12 Ontsnapping
Twee mannen reden een helling op.
Ze kwamen in zicht toen ze de top van de volgende heuvel bereikten. Robbie wees op hen en keek om naar Coe's reactie. Zijn metgezel had een onaangenaam verrast gezicht, alsof er net iets kouds en slijmerigs in zijn kraag was gevallen.
Robbie fronste zijn wenkbrauwen en vergat even de lichaamsdelen waarover hij graag wilde wrijven - en dat waren er vele. 'Is er iets mis?'
Jarvis wreef over een plek op zijn borst, greep toen iets onder de .stof van zijn hemd en trok het weg van zijn lichaam. Sinds de ochtend hadden ze doorgereden, een uur of vijf lang, voorzover Robbie het kon bepalen. Pas nu merkte hij hoe gewend hij was om aan de schaduwen van de stad te zien hoe laat het was. Ze waren ook niet gestopt om de paarden te laten uitrusten, en in Robbies ongeoefende ogen zagen ze er net zo moe uit als zijn benen en rug waren. Daarbij had Jarvis Coe zich onderweg niet erg spraakzaam getoond, en Robbie wist nog steeds niet helemaal wat ze nu eigenlijk moesten doen als ze eenmaal bij hun bestemming kwamen. Hij richtte zijn aandacht weer op Coe, die nog steeds staarde naar de twee mannen op de volgende heuvel.
'Meester Coe?' vroeg Robbie nogmaals.
Jarvis' ogen bewogen en hij staarde Robbie in het gezicht, maar het duurde even voordat de man hem daadwerkelijk leek te zien. 'Het is hier niet pluis,' zei hij.
Robbie keek rond. Rechts stond een groepje bomen, links lagen akkers, en verderop liep het land omhoog en ging de weg met een bocht om een rotsblok waarachter hun prooi nu verscholen was. Op het veld werkte een boer, die steeds iets uit een zak haalde en dat over het brokkelig omgeploegde land gooide. Hij schudde zijn hoofd. 'Er lijkt mij niets aan de hand.
Van opzij keek Coe hem aan, met zijn hand nog steeds aan het ding dat hij onder zijn hemd droeg. Toen haalde hij zijn schouders op. 'Misschien vergis ik me. Misschien is het alleen maar een gevoel.' Hij schudde een keer flink met zijn hoofd en knipperde met zijn ogen. 'Wou je iets vragen?'
Goed, dacht Robbie. Hij had zelf ook een paar keer een 'gevoel' gehad. Tijd om voorzichtig te worden. Misschien doet mijn narigheidsknobbel het niet buiten de stad en die van Jarvis wel. 'Ik zag verderop twee mannen rijden,' zei hij hardop.
'Laten we hen dan proberen in te halen.' Coe draafde vooruit. Toen Robbie weer bij hem reed, keek de man hem aan. 'Heb je behalve dat zwaard nog een wapen?' vroeg hij.
'Mijn mes,' antwoordde Robbie, met zijn stem een schokschoudering suggererend die hij in draf niet kon uitvoeren.
'Blijf een beetje achterop als ik hen inhaal. Ik ga hen vragen of ze de weg naar Nes weten. Als ze zeggen dat we dan moeten omkeren, geef ik jou op je donder omdat je de herbergier verkeerd hebt begrepen.' Robbie trok een grimas.
'Wat is er?' vroeg Coe.
'Nes is een beetje moeilijk over het hoofd te zien vanaf de weg, als je erover nadenkt.'
Coe probeerde niet te lachen. 'Ik ben nooit zo goed geweest in het snel verzinnen van smoezen. Wat zou jij zeggen?'
'Gewoon vragen of ze het erg vinden dat we mee opreizen, voor het geval dat er struikrovers zijn. Dat leidt de aandacht wel af, ook al zeggen ze nee.'
'Mij best. Dan rijden we samen op. Ik spreek hen aan en maak een praatje terwijl jij uitkijkt naar die jongen. Als je kunt, grijp je hem beet en ga je ervandoor. Ik zorg voor de rest. Begrepen?'
'Ja,' zei de jonge Snaak. Het leek hem geen slecht plan. 'Als ze het zijn, hebben ze het wel erg kalm aan gedaan, als we hen nu al hebben ingehaald terwijl ze zoveel eerder dan wij zijn vertrokken.'
Daar reageerde Coe niet op, maar dat hoefde ook niet. Robbie had natuurlijk gelijk. Toen ze langs het rotsblok kwamen, zagen ze de twee mannen. Hun paarden stonden stil, en kennelijk hadden ze ruzie. De kleinste van de twee had een flinke zak achter het zadel op zijn paard gebonden, maar er was nergens een kind te zien. De twee mannen keken om, en hun paarden begonnen nerveus te steigeren.
'Neem me niet kwalijk, heren,' riep Jarvis, 'maar heeft u misschien een momentje?'
De twee keken elkaar aan en hielden de teugels strak, maar voordat Robbie alweer bij Coe was, gaven ze hun paarden de sporen en stormden de weg af alsof ze door demonen op de hielen werden gezeten.
'Nou, dat ziet er in elk geval schuldig uit,' mompelde Robbie.
Coe hoorde hem niet. Zodra de twee ervandoor waren gegaan, had hij zijn paard in galop gebracht. Het was een wedstrijd die ze onmogelijk konden winnen, want hun paarden waren lang niet zo vers als die van de ontvoerders. Zij hadden gestadig doorgereden, terwijl de twee mannen duidelijk hadden getreuzeld en vaak rust hadden genomen, als Jarvis en Robbie hen nu al hadden ingehaald.
Toch moeten we het proberen, en misschien hebben we geluk.
Robbie schopte met zijn hielen tegen de flanken van zijn paard, en de ruin ging achter het rijdier van de ander aan. Paarden waren duidelijk groepsdieren, besloot Robbie. Hij voelde de krachtige gang van het paard, het denderen van de hoeven en de razende snelheid, hoger dan hij ooit had ervaren - en het bonken van het zadel tegen zijn mishandelde achterste. Robbie flapperde met zijn ellebogen als een kip, maar dankzij zijn bijna bovennatuurlijke gevoel voor evenwicht wist hij zonder moeite in het ritme van zijn paard te komen. Plots schoot het door hem heen dat hij geen idee had wat hij moest doen als het paard besloot om ineens stil te gaan staan. Jarvis had hem niet verteld hoe hij in galop moest rijden, en hij had werkelijk geen flauw idee hoe hij het paard tot stilstand moest brengen. Hij deed zijn hakken omlaag, zoals Coe hem gedurende de dag verscheidene malen had gezegd, en ging in de stijgbeugels staan. Ineens hielden zijn tanden op met klapperen en stuiterde zijn hoofd beduidend minder, zodat hij verderop kon kijken. Aha! zei hij bij zichzelf. Dus zo doe je dat! Hij boog zijn knieën en liet zijn benen en heupen meegaan op de bewegingen van het paard terwijl zijn bovenlijf op gelijke hoogte met de weg bleef.
Dat paardjerijden is zo gek nog niet als je je hoofd erbij houdt, dacht Robbie een opgewonden moment. Toen besloot de ruin dat hij moe was van het rennen, en Robbie had het uitsluitend te danken aan zijn uitstekende reactievermogen en gevoel voor evenwicht dat hij niet uit het zadel werd gelanceerd om met pijnlijke gevolgen op harde grond te belanden. Nu schoof hij slechts naar voren in het zadel en sloeg zijn armen om de hals van het dier. Kennelijk geërgerd door dit onverwachtse vertoon van genegenheid snoof het paard en begon te draven, waardoor Robbies tanden weer gingen klapperen.
Robbie duwde zich achteruit in het zadel en begon aan zijn schommelbeweging voor de draf. Hij wilde net weer overgaan in galop toen het paard boven aan een heuvel kwam. Voorbij de volgende heuvel lag een groot, versterkt landhuis - praktisch een kasteel - met een slotgracht. Eromheen lagen verwaarloosde tuinen, afgegrensd door een lage muur met een smeedijzeren poort aan het einde van een laan die afsloeg van de hoofdweg. De twee mannen gingen erop af als kuikens naar een moederkloek.
