6 Reis

 

Robbie hield zijn hand omhoog.

Hij stak twee vingers op, en de herbergier schonk twee zwartleren kroezen vol uit de vaten op de schragen langs de muur.

Hij was van middelbare leeftijd, kaal en dik. De serveerster, vermoedelijk zijn vrouw, zag er precies eender uit, alleen had zij haar. Ze wachtte geduldig tot Robbie de koperstukken uit zijn beurs had gevist. De taveerne stelde niet veel voor: biezen op de vloer, bakstenen muren met restanten van oud pleisterwerk, ruwhouten tafels en harde banken en krukken. Maar het stonk er niet zo erg, voornamelijk naar gemorst bier, maar dat was onvermijdelijk.  

Het voordeel was dat deze taveerne niet bekend stond als een ontmoetingsplaats voor Snaken. De andere klanten waren nu voornamelijk havenarbeiders, zo lang mogelijk genietend van een kroes bier met misschien wat brood en kaas en augurken erbij.  

Niet bepaald reclame voor eerlijk werk, dacht Robbie somber, nam een slok en veegde met de rug van zijn hand over zijn mond. Maar ik kwam toch al niet in de verleiding.  

Het Vergulde Anker was een typische matrozenkroeg in het havenkwartier van Krondor. Robbie was bij de karavaanserail op verkenning geweest en achtte het onwaarschijnlijk dat hij binnen een dag of zo weg kon, aangezien iedereen die de stad uit wilde zo goed in de gaten werd gehouden. De instorting van de toren boven de cellen had dan wel meer dan dertig Snaken gered, maar Del Garza was nu helemaal doorgeslagen met zijn represailles. Enkele Snaken die te dom waren om buiten zicht te blijven, zaten al in de Marktpleingevangenis - waar de stadswachters van de schout de dienst uitmaakten - maar die hadden een redelijke kans om niet aan de galg te eindigen, want ze waren niet in de kraag gegrepen voor een halsmisdrijf, tenzij Del Garza de wet nog een keer veranderde. Een paar gewone arbeiders en enkele vrouwen en dochters van kooplieden waren echter ook opgepakt, zodat Del Garza nu ook de gilden en de burgerij tegen zich had gekeerd.  

Voorzover Robbie de vorige avond in de vallende schemering had kunnen zien had Del Garza al alle bouwlieden en metselaars uit het hele Koninkrijk op die toren gezet. Het leek erop alsof die alweer overeind moest staan voordat hertog Gys terugkwam van de Keshische grens. Robbie glimlachte. Doe er een magiër of twee bij, en hij krijgt het misschien nog voor elkaar ook.  

'Dank je,' zei Flora en nam een slokje, over de rand van haar kroes heen naar Robbie kijkend. 'Je zit te denken. Waaraan?'

Hij boog zich over zijn bier, blies in het dunne laagje schuim en vroeg zich af of hij er net zo neerslachtig uitzag als hij zich voelde. 'Gewoon, dat ik de stad uit moet. En aan boord van een schip moet klimmen. Ik heb het niet zo op schepen.'

'Heb je dan wel eens gevaren?' vroeg ze, een beetje opgewonden.

'Nee, maar als je eenmaal aan boord bent, kun je geen kant meer op, tenzij je kunt zwemmen. Verstoppen kan ik me goed genoeg, maar aan boord van een schip... dat noemen ze een verstekeling.'

'Nou doe dat dan niet. Ga dan als passagier.'

Robbie zuchtte. 'Del Garza let hier al even scherp op reizigers als aan de stadspoorten.'

'Kop op, Robbie, het is toch niet het einde van de wereld,' zei ze zachtjes en verzonk in gepeins.

'Nee, maar de Oprechte Man wil wel dat ik naar het einde van de wereld ga,' zei hij. 'En een tijdje van de rand af val. Volgens mij zou hij het best leuk vinden als ik me liet ontvoeren naar Groot Kesh, of naar die wereld waar die vijandelijke soldaten vandaan komen.' Van onder zijn wenkbrauwen keek Robbie haar even aan. Hij wist niet eens of ze hem wel hoorde. Als ik mezelf hier ga zitten beklagen, dan kan ze toch op zijn minst even naar de details luisteren, dacht hij.  

Zo had hij het zich vanavond niet voorgesteld. Iemand, veel iemanden, zouden bier voor hem moeten kopen en een maaltijd erbij, en zijn lof bezingen, en hem op zijn schouder meppen tot het zeer deed. In plaats daarvan kon hij niet eens in de buurt van Snakenrust of zelfs van het riool komen. Hij moest de stad uit, en gauw ook. Dat hij nu nog hier zat, was zelfs al riskant.  

In plaats van de held te zijn, zat hij helemaal alleen in deze arbeiderstaveerne, in ballingschap.  

Nou, goed dan, ik zit niet alleen, maar met de aandacht die ik van Flora krijg, had ik net zo goed alleen kunnen zijn. Ik ben een held, goden nog aan toe. Meisjes, in het meervoud, zouden zich rondom mij moeten verdringen.  

Nu keek ze hem bedachtzaam aan. Hij kende die blik. Zo keek een vrouw voordat ze je iets ging vragen. Robbie trok een wenkbrauw op en wachtte op het onvermijdelijke.

Plots verscheen er een stralende glimlach op haar gezicht. 'Ik weet waar we heen kunnen,' zei ze.

'We?' Dat had hij niet verwacht. 'Hoe bedoel je, we?'

'Mijn moeder heeft me eens verteld dat ik een grootvader en een tante heb in Nes. Ze zei dat mijn opa niet blij was met mijn vader.' In Flora's ogen verscheen de verre blik van iemand die terugdacht. 'Niet dat mijn ouders het ooit zo hebben verwoord, maar ze konden elkaar aankijken met zo'n typische glimlach... triest, alsof... Maar goed,' vervolgde ze, 'we zouden dus naar Nes kunnen gaan om te zien of ik daar nog familie heb. Dan is het net een queeste. Wat denk je?'  

Robbie knipperde met zijn ogen. Het was een idee, vond hij. Of in ieder geval een richting.  

'Waar ligt Nes?' vroeg hij. Hij had ervan gehoord, uiteraard, maar dat wilde nog niet zeggen dat hij er verder iets over wist.

'Wee'k niet. Ben ik nooit geweest. Maar daar komen we wel achter. Wat vind je? Doen?'

Hij trok zijn wenkbrauwen op, hield zijn hoofd schuin en schokschouderde. 'Waarom niet? Ik moet toch ergens heen, maar... zouden we er welkom zijn, als we zomaar langskwamen zonder aankondiging? Ik bedoel, als je opa niet blij was met je vader...' Wat ongemakkelijk liet hij zijn stem wegsterven.

Flora's mond werd een smalle streep. 'Nou, zoals mijn pa is geworden toen mijn moeder stierf, kan ik hem dat ook niet kwalijk nemen, wel?'  

