, dacht ze. De zadelmaker haalde zijn schouders op en betaalde de prijs voor het tuig en zadel. Lorrie bracht Horace naar de kraal van de veehouder. Aan de ene kant waren wat stallen, en daar ging ze kijken. Het stro leek haar vrij onlangs nog ververst, en de hoeven van de dieren zagen er goed en schoon uit, geen oneffenheden, de hoefijzers niet te ver versleten.  

'Het is eigenlijk net een oude vriend,' zei ze toen ze Horace' teugels afgaf. 'Ik was zelf nog vrij jong toen mijn vader hem mee naar huis bracht.' Ze kriebelde Horace onder zijn kin, en de oude ruin deed zijn ogen halfdicht van genoegen.

'Er is altijd wel iemand op zoek naar een vriendelijk, hardwerkend diertje als dit,' zei de handelaar. 'Een jonkie is het niet, maar hij heeft beslist nog jaren te gaan. Maak je geen zorgen, die komt wel goed terecht.'  

'Hij ploegt de rechtste voren die je ooit hebt gezien,' zei Lorrie vastberaden.  

De handelaar grinnikte. 'Je hebt hem al verkocht, knul. Maar ik zal eraan denken om dat tegen potentiële kopers te zeggen.'

Lorrie glimlachte, knikte en wendde zich af, zonder nog een keer om te kijken, ook niet toen Horace even vragend hinnikte. Aan de rand van de dierenmarkt slaakte ze een zucht. Voor haar lag een van de stadspoorten, en daarachter, ergens in de stad, was haar broertje. 

 

Lorrie dwaalde door de straat, niet wetend wat ze moest doen. Ze voelde wel dat Rip nog steeds leefde maar niet hoe dichtbij hij was. Misschien had ze zich vergist door hierheen te gaan. Ze had het kantoor van de drost gevonden, maar de dienstdoende kerel was een oude cipier, en die zei dat hij niets voor haar kon doen en dat ze maar terug moest komen aan het einde van de dag, wanneer de drost terugkwam met iedereen die hij had gearresteerd. Vlak voor het eten stopte hij ze in de cellen, had de man gezegd.  

Een slaapplaats moest ze ook nog regelen. Ze stak een hand in haar zak en kneep in de beurs die ze van onder Brams bed had gehaald, nu gespekt met de dertig zilverstukken die ze voor Horace en het tuig had gekregen. Ze had een goede koop gesloten, maar een vetpot was het niet. Hoe lang ze ermee kon doen, wist ze niet. In de stad was alles wel veel duurder dan op het platteland, dat begreep ze wel.

Ze begon een beetje licht in het hoofd te worden en besefte dat ze nog steeds niet had gegeten. Ze moest een fatsoenlijke maaltijd hebben voordat ze straks omviel.

Een half uur later likte Lorrie de laatste kruimels van een vleespastei van haar vingers en overwoog er nog een te kopen. De middag vloog om, en de drukte op straat begon al wat af te nemen. De venter had nog maar één pasteitje over en liep al weg. Als ze er nog een wou, moest ze nu beslissen. Ze wilde hem net achternarennen om te zien of ze de laatste koop van de dag goedkoper kon sluiten toen er een man op haar toe liep.  

'Hé daar, jonge vriend,' zei hij opgewekt.

Lorrie keek hem aan. Hij was van ongeveer haar vaders leeftijd en vrij klein, maar een beetje langer dan zijzelf. Al te schoon was hij niet, zij het nog binnen de grenzen van het betamelijke, en zijn kleren waren bij de kraag en manchetten niet versleten. Al met al zag hij eruit als een stedeling en vermoedelijk een vrijgezel. Zijn gezicht werd gedomineerd door een grote snor en een nog grotere grijns. Aan de rimpels in zijn gezicht kon Lorrie zien dat de man beslist verf gebruikte om die snor en zijn haar zo zwart te maken. Ze had wel eens gehoord dat edelvrouwen hun haar met andere dingen kleurden maar nog nooit dat een man zoiets deed. Het kwam haar vreemd voor, maar hij leek haar wel aardig.  

'Dag, meneer,' zei ze behoedzaam.

'Je lijkt me een geschikte knaap,' zei hij.

'Dank u, meneer.'

'Zou jij niet twee glimmende zilverlingen willen verdienen?' vroeg hij.

'Nou, graag, meneer,' zei Lorrie gretig. Dat scheelde. De goden mochten weten hoe lang het zou duren om Rip te vinden.

'Kun je hardlopen, jongen?'

'Ja, zeker, meneer,' verzekerde Lorrie hem, 'harder dan de beste.'

De man begon te lachen en wees naar een steeg. 'Aan de andere kant van die steeg staat een kerel te wachten op iemand die een pakketje voor hem naar de andere kant van de stad kan brengen. Hij heet Travers, en hij zegt je wel wat je moet doen. Zeg maar dat je door Benton bent gestuurd. Nou, laat maar eens zien hoe hard je kunt lopen!'  