Plots bleef Robbie staan, of misschien was het zijn paard. Hij voelde iets raars, bijna alsof er iets doods en kouds met een hand langs zijn ruggengraat ging en vervolgens die hand naar binnen duwde om naar zijn maag te grijpen. Onwillekeurig slaakte hij een kreet. Het paard hinnikte protesterend, en voor hij het wist reed hij in galop terug in de richting van Nes zonder dat hij zich kon herinneren het paard te hebben gekeerd. Slechts met grote moeite wist hij tot stilstand te komen door achterover te hangen, zijn voeten in de stijgbeugels schrap te zetten en aan de teugels te trekken tot het paard bijna met de kin op de borst stond.
Hijgend keek hij rond, en Coe kwam vlak achter hem aan, bleek en geschrokken kijkend, al had hij zijn rijdier meer in de hand.
'Wat was dat?' vroeg de jonge dief. 'Bij Ruthia, wat was dat?'
Het duurde even voordat zijn oudere metgezel antwoordde. 'Weet ik niet.' Hij keek Robbie even aan. 'Maar het is wel fijn om te weten dat ik niet de enige ben die het voelde.' Hij haalde diep adem en blies de lucht langzaam uit. 'We moeten ervandoor voor het geval ze iemand achter ons aan sturen. Ik weet vrij zeker dat ik die twee bandieten wel aankan, maar ik heb geen zin om het op te moeten nemen tegen twaalf soldaten van de kasteelwacht.' Hij reed de weg af en wierp een blik over zijn schouder. 'Blijf jij daar?'
Robbie keek hem aan en wierp een blik op het landhuis. 'Nee, ik niet,' zei hij en volgde.
'Waar bleven jullie? Ik had hem gisteravond al hier willen hebben!'
Rip herkende die stem niet. Hij klonk als die van een erg chagrijnige oude man. Hij voelde zich raar, een beetje als van de winter, toen hij ziek was geweest en de hele tijd had geslapen. Hij had het te warm en te benauwd, maar als hij zich wilde bewegen, merkte hij dat hij daar te moe voor was. Hij had niet eens de fut om zijn ogen open te doen. Trouwens, zijn handen wilden niet bewegen, en het leek wel alsof het gewoon niet in hem opkwam wat hij moest doen. Maar hij kon wel luisteren.
'Het spijt ons, mijn heer, maar die jongen woonde erg ver weg. We zijn vanmorgen bij zonsopgang uit Nes vertrokken, heer.' Dit was de bromstem die hij de laatste tijd had gehoord. Hij had hem alleen nog nooit zo vriendelijk horen klinken.
'Zonsopgang, zeg je! En het kostte jullie een halve dag om hier te komen! Hebben jullie soms de paarden op je rug gedragen? Hebben jullie als een nar op je handen gelopen? Vijf uur!'
'Ja, maar, heer, as we toch al te laat waren omdat gisteravond niet lukte, wat maakt het dan nog uit as we de paarden een beetje spaarden vanochtend? Die arme beessies zijn zo moe, mijn heer.'
Dat was de gluiperige stem, zoals Rip hem noemde. En die klonk nu ook niet aardig maar flikflooiend, dreinend en vals.
'De onbeschaamdheid!' schreeuwde de oude man. Er klonk een gedempt geluid, alsof iemand een mep kreeg. 'Neem jullie geld, en verdwijn!'
Nu klonk er gerinkel, enigszins gesmoord, als een zakje munten dat op de grond viel. Toen volgde een stilte die te lang voortduurde. Rip schuifelde ongemakkelijk en wou dat iedereen zijn mond hield en weg zou gaan.
'Bedankt, heer,' zei de bromstem uiteindelijk.
Rip werd opgetild en ergens heen gedragen. Het ging niet ongemakkelijk, en deze meneer praatte niet, en dat was een opluchting. Hij hoorde een klik van een slot en toen een deur opengaan. Toen weer voetstappen, na een tijdje gevolgd door het geluid van een andere deur die van het slot werd gehaald. Toen werd hij neergelegd op iets zachts. Hij ontspande. Eindelijk kon hij gaan slapen.
Rip werd wakker alsof hij vanuit het donker omhoog zwom. Hij knipperde met zijn ogen en bewoog zich, zonder te weten waar hij was. Toen voelde hij iemands aanwezigheid en kwam overeind, in zijn ogen wrijvend.
'Hij is wakker!'
Verrast deed Rip zijn ogen open. Voor hem zat een meisje met bruine krullen en donkere ogen. Ze leek Rip een jaar of twee ouder dan hijzelf, al was ze zo tenger dat ze nog geen halve kop groter was. Ze grijnsde. 'Ik ben Neesa,' zei ze. 'Wie ben jij?'
Hij was in een kamer - een grote kamer, groter dan het hele huis van zijn familie! En het bed was ook groot, groter dan dat van pappa en mamma, met zachte lakens. Er hingen kleden aan de wanden, met tekeningen erop, als van verhalen van vroeger.
Hij werd volkomen overrompeld toen er een jongen van ruwweg zijn eigen leeftijd op het bed sprong en op en neer begon te springen.
'Hoe heet je? Hoe heet je? Hoe heet je?' schreeuwde de jongen vrolijk.
'Hou daarmee op, Kay!' zei een ouder meisje en gaf de jongen een duw waarvan hij op zijn rug viel. 'Je weet hoe je je voelt wanneer je wakker wordt.'
Kay giechelde, niet onder de indruk van haar boze blik. Ze hield Rip een aardewerken beker voor. 'Dorst?' vroeg ze.
Rip knikte, nam de beker aan en dronk hem met een paar grote slokken leeg. Het was een soort vruchtensap, maar geen appelcider, eerder iets van bessen. Hij hapte naar lucht en zei: 'Bedankt.'
'Ik had zo'n dorst dat het niet meer overging,' zei het meisje. 'Ik ben Amanda. Thuis noemen ze me Mandy.' Ze was ouder dan Rip en zag er bijna even oud uit als Lorrie, maar in tegenstelling tot zijn zus was Mandy een ernstig kijkend meisje met blonde haren en lichtblauwe ogen.
'Rip,' zei hij om zichzelf voor te stellen. 'Waar ben ik?'
De kamer waar hij in zat had stenen muren onder de kleden. Het was ontzagwekkend hoeveel van die mooie kleden er hingen. Hij wist hoe lang mamma en Lorrie erover deden om genoeg stof voor alleen maar een nieuw hemd te maken.
De stenen waren keurig rechthoekig, heel anders dan de stenen van de haard thuis. Mensen in rare kleren op paarden golfden in een tochtvlaag - het was niet erg warm, en er hing een rare muffe geur die hij niet prettig vond. Op het bed - hij keek rond - nee, op de bedden, lagen veel dekens. Het zijne had zelfs een dak, als een chique tent.
'Dit is mijn bed,' zei Mandy. Niet dat ze hem er meteen uit wilde schoppen, maar ze liet hem wel weten dat hij er niet in kon blijven liggen.
'Zijn we in een kasteel?' vroeg Rip. Hij wist van geen ander gebouw dat stenen muren had. En - dat woord dat Emmet me vertelde in het verhaal van koning Akter - wandtapijten! Ja, dat zijn wandtapijten! En in kastelen van steen wonen koningen.
Mandy haalde haar schouders op. 'Het zal wel een kasteel zijn.'
'We kunnen er niet uit,' zei Neesa. Ze keek rond en sloeg haar armen om zich heen, alsof ze het koud had.
'Soms komen ze hier en nemen ze iemand mee,' zei Kay. Op fluistertoon sprak hij verder. 'En die komt dan nooit meer terug.'