Robbie vermeed het onderwerp dat haar vader een dronken vechtersbaas was geworden door te vragen: 'Ben je daarom niet naar Nes gegaan na zijn dood?'  

Met een grimas schudde Flora haar hoofd. 'Ik was nog maar negen, Robbie. Ik had geen geld en ook geen idee hoe ik er moest komen.' Ze haalde haar schouders op en keek hem met een meewarige glimlach aan. 'En de enige mensen die ik ooit had gekend, woonden hier.'

'Dan weet je dus ook hoe ik me voel,' liet hij zich ontvallen.

Flora glimlachte. 'Ja, dat weet ik.' Ze legde haar hand op de zijne en kneep er even in. 'Misschien kan ik je na het eten een beetje opvrolijken.'  

Flauwtjes glimlachend trok hij een wenkbrauw op en zuchtte. In ieder geval kreeg er iemand een gratis maaltijd, vanavond. 

 

Nou, ik voel me inderdaad beter, dacht hij, toen hij de volgende ochtend zijn ogen opendeed, zich uitrekkend en zelfvoldaan glimlachend. De kaars was bijna opgebrand en wierp schaduwen op het plafond. Stukken beter. Hij had haar meegenomen naar zijn beste stek: een half vervallen huis met één zeer goede kamer die hij had opgeknapt. Robbie deed zijn ogen nu helemaal open, rekte zich weer uit, geeuwde en draaide zich om. Ze was weg. Zijn gevoel van welbehagen bleef, en hij kruiste zijn armen achter zijn hoofd, terugdenkend.  

Vlak voordat ze waren gaan slapen, had ze hem bedankt.

Hij grijnsde. Ik ben een held, buiten kijf, bij de goden, dacht hij. 

Plots vloog de deur open, en hij sprong op, de lakens vastgrijpend.

'Goedemorgen!' zong Flora.

'Ik dacht dat je weg was,' zei Robbie, zijn ene hand op zijn op hol geslagen hart en met zijn andere een dolk terug onder het kussen schuivend.  

'Zo gemakkelijk kom je niet van me af,' zei ze lachend.

Ze deed haar sjaal af. Daarin had ze een rozijnenbrood verstopt. Het water liep hem in de mond toen hij het rook, zoet en een beetje naar gist. Ze haalde een pot honing uit haar ene zak en een plak boter, verpakt in een zakdoek, uit de andere.  

'Waar heb je die gekocht?' vroeg Robbie. Er was geen markt hier in de buurt, en ook geen bakkerij.

'Gekocht?' vroeg ze verbaasd. 'Ik mag dan niet zo goed zijn als jij, Robbie de Hand, maar ik heb wel mijn naam verdiend met het stelen van gebakken spul, weet je nog?'

Da's waar, dacht hij.  

Robbie stapte uit bed, sloeg een laken om zich heen en grijnsde toen Flora moest lachen om zijn plotselinge zedigheid. Ze sneed het brood terwijl hij de rest van de wijn inschonk die ze de vorige avond mee hadden genomen, en ze namen plaats voor de belangrijke bezigheid van het vullen der magen.  

Na het ontbijt begonnen er dingen te gebeuren met de honing en de boter, en al gauw lagen ze weer in bed.

Toen ze stil in elkaars armen lagen, zei Flora: 'Ik ben erachter waar Nes ligt.'

Haar woorden troffen hem als een wolk zoemende bijen die zich even in zijn maagstreek boorden. Ineens wist hij dat dit niet erg goed ging uitpakken.

'In het zuiden,' vervolgde ze toen hij niets zei. 'Bij het Dromendal.'

Dank je wel, dacht hij een beetje zuur. Ben ik net lekker vergeten dat ik uit Krondor ben verbannen, moet jij me er weer aan helpen herinneren.  

Toen Flora weer verder sprak, klonk er een lichte irritatie in haar stem, en Robbie voelde zich even schuldig. Ze wil me per slot van rekening alleen maar helpen, dacht hij.  

'Het is vijf dagen zeilen,' zei ze, naar hem kijkend. Toen hij nog steeds niets terugzei en haar niet aankeek, vervolgde ze: 'De overtocht is vier zilverstukken, per persoon, als we in het ruim slapen. Ze hebben ook hutten, maar die zitten al vol met mensen die na Nes verdergaan, naar Groot Kesh.'

Na een geruime tijd van stilte, waarin hij haar ogen op zijn huid voelde branden, keek Robbie haar van opzij aan. 'Hoeveel per koets?' mompelde hij met tegenzin.  

'Vandaag vertrekt er een schip met hoog tij.'

'Vier zilverstukken is wel een beetje te veel gevraagd,' snauwde hij. 'Kwam het niet in je op om af te dingen?'

Flora wierp hem een vuile blik toe. 'Ja, Robbie, dat is in me opgekomen. Daarom kost het geen zes. Goed?'  

Zoals ze hem aankeek, kon het maar beter goed zijn. Hij veranderde van onderwerp.

'Wanneer is het hoog tij?' vroeg hij. Dat zou hij eigenlijk moeten weten, hij had zijn hele leven in een havenstad gewoond, maar aangezien die kennis hem als dief die niet in de haven werkt, nauwelijks van pas kwam, had hij er maar een vaag idee van.  

Flora rekte zich uitgebreid uit alvorens te antwoorden, en die aanblik verbeterde zijn stemming enigszins. 'Over een uur of drie, vier, lijkt me,' antwoordde ze.  

'Nou, als we dat schip moeten halen, kunnen we maar beter uit gaan zoeken welke van de twee,' merkte Robbie op.

'Ik weet wel dat je niet weg wilt,' zei Flora ineens, haar ogen medelevend.  

Hij glimlachte naar haar, blij met haar begrip, en boog zich over haar heen voor een kus. 'Maar ik moet wel,' zei hij. 'Bedankt dat je gedaan hebt waar ik waarschijnlijk morgen pas aan toe zou zijn gekomen.' Hij keek haar peinzend aan. 'We moesten eigenlijk wat nieuwe kleren voor je gaan halen, vind je niet?'

Ze fronste haar voorhoofd. 'Waarom? Mijn kleren zijn bijna allemaal spiksplinternieuw. '

'Ja, da's waar,' zei hij, wat uit het veld geslagen.

Hij had er niet aan gedacht dat Flora haar nieuwe jurken zou willen houden. Ze waren goedkoop en opzichtig en lieten geen twijfel over haar beroep. En in die kleren wilde ze haar oude familie weer op gaan zoeken. Hoe zou hij dat brengen?

'Maar, ze, eh, zijn een beetje, eh, kleurrijk voor een stadje als Nes.

Lijkt je niet? Wat hier in Krondor de mode is, zou voor je opa wel eens wat gewaagd kunnen zijn. Vooral als hij toch al niet blij met sommige dingen kan zijn.'