Ze rende naar de steeg en erdoorheen naar de hoek waar iemand onder het piepende uithangbord van een taveerne met een stokje tussen zijn tanden stond te peuteren. Het was wel een opluchting om het smalle steegje uit te zijn, waar het daglicht nauwelijks binnenviel. In de stad vond Lorrie het donkerder dan 's nachts in het woud, met de huizen die aan weerszijden drie en soms zelfs vier verdiepingen omhoogtorenden. Ze trok haar neus op. Erg teergevoelig kon een boerendochter niet zijn, maar op de boerderij lag mest keurig op de akkers waar die hoorde en werd er niet tegen gebouwen aan gepiest.  

'Meneer?' zei ze, 'heet u misschien Travers?'

De man knikte en bekeek haar van top tot teen. 'Wie ben jij?' wilde hij weten.

'Benton heeft me gestuurd,' zei Lorrie tgen hem.

'Ah.' Hij haalde een beurs uit zijn zak. 'Die moet je voor me naar de Vuurvaraan brengen, dat is een herberg bij de noorderpoort. Daar zit ene meneer Coats erop te wachten.' Hij gaf haar de beurs. 'Vooruit, waar wacht je nog op?'

'Eh, Benton zei dat ik twee zilverstukken voor deze boodschap zou krijgen,' zei ze.

'Die krijg je ook, als je klaar bent,' bulderde Travers. 'Hoe eerder je het doet, hoe eerder je krijgt betaald. Dus schiet op!'

Lichtelijk van haar stuk gebracht koos ze het hazenpad. Natuurlijk kreeg ze pas betaald nadat ze het pakketje had afgeleverd, niemand geloofde je hier zomaar op je woord. Maar ze vond Travers wel een erg norse vent, lang niet zo aardig als Benton.  

Nu de dag ten einde liep was het veel minder druk op straat, en ze had nog steeds geen plek om de nacht door te brengen. Misschien kon ze in de Vuurvaraan slapen, als het er daar redelijk uitzag. Lorrie bleef staan, keek rond en stoof een straatje door in de richting van de stadsmuur, want als ze die volgde, kwam ze uiteindelijk vast bij de noorderpoort terecht.  

Plots zeilde ze door de lucht, sloeg met haar voorhoofd tegen het plaveisel en bleef steunend en duizelig van de pijn liggen. Er sijpelde bloed  

door haar wenkbrauwen, warm en kleverig. Dwars door het suizen in haar oren hoorde ze ergens op de achtergrond iemand: 'Houd de dief!' roepen en was blij dat ze zonder problemen langs die plek was gekomen.  

Ze wilde net overeind krabbelen toen ze midden op haar rug werd getroffen door iets hards dat haar weer omlaag drukte.

'Liggen blijven, jij!' blafte een bekende stem.

Ze draaide haar hoofd en staarde stomverbaasd naar de vriendelijke Benton, die nu stukken minder vriendelijk keek.

'Aha!' zei Travers, die kwam aangerend. 'Kleine rat te pakken, zie ik!'

'Dus dit is de dief?' vroeg Benton.

'Inderdaad, meneer!' zei Travers hard. 'Met mijn beurs in zijn hand!' Ongelovig keek Lorrie van de een naar de ander. De weinige mensen in de buurt bleven staan om te zien wat er loos was, en ze voelde zich genoodzaakt te protesteren.  

'Maar die hebt u me zelf gegeven!' riep ze. 'U zei dat -'

Met exact berekende kracht gaf Benton haar een klap met zijn knuppel achter in de nek, en ze viel neer, versuft.  

'Niets daarvan!' schreeuwde hij. 'Vertel je leugens maar aan de rechter, dan zullen we eens zien wat die ervan vindt.'  

Enkele mensen om hen heen knikten zelfvoldaan. Een paar leken te twijfelen maar niet geneigd tot ingrijpen.

'Ik ben Gerem Benton, zelfstandige en lid van de dievenwacht, meneer,' verkondigde Benton. 'Ik moet u vragen met mij mee te komen, als getuige.'

De twijfel onder de omstanders leek nu te zijn weggenomen. De dievenwacht werkte indirect voor de baron en kreeg een premie voor iedere dief die ze vingen en overdroegen aan de stadsdrost.  

'Da's niet minder dan mijn plicht,' stemde Travers in. Hij gaf Lorrie een por met zijn voet. 'Sta op, knul!'

Lorrie leek haar armen en benen niet te kunnen coördineren en probeerde het even later niet eens meer.  

'Wat een teer hoofd heeft die jongen,' zei Benton. 'Als u de ene arm neemt, pak ik de andere en kunnen we op weg.'

Ze hesen haar op, en alles werd zwart voor Lorries ogen. Aan weerskanten van haar hals priemde een kloppende pijn zich omhoog.  

Toen ze bijkwam, lag ze plat op de grond in een donkere straat achter een gebouw. Benton en Travers stonden te bekvechten met twee andere mannen.  