Rip keek rond. Hij wist niet wat er was gebeurd, waarom hij niet veilig thuis bij zijn ouders was. Hij was bang. 'Misschien komt hun vader en moeder hen mee naar huis nemen,' zei hij hoopvol.
Kay verwrong zijn gezicht tot een nijdige grimas. 'Jij bent hier net! Wat weet jij er nou van!' Hij sprong van het bed, rende naar een van de andere bedden, wierp zich erop en ging met zijn rug naar hen toe liggen. Rip hoorde hem in de dekens snikken.
'Ik wil mijn mammie en pappie,' zei Rip zachtjes. De tranen sprongen hem in de ogen. Mandy keek hem even aan, boog zich toen naar hem toe en sloeg een arm om zijn schouders. 'Hij is gewoon bang. Ze nemen meestal een jongen mee. Ik ben hier al een hele tijd, en ze hebben vier jongens weggehaald.' Ze tikte met een vinger tegen de zijkant van haar hoofd en zei met zachte stem: 'Kay is niet helemaal goed. Hij is net zou oud als Neesa, tien, maar hij doet alsof hij vijf is.' Ze ging nog zachter praten. 'Neesa is ook niet helemaal goed. Zij ziet en hoort dingen.' Rip was verbaasd om te horen dat Kay tien was. Zo zag hij er niet uit, en zo deed hij evenmin.
Rip was flink voor zijn zeven jaren. Hij was erbij geweest als zijn vader dieren slachtte en had zijn zus geholpen met het schoonmaken van de konijnen die ze had gevangen. Hij werd eerder stil en teruggetrokken dan te gaan huilen of te klagen. 'Ik ben bang,' zei hij zachtjes.
Mandy klopte hem op de schouder. 'Dat zijn we allemaal, jongen. Heb je honger?'
'Het scheelt als je iets eet,' zei Neesa. Haar ogen stonden groot, en ze knikte.
Rip kwam helemaal overeind en schoof naar voren tot hij zijn voeten over de rand van het bed kon steken. Duizelig bleef hij zitten en plofte achterover op zijn rug.
Mandy zuchtte en stond op. 'Blijf hier. Ik haal wel iets.'
'Misschien toch niet.' Hij voelde zich weer misselijk.
'Heb je vandaag al gegeten?' vroeg ze hem.
'Weet ik niet.' Hij fronste zijn wenkbrauwen. Hij kon zich niets meer herinneren, behalve af en toe wat commentaar in het donker van Brombeer of Gluiperd. Waar waren zijn vader en moeder? Hij kon zijn moeder helemaal niet voelen, dat was vreemd. Het was alsof hij een tand kwijt was en er een gat zat voordat de nieuwe tand kwam. Misschien kwam er deze keer wel geen nieuwe. En Lorrie? Hij tastte naar haar en voelde, heel vaag en ver weg, een echo van haar aanwezigheid. Misschien was hij gewoon te ver weg van zijn moeder om haar te voelen. Maar iets zei hem dat dat niet het geval was. Het leek op een herinnering, maar dan zonder de beelden en geluiden erbij.
'Waar is jouw moeder?' vroeg hij Mandy.
Ze liet het bord met gerookt vlees, kaas en appels op zijn schoot vallen en keek hem kil aan. 'Daar praten we niet over,' zei ze.
'Waarom niet?' vroeg hij, niet onredelijk, dacht hij.
'Dat is jouw bed,' zei ze, wijzend naar een bed in de hoek.
Ze vertelde hem dus om op te hoepelen. Voorzichtig liet hij zich van de rand van het bed glijden en ging staan, een ogenblik niet zeker of hij zou omvallen. 'Niet boos zijn,' zei hij. 'Ik begrijp het gewoon niet.' Hij schudde zijn hoofd. 'Waarom zijn we hier? Waar zijn we? Ik wil alleen maar weten wat er aan de hand is.'
'Ga op je eigen bed zitten eten,' bitste Mandy. Ze sprong op het bed, sloeg haar armen om haar knieën en staarde er stuurs overheen. Rip zag haar ogen glinsteren, alsof ze haar best deed niet te huilen.
Verwonderd en een beetje gekwetst liep Rip naar het bed in de hoek en ging zitten. Hij hing met zijn hoofd boven het bord opdat ze de tranen niet over zijn wangen zagen lopen en stopte een stuk vlees in zijn mond. Hij wilde niet huilen, maar hij kon het niet helpen. Ook als Lorrie kwaad op hem was, dan deed ze niet zo tegen hem, alsof hij er niet toe deed.
'Wij weten ook niets,' zei Kay in de zware stilte, zijn huilbui gestild. 'Niemand zegt iets tegen ons. Ze brengen ons te eten, maar ze zeggen geen woord. Ze komen alleen om eten en water te brengen en om schoon te maken.'
'Of om iemand te brengen of weg te halen,' voegde Mandy eraan toe. 'Meer weten we niet.'
'Maar we denken... ' begon Kay.
'We denken dat onze ouders dood zijn,' zei Mandy.
'Nee!' schreeuwde Neesa, en met een rood gezicht van woede sloeg ze Mandy op de arm.
'Au! Ga van mijn bed af, meteen!' zei Mandy en gaf het kleinere meisje een duw.
Neesa viel op de grond en begon te huilen. Kay rolde met zijn ogen en trok het kussen over zijn hoofd, terwijl Mandy haar armen over elkaar sloeg en hen negeerde. Rip zette zijn bord weg. Hij ging naar het meisje en sloeg zijn armen om haar heen, en het meisje klampte zich aan hem vast, huilend alsof haar hart zou breken.
'Ik wil niet dat mijn pappie en mammie dood zijn,' jammerde ze.
'Misschien zijn ze dat ook niet,' probeerde Rip haar gerust te stellen. 'Dat weten we niet.'
Ze snifte, keek naar hem op en knikte. 'Ja, misschien niet.' Ze krabbelde overeind, keek hem even glimlachend aan en liep naar haar bed, waar ze een opgerolde doek oppakte die ze mee terugnam. Ze ging naast hem zitten en begon het bundeltje energiek te wiegen in haar armen en hardop te zingen.
In elk geval zingt ze, dacht Rip. Melodie en woorden ontbraken, maar hij nam aan dat het een slaapliedje moest voorstellen en dat de opgerolde doek een baby was. Hij stond op en ging terug naar zijn bed en zijn maaltijd.
De kaas was heerlijk: zacht en mild van smaak, met een zweem van noten. Hij had nog nooit zoiets geproefd, en gretig zocht hij zijn bord af naar nog een stuk.
Twee dagen later werd Rip wakker met het vaste voornemen om uit zijn luxueuze gevangenis te ontsnappen. Hij was te jong om te begrijpen dat hij gedrogeerd was geweest, maar hij wist wel dat er iets was veranderd sinds hij wakker was geworden. Hij was bang, en hij miste zijn familie, maar het was toch een geruststelling om te voelen dat Lorrie nog ergens was. Maar op een of andere manier wist hij dat hij alleen maar kon hopen om zijn familie terug te zien als hij wegliep.
Geen van de andere kinderen vond hij aardig. Nou ja, hij had geen hekel aan Neesa, maar die was meestal wel erg irritant. Ze zong altijd. De eerste nacht had hij niet kunnen slapen omdat ze nooit meer ophield. Daarom was hij naar haar toe gegaan en had hij gevraagd of ze stil kon zijn. Pas toen had hij gemerkt dat ze diep in slaap was en nog steeds zong!
Mandy had zich omgedraaid en gezegd: 'Dat doet ze altijd. Je went er wel aan.'