Met open mond staarde Flora hem aan en barstte toen los in een klaterend lachje, met haar slanke benen in de lucht trappelend terwijl hij stomverbaasd naar haar keek. Telkens wanneer ze zijn beduusde gezicht zag, begon ze weer van voren af aan, en het duurde even voordat ze weer wat op adem was gekomen en kon zeggen: '0, Robbie, wat ben je toch een schat!' Ze gaf hem een dikke pakkerd. 'Je zit jezelf in allerlei bochten te wringen om maar niet te hoeven zeggen: "Maar, Flora, je kleedt je als een hoer!" Ik kan me niet meer herinneren dat iemand zomaar rekening hield met mijn gevoelens. Je bent een echte vriend.'  

Hij glimlachte, helemaal opgelucht. 'Ik ben blij dat je het er mee eens bent.'

'Ben ik ook,' zei ze en stond op. 'Ik had er niet eens aan gedacht. Maar nu ik er wel aan denk, geef ik je helemaal gelijk. Alleen, wat moet ik hem zeggen dat ik in de afgelopen jaren voor de kost heb gedaan?'

'Weet hij dat je vader dood is?' vroeg Robbie.

'Nou, in ieder geval niet van mij,' antwoordde ze. 'Maar ik kan het er niet op wagen dat hij het niet weet. Dat soort nieuws komt altijd wel een keer door.'

'Eens kijken...' Hij dacht even na. 'Wat vind je hiervan? Je hebt een paar jaar na de dood van je pa bij een gezin in de straat gewoond waar je meehielp in de huishouding. Daarna mocht je komen wonen bij een oud dametje met een beetje goud en heb je haar een paar jaar gezelschap gehouden. Je kunt nog steeds wel een beetje deftig praten, dus als je niet in het straat jargon vervalt, hoeven ze nooit te weten dat je het hebt verzonnen. Enne, dat oude dametje is nu dood, en haar familie wilde geen plaatsje voor je maken. Maar ze hebben je wel de overtocht naar Nes betaald, zodat je terug kon naar de familie van je moeder. En je vader? Had die familie daar?'

Flora schudde haar hoofd terwijl ze haar korset dichtsnoerde. 'Zo ja, dan heeft hij het nooit over hen gehad. Nu ik erover nadenk heeft hij nooit veel gezegd, ook niet toe ma nog leefde.'

Robbie gaf haar een handvol zilver. 'Ga jezelf maar vermommen als de gezellin van een oud dametje,' zei hij. 'Met welk schip gingen we mee?'

'Krondors Vrouwe,' zei Flora, tellend met deskundige snelheid. 'Robbie, dit kan ik niet allemaal aannemen!'  

'Maar je hoeft het toch niet allemaal uit te geven. Maak je er maar niet druk over. Tenslotte heb ik jou nodig als mijn vermomming, namelijk de jongere broer van een lief meisje dat een oud dametje gezelschap heeft gehouden. Ik moet wat nieuwere kleren gaan halen, en dan zie ik je weer op de kade.' Hij gaf haar gauw een kusje. 'Tot straks, met hoog tij.'  

Ze stoof de deur uit, en alleen gelaten kleedde Robbie zich verder aan. Terwijl hij zich in zijn broek hees, dacht hij erover om een kleermaker op te zoeken die hem snel kon helpen aan een fatsoenlijk ogende jas voor over zijn op één na nieuwste hemd - het hemd dat hij had gekocht toen hij met Larry naar het badhuis was gegaan, had hij moeten verbranden na de tweede klim door de rioolafvoer onder de cel. En hij moest ook schoenen en een hoed hebben, bedacht hij. Ja, een jong stel... Nee, hij zag er nog te jong uit. Flora was een paar jaar ouder, dus een treurend meisje met haar jongere broer, ja, dat zou het zijn. Op weg naar Nes vanwege een sterfgeval in de familie.

Plots zag hij het een stuk optimistischer in om Flora mee te nemen dan een paar minuten geleden. Zilver was kostbaar, maar niet zo duur als zijn nek - die Del Garza met genoegen zou oprekken - of zijn hoofd - die de zware jongens van de Oprechte Man met genoegen zouden inslaan - dus zo gek was het allemaal nog niet. Ja, broer en zus, onderweg naar opa. Trouwens, zij warmde zijn bed beter dan alle andere meisjes die hij kende, en dat leek hem wel een welkome afleiding in ballingschap. Bijna fluitend verliet hij de bouwval. Plots bleef hij staan. Wanneer is 'ik' 'wij' geworden? dacht hij bij zichzelf. Ik ben degene die door de Oprechte Man de stad wordt uitgejaagd. Flora is vrij om hier te blijven. Terwijl hij de trap afliep, ging het door hem heen dat hij haar nooit had uitgenodigd om mee te gaan en dat zij hem nooit had gevraagd of ze mee mocht. Op een of andere manier was het gewoon gebeurd. Verwonderd zijn hoofd schuddend begon hij nu te begrijpen wat de oudere mannen bij de Snaken bedoelden als ze zeiden dat ze konden doen waar ze zin in hadden, zolang het maar was wat hun vrouw wilde.  

Hij zette die ergernis van zich af, dacht in plaats daarvan aan Flora's zachte rondingen, en plots was het niet eens zo'n hoge prijs om haar haar zin te geven. Hij floot alweer bijna toen hij op straat kwam.

 

Krondors Vrouwe was een oude, kleine tobbe van ongeveer dertig el lang en midscheeps tien el breed. De geur die opsteeg uit het ruim was redelijk vertrouwd voor iemand die veel tijd doorbracht in het riool.  

Het bleek verrassend makkelijk om aan boord te komen. De meeste wachters in de haven waren mannen van Bas-Tyra, maar de Krondors Vrouwe stond onder bewaking van de Pletters, zoals de stadswachters van de schout werden genoemd. Even een verhaaltje over een bezoek aan opa, met een Flora die er oprecht van streek uitzag - niet helemaal gespeeld na haar tijd in de lik - en ze mochten aan boord. Robbie was blij met de nieuwe kleren die ze allebei eerder die dag hadden uitgezocht. Eén blik op het zwaard aan zijn heup, en de stadswachter had hem gehouden voor een jongeman uit een gegoede familie.  

Flora was naar beneden gegaan om te zien waar ze konden slapen, terwijl Robbie aan dek bleef om naar het vertrek te kijken.

'Maken jullie dit tochtje vaak?' vroeg Robbie een matroos, opzij springend voor een groepje andere matrozen dat voorbij kwam rennen met een rol zeildoek, zichtbaar bereid om de lastige passagier omver te lopen.

'Twee, drie keer per jaar,' antwoordde de matroos, bezig met iets zeevaartkundigs dat te maken had met twee stukken touwen een mes. Zijn vingers werkten soepel en automatisch. 'Meestal niet zo vroeg. Storm, hè.'

'0,' zei Robbie hol.