'...is mijn territorium, Gerem Benton, dat weet je heel goed!' gromde een man met een ooglap. Hij torende boven Benton uit, die hem tot rede trachtte te brengen.  

'Het is allemaal begonnen op de Oostmarkt,' zei Benton, 'maar we moeten door jouw territorium om bij de gevangenis te komen. Wees redelijk, Jake.'  

'Ik heb het allemaal zelf gezien!' brulde Jake, geenszins geneigd tot redelijkheid. 'Het kan me niet schelen waar je bent begonnen, je hebt het zakelijke gedeelte uitgevoerd in mijn territorium!'

Hij hief zijn vuist als om te slaan, en Travers greep zijn pols. Toen besloot Jakes metgezel zich ermee te bemoeien en gaf Travers een harde duw.

'Ach, demonen nog aan toe,' vloekte Benton. 'Jij je zin, dan, als het jouw territorium is.'

Hij wendde zich half af en plantte toen zijn knuppel in Jakes middel, vlak onder de zwevende rib, met een harde korte stoot. 'Maar wie zegt dat het jouw territorium is, hondensnikkel!' Benton greep de andere man bij het haar en rukte zijn hoofd naar achteren. Met de knuppel drukte hij 's mans luchtwegen dicht en gromde: 'Vergeet niet wie hier de baas is, kereltje. Jouw mannetjes en jij mogen laden lichten en beurzen jatten, maar dat kan alleen omdat ik jullie de drost van de nek houd. Ik heb nu al bijna drie weken geen dief meer over te dragen gehad, dus als het moet, maak ik wel een dief van een boerenknul. Maar laat ik niets meer horen over "jouw territorium" of "mijn territorium".' Hij liet de man los, die weg waggelde. 'Als het om lepe dingen gaat, is heel Nes mijn territorium.'  

Lorrie schuifelde een stukje naar opzij, draaide zich toen om en krabbelde overeind. Voordat ze twee stappen had genomen, hadden ze haar alle vier alweer vastgegrepen en mepten haar tegen het hoofd en de schouders, schreeuwend tegen haar en elkaar en aan haar armen trekkend.  

Jammerend zakte ze op haar knieën. Iemand had een mes getrokken... 

 

Met een rapier aan zijn zij, ook al zat hij onzichtbaar onder zijn mantel, had Robbie het gevoel dat hij langer was - volwassen zelfs. Hij voelde het in zijn tred, een nieuwe, zwierige gang: Kruis mijn pad maar eens als je durft! Hij rolde even met zijn smalle schouders en grijnsde.

In Krondor had hij er niet aan hoeven denken om dat zwaard op straat te dragen, de wacht zou hem die hebben afgenomen en hem in een cel hebben gestopt voordat hij had kunnen tegensputteren. En wat de Snaken betrof, wel, zolang je geen zware jongen was, kon je maar beter open en bloot geen wapens dragen. Dat wilde nog wel eens leiden tot narigheid.  

In Nes net zo goed, lijkt me.

Maar hier liep hij dan, keurig gekleed, hetgeen heel wat waard was, wist hij, en nog belangrijker: hij had een zeer achtenswaardig adres. Uiteraard hoopte hij zich daar niet op te hoeven verlaten. Flora zou hem vermoorden - verondersteld dat ze niet alles al aan tante Cleora had verteld en zat te huilen op het bordes. Want dan konden ze allebei wel eens worden gearresteerd. Maar de laatste keer dat hij hen had gezien, had tante Cleora haar uitgebreid zitten onthalen op familieverhalen, de handen van het meisje vasthoudend alsof ze van goud waren. Zelf had ze geen kinderen, en het leek erop dat Cleora een geschikt object voor haar moederinstincten had gevonden. In de loop van de avond zouden ze er eindelijk toe komen om een bezoekje aan opa te brengen, meende Robbie.  

De neiging onderdrukkend om zijn mantel terug te slaan en het zwaard te laten zien, liep Robbie verder. Waarom zou je problemen opzoeken, dacht hij. Ik moet er zo fatsoenlijk mogelijk uit blijven zien, bracht hij zichzelf in herinnering. En dat heeft zijn voordelen. Ik kan naar believen de boel gaan verkennen waar ik maar wil, en de winkeliers buigen als knipmessen en vragen me uitgebreid rond te kijken in plaats van de wacht te roepen of met rotte appelen te gooien!  

Zo paradeerde hij voort, genietend van het milde weer in de invallende schemering en van het zwaaien van zijn mantel rond zijn kuiten. Hij hield wel van dit stadje. Alles lag zo dicht bij elkaar, vergeleken bij Krondor, en het was er zo rustig.  

'Laat me los!'

Met een ruk draaide Robbie zijn hoofd in de richting van het geluid. In een donkere steeg zag hij vier mannen vechten om een spartelende gedaante. Zie je, dacht hij zelfvoldaan, daar zou een organisatie als de Snaken handig zijn geweest. In Krondor zou zo'n onwaarschijnlijke situatie zich nooit voordoen. Een zelfstandige dief zou wel beter weten dan met een Snaak te vechten om de buit, en twee groepen Snaken namen de poet gewoon mee naar de Dag- of Nachtmeester, die het mocht uitzoeken. Dit was barbaars. En het was nog niet eens donker!  