Maar dat geloofde hij niet. En hij had een gloeiende hekel aan Kay. Die mocht dan groter en ouder zijn, maar zoals Mandy had gezegd, gedroeg hij zich als iemand die maar half zo oud was. Als hij hier niet gauw vandaan kon, wist Rip zeker dat hij Kay zou vermoorden. Hij beet en hij kneep, en hij vond het leuk om je te besluipen en dan een van beide te doen. Rip had Kay al één keer in zijn maag gestompt, zo hard dat Kay bijna moest overgeven en geruime tijd op de grond had zitten snakken naar adem. Maar veel leek dat niet uit te halen. Kay hield zich een tijdje koest, een uur misschien, en dan kwam hij weer knijpen en probeerde zich te verstoppen onder het bed. Mandy en Neesa viel hij niet zoveel lastig als Rip, dus Mandy zou hem wel hebben geleerd hen met rust te laten. Maar nu wist Rip dat hij Kay moest slaan om hem te laten ophouden, en Rip wilde niemand slaan, hij wilde alleen maar naar huis. Trouwens, hij wist niet of hij Kay wel in elkaar kon slaan, tenzij hij op een of andere manier boven op hem kon gaan zitten.
Ook had hij het angstige gevoel dat er iemand naar hem keek. Gisterochtend was hij wakker geworden met het gevoel dat er iemand over hem heen gebogen stond. Maar toen hij zijn ogen opendeed, was er niemand. Het gevoel ging echter pas weg toen hij zijn hand uitstak. Sindsdien had hij het gevoel alsof er iemand achter hem stond, te staren of iets boven zijn hoofd te houden. Soms voelde het alsof er meer mensen keken.
'Mandy,' fluisterde hij.
Ze keek op, en hij ging op de rand van haar bed zitten.
'Ja?' fluisterde ze terug.
'Heb jij ook soms het gevoel alsof... alsof er iemand naar je kijkt, iemand die je niet kunt zien?'
Mandy greep hem achter in zijn nek en trok hem naar zich toe. 'Hou je kop!' siste ze tussen haar tanden door. 'Als je erover praat of eraan denkt, wordt het alleen maar erger.' Ze gaf hem een klap en zei toen hardop: 'Ga van mijn bed af.'
De rest van de dag keek Mandy hem steeds kwaad aan en weigerde te praten, en hij kon het haar niet eens kwalijk nemen. Ze had gelijk gekregen, het was erger geworden.
De hele dag had hij het gevoel alsof er mensen vlak bij hem stonden, naar hem starend, over hem heen gebogen. Hij probeerde er geen acht op te slaan, maar het was zo'n rotgevoel dat hij bij het eten nauwelijks een hap naar binnen kreeg. En later die nacht was hij wakker geworden met het idee dat iemand hem had aangeraakt. Hij deed zijn ogen open en zag het zwarte silhouet van een man vlak bij hem staan. En toen was de man verdwenen, zomaar. Rip lag stil, doodstil, met het gevoel alsof de man er nog steeds stond en dat hij niets goeds in de zin had, en dat hij geen gezicht had maar eruitzag zoals Rip hem had gezien, zwart als een massief geworden schaduw.
Rip was zo bang dat hij zijn eigen hart kon horen bonken, en hij wilde huilen maar durfde niet, zodat zijn keel pijn deed en hij bijna geen adem kreeg en zijn mond zo droog was als katoen en hij naar de pot moest maar niet kon. Hij wilde een van de anderen wakker maken zodat hij niet alleen in het donker was, maar hij durfde zijn stem niet te gebruiken. Rip was zo klaarwakker dat het niet in hem opkwam om weer te gaan slapen. Maar op een of andere manier viel hij toch in slaap. En toen hij wakker werd, had hij het gevoel dat er iemand onzichtbaar over hem heen gebogen stond. Hij bleef liggen en dacht: Ik moet hier weg.
Tweemaal per dag kwam er een dikke man met een gemeen gezicht en een vieze geur om hun eten te brengen en de toiletemmer te verruilen door een lege. Verder bleef de deur op slot, en er zaten tralies voor de ramen, en ze zaten trouwens toch heel hoog. Rip moest er dus uit als de deur openging.
'Ik ga kijken of ik hier weg kan,' zei hij tegen de anderen.
De meisjes keken hem alleen maar aan, Mandy smalend, Neesa met grote ogen. Rip dacht niet dat ze wist waar hij het over had.
'0, ze komen je binnenkort heus wel halen,' treiterde Kay. 'En dan hakken ze je kop eraf, woesj!' Hij deed alsof hij zwaaide met een zwaard.
'Ze komen vast eerst voor jou,' kaatste Rip terug. 'Jij bent hier al langer dan ik!'
Kay snakte naar adem, verrast door Rips felheid en de waarheid van zijn opmerking. Toen werd hij gek en wilde Rip te lijf.
'Hou op, Kay!' blafte Mandy.
De jongen bleef zo abrupt staan dat Rip begreep dat Mandy hem inderdaad had geleerd om zichzelf te gedragen. Kay keek nog steeds boos maar deed dat van een veilige afstand.
'Hoe denk je hieruit te kunnen komen?' vroeg Mandy.
'Weet ik niet,' zei Rip. 'Misschien gooien we een laken over zijn hoofd en rennen we de deur uit terwijl hij het probeert af te doen.
Kay maakte een geluid als van een scheet en begon te lachen. 'Doe niet zo stom! Hij is twee keer zo groot als jij. Je kunt alleen maar een laken over zijn kont gooien, en misschien zitten zijn hersenen daar wel, maar je kunt je beter druk maken over zijn ogen en handen.' Lachend wees hij naar Rip. 'Stom!'
'Hou je kop, Kay!' blafte Mandy. 'Daar moeten we ons allemaal druk om maken. Tot nu toe hebben we geluk gehad, maar dat blijft niet altijd zo.' Ze keek hem kwaad aan en praatte op zachtere toon verder. 'Trouwens... het wordt erger.'
Kays ogen werden groot, en hij wierp een blik om zich heen. Hij schrok er zichtbaar van dat ze ook maar had gezinspeeld op de spoken die ze voelden.
'Ja. Dus hou eens op met net doen alsof je niet net zo bang bent als wij en help ons bedenken hoe we het gaan doen,' riep Rip.
Kay keek wrokkig en koppig, maar plots klaarde hij op. 'Hé! Ik weet wat, we kunnen hem laten struikelen! En dan kunnen we een laken over hem heen gooien.'
Mandy keek bedachtzaam. 'En het misschien om hem heen binden zodat hij niet los kan komen.'
'We zouden zijn sleutels kunnen pakken,' zei Rip, 'en hem opsluiten.'
'We zouden hem op zijn kop kunnen slaan!' riep Neesa opgewekt. 'Bonk! Bonk, op zijn kop!'
De anderen begonnen te lachen. 'Goed idee!' zei Rip en klopte het meisje op de rug. 'Dat gaan we doen.'
Toen hun potige verzorger met hun ontbijt kwam, stonden Rip en Kay aan weerskanten van de kamer een appel naar elkaar over te gooien. De man draaide zich om het dienblad neer te zetten op de tafel die gewoonlijk naast de deur stond maar merkte dat die was verschoven naar het midden van de kamer en was gedekt met een laken dat tot op de grond hing.
'Wat doet die daar?' gromde hij.
Neesa tilde het laken aan een kant op en zei hooghartig: 'Dit is mijn huis, en hier hoort hij te staan.' Ze liet het laken vallen.
'Jullie twee,' zei de man tegen de jongens, 'zet die tafel weer terug.'
'Nee!' schreeuwde Neesa. Het was verbazend dat er zo'n woedend geluid uit zo'n tenger lijfje kon komen.
'Alstublieft,' zei Mandy met een gekwelde blik, 'mogen we daarmee wachten tot ze is uitgespeeld? Anders schreeuwt ze het hele huis bij elkaar.'
'Nee! Nee!' gilde Neesa en liet zelfs haar vriendjes schrikken met de hoeveelheid kabaal.
'Kan mij het schelen!' brulde de bewaker. Hij schopte de deur dicht met zijn voet maar kon hem niet op slot doen vanwege het zware dienblad. Hij keek woest naar de kinderen, en de twee jongens lieten zich zakken op de vloer. Mandy bleef met grote ogen op haar bed liggen, en Neesa zat onder de tafel zachtjes te zingen voor haar pop. Ervan verzekerd dat iedereen op zijn plaats bleef, beende de bewaker naar de tafel.