Een vrachtnet vol balen, kisten en zakken zwaaide van de kade naar het ruim. Matrozen timmerden de wiggen vast die het rooster boven het luik hielden en deden allerlei geheimzinnige dingen met touwen en zeilen, wat voornamelijk gepaard ging met sleuren of klimmen langs de weeflijnen terwijl andere matrozen naar hen schreeuwden. De kapitein was een klein, pezig kereltje met grijs haar en een gouden ring in zijn linkeroor. Aan zijn rechterhand ontbrak de pink.

'Zeilen los!' brulde hij van achter op het schip. Het zeildoek kwam denderend omlaag en bolde op tot bruin gevlekte rondingen. 'Voor los, achter los, alle trossen los, afhouden! Afhouden, niet langs de kade schuren, tevengebroed!'

De matrozen maakten de touwen los en duwden met lange tweemans-roeiriemen tegen de kade. Robbie slikte toen hij de daken van Krondor weg zag glijden en het dek zachtjes onder zijn voeten begon te schommelen. Hij kreeg een koud, klam gevoel in zijn maag.  

Op het achterschip kreeg de roerganger aanwijzingen van de havenloods, terwijl de kapitein bevelen naar zijn bemanning bleef schreeuwen.  

Ik ga weg uit Krondor, dacht hij. Het leek wel niet echt. Het was alsof hij tegen zichzelf zei: Ik ga naar de maan. Weggaan uit Krondor was altijd iets wat andere mensen deden.  

Zoals de prins en de prinses, dacht hij toen, wat hem een beetje opkikkerde. Door naar een groter stadium, dat ga ik.'  

De loods koerste het schip sierlijk tussen de andere voor anker liggende of binnenlopende schepen door. Ze ontweken vrachtvaarders; lange, slanke krijgsschepen; vissersboten, jollen en pramen. Op een bepaald, voor Robbie volstrekt willekeurig punt repte de loods zich naar het hoofddek, zwaaide met een voor iemand van zijn middelbare leeftijd verrassende lenigheid zijn benen over de reling en klauterde omlaag naar een gereed liggende roeiboot.  

Verrassend langzaam dreef het schip de haven uit. Robbie keek om naar het achterschip en zag dat de kapitein zelf aan de helmstok stond, bevelen blaffend.

'Ah, het wordt een beetje frisser,' zei de zeeman.

Er verschenen wolken aan de hemel, koud en grijs. Ook het water veranderde, van blauw in grijsgroen, zich kreukelend tot spitse heuvels die met een witte schuimkop naar hem toe snelden. De stompe boeg van het schip klom erop omhoog, boorde zich erin en kwam weer omhoog terwijl het witte schuim over de reling vloog en over het dek wervelde. Met voor Robbies gevoel onredelijke haast viel het land links van hen weg tot een donkere streep, en de hobbelpaardachtige bewegingen van het schip kregen nu ook andere trekken, iets krullends, van linksvoor naar rechts achter.  

Een zeeman, met een zekere rang, zag Robbie vaalbleek worden en een hand voor zijn mond slaan. 'Aan lij, vervloekte landrot!' snauwde hij, greep de jongen bij kop en kont en sleepte hem mee. Nauwelijks hing Robbies hoofd over de reling aan de lijzijde of de eerste golf kwam omhoog. 'Voer de vissen maar, zonder ons dek te vervuilen, donder en bliksem!'

 

'Ik haat je,' mompelde Robbie zwakjes, niet zeker of hij nu zichzelf bedoelde of Flora, die hem dit had aangedaan, of dit schip, de bemanning of alles en iedereen bij elkaar.  

Zijn zijden deden zeer, zijn hoofd bonkte en zijn ogen voelden aan alsof ze door heet zand waren gerold. Nu weet ik waar het woord ellende voor is uitgevonden, dacht hij, op handen en knieën naar de reling kruipend om alweer te kokhalzen tot er niets meer in hem zat om op te geven.  

En ik stink.

Zo erg dat hij meestentijds aan dek zat om zijn lucht door de straffe wind te laten meevoeren. Dat hield in dat hij meestal op het achterschip zat, aangezien de wind uit het zuiden kwam. Al heel gauw had hij geleerd dat spugen niet het enige was om niet tegen de wind in te doen. De frisse lucht maakte het een beetje makkelijker om met zichzelf te leven. Niettemin vermeed hij gezelschap.  

Soms werd hij tussen de braakaanvallen door gekweld door herinneringen aan zijn oorspronkelijke plannen voor deze zeereis. Hij had zich voorgesteld met de bemanningsleden te dobbelen en hen met gemak uit te kleden. Dat had hij in Krondor vaak genoeg gedaan, al waren de zeelieden toen meestal dronken.  

In plaats daarvan vermaakten de matrozen zich door bij hem te komen zitten en iets te zeggen in de trant van: 'Aaach, ben je zo ziek, dan? Wat jij moet hebben, knullemans, is een lekker stukkie ham in een kom met warme melk! Ofhebbie liever wat koude vissoep?' en te lachen als hij krachteloos vloekte, zonder te beseffen dat hij hen ter plekke zou hebben neergesabeld, als hij zich niet zo zwak voelde en nog beroerder werd wanneer hij zich bewoog.  

Of misschien kennen ze me nog van het dobbelen in de taveernen en is dit een misselijke en gemene manier om wraak te nemen.

Flora kwam aangewaggeld met een kroes bouillon voor hem en hurkte naast hem neer, uit de vochtige wind achter een aan dek vastgesjorde krat.  

'Flora,' zei hij, snakkend naar adem, en deed zijn best wat van de zoute bouillon te drinken. Het deed minder pijn als je iets had om aan de zee te geven. 'Denk je dat ze me hebben herkend? Zou ik iemands zak hebben gerold of te veel hebben gewonnen met dobbelen, denk je?' Toen schudde hij zijn hoofd. 'Maar daar schieten ze niets mee op, dus waarom zouden ze?'

Ze haalde haar schouders op. 'Nou, makker, als ik dacht dat iemand in de buurt me had beroofd of belazerd en ik kon alleen maar wraak nemen door hem te laten kotsen, dan zou ik het doen, met plezier. En daar zou ik zeer zeker wat mee opschieten.' Flora glimlachte om het diepe afgrijzen op zijn gezicht. 'Maar ik denk niet dat ze je hebben herkend, Robbie. Ik herkende je zelf bijna niet toen ik je zag staan op de kade, zo fatsoenlijk zag je eruit! '  

Ze kroop dieper weg in haar dikke sjaal en nestelde zich tegen hem aan, bibberend van de kou. Hij was blij met haar warmte en het feit dat ze aan die kant de wind tegenhield.

'Maar volgens mij doen ze dat met iedereen die zeeziek wordt, matroos of passagier,' vervolgde Flora. 'Ik vind het gemeen, en ik heb hun gevraagd ermee op te houden. Maar eerlijk gezegd denk ik dat ze de verleiding niet kunnen weerstaan.'  

Hij wilde de rest van de bouillon overboord kieperen - zijn gekrompen maag begon te protesteren - maar ze duwde de kroes terug naar hem toe.  