Heel even speelde er een laatste gouden zonnestraal over het slachtoffer, dat met het gezicht zijn kant op stond. Zijn hart leek stil te staan, en de adem stokte hem in de keel. Toen draaide ze haar hoofd en was het licht weg, waarna de steeg nog donkerder leek dan eerst en Robbie als verlamd bleef staan.  

Dat kan niet! dacht hij.  

Het was onmogelijk, maar toch ... In die laatste flits daglicht zou hij hebben gezworen het gezicht te hebben gezien van prinses Anita. Maar die was veilig op weg naar de Verre Kust. Wat moest ze dan hier, alleen, in Nes?

Het meisje uitte een kreet van pijn, en dat spoorde de jonge dief aan tot handelen.

Een paar passen terug stond er bij het bordes van een huis een kist met as. Hij greep een handvol, smeerde zijn gezicht ermee in, trok toen de kap van zijn mantel zo ver over zijn hoofd als hij wilde gaan en rende terug naar de steeg. Robbie trok zijn zwaard, en met een bloedstollende kreet stormde hij af op het duwende en trekkende stel aan het einde van de steeg.

'Er op af, jongens!' brulde Robbie. 'Geen genade!'

Tot dusver waren er alleen nog maar harde woorden en nog hardere knuppels gevallen, en één vent zwaaide met een ponjaard zonder er gebruik van te maken, maar de introductie van een scherp wapen en de mogelijkheid van meerdere aanvallers bracht de vier leden van de dievenwacht een cruciaal moment in verwarring. Robbie haalde uit op buikhoogte, en de mannen lieten het meisje los en sprongen achteruit.  

Daarop greep Robbie haar bij haar tuniek en trok haar naar zich toe. Ze was ouder dan hij, zag hij snel, maar niet langer. En een kranige meid, die meteen met hem mee rende de steeg uit. Hij liet haar los, stak zijn rapier terug in de schede en bracht haar naar de kist met as.

Het duurde niet lang of de vier mannen herstelden zich van deze onverwachte aanval en beseften dat er helemaal geen 'jongens' waren die 'geen genade' kenden, en algauw hadden ze de achtervolging ingezet.  

Robbie had het vermoeden dat ze het meisje met genoegen zouden laten lopen om hem tegen de kasseien te knuppelen. Het was triest, maar dat riep hij wel vaker in mensen op.

Toen ze bij het huis met de as kwamen, pakte Robbie de kist op, draaide zich half om en slingerde de inhoud door de lucht, recht in de gezichten van zijn achtervolgers. Ze deinsden terug, hoestend en vloekend. Met een vingervlugheid die grensde aan het bovennatuurlijke trok hij zijn wapen weer en bracht enkele goed geplaatste kerven aan in de lijven van de vier mannen, die de veel langere kling trachtten af te weren met knuppels en een enkele ponjaard. Robbie had maar een paar weken geoefend met het zwaard, maar zijn leraar was wel prins Arutha geweest, en daarbij was Robbie sneller dan menig ervaren zwaardvechter. De mannen probeerden het met zich verspreiden en van twee kanten op te rukken. Ze zagen hun inspanningen beloond met wat lelijke japen op armen en handen door Robbies veel langere kling. Robbie maaide om zich heen. Zijn rapier suisde door de lucht, en telkens wanneer het iets raakte, gilde een van de aanvallers van de pijn en deinsde terug. De aanvoerder van de groep, een vent met een zwarte snor, probeerde op hem af te springen, en Robbie sneed hem diep in zijn schouder. Een van de mannen draaide zich om en zette het op een lopen, en in een oogwenk was de nederlaag compleet en de aftocht ingezet. De prijs voor het meisje en de jongen was het doodbloeden niet waard.  

Robbie pakte het meisje bij de hand en nam haar mee door de smalle ruimte tussen twee huizen. Het was er amper breed genoeg voor hem, en na een paar stappen bleef zijn mantel al haken achter een ruw oppervlak ergens achter hem. Met zijn zwaardhand maakte hij de gesp los, en het meisje hielp hem de mantel losmaken.  

'Ze kunnen ons hier niet volgen,' zei hij.

'Wat houdt hen tegen om terug door die steeg te lopen en ons tegemoet te komen?' vroeg het meisje. Ze had een diepe, omfloerste stem, en ze stelde erg goede vragen.  

Daar hield Robbie wel van, maar ze klonk wel heel anders dan de prinses. En dat hield in dat hij zich vermoedelijk had bemoeid met iets wat hem niets aanging. Ach, nou ja, je kunt niet alles hebben, dacht hij filosofisch. Misschien kon hij hier toch nog een slaatje uit slaan. En als het waanzin was, dan was het tenminste edele waanzin.  