En op dat moment trokken Rip en Kay het satijnen koord van de bedgordijntjes uit de verstopplaats onder het kleed tot op enkelhoogte, en de grote man ging neer, terwijl het dienblad met al het eten erop rinkelend door de lucht vloog.
De bewaker probeerde zijn val te breken met zijn handen, maar de ontploffing van de lucht uit zijn longen toen hij de vloer raakte en een korte, zware grom van pijn toen er iets brak - pols of arm - werd een tel later gevolgd door de luide smak van zijn kin op de stenen.
De ogen van de man rolden omhoog in hun kassen, en hij verloor het bewustzijn. De twee jongens wisselden van plaats en wikkelden zo het koord rond de benen van de bewaker. Mandy sprong van het bed, trok het laken van de tafel over het hoofd van de bewaker. Zij en Neesa pakten de punten aan weerszijden op, en Mandy knoopte ze aan elkaar, zodat hij in een zak zat.
'Kom op!' zei Rip.
De kinderen stopten de gevallen etenswaren in kussenslopen en renden de kamer uit. Voor Rip was het alsof hij uit warm water in de koude lucht kwam, en zijn tanden begonnen te klapperen. Ongemakkelijk keek hij de anderen aan, en die keken terug, bleek en zichtbaar bang. Mandy keek terug in de kamer achter hen.
'Nee!' zei Rip, sloeg de deur dicht en draaide de sleutel om die tot zijn grote genoegen nog in het slot stak. 'We kunnen niet terug. 'We moeten maken dat we wegkomen.'
Hun hoofden gingen links en rechts, en ze bleken te staan in het midden van een gang die er aan weerszijden identiek uitzag: stenen muren, hoge smalle ramen aan één kant, tegels op de vloer en enorme zwarte balken aan het hoge plafond.
'Deze kant,' zei Neesa, wijzend naar rechts.
'Waarom?' vroeg Mandy.
'Omdat dat de goede weg is,' antwoordde Neesa.
Mandy keek naar Rip, negeerde Kay, haalde haar schouders op en vertrok naar rechts. Misschien was het de verkeerde keuze, maar het was tenminste een keuze. Aan het uitzicht uit een van de smalle ramen zagen ze dat ze boven in het huis moesten zijn. 'Zoek naar een trap,' fluisterde ze.
Mandy wierp nog een blik op Neesa maar zei niets.
Rip voelde zich ongemakkelijk omdat hij degene was die de anderen het idee om te ontsnappen had opgelegd, maar iemand moest het doen. Hij wist niet waarom de andere kinderen niets deden terwijl er telkens kinderen verdwenen, maar hij wachtte zijn lot niet af. Hij wist ook niet of hij zich kon opwerpen als hun leider, hoe vaak hij zoiets in zijn verbeelding ook had gespeeld, maar iemand moest iets doen. Als hij de deur niet op slot had gedaan, waren ze misschien allemaal terug naar binnen gevlucht. Binnen was het niet veilig, maar buiten voelde het pas echt gevaarlijk. Om te beginnen leek het kouder te worden, en hij had het gevoel alsof het heel druk was in de gang, of druk zou gaan worden.
De trap, dacht Rip wanhopig. Waar is de trap?
Neesa huilde zachtjes, moe en angstig. De tranen biggelden over haar gezicht, en ze deed haar uiterste best om geen geluid te maken, toch klonk er een hoog gejammer waarvoor ze kennelijk geen adem hoefde te halen, aangezien het ononderbroken doorging. Met een brandende hand hield ze die van Rip vastgeklemd om hem mee te trekken, de ene kant, dan weer de andere kant op. Niemand anders had enig idee waar ze heen gingen, dus lieten ze haar maar voorop gaan.
Volgens Rip was ze te bang om te klagen. Hij was het tenminste wel. Haar hand was net zo zeer een geruststelling als een middel om haar bij zich te houden. Anders kon hij alleen nog maar denken aan het onzichtbare iets dat hen steeds elk moment leek te kunnen bespringen. Of aan de snerpende kou waarin hij zijn eigen adem kon zien, ook al was het nog lang geen herfst.
Het was alsof ze al uren door dit enorme huis slopen, en ze waren allemaal uitgeput. Ze hadden een trappenhuis gevonden, maar toen ze twee trappen naar beneden waren gegaan, moesten ze omdraaien om te vluchten voor iemand die naar boven kwam. Wie het ook waren, ze moesten drie trappen omhoog voordat ze bij de volgende bocht door de gang verdwenen. Ze hadden zich schuilgehouden in een kamer terwijl er buiten de deur voetstappen op en neer paradeerden en er iets vlak boven hun hoofden leek te zweven. In ieder geval hadden ze even kunnen uitrusten, want anders zouden ze inmiddels niet meer op hun benen hebben kunnen staan. Toen de voetstappen waren verdwenen, waren ze naar buiten geglipt waarna ze twee trappen omlaag konden, maar tot dusver zaten ze nog steeds vast op de verdieping waarop ze waren begonnen.
En alle kamers waren leeg en vol met stof en onzichtbaar kijkende ogen.
Rip liet Neesa's hand los en liep op zijn tenen naar het trappenhuis. Daar hurkte hij neer en gluurde over de rand, ingespannen luisterend of hij op een van de lagere verdiepingen iets hoorde. Uiteindelijk gerustgesteld zwaaide hij de anderen naar zich toe en slopen ze de trap af. Voordat ze de volgende trap konden nemen, hoorden ze voetstappen, en ze renden de gang door, met bonzend hart.
Het gevoel van een onzichtbare achtervolger werd scherper, en er begon zich een gevoel van woede op te bouwen, woede die naar hen reikte om hen te slaan. De kinderen renden harder, maar dat ging moeilijker, want op een of andere manier leek de lucht hier wel ijler, en de kou was zo snijdend dat ze ervan struikelden en snikten.
We moeten ons verstoppen, dacht Rip.
Aan het einde van de gang was er een deur die leek te wenken. Hij greep de klink en trok, maar hij zat op slot. Vlug haalde hij de sleutel van de bewaker uit zijn zak om die in het slot te pasen, maar zijn handen beefden te erg. Het was net een levend ding dat spartelde om te ontsnappen, en hij gaf een snik van frustratie. Mandy pakte hem bij de schouder, en hij hijgde van schrik.
'Weg hier!' zei ze op schrille fluistertoon. Ze trok aan zijn hemd.
Maar Rip greep zich vast aan de deurklink om zich niet mee te laten slepen, en wonder boven wonder draaide die. Hij had alleen maar vast gezeten! Nu greep hij Mandy bij haar rok, deed de deur open en trok haar achter zich aan. De twee andere kinderen volgden. Samen met Mandy deed hij de deur dicht en leunde ertegenaan. Aan de buitenkant sloeg er iets tegen de deur, zo hard dat die ervan rammelde in de sponning en er wat pleisterwerk kletterend op de vloer viel.
Rip had het gevoel alsof er iets smerigs tegen de deur was geslagen en van pijn of uit angst was teruggedeinsd. Maar ver weg was het niet, dat voelde hij ook. Maar toch, voor het moment waren ze veilig. Veiliger zelfs dan in hun gevangenis boven. Hij keek de kamer in. Kay en Neesa staarden hem aan, bleek en bang. Naast hem slaakte Mandy een zucht en liet zich op de vloer zakken, haar armen om zich heen geslagen, haar ogen starend in het niets.
Rip keek rond. Ze stonden in een slaapkamer. Die was met strenge eenvoud gemeubileerd, maar de meubels zelf waren van uitstekende makelij, als uit de oude verhalen van Emmet, of de verhalen die zijn moeder hem had verteld over paleizen in de lucht. De meubelstukken waren allemaal van mooi uitgesneden donker hout, glad en glimmend, met stof op de zittingen, met een mooi weefpatroon. Er hingen geen spiegels of schilderijen aan de muren en ook geen grote wandtapijten zoals in de andere kamer, maar Rip wist wel dat deze kamer door de adel werd gebruikt. Toen zag hij Neesa staren, en hij volgde haar blik: tegenover hem was nog een deur.