Dus de bemanning was niet uit op wraak, de matrozen wilden hem gewoon kwellen voor de lol. Dat was leuk.

Het is maar goed dat ik hier geen beurzen kan pikken, want dan zou de hele bemanning liggen te kronkelen van ellende. Of van de gruwelzj'ke pijn. Kampend met hevige zeeziekte kon een mens verschrikkelijke dingen verzinnen.  

Dus zonder Flora zouden de zeelieden nog erger zijn geweest. Hoe ze hen bij hem vandaan hield, wist hij niet.

Toch eens vragen.

'Je laat ze toch niet...' Hij aarzelde.

'Hun gang gaan opdat ze jou met rust laten?' Glimlachend schudde Flora haar hoofd. 'Dan zou ik niet veel voor mijn inspanningen terugkrijgen, wel? Maar nee, dat doe ik niet meer. Ik ben nu een eerzaam meisje, al wordt het mijn dood. In ieder geval tot ik erachter ben of ik nog familie heb.'

Ze zag hem ellendig in de kroes koud wordende bouillon kijken en klopte hem op de schouder. 'Drink nou maar op, Robbie. Je moet iets in je maag hebben, want anders word je pas echt misselijk.'

Hij keek haar zielig aan, maar ze knikte slechts bemoedigend. Zijn ogen dichtknijpend dronk hij de laatste, lauwe helft op. Het kwam er straks toch weer uit, maar in elk geval was het nu lekker warm. Flora zou hebben gewacht tot hij het ophad, desnoods tot er een ijslaagje op zat.

Toen drong het tot hem door wat ze had gezegd. 'Ik ben echt ziek,' zei hij.

'Je gaat er niet dood aan. Maar als je geen water of bouillon blijft drinken, misschien wel.'

Nou, dat was een prettig idee.

Robbie voelde de bouillon al klotsen in zijn zere buik en wist dat het niet lang meer zou duren voordat het spul eruit wilde. Hij schaamde zich zo diep voor zijn situatie dat hij haar op die momenten liever niet in zijn buurt had.

'De kok zegt: als je dat binnen kunt houden en gewoon een tijdje naar de horizon kijkt, zodat je zintuigen zich een beetje stabiliseren, dan gaat het misschien over. Soms helpt het.' En met een medelijdende blik voegde ze eraan toe: 'Soms ook niet.'

'Misschien moet je naar beneden,' opperde hij.

Van opzij keek ze hem aan en knikte toen. 'Het wordt koud hier.' Flora stopte een haarlok terug onder haar sjaal. 'Ik kom straks terug met iets anders.'

'0, goden!' kreunde Robbie en stoof naar de reling.

Flora maakte zich uit de voeten, en er bekroop hem een vaag, primitief gevoel van dankbaarheid.  

Uit alle macht probeerde hij zijn maaginhoud binnen te houden. Zoals ze had voorgesteld keek hij naar de horizon en merkte dat zijn maag minder last had van het rijzen en dalen van het schip als hij die bewegingen niet alleen voelde maar ook kon zien. Langzaam haalde hij een paar keer diep adem en probeerde nog een slokje bouillon.  

Geleidelijk aan drong het tot hem door dat een van de andere passagiers naar hem keek. De man was een jaar of dertig, van gemiddelde bouw, maar hij wist met zo'n groot gemak zijn evenwicht te handhaven dat het woord zwaardvechter even door Robbies hoofd schoot, ondanks zijn kledij: hij droeg donkere kleren van goede wol, maar die waren sleets en zaten vol zoutvlekken. Kleren van een reizend koopman in kleine zaken, of van een scheepsofficier.  

Maar die riem is veel gebruikt, dacht Robbie, blij met iets wat hem afleidde van zijn natte, koude ellende. Moet je zien hoe dat ding is gepoetst en iets is opgerekt. Dat is de bevestiging voor een zwaardriem.  

Evenals Robbie bemoeide de man zich met niemand, zij het vermoedelijk om andere redenen. Zo nu en dan hielp hij de bemanning een zeer bekwaam handje als de zee ongebruikelijk ruw werd. Verder bracht hij zijn tijd door met staren over zee of staren naar de jonge dief. En dat begon Robbie knap irritant te vinden.  

Het baarde hem ook zorgen. Nadat Flora in Krondor was gaan winkelen, had hij zijn goud opgehaald en er een redelijk deel van gewisseld in zilver en koper, waarvan hij aardig wat op zijn lijf droeg. Soms meende hij dat de vreemdeling op een of andere manier wist dat hij een dikke honderdvijftig zilver- en goudstukken bij zich had, ook al kon niemand dat eigenlijk zien.  

Tenzij iemand hem het goud in zilver had zien wisselen.

In elk geval zag Robbie er niet rijk uit. Flora had hem aangekleed in een winkel voor gebruikte kleren, eentje waar fatsoenlijke winkeliers en ambachtslieden kwamen. Zeker, er zaten flink wat zakken in, maar dat hadden alle jongens die Robbie kende, stadse en van de Snaken. En als je veel zakken had, wilde dat nog niet zeggen dat ze allemaal vol geld zaten. Ook al was dat bij hem wel het geval.  

Als hij me wil beroven, zal hij dat in ieder geval hier aan dek moeten doen, in het bijzijn van de kapitein en de bemanning, en Flora, als ze er is.

En het zou ook een hele tijd duren, want als een van de beste zakkenrollers van Krondor wist hij al heel lang hoe belangrijk het was om je kostbaarheden te verspreiden. En met niet minder dan twaalf zakken, zonder degene die hij er zelf nog had ingenaaid, had hij plekken genoeg om zijn goud op te bergen. Mocht hij overboord vallen, dan zou hij natuurlijk wel zinken als een baksteen, maar je kon niet alles hebben. Trouwens, zoals hij zich nu voelde, was dat nog niet eens zo onaantrekkelijk.  

Zich vastklampend aan de reling keek hij vanuit zijn ooghoeken naar de vreemdeling die met zijn rug tegen de hoofdmast gehurkt zat. De man ving zijn blik op en stond in één sierlijke beweging op. Terwijl hij naderbij kwam, haalde de vreemdeling iets uit zijn buidel.

Robbie verstijfde. .

De man hield hem een reepje leer voor. 'Zullen we je dit maar even om doen?' Zonder op antwoord te wachten pakte hij Robbies hand, bond het leer rond zijn pols en schikte het. 'Ik kan het niet meer aanzien dat je zo zit te lijden, jongen,' zei de kerel. Zijn zware stem klonk vriendelijk.  

Robbie voelde iets wat leek op een steentje zachtjes tegen zijn pols drukken. Argwanend keek hij de vreemdeling aan.

'Hou hem daar op zijn plaats, dan is je probleem met een paar uur opgelost.'

'Is het iets magisch?' vroeg Robbie.