Aan de achterkant van het huis keek Robbie rond en zocht een weg naar de daken. Die waren hier in Nes heel anders, iets steiler en meestal met dakpannen, maar wel degelijk begaanbaar. De muren waren vaker van natuursteen in plaats van baksteen en houten stutten, maar hij had sterke vingers en soepele tenen.  

'Kun je klimmen?' vroeg hij.

'Ja,' antwoordde ze kortaf.

'Doe dan precies na wat ik doe,' commandeerde hij.

Hij gespte zijn zwaardgordel af en maakte hem vast om zijn schouder, zodat het gevest van zijn zwaard tussen zijn schouderbladen hing.

Langs de regenpijp omhoog, dacht hij. Die was van uitgeboord hout en dus stevig genoeg, met bouten vastgezet aan het steen. Op de dwarsbalk van een raam, en vervolgens over de dakrand en het dak op. Daarvandaan lag de stad voor hen open, meende Robbie. Het meisje stak een hand uit, en hij pakte haar beet om haar te helpen met klauteren. Meteen nam hij haar mee naar de diepste schaduw die hij kon vinden, in de hoop dat ze daar vanaf de straat onzichtbaar waren.  

En niets te vroeg, want om de hoek van de steeg kwamen vier zeer verbolgen mannen, nu met zwaarden en knuppels. Ze keken links en rechts de straat door en bleven even staan ruziën, tot de kleinste eerst de ene kant en vervolgens de andere op wees, waarop twee mannen links gingen en de twee anderen rechts. 'Zorg dat je hen vindt!' riep de man met de snor. 'Ze zijn elk drie zilverstukken waard!' Hij liep de straat verder door, terwijl de andere mannen in andere richtingen verdwenen.  

'Drie zilverstukken!' riep het meisje uit. 'De schoften!'

Duidelijk niet de prinses, dus.

'Wat was dat allemaal?' vroeg Robbie.

'Die man zei dat hij van de dievenwacht was. Ze wilden me overdragen voor een premie.'  

Robbie was een tijdlang stil. 'Dat is een oude truc,' zei hij toen. 'Twee of drie "burgers" getuigen dat je hebt gestolen, en als je niemand hebt die voor je kan pleiten, veroordelen ze je tot dwangarbeid of erger.' Hij zweeg weer even. 'Heb je toevallig de naam van die vent met die snor opgevangen?'

'Ja,' antwoorde het meisje. 'Hij zei dat hij Gerem Benton heette.'

'Aha,' zei Robbie langzaam.

'Ken je hem?'

'Ja, zeker,' antwoordde Robbie met een hoofdknik. 'Gerem de Slang. Deed wat zwendel in Krondor. Dacht dat hij dood was.' Hij stond op. 'Ik ben Robbie. Als je wilt, breng ik je wel naar huis.'

'Ik woon hier niet,' reageerde het meisje gemelijk en bleef toen even stil. 'Bedankt. Ik weet niet wat er zou zijn gebeurd als je niets had gedaan.'  

'Hangt ervan af,' zei Robbie. 'Maar niet veel goeds, daar kan je wel van op aan. Hoe heet je eigenlijk?'

'Eh, Robbie,' zei ze.

De jonge dief lachte zo hard dat hij een paar el over het dak naar beneden gleed. Op zijn ellebogen kroop hij terug, naar haar grijnzend. 'Nee, nee, zo heet ik,' zei hij. 'Je let even niet op.' Hij boog zich een stukje naar haar toe en fluisterde: 'Je bent een meisje.'  

Ze keek geschrokken, en ze deed haar mond open als om het te ontkennen.

'Ik weet het zeker,' hield hij vol.

'Hoe dan? Die kerels in ieder geval niet! '

'Ja, maar ik... let beter op, denk ik. Of misschien komt het omdat je verrassend veel lijkt op iemand die ik ken, en dat is zeer zeker een meisje.' Hij porde haar zachtjes tegen de schouder. 'Maar hoe heet je nou?'

'Lorrie,' zei ze, ontmoedigd klinkend. 'Lorrie Merford.'

'Aangenaam, Lorrie,' zei Robbie op zijn hoffelijkst, prins Arutha's hoofse buiging in het klein imiterend terwijl hij op de gladde rode dakpannen stond.  

Ze glimlachte naar hem. 'Het is mij ook een genoegen, Robbie,' zei ze.

De zon ging nu onder, en de avond viel. Het werd moeilijker om te zien in de schemering, maar de jonge dief sloeg zijn enkels over elkaar alsof ze alle tijd van de wereld hadden. Hun achtervolgers konden maar beter een heel eind weg zijn voordat ze zelf verdergingen.

'Maar als je niet in de stad woont, waar woon je dan?' vroeg hij langs zijn neus weg.

'Ergens waar je vast nog nooit van hebt gehoord,' zei ze. 'Het dichtstbijzijnde dorp: een gat genaamd Relling.'

Klopt, nooit van gehoord, dacht hij. Klinkt als een met-de-kippen-op-stok-land vol eerlijk werk en aardse boeren-deugdelijkheid. Hopelijk hoef ik er nooit naar toe.  