Neesa wees ernaar en zei op zachte toon: 'Daar is ze.'
Alsof hij ertoe werd aangetrokken, ging hij erheen, maar toen hij er stond, aarzelde hij. Er was iets ergs achter die deur. Het was niet slecht van zichzelf, zoals dat iets wat hen opwachtte in de gang. Het was alsof er iets ergs gebeurde in de kamer achter de deur.
Maar Rip moest het zien, en zijn angst hield hem niet lang tegen. Hij deed de deur open. Het was donker in de kamer, alsof de nachtelijke schaduwen er nog steeds hingen en de kaarsen maar weinig licht konden brengen. In het midden van de kamer stond een bed, en op het bed lag een mooie jongedame. Sliep ze? Nee, ze ademde niet. De vrouw was dood. Onwillekeurig deed hij een stap achteruit, bleef toen staan.
Rip keek aandachtiger, gefascineerd en ontsteld. Vol afgrijzen haalde hij langzaam en diep adem toen het op een of andere manier tot hem doordrong dat ze wel dood had moeten zijn maar het niet was. Hij sloeg tegen de deur en leunde ertegenaan, misselijk. Toen hij opkeek, zag hij dat de anderen het ook hadden gezien. Voelden jullie het ook? vroeg hij zich af, maar hij durfde niet hardop te praten. Het was net als met die spoken: om een of andere reden leek het hem niet verstandig om te bevestigen wat hij had gevoeld.
'Dat is een dode mevrouw,' zei Kay, witter dan ooit.
'Nee,' fluisterde Neesa, 'ze is niet dood.'
'Maar ze beweegt niet,' zei Rip. 'Ze ademt niet.'
'Ze is niet dood,' herhaalde Neesa. 'Ze praat tegen me.'
'We kunnen hier niet blijven!' Rip klonk beschuldigend en paniekerig.
Verbaasd keken de anderen hem aan. 'Waar moeten we dan naar toe?' vroeg Mandy.
'Hier kunnen we niet blijven,' drong Rip aan.
Kay ging zitten op een stoel vlak bij de deur. 'Ik kan niet lopen.'
Neesa kwam naar Rip en legde een hand op zijn schouder. 'Het geeft niet. Hier zijn we veilig... een tijdje.'
Rip wist niet wat hij moest zeggen. Hij had geen idee waar ze zich dan moesten verstoppen, dus ging hij maar op de vloer zitten. Hij was moe, hij had honger en hij was bang. En ondanks die mevrouw in de kamer ernaast voelde het hier veiliger dan overal waar hij was geweest, sinds hij die ochtend was wakker geworden.
Hij keek de kamer rond. Op een tafel bij het bed stonden een schenkkan en een bokaa1. Hij ging ernaar toe en rook. Wijn. Hij trok zijn neus op - hij hield niet van wijn, tenzij er veel water in zat. Maar hij had zo'n dorst dat het hem eigenlijk niet kon schelen, en daarom schonk hij wat in en nam een slok.
Zijn ogen werden groot. Dit was lekker! Hij kreeg er een warm gevoel van in zijn mond en helemaal door zijn keel tot in zijn buik. Daarvandaan verspreidde de warmte zich over zijn hele lijf. Onzeker keek hij naar Neesa en besloot dat een klein beetje voor haar vast geen kwaad kon. Ongetwijfeld had ze net zo'n dorst als hij.
'Laten we wat eten,' zei hij, nam de kan en de beker mee en ging in het midden van de vloer zitten.
Mandy likte langs haar lippen, knikte en haalde brood en kaas uit haar kussensloop. Neesa knaagde een stuk van het brood met zo'n verwoede concentratie op haar gezicht dat Rip er bijna van moest lachen.
'We kunnen hier niet zomaar eten!' zei Kay op bijna schetterende fluistertoon. 'Er ligt daar een dode mevrouw. Dan gaan we dood!'
Mandy snoof. Ze nam het brood van Neesa over en trok er een stuk voor zichzelf af. 'Natuurlijk niet!' zei ze. 'Dat is het stomste wat ik ooit heb gehoord. Je eet altijd als er iemand doodgaat. Toen oma doodging, aten we allemaal pasteitjes en zo, ook moeder, en die huilde nog we1.'
'Drink maar op,' zei Rip en gaf Kay een beker van de wijn.
Kay deinsde terug, zijn afkeer dik op zijn gezicht. 'Maar dat drink ik niet! Dat is vast vergiftigd.'
Rip rolde met zijn ogen. 'Het is niet vergiftigd. Ik heb er net van gedronken, zie ik eruit alsof ik vergiftigd ben?'
'Trouwens,' zei Mandy en gaf Kay een homp brood en een stuk kaas, 'wie heeft er nou vergif op zijn nachtkastje staan?'
'Ik wil wel wat!' zei Neesa en stak haar handen uit naar de bokaal.
Rip gaf hem haar. Nadat ze drie keer had geslikt, duwde Mandy haar hand omlaag. 'Eén slokje nog. Je mag niet van je stokje gaan.' Rip knikte. Als boerenzoon had hij gezien welke gevolgen te veel wijn kon hebben op zijn vader en de andere mannen uit de buurt tijdens een festival, en zo'n klein meisje was in een mum van tijd helemaal dronken.
Neesa leek te gaan klagen toen Rip haar de beker afpakte maar hield haar bezwaren toch voor zich. Met een beschaamd gezicht stak Kay zijn hand naar de bokaal uit.
'Op je beurt wachten,' zei Mandyen pakte hem zelf.
Kay liet haar een flauw glimlachje zien en trok zich terug. Hij ging naar het raam en keek naar buiten. 'Komen we beneden als we de lakens aan elkaar knopen?'
Rip ging kijken. Het ging zo'n twaalf el steil omlaag naar een betegelde plaats. Hij keek Kay alleen maar aan en liep terug naar de anderen.
Pruilend stapte Kay voor het raam vandaan en liet zich langs de muur omlaag glijden om op zijn hurken zijn brood op te eten. Even later begon hij te snikken, toen in ernst te huilen. Hij zag er triest en onaantrekkelijk uit, met zijn gezicht knalrood, zijn mond wijdopen met de gekauwde stukjes brood erin.
Rip en Mandy keken elkaar ongemakkelijk aan, zich geen raad wetend. Dit was niets voor Kay, die ongenadig zou hebben gelachen als een van hen zich zo had laten gaan. Neesa bleef een tijdje naar Kay zitten kijken, stond toen op en liep naar hem toe om hem op zijn schouder te kloppen. 'Niet huilen,' zei ze.
Even later keek Kay op, en met de tranen op zijn wangen keek hij Rip aan. 'Het spijt me,' zei hij met schorre stem. 'Het spijt me, maar ik ben ook zo bang.' Hij boog zich naar opzij, legde zijn wang tegen Neesa's hoofd en huilde verder.
Neesa fronste haar voorhoofd en voelde met een hand op haar hoofd. 'Je maakt mijn haar nat,' zei ze beschuldigend.
'Neem me niet kwalijk,' zei Kay en tilde zijn hoofd op. Hij kreeg zichzelf weer een beetje in de hand.
'We zijn allemaal bang,' verzekerde Rip hem. 'Ik zeg het liever niet, maar ik ben het we1.'
'Maar wat moeten we doen?' vroeg Kay, en de tranen dreigden weer los te barsten. Hij wees naar de binnendeur. 'Daarachter ligt een dode mevrouw.' Toen wees hij naar de buitendeur. 'En daar zit een spook in de gang. We kunnen niet uit het raam. Wat moeten we doen?'
Mandy duwde de bokaal naar hem toe voordat hij weer tekeer kon gaan. 'Drink op,' zei ze met vinnige nadruk. Dat deed Kay, en het leek te helpen.