De man snoof. 'Dacht het niet,' zei hij. 'Dat trucje heb ik geleerd van een oude Keshische zeeman, en ik durf er mijn laatste zilverstuk onder te verwedden dat die geen verstand van magie had.' Hij stak zijn hand uit. 'Ik heet Jarvis Coe.'

Robbie gaf een slap handje terug. 'Als dit werkt, meester Coe, dan ben ik je eeuwig dankbaar.' Op dat moment ging het schip omhoog en toen steil omlaag, en Robbies maag ook. Toen hij weer opkeek, was Jarvis Coe weg. Met uitpuilende ogen keek hij naar het armbandje. Doet anders niks, dacht hij ellendig, richtte zijn blik weer op de horizon en overwoog om nog een slokje bouillon te nemen. Met het staren naar de horizon en dat steentje op zijn pols kon hij de reis misschien toch nog overleven... 

 

Het werkt echt! dacht Robbie opgetogen, een uur later. 'Mijn goden, het werkt!' mompelde hij hardop.  

Hij keek in zijn kom. Daar zat stoofpot in, de onvermijdelijke reizigerskost, met bonen, gedroogde tomaat en stukjes zoute vis erin, en hij hoefde er niet van naar de reling aan de lijzijde te kruipen!  

Zelfs van dat kriebelbeestje dat uit zijn scheepsbeschuit was gevallen toen hij daar net als iedereen mee op de tafel tikte, draaide zijn maag zich niet om, wat in Krondor zou zijn gebeurd. Nu had hij alleen maar. ..

'Honger,' fluisterde hij in zichzelf. 'Dat is zo lang geleden dat ik niet meer wist hoe dat voelde! '

Flora keek hem bevreemd aan. De passagiers aten aan een tafel die in

de gang voor de kapiteinshut was neergezet. Hij glimlachte naar haar, en ze glimlachte terug toen hij zijn lepel in de kom stak en stelselmatig alles naar binnen werkte. Een grote portie was het niet, maar hij zat er stampvol van - geen wonder, na drie dagen niets dan water - en het bleef binnen.

Flora porde hem wakker, vlak voordat hij met zijn gezicht in zijn kom viel.

'Kom, broertje,' zei ze en hielp hem overeind.

Toen hij bijkwam in zijn kooi onder de ruwe bruine dekens, zei een stem vanbinnen dat hij langer dan de klok rond had geslapen. Dat was ook geen wonder, aangezien hij net zo min had kunnen slapen als eten.

Als je je zo voelt als je oud bent, dan hoop ik jong te sterven, dacht hij, huiverend. Zijn kleren waren vochtig en klam toen hij ze aantrok in de kleine kast die ten onrechte hut werd genoemd, maar dat was hij wel gewend, en bijna dansend op zijn voeten ging hij de gang door en de steile trap op naar het dek, op zoek naar zijn weldoener. Kijkend naar de werkende matrozen liep hij rond; het was altijd een prettige bezigheid om anderen te zien zwoegen.  

Vergenoegd over het wonder dat hij niet zeeziek was, kwam de wereld hem rooskleuriger voor. De jonge dief kwam tot de slotsom dat de reis naar Nes misschien toch nog iets werd om naar uit te kijken. Hij was gewoon van zijn stuk gebracht, toen de Nachtrneester hem had gezegd te vertrekken, dat was het, en een tijdlang had hij zich bezorgd gemaakt omdat hij niets of niemand had om op terug te vallen. Hij was helemaal niet bang geweest, alleen maar. .. overrompeld.  

Trouwens, hij kon heel goed met de boerenkinkels overweg als die naar Krondor kwamen, dus waarom zou hij daar problemen mee hebben als ze gewoon thuisbleven? Dit wordt een avontuur, bij Ruthia! dacht hij. Ik heb een paar mooie verhalen te vertellen als ik thuiskom.  

Dat hij er vóór het bereiken van zijn bestemming al naar uitkeek om naar huis te gaan, bracht een zuur glimlachje op zijn gezicht. Robbie kon de meeste mensen voor de gek houden, maar zichzelf nooit. Goed dan, dacht hij, het is niet iets waarvoor ik zou hebben gekozen. Maar ik heb altijd al mijn voordeel met mijn pech gedaan, dus waarom zou dat hierbij anders zijn?  

Hij keek om zich heen. Nog steeds geen spoor van Coe, en hij was al bijna de hele ochtend aan dek geweest.

'Waar is die kerel die gisteren tegen de hoofdmast zat?' vroeg hij een langslopende matroos.

'In ze hut, denk ik,' blufte de man zonder de pas in te houden. 'Ik ben ze kindermeissie toch niet?'

Niet meer zo leuk om met me te praten, hè, nu je me niet meer aan het kotsen krijgt, dacht Robbie hatelijk.  

Niettemin was het raar. De ene dag struikelde je haast over die vent, en de andere was hij verdwenen. Daar hield Robbie niet van, dergelijk gedrag was verdacht. Het deed hem te veel denken aan de mannen van Radbrand.

Zijn mishandelde maag draaide zich gruwelijk om, en hij dacht: 0, goden, niet weer! Ik dacht dat ik was genezen. Maar dit was geen aanval van zeeziekte. Dit was het idee dat hij wellicht werd gevolgd door iemand van Bas-Tyra's geheime politie.  

Robbie kende veel van Radbrands stiekeme spionnen van gezicht, en gewoonlijk kon hij na verloop van tijd wel raden wie er een was aan de hand van hun gedrag. Maar kenden zij hem?

Hij probeerde het van zich af te zetten. Momenteel zag hij er netjes uit, leek hij als het ware niet op zichzelf. En als hij sprak - wat hij gezien zijn kwaal sporadisch had gedaan - had hij eraan gedacht te praten als een keurig opgevoede knaap. Er was geen enkele reden voor om te vermoeden dat hij een Snaak was. Flora had in haar tijd genoeg omgang met heren van enige stand gehad om te kunnen spreken als een meisje uit een gegoede familie, dus die had hem niet verraden met straatjargon. Het was 'meester' en 'heer' geweest in plaats van 'schat' en 'lieffie'. En er zou ook niets onwelvoeglijks uit haar mond zijn gerold, aangezien ze haar hoerige kleren had verruild voor een zedige jurk, omslagdoek en hoed. Trouwens, als Coe hem kende, waarom had hij hem dan in de haven niet aangegeven of gewoon overboord gekieperd?  

Dat zou een koud kunstje zijn geweest, dacht Robbie. Hellen en demonen, ik zou hem nog hebben bedankt ook!  

Maar net nadat hij zich eindelijk had voorgesteld, was de geheimzinnige vreemdeling verdwenen. Was Coe slechts een bezorgde ziel geweest die erop had gelet dat de jonge dief niet overboord viel? Nu hij Robbie dit middeltje tegen zijn zeeziekte had gegeven, had de man zich misschien teruggetrokken in het relatieve comfort van zijn hut. Was dat verdacht? Robbie fronste zijn wenkbrauwen. In feite vond hij liefdadigheid van vreemden altijd verdacht. Bruikbaar bij gelegenheid, dat wel. Vooral als de milde gever naïef was en zich makkelijk liet manipuleren. Maar Coe leek hem niet iemand die je kon gebruiken. In feite leek hij hem meer het type dat je zwaar op je lazer gaf als je dat probeerde, dat kon Robbie aan iemand ruiken. De jonge dief snoof van frustratie.  