'Ga je vanavond weer terug?' vroeg hij.

'Eh, nee.' Lorrie schudde haar hoofd. 'Ik moet hier iets doen.'

Dat zal best, dacht hij. En hij durfde te wedden dat haar familie het er niet mee eens was. Waarom was ze anders in vermomming? 'Waar slaap je dan?' vroeg hij. 'Zoals ik al zei: ik breng je wel weg.'  

Met een kort lachje gaf ze antwoord. 'Ik heb nog geen slaapplaats. Ik ben vandaag net in Nes aangekomen, en meteen loop ik Benton tegen het lijf voor wie ik een boodschap ga doen.' Haar stem droop van zelfverachting.  

'Wees niet te streng voor jezelf,' raadde Robbie haar. 'Hij is aalglad. Ik ben hier ook niet bekend, dus ik kan je geen herberg aanraden. Heb je geld bij je?'

Daar volgde een lange stilte op. 'Een beetje,' gaf ze behoedzaam toe.

Bijna niets, dacht Robbie. Arm kind.  

'Nou,' zei hij, overeind komend, 'laten we maar eens op verkenning gaan. Misschien vinden we wel een mooi goedkoop plekje voor je.' Hij hielp haar op de been en nam haar mee terug naar een plek waar ze omlaag konden klimmen. 

 

Jarvis Coe zat in de donkerste hoek van de Jonge Haan met zijn mantel om zich heen geslagen van zijn bier te drinken. Traag draaide er een varken aan een spit boven het vuur, maar hij had zich tevreden gesteld met een homp bruin brood, wat kaas en een paar goede appelen, aangezien hij daar lang niet zo gauw gestrekt van zou gaan van de maagkrampen. Eén voordeel om Krondor uit te zijn was dat het eten van de markt verser en goedkoper was.  

Aan het begin van de avond had hij betaald voor het gebruik van de tafel, aangezien hij niet van plan was veel te drinken en daar geen moeilijkheden over wilde. Hij was hier om te luisteren. Door de jaren heen had hij gemerkt dat de roddels waar hij het meeste aan had, in de ruigste taveernen te vinden waren. En vanavond bleek dat zeker het geval.  

De tafels langs de muren waren van elkaar gescheiden door houten tussenschotten die niet helemaal doorliepen tot het plafond, en aan het tafeltje naast het zijne werd een zeer interessant gesprek gevoerd dat hij dankzij zijn opleiding en concentratie kon volgen. De knoestgaten en kieren in de planken scheelden ook, want daardoorheen ving hij af en toe een glimp op van de sprekers.

'Breng ze hier, breng ze daar. Het staat me niets aan, za'k je vertellen,' zei een zwaargebouwde kerel tegen zijn metgezel. 'En het wordt er steeds erger. Ik heb geen zin meer om erheen te gaan, za'k je vertellen!'

'Rustig, Rox,' maande zijn schriele kameraad hem tot kalmte. 'We zijn nog nooit zo goed betaald.' Hij hief zijn bokaal. 'We zitten hier toch aan de beste wijn?'

En in de Jonge Haan, dacht Coe, was dat toch zeker twee treedjes boven azijn.  

Rox boog zich naar zijn metgezel. Zijn blik schoot nerveus door de gelagkamer. 'Het deugt niet wat we doen, d'r deugt niks van!'

Schrielhans schaterde van het lachen. 'Nee, natuurlijk niet!' zei hij.

'Dat bedoel ik niet,' snauwde Rox.

Ongeduldig wendde Schrielhans zijn blik af.

Rox gaf hem een duw tegen de schouder. 'Je weet best wat ik bedoel,' zei hij. 'Het deugt daar gewoon niet.' Met een vieze duim wreef hij over zijn onderlip. 'Er is iets mee.'

Schrielhans schudde zijn hoofd en vervolgens de rest van zijn lichaam, als een hond met water in zijn vacht.  

Rox greep hem bij een arm. 'Je weet best wat ik bedoel!'

'Ik weet dat we nog nooit zo goed zijn betaald,' zei Schrielhans koppig. 'En meer hoef ik ook niet te weten en wil ik ook niet weten, en als jij slim bent, doe je net als ik.'  

Rox hield zich even in, kwaad kijkend. 'Wat moet-ie dan met al die kinderen?' wilde hij plots weten.

Schrielhans begon te gniffelen. 'Misschien, hi hi, misschien begint hij wel een weeshuis!' Hij gaf een klets op zijn been en schaterde het uit. 'Uit de goedheid van zijn hart, hij.'

Zelfs Rox grijnsde even en nam een slok uit zijn beker. Maar toen hij die neerzette, was zijn frons terug. 'Ik wil er niet meer heen,' mopperde hij. 'Waarom zoekt hij niet iemand anders om ze te brengen?'

'Volgens mij houdt-ie het geheim,' zei Schrielhans. 'Wij weten ervan,' schokschouderde hij, 'dus gebruikt hij ons, zodat hij het niet verder hoeft te vertellen. Blijft het beter geheim, weet je wel?'