Somber staarde Rip naar de muur tegenover hem. Die was gedecoreerd met een houtsnijwerk van een plant in een urn. Het was heel uitgebreid gedaan, met allerlei krullen en tierelantijnen, niet erg mooi, maar wel knap. En terwijl hij ernaar staarde, kwam het hem voor dat er iets mis was met die muur. Zoals die de kamer in kwam, moest er een kast achter zijn, maar die was er niet. En nu hij erover nadacht, de muur in de gang was recht en glad. Dus waarom zat er aan de binnenkant dan een hoek in die muur? Zou het zo'n geheime gang zijn, zoals zo een waardoor koning Akter ontsnapte aan de gemene oom? dacht hij.
'Ja!' zei Neesa opeens. Ze stond op en liep recht op de plek af waar Rip naar keek. Als gehypnotiseerd liep ze naar de muur en begon op alle bessen en bloemhoofdjes te duwen en met haar vinger de rondingen van alle bladeren te volgen, op zoek naar iets wat ze in kon drukken.
Toen Emmet hem het verhaal had verteld, had hij niet precies geweten wat een geheime gang was en hoe die werkte, maar toen had hij ook nog nooit een echt kasteel gezien. Kastelen waren zo groot. Kon het zijn dat hij nu zowaar zo'n geheime gang zag?
'Wat doe je?' vroeg Mandy.
Neesa drukte nog op een uitstulping. Die gaf mee onder haar vinger, en er klikte iets. Zachtjes piepend draaide de muur open. Rip ging kijken en bleef geruime tijd ademloos staan staren, tot Kay en Mandy bij hem kwamen staan.
'Maak eens open,' zei Kay, bleek en versuft kijkend.
Dat deed Rip. Achter de opening daalde een trap af, een pikzwart gat in.
'Donker,' zei Neesa en pakte Mandy's hand.
'We moeten kaarsen hebben,' zei Mandy, pragmatisch als altijd. 'Er stonden er wat bij die vrouw in de kamer...'
'Nee!' zei Kay en greep haar arm. 'Niet naar binnen gaan!'
Zwijgend was Rip het daarmee eens.
'Nou, wat moeten we dan?' wilde ze weten. 'Als we die nemen,' - ze wees naar het nachtkastje, 'dan weten ze dat er iemand is geweest.'
'Dat weten ze toch wel,' zei Rip. 'We hebben de wijn bijna opgedronken, weet je nog?'
'Maar als we de kaars nemen, weten ze misschien dat we deze kant op zijn gegaan.' Mandy's gezicht stond koppig.
'Hoe moeten ze dat nou weten?' hield Rip vol. 'Dan moeten ze eerst de geheime gang vinden, net als Neesa.' Hij keek haar aan. 'Ik zat net aan zo'n gang te denken, van een verhaal dat ik van mijn vader heb gehoord. Hoe wist je dat?'
'Dat wist ik niet,' antwoordde Neesa. 'Dat heeft zij me verteld.' Met een hoofdknik wees ze op de kamer ernaast.
Rip kon een huivering niet onderdrukken. 'Luister, ze zullen best zien dat we hier zijn geweest, maar ze zullen denken dat we door de deur zijn weggegaan.' Hij liep ernaar toe en haalde hem van het slot, plotseling zeker dat het iets dat hen naar de kamer had willen volgen, nu weg was. Hij wist niet hoe hij dat wist, alleen dat het goed voelde. 'Dus gaan ze overal zoeken, en als ze terugkomen en deze gang vinden, zijn wij allang weg,' legde Rip uit.
Hij ging naar het nachtkastje, keek in de la en vond nog twee kaarsen en een strijkel om ze mee aan te steken. Een gaf hij er aan Mandy, de andere stopte hij in zijn hemd. De kaars in zijn hand stak hij aan en nam hij van haar over. Het waren heel goede kaarsen - van was, niet van talg -mamma had er drie van zulke voor bijzondere gelegenheden. Tot slot deed hij de strijkel bij de andere kaars in zijn hemd.
Geruime tijd keken Mandyen hij elkaar aan, tot Mandy's ogen naar de gang flitsten. Ze haalde diep adem. 'Jij gaat eerst,' zei ze. 'Ik kom achter je aan.'
Rip haalde diep adem om zichzelf te kalmeren en hoopte dat ze het niet merkte. Hij was ook bang voor dat donkere gat tussen de muren. Maar aangezien ze geen andere kant op konden, kon hij zich er maar beter overheen zetten.
Timide geklop op de deur van Lyman Malachy's laboratorium deed hem opkijken van zijn werktafel. Een blik op de baron die vlakbij zat werd beantwoord met een frons.
'Binnen,' zei Malachy, veegde zijn handen af en liep naar de deur. De baron stond op uit zijn stoel en legde zijn boek weg.
De deur werd geopend door een zeer nerveus en vies ogende huurling die een halve stap de kamer in kwam. Zijn houding was eerbiedig tot op het absurde af.
'Neem me niet kwalijk dat ik uwe edelen onderbreek,' zei de man, vrijwel onafgebroken buigend met zijn hoofd, de ogen flitsend naar de meetkundige figuren op de perkamenten aan de muur, naar krijttekeningen op de vloer, naar boeken en instrumenten. 'De, eh, de kinderen...' Lyman deed zijn ogen dicht. Hij had geweten dat het niet veel goeds was, maar als er iets met die kinderen was gebeurd, zouden er koppen rollen. 'Jaaa?' zei hij hardop.
'Ze, eh, die kleine krengen zijn ontsnapt, uwe edelen.'
De baron verplaatste zijn gewicht, en zonder te kijken wist Lyman dat hij de boodschapper aankeek met een blik waarvan een krachtdadig man kon flauwvallen, en deze imbeciel was geen krachtdadig man. De magiër ging iets aan de situatie doen.
'Je bedoelt dat ze uit hun kamer zijn,' zei Lyman kalm. 'Ze kunnen namelijk het huis niet uit.' Over zijn schouder zei hij tegen de baron: 'Ik heb voorzorgsmaatregelen getroffen.' Hij keek de huurling weer aan. 'Dus ze zitten ergens in het huis.' Met een wegwuivend gebaar besloot hij: 'Ga hen zoeken. En denk erom dat je hen niets doet. Ik geloof nooit dat je de gevolgen erg prettig zou vinden als je ze ook maar één haar zou krenken. Is dat begrepen?'
De man knikte, liep buigend achteruit weg en trok de deur achter zich dicht.
Lyman schokschouderde. 'Verdomde lastpost!'
Beman fronste zijn wenkbrauwen. 'Zeg dat wel,' zei hij kil en ging weer zitten. 'Waarom heb je er zoveel in één keer? We hebben er minstens nog een week geen nodig.'
De magiër beet op zijn lip en keek de baron bedachtzaam aan. Toen ging hij naar hem toe en pakte een stoel vlak bij die waarin Bemarr zat. 'Om verscheidene redenen,' biechtte hij op. 'Ten eerste omdat het geen kleinigheid is om een kind te vinden dat is geboren op de dag dat uw vrouwe ... haar huidige toestand inging. En met de bezwering die we hebben gevonden om haar leven te verlengen met het gebruik van de levensenergie van die kinderen, is dan wel voorkomen dat ze achteruitging,' - hij hield zijn handen omhoog en trok zijn schouders op - 'maar ze is er niet beter op geworden.'
'Ik dacht dat ik de vorige keer iets zag,' zei Beman. Hij staarde in de verte alsof hij zich iets probeerde te herinneren. 'Ze trok met haar mondhoek, en een vinger, ik weet zeker dat ik een vinger heb zien bewegen, heel zachtjes.'
'Mmm, hmm, ja, goed mogelijk,' beaamde Lyman. 'Maar we hebben meer nodig, mijn heer, veel meer. Ten slotte is het ons doel haar helemaal te bevrijden, nietwaar?'