Concentreer je, denk na, commandeerde hij zichzelf.  

Als een van Radbrands spionnen hem had gezien en herkend als Snaak, had geweten wat hij had gedaan, hetgeen niet erg waarschijnlijk was - zeg maar gerust onmogelijk - dan zou hij ongetwijfeld meteen zijn gearresteerd. Radbrands jongens hadden geen enkele reden om hem te volgen naar Nes.

Maar wat als een van Radbrands spionnen hoe dan ook naar Nes moest? Nes was een buitenpost, vlak bij de Keshische grens. Om precies te zijn was het het domein van de Heer van de Zuidelijke Marken, hertog Sutherland, maar dat ambt was al jaren onbezet, wegens politiek gekonkel dat Robbie niet snapte en niet wilde snappen. Ja, misschien is dat het, dacht hij. Misschien is het gewoon Gys van Bas-Tyra die zijn invloed tracht te vergroten. Wie kon weten tot hoe ver de hertog zijn macht wilde uitbreiden? Robbie keek naar de heuvels van rijzend en dalend water en genoot zowaar van de knappe golvingen van het schip dat die bewegingen volgde.  

Zover hij maar kan, natuurlijk!

Hij worstelde nog even met wat ideeën over de mogelijke plannen van de hertog tot het hem begon te vervelen. Het was al verrassend genoeg dat hij zich hoe dan ook in die kwestie verdiepte. Voor zijn ontmoeting met prins Arutha had hij geen idee wat regeren moest zijn, maar hij had aardig wat avonden zitten luisteren terwijl Arutha met Martin Langboog en Emus Trask sprak over staatszaken. Die vond hij fascinerend, en van tijd tot tijd vroeg hij zich af of hij de besluiten kon nemen die zij moesten overwegen, beslissingen die de toekomst van hele landen zouden veranderen.  

Nee, bedacht hij zich, het verveelde hem niet, het frustreerde hem dat hij de gegevens niet had om daaruit af te leiden wat er aan de hand was. En dat verbaasde hem ook nog. Grijnzend om een raar idee dacht hij: Misschien zie ik prins Arutha nog wel eens terug. Dat zou interessant zijn. Arutha zou weten wat hertog Gys in zijn schild voerde, en dan kon Robbie hem erover vragen. Maar tot die tijd ging het Robbie niet aan wat de hertog van plan was.  

Bemoeizucht met de aangelegenheden van de machthebbers hadden lieden van zijn slag alleen maar narigheid gebracht. Zeker, het deed hem deugd te weten dat prinses Anita vrij en in veiligheid was, maar de prijs was voor de Snaken hoog geweest, misschien wel te hoog. En al speet het hem voor prins Erland en zijn vrouw, het was zo goed als onmogelijk om hen te redden, en al was dat niet zo, dan nog zou het er daarmee waarschijnlijk alleen maar erger op worden. En daar zou de Oprechte Man hem niet voor hebben bedankt.  

Nee, het werd weer tijd om op Robbie de Hand te passen, iets wat hij erg goed kon. Laat ze maar snode plannen uitbroeden, daar had hij niets mee te maken.

 

Robbie keek rond. Hij stond met Flora op de kade in Nes, met hun schamele bagage aan hun voeten. De straat die langs de haven liep was breed en geplaveid, maar de kasseien waren bijna vlak afgesleten door hoeven, sledes en de ijzeren banden van wagenwielen. Een hele rij boegsprieten stak boven de weg uit, over de hoofden van stuwadoors, matrozen en passagiers heen. Menners reden wagens dichtbij om geloste vracht meteen verder te brengen naar winkels of pakhuizen in de buurt, en langs de gebouwen hing het gebruikelijke janhagel rond. Meteen viel Robbies oog op twee knullen, waarschijnlijk zakkenrollers, en op een knaap die wel heel opvallend op de uitkijk stond - misschien om te zien of er iemand van belang van het schip kwam of dat er een bepaalde vracht werd uitgeladen, klaar om een teken te geven aan iemand die wellicht halverwege de zijstraat stond of de boel in de gaten hield vanuit een aangrenzend venster. Robbie glimlachte stiekem. Als çl:t het neusje van de Nesse zalm was, dan ging hij niet eens meer terug naar Krondor, dan bleef hij hier om de boel over te nemen.  

In de lucht zwermden meeuwen - altijd een teken dat wees op een welvarende haven, met meer dan genoeg vis afval. Groenblauw water kabbelde tegen de scheepsrompen, over het zwarte wier en eendenmosselen op het houtwerk en langs de palen van kade en zeewering, als een grinnikende ondertoon bij het rumoer van stemmen en voeten en ijzer op steen.  

'Lang niet zo groot als Krondor,' zei Robbie vastberaden. Ik kom uit de grote stad, dacht hij. Dit is de rimboe. 'En ook lang niet zo'n beschutte haven.'  

De grootste schepen hier waren ook kleiner dan die je in de haven van Krondor zag. De bolronde Krondors Vrouwe was ongeveer de grootste die er lag, en de andere grote kwamen bijna allemaal uit Kesh. De kadeweg was aan de landzijde afgebakend door pakhuizen van twee of drie verdiepingen hoog met houten balken die uit de gevels staken om vracht aan op te takelen. Met touwen blok werd er vracht neergelaten, zag hij, een lading stinkend, ongelooid leer. Rijen havenarbeiders draafden op en neer over loopplanken, dubbelgebogen onder zakken, balen en kisten: stof, draad, bundels ruw vlas, gedroogd fruit, kazen, smeedijzer, koperwerk ... Zwaardere vracht zwaaide in netten aan het einde van ra's waar gewoonlijk zeilen aan vastzaten.  

Achter de pakhuizen rezen gebouwen op langs steile straatjes langs de heuvels rondom de haven. Ze vingen glimpen op van de stadsmuren, poorten en het weiland en woud daarachter. Robbie bleef staan staren en besefte dat hij op de hoger gelegen heuvels boerderijen kon zien: piepkleine huisjes met rieten daken en weiland en akkers eromheen. Hij had nog nooit een boerderij gezien.

'Toch groter dan ik had gedacht,' zei Flora met een klein stemmetje.

Robbie was blij dat ze het zei, want hij dacht precies hetzelfde. Hij snoof. 'Het haalt het niet bij Krondor,' zei hij, rechtte zijn rug en trok zijn schouders naar achteren. 'En daar konden we ons uitstekend redden.'

Met een dankbare glimlach legde Flora een hand op zijn arm en keek toen weer naar het stadje, andermaal onzeker. 'Ik heb geen idee waar we moeten beginnen.'