Rox zat nog even nors voor zich uit te staren. 'Ik hou ermee op,' zei hij ineens.

'Dat kan helemaal niet!' blafte Schrielhans. 'We hebben het geld nodig, het meeste geld dat we ooit hebben gekregen. En trouwens ... ' Hij zweeg, wreef met zijn handen over zijn gezicht en keek over zijn schouder. Zich naar Rox buigend fluisterde hij: 'Volgens mij kunnen we er niet eens mee ophouden.'  

'Hoe bedoel je?' Rox veerde rechtop, bezorgd kijkend.

Schrielhans boog zich nog dichter naar hem toe. 'Hij is belangrijk.' Nog een blik over zijn schouder. 'Hij kan dingen met ons doen.'

Rox staarde hem slechts aan, zijn hoofd licht schuddend van verwarring.  

'Je weet wel wat ik bedoel. Als iemand als wij voor iemand als hij lastig zijn, blijven we niet gezond.'

Rox' ogen werden groot. 'Ohhh!' zei hij.

'Dus gewoon mee doorgaan, ja?'

'Het zal wel,' zwichtte Rox. Hij pakte zijn beker op, dronk hem leeg en zetten hem met een klap neer. 'Hé!' schreeuwde hij. 'Herbergier! Nog!'

'Dus we brengen die jongen gewoon naar het landhuis, nemen ons geld in ontvangst en smeren hem. Makkelijk zat. Gewoon volhouwen. Misschien is dit wel de laatste keer dat we een tochtje naar het binnenland moeten maken.'  

De grootste van de twee reageerde niet, maar zei de herbergier wel de kan met wijn te laten staan, waarmee hij kwam om hun bokalen bij te schenken, en ging aan de gang met stomdronken worden.

Coe had het allemaal gehoord en besloot dat ook hij wel eens een tochtje naar het binnenland kon maken. Het zou best eens interessant kunnen zijn om te zien waar het precies 'niet deugde'.

 

Robbie nam het meisje mee naar de pakhuizen langs de haven. In zijn ervaring waren daar altijd wel een stuk of wat verlaten plekjes te vinden. Trouwens, meestal werd er in zo'n omgeving maar spaarzaam gepatrouilleerd, door af en toe een bewaker die doorgaans niet zo vreselijk goed oplette. Of nieuwsgierig was.  

Hij zorgde ervoor dat ze in de schaduwen bleven, met als resultaat een hoop ge struikel van Lorries kant. Eerst had hij medelijden gehad, daarna kon hij er wel om lachen, maar nu begon ze te vloeken, en hij maakte zich zorgen dat ze daarmee de aandacht zou trekken. De bewakers zouden vast niet komen kijken, maar als Lorrie en hij zich aan hen opdrongen, keken ze beslist niet de andere kant op.  

'Lorrie,' fluisterde hij, 'we moeten wel stil zijn.'

'Ik kan niet zien waar ik loop!' siste ze tussen haar tanden door.

Robbie haalde een keer diep adem. Hij wist wel beter dan zich in te laten met gewone mensen, die gaven niets dan last, maar daar liep hij dan, met eentje op sleeptouw. 'Dat begrijp ik, maar kun je op zijn minst ophouden met vloeken? Hardop, bedoel ik.'

'0. Neem me niet kwalijk.'

Ze liepen verder. Hij was op zoek naar iets wat vervallen was en bij voorkeur al een tijdlang leegstond. Maar alle pakhuizen waar ze tot dusver langs waren gekomen, zaten stevig op slot en zagen er goed onderhouden uit. Nes leek toch een drukke havenstad, al was het er kleiner dan in Krondor. Zal ook wel, zo dicht bij Kesh, dacht Robbie. Toen zag hij een veelbelovend plekje. Hij nam het meisje mee naar een donkere inham tussen twee gebouwen. 'Ik ga even op verkenning uit,' zei hij. 'Rust jij onderwijl even uit?'  

Even zei ze niets, en vroeg toen op zeer argwanende toon: 'Waarom?'

Niets dan last, dacht hij. 'Omdat ik denk ik een plekje heb gezien waar je gratis kunt overnachten. Maar ik kan in het donker beter zien dan jij, en ik wil je er niet voor niets mee naar toe slepen. Ik ben zo terug. Heus.'  

'O!' zei ze, en het klonk alsof het idee van een gratis onderkomen nog niet eens bij haar was opgekomen. 'Goed, hoor.'  

Robbie klopte haar op de schouder en vertrok. Er was een trap naar de bovenverdieping, en heel voorzichtig zette hij een voet op de onderste tree, die al kraakte toen hij zijn gewicht aan de zijkant zette. Die trap maakte vast genoeg kabaal om de doden wakker te maken. Hij moest op zoek naar een andere weg naar boven.  