Beman verplaatste zijn blik naar de magiër en kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Wat had je in gedachten?' vroeg hij op langzame, kalme toon.
Lyman wreef opgewonden in zijn handen. 'Ik kwam op het idee door het boek dat u daar aan het lezen bent,' zei hij. 'Als we genoeg levenskracht kunnen opwekken, zou het wel eens kunnen lukken om uw vrouwe te genezen en wakker te maken.'
Furieus sprong de baron naar voren en greep het gewaad van de magiër in zijn knoestige hand. 'Waarom heb je me dat niet eerder verteld?'
'Omdat ik het nog niet wist,' antwoordde Lyman met een wrang glimlachje. 'We hebben dat boek nog niet zo lang in bezit, weet u.'
De baron liet hem los en zakte terug in zijn stoel. 'Laat zien!'
Nerveus nam de magiër het boek, bladerde het door en gaf het de baron terug zodra hij had gevonden wat hij zocht.
Beman bestudeerde de tekst, zijn wenkbrauwen fronsend vanwege het merkwaardige antieke woordgebruik. Toen gingen zijn wenkbrauwen omhoog en viel zijn mond open.
'Zevenmaal zeven,' kakelde de magiër. 'Een mystiek getal, ziet u.'
'Negenenveertig?' zei Beman ongelovig. 'Negenenveertig! Ben je gek? Waarom geen negen maal negen?' Dat is ook een mystiek getal.'
'Niet nodig,' zei Lyman, zwaaiend met een hand. 'De uitwerking wordt niet sterker als het aantal offers groter is.'
'Ik word er misselijk van om die kinderen een voor een te vermoorden!' riep de baron uit. 'Maar ... negenenveertig? Dat wordt een bloedbad.'
'Wat volgens mij de uitwerking wel versterkt,' zei Lyman alsof hij de tegenwerpingen van de baron niet eens had gehoord, 'is als we hen allemaal tegelijk offeren.'
Beman staarde hem aan. 'Negenenveertig tegelijk? Versta ik je goed?'
'Ja. Ziet u, we maken een middel om alle levenskracht tegelijk op te vangen en te richten op uw vrouwe. Zo'n grote schok moet het zeker doen.'
'Wou jij beweren dat we nog zevenenveertig helpers voor zo'n bloedbad moeten aantrekken?' Beman keek hem behoedzaam aan, alsof hij twijfelde aan het verstand van de magiër.
'De goden verhoeden!' riep Lyman uit. 'Nee, nee, dat werkt helemaal niet. De klap moet in alle negenenveertig gevallen precies tegelijk vallen. Zoiets valt nooit te coördineren, al zouden uw huurlingen er weken op oefenen.'
Ondanks zijn afkeer was de baron geïnteresseerd. 'Hoe wou je zoiets dan voor elkaar krijgen?'
'Ik heb een machine ontworpen.' De magiër sprong overeind, ging naar de werktafel en kwam terug met een rol perkament die hij op zijn knieën uitspreidde. 'Ziet u,' - hij wees op verscheidene punten in de tekening - 'als de aanstichten de klap valt, dalen alle andere messen eveneens.'
Bernarr boog zich over de tekening om de bijzonderheden te bestuderen. 'Maar hoe weet je zeker dat je genoeg druk hebt?'
'Daar zijn deze cilinders voor,' legde Lyman uit, ze aanwijzend in de tekening. 'Die geven een druk van twintig pond, en uiteraard zijn de messen vlijmscherp. En?' Hij keek zijn patroon aan. 'Wat vindt u ervan?'
'Fascinerend,' murmelde Bernarr. Toen schudde hij zijn hoofd. 'Maar ik voel er niets voor. Het is al erg genoeg om hen een voor een te ontvoeren, maar zoveel tegelijk trekt aandacht.' Hij dacht even na en schudde andermaal zijn hoofd. 'Nee, ik zie niet in hoe we dat kunnen doen.'
Gekrenkt krabbelde de magiër terug. 'Wel, het zou natuurlijk ideaal zijn om een kind te gebruiken dat is geboren op exact hetzelfde moment dat uw vrouwe in gevaar kwam. Dat zou uw zoon dan zijn.' Met een zuinig glimlachje keek hij de baron aan. 'Maar helaas heeft uw impulsiviteit dat onmogelijk gemaakt. Nietwaar?'
Bernarr keek hem vuil aan. 'Dan had je daar toen maar iets van moeten zeggen.'
Lyman snoof. 'Misschien wel,' zei hij. 'Maar toen vertrouwde u me nog niet en zou u niet hebben geluisterd. En u was radeloos, begrijpelijk. Een ander zou wellicht hebben gezwicht voor een vaderlijke impuls en het kind hebben gehouden terwijl hij zijn geliefde liet gaan, maar u zag in de jongen de oorzaak van haar dood -' Een boze blik van Bemarr deed hem zijn uitspraak aanpassen. '- haar onfortuinlijke toestand, en liet hem uit de weg ruimen.' Er flitste iets over het gezicht van de baron, en niet voor het eerst vroeg Lyman zich af of er niet meer mee was gemoeid dan hij begreep, zelfs na al die jaren. 'Niettemin, een vreselijke verspilling,' zei hij en dacht even na. 'Hmm. Weet u waar ze hem hebben begraven? Misschien kan ik iets doen met de beenderen.'
Daar dacht Bemarr over na. 'Dat weet ik niet,' antwoordde hij uiteindelijk. 'Daar was ik toen niet in geïnteresseerd. En je hebt het er nooit eerder over gehad.' Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Ik zal het de vroedvrouw vragen. Die woont nog steeds in een dorp vlakbij. Zij zal weten wat er met het monster is gedaan.'
'Uitstekend, mijn heer,' zei Lyman glimlachend. 'En houdt u het ontwerp en denkt u na over mijn andere voorstel. Ik vrees dat het zonder uw zoon misschien wel de enige manier is om uw vrouwe terug te brengen.'
Barones Elaine werd wakker met het gevoel dat iemand haar naam had geroepen. Maar ze hoorde nu niets, en de roep, als die er was geweest, werd niet herhaald. Haar gedachten verliepen traag. Zelfs haar ademhaling leek met onnatuurlijke tussenpozen te gaan, en Elaine vroeg zich af of ze droomde.
Ze voelde zich zwak: dat was de eerste lichamelijke sensatie die ze zich gewaar werd, toen de pijn. Die sneed door haar heen als een furieuze kat die met messcherpe nagels en tanden aan haar ingewanden trok en knaagde. Elaine wilde kronkelen, wilde schreeuwen van pijn, maar ze kon niet. Ze kon niet eens haar ogen opendoen, ze kon geen vin verroeren. Gevangen in de duisternis achter haar ogen, schreeuwde ze het in gedachten uit, smekend om iets wat de pijn zou verzachten, om iemand die kon komen helpen.
Dit was heel anders dan de verschrikkelijke geboorteweeën, die kwamen in steeds hogere golven van pijn. Die waren over. Dat wist Elaine zeker: ze had haar kind horen huilen. Ik heb zijn gezichtje gezien, dacht ze. Die herinnering bracht troost - leidde haar in elk geval af van de pijn. Maar niet lang. De pijn liet zich niet ontkennen, en ze wilde huilen maar kon niet.
Ze kon haar leven weg voelen vloeien, langzaam maar onweerlegbaar. Dat maakte haar doodsbang. Uit alle macht klampte ze zich vast: ze wilde leven! Ze wilde haar zoon volwassen zien worden. Ze wilde Zakry!
Elaine stelde zich voor dat hij haar hand vasthield en haar zei sterk te zijn. Zijn aanraking leek zo echt dat ze ondanks alles even gelukkig was. Toen sneed de pijn dieper, en in gedachten gilde ze het uit. Algauw smeekte ze om te mogen sterven.
Maar ze stierf niet. Na een tijdje zakte Elaine weg in het donker tot uiteindelijk zowel zij als de pijn was verdwenen.