'Nou, je weet toch hoe hij heet en wat hij doet,' - hij schokschouderde - 'of deed voor zijn beroep?' Hij had er aan boord met haar over willen praten, maar eerst was hij daar te misselijk voor geweest, en later had hij er te veel honger voor gehad.  

'Ja,' zei Flora. 'Hij was advocaat, en hij heette Yardley Heywood.'

Oei, da's niet zo mooi, dacht Robbie. Als haar grootvader advocaat voor de rechtbank was geweest, had hij zijn portie aan misdadigers wel verdedigd. En dat hield in dat hij best kon raden hoe zijn verloren gewaande kleindochter zich de afgelopen jaren in leven had gehouden, wat ze er ook over vertelde. Nog erger, hij kon best raden wat Robbie deed.  

'Yardley Heywood,' zei hij hardop. 'Dat klinkt als een rijk man.'

Flora begon te lachen. 'Ja, best wel, hè?'

Besluitvaardig pakte Robbie zijn tas op en ook eentje van haar om de illusie van zijn goede opvoeding in stand te houden. Hij wees naar de stad. 'Eerst moeten we maar eens vaste grond onder de voeten krijgen. Ik voel de kade hier onder mijn voeten op en neer gaan, en daar word ik knap zenuwachtig van.'

'Dat is de kade niet, jongen,' zei Jarvis Coe met een glimlach.

Verbaasd knipperde Robbie met zijn ogen. Tweemaal: omdat hij zich niet kon voorstellen hoe de man het had klaargespeeld om zo dichtbij te komen zonder dat hij het had gemerkt, en vanwege een subtiele verandering. Coe's kleren waren net iets welvarender dan aan boord van het schip, misschien omdat hij nu ook een paar hoge rijlaarzen en een lange donkere mantel met kap droeg, plus een muts met een pauwenveer. Maar eerder omdat hij het zwaard droeg waarvan Robbie het bestaan al had vermoed: een eenvoudig, smal zwaard met een gebogen kom in een ambachtelijk leren schede, met op zijn andere heup een bijpassende dolk - een ponjaard van negen duim lang, niet het gebruikelijke mes dat de meeste mensen bij zich droegen voor alledaagse klusjes als het snijden van brood of het loswrikken van een steen uit een hoefijzer.  

Coe zag er nog steeds niet rijk of opvallend uit maar wel als een soort heer. Hij deed zijn pet af en maakte een lichte buiging voor Flora, die als vanzelf een knixje terug maakte.

'Dat voelt iedereen die van een schip komt. Over een paar dagen krijg je je landbenen terug, zoals de zeelieden zeggen. Waar gaan jullie naar toe?'

Beide jonge Snaken keken hem met gefronst voorhoofd aan. Dit bevalt me niets, dacht Robbie. Die vent verandert veel te gemakkelijk van uiterlijk, gewoon door een nieuwe mantel aan te trekken en zijn hoofd iets anders te houden.  

Coe grinnikte. 'Dat gaat me natuurlijk niets aan,' zei hij. 'Maar als jullie op zoek zijn naar een schoon, goedkoop plekje om te slapen, kan ik er wel een paar aanbevelen.'

Robbie en Flora keken elkaar aan. Liefdadigheid van vreemdelingen was enigszins verdacht, vooral zo dicht bij Groot Kesh met zijn slavenhandel.  

Coe keek hen beiden aan en knikte bedachtzaam. 'Mij best. Ik zie dat jullie je alleen wel redden. Maar als ik het mag zeggen,' - hij knikte naar een herberg aan de kade - 'ga maar niet naar de Jonge Haan.' Hij hield zijn wijsvinger langs zijn neus en knipoogde. 'Een goed verstaander...' En met een werveling van zijn donkere mantel was hij verdwenen.  

'Wie is dat?' fluisterde Flora. 'Ik heb hem aan boord nooit gesproken.'  

'Hij heet Jarvis Coe,' antwoordde Robbie. 'Maar wie het is, weet ik ook niet.'

Hij trok aan de armband om zijn pols tot het leren koord losliet. Vervolgens bekeek hij het aandachtig. De lichte druk die hij op zijn pols had gevoeld, was afkomstig van een kiezelsteentje dat op het leer was geplakt. Het steentje zag er heel gewoon uit, maar toch ... Hij wierp het ding in het water. Wie kon weten wat wel en niet magisch was en wat die magie kon doen.  

'Wat was dat?' vroeg Flora.

'Had hij me gegeven tegen zeeziekte. Het werkte. Zou magie kunnen zijn.'

'Nou, dat was aardig,' zei ze bedenkelijk.

Robbie keek haar aan. Flora staarde in het water, fronste haar voorhoofd en keek de kade af. Haar blik volgend zag Robbie dat Coe was verdwenen; niet gehaast maar gewoon lopend, oplossend als een nevelsliert. Iets wat een Snaak goed kon.  

'Nou,' zei hij, 'laten we maar een plekje zoeken om te slapen en onze spullen achter te laten, dan kunnen we op zoek naar je familie.' Grijnzend wees hij met een duim over zijn schouder. 'Maar wat doen we met de Jonge Haan? Die zou wel eens de veiligste plek in de stad kunnen blijken.'  

Flora pakte haar tas op en begon te lopen. 'Dat zou voor het eerst zijn met een haventaveerne,' zei ze.

Robbie knikte, bleef toen staan. 'Wacht!'

Vragend keek Flora hem aan, maar hij zei niets, hurkte bij hun bagage neer en wikkelde een lange smalle bundel af.  

Het rapier kwam tevoorschijn, en Robbie wikkelde de riem van de schede en gordde hem om zijn heupen. De bevestiging voor de schede - een schuin lopende reeks lussen op een driehoekig stuk leer dat op de riem was vastgestikt - voorkwam dat de metalen versteviging onder aan de schede tegen de grond tikte als hij tijdens het lopen zijn linkerhand op het gevest hield. Over een paar jaar hoefde hij zich daar geen zorgen meer over te maken, maar nu was hij nog een stuk kleiner dan de gemiddelde zwaardvechter.  

'Is dat wel verstandig?' vroeg Flora.

'Dat is een teken van aanzien,' zei Robbie. 'Of in ieder geval dat je niet met je laat spotten!'

En er is geen Oprechte Man in Nes, dacht de jonge dief. Demonen en goden, wat ben ik het zat om te worden gezegd wat ik moet doen!  

Ze gingen op pad, langzaam omhoog langs wat naar Robbies vermoeden de hoofdstraat naar de haven zou blijken. Hij nam tenminste aan dat er verderop een groot plein zou zijn, met vlakbij een fatsoenlijke herberg. Zijn ogen dwaalden weer af naar de boerderijen in de verte, en hij vroeg zich af hoe het daar zou zijn. Volgens alles wat er in de stad over boeren werd gezegd, was het leven daar knap saai.