Na even rondkijken vond hij een lager gebouw dat met de achterkant tegen het gebouw van zijn keuze stond. De punt van het dak kwam net onder een enkel raam uit, en het lagere gebouw was uitstekend beklimbaar. Hij probeerde de route uit, en het raam bleek open. Hij glipte binnen...  

Een mooie, ongebruikte zolderkamer boven het hoofdpakhuis. Waarschijnlijk gebruikt om af en toe vracht van hoge waarde op te slaan - brandewijn, zeg maar, of specerijen. Er stond nu bitter weinig: een vaatje of twee met vermoedelijk spijkers, een paar balen goedkoop linnen, wat kapotte meubels en een overvloed aan stof. Robbie liep voorzichtig, maar de vloer was van solide eiken planken die keurig met pennen waren vastgezet en geen kabaal maakten. Zo'n constructie hield het eeuwig als het er droog bleef, en het dak zag er zeer degelijk uit. De deur naar de grote zolder ging naar binnen toe open - maar daar stonden kratten voor, bijna tot aan zijn borst gestapeld toen hij in de deuropening ging staan. Hij duwde even om te proberen, maar er was geen beweging in te krijgen. In ieder geval niet zonder meer kabaal en inspanning dan hem lief was. Voorzichtig stak hij zijn mes in een spleet tussen twee latten, en het lemmet maakte een dof rinkelend geluid toen het iets raakte, maar hij zag ook stro en wilgentwijgen als opvulling.  

Aardewerk van het een of ander, dacht hij. Verrekte zwaar. Mooi om als kasteelmuur voor je neus te hebben - je hoort ze al uren aankomen voordat ze de deur vrij hebben - en de enige andere weg naar binnen is het raam.  

Ongetwijfeld was er al eens iemand geweest die het gebouw eronder als toegangsweg naar dit pakhuis had gebruikt, zodat de eigenaar die weg had geblokkeerd.

'Mooi,' zei hij, in zijn handen wrijvend.

Lorrie zat precies waar hij haar had achtergelaten, met haar rug tegen het gebouw aan.

'Kom,' zei hij. 'Ik heb een stekkie voor je gevonden.'

Het was een kranig ding, moest hij toegeven, zij het wat al te goed van vertrouwen. Ik kan wel een slavenronselaar zijn, of een bordeelbaas, of gewoon iemand die voor zijn lol verkracht en moordt. Dit lammetje is erg ver van huis.  

Nadat hij eenmaal de weg naar het raam had beschreven en begon te klimmen, kwam ze hem zonder maren achterna. Aangekomen op het zoldertje begon hij een van de balen linnen af te rollen.

'Wat doe je nou?' vroeg ze, niezend van het stof dat hij opwierp.

Net wat hij dacht. Onder de buitenste lagen was het linnen schoon en stofvrij, al rook het nog steeds muf van de lange opslag. 'Een bed voor je maken,' antwoordde hij met een grijns.

'Dat mag niet,' zei ze, oprecht geschokt.

'Tuurlijk wel,' stelde hij haar gerust. 'Je leent het toch alleen maar? Wat kan het nou voor kwaad om erop te slapen? Trouwens, het ligt hier duidelijk al jaren, dus niemand zal het missen.' Toen ze bleef aarzelen, wierp hij een blik omhoog en vervolgde: 'En als je het achterlaat zoals je het hebt gevonden, merkt niemand er iets van.'

'Je zal wel gelijk hebben,' zei Lorrie. Ze pakte de andere baal. 'Misschien kan ik op een dag iets terugdoen voor de man van wie dit is.'

Tijdens het afrollen van het linnen keek hij naar haar silhouet in het donker. Eerlijke mensen bleven hem verbazen.

Samen maakten ze van het linnen een redelijk comfortabel bed, en Lorrie bedankte hem. Even overwoog Robbie een kusje van haar te stelen maar besloot dat hij de zaak daarmee te gecompliceerd kon maken.  

Maar toen besloot zij de zaak gecompliceerder te maken door te vragen: 'Wanneer zie ik je weer?'  

'Ik kom morgen wel even kijken,' zei hij. 'Als je er dan nog bent, zie ikje dan.'

'Dank je wel.' Ze stak een hand uit, vond de zijne en drukte die.

Ze had eelt op haar handen, merkte hij, maar verder voelde de hand klein en welgevormd aan. Ze had een goed gebit, en ze was lang voor haar leeftijd: arbeidersvolk, maar niet arm. 'Graag gedaan.' Ineens voelde hij zich ongemakkelijk. 'Welterusten.'  

'Welterusten. '

Robbie klom het raam uit en van het andere gebouw af, en ging terug naar het huis van tante Cleora.

Dat was raar, dacht hij. Hij vroeg zich af wat een meisje van het platteland in de grote stad kwam doen. Vooral vermomd als jongen. Hij zou haar wel eens bij daglicht willen zien, om te kijken of die glimp die hij van haar had opgevangen, werkelijkheid was. Leek ze echt zoveel op de prinses als hij had gedacht? Misschien kwam hij morgen inderdaad wel terug. Als hij tijd had.