2 Strafcampagne
Robbie lette goed op.
Ondanks het vroege uur verschenen er steeds meer mensen op straat.
De broodmagere straatvegers met bezem en blik gingen net weg. Even ging het door Robbie heen dat zo'n klus door de Kroon hoorde te worden betaald. Een beetje belasting op elke zaak, en alle straten waren schoon in plaats van alleen de betere boulevards in het koopmanskwartier en de rijke buurten waar de bewoners er uit eigen zak voor betaalde. Als ik Hertog van Krondor was,dacht hij terloops, zou ik het zo doen.
De vegers werden vervangen door koks en hun maatjes die terugkeerden van de markten met verse groenten, fruit en gevogelte. Winkeliers die niet boven hun nering woonden waren op weg om in het komende uur hun zaak te openen, en degenen wier werkdag wat later begon, zochten nog gauw iets te eten voordat de dag van start ging.
Uit de schoorstenen kringelde rook van houtvuren, en hij rook havermout, soms een visje of worst in de pan - nog meer geuren bij de zweem van overjarige kool die in de armere wijken van de stad hing. Klompen kletterden op de kasseien, blote voeten kletsten, hoeven klepperden.
Het zwart en goud van Bas- Tyra was minder zichtbaar als op de afgelopen ochtenden, en meesmuilend bedacht Robbie dat ze hun blauwe plekken nog aan het koesteren waren. Maar de enkele leden van de stadswacht leken gespannen, alsof ze narigheid verwachtten en niet wisten van welke kant die zou komen. Hij liep langs een poort waar vier soldaten, nog in het wapenkleed van de prins, met de koppen bijeen zaten te praten in plaats van te kijken wie er langskwam. Er was iets loos, en er werd over gesproken. Vannacht op de kade was iedereen van de Bas-Tyraanse garde of de geheime politie geweest, wist Robbie.
Even speelde hij met het idee om een uitstapje te maken naar de tijdelijke kazerne van Bas-Tyra's soldaten om de schade op te nemen, maar dat idee werd verworpen door een zeldzaam moment van gezond verstand. De wachters zouden vandaag ongetwijfeld zo lichtgeraakt zijn, dat een willekeurige straatschooier de kans liep om een paar dagen door te moeten brengen in de stadskerker. En in dit geval was de kans zelfs groot dat het iets meer dan een paar dagen en met flink wat meer pijn zou worden.
Plotseling verscheen er een sergeant van de Bas-Tyraanse garde, en meteen namen de vier schildwachten van de prins hun posten in aan weerszijden van de poort. De sergeant had een slecht en gevaarlijk humeur, en toen hij wegliep, letten de vier soldaten van de prins scherp op ieder gezicht dat voorbijkwam, ergens naar op zoek. Net toen hij verder wilde gaan, zag Robbie hen een haveloze kerel aanhouden voor een ondervraging. Robbie kende de kerel. Het was geen echte Snaak maar een van de arme sloebers die zich van tijd tot tijd ophielden langs de grenzen van het oorbare. Het was Wilkins, een arbeider, en Robbie had hem in het afgelopen jaar tweemaal smokkelwaar zien uitladen voor Gregor Tromp. Een van de wachters greep hem in zijn kladden en voerde hem af.
Robbie schoof dieper weg in het portiek. Als ze een weetniet als Wilkins al oppakten, dan werd hij zeker gesnapt als hij zijn gezicht liet zien. Hoewel, als hij in de kerkers terechtkwam, kon hij misschien iets doen voor prinses Anita's vader.
Als ik prins Erland kon redden, zou Anita me nooit vergeten.
Enhet zou behoorlijk wat schuiven. Voor prins Arutha had hij al tweehonderd goudstukken gekregen, en hem had hij alleen maar de weg naar de veiligheid hoeven wijzen. Hoeveel meer zou het worden als hij daadwerkelijk iets deed?
De jonge dief staarde even in het niets, terwijl zijn vingers als uit eigen beweging een broodje gristen uit de mand van een voorbijschuifelende verkoopster die dicht langs het portiek kwam om uit te wijken voor een paard-en-wagen. Met een snelle, ongehaaste zwaai ging zijn hand naar het pand van zijn jasje om het broodje onopvallend weg te stoppen. Onderwijl gleed hij alweer terug in de schaduw van het portiek. Onwetend van de diefstal liep de lijvige vrouw verder, haar waren aanprijzend. Robbie beet in het warme broodje, nadenkend over de mogelijkheden en genietend van de kaneel en honing.
Eerst moest hij spreken met Snaken die al in de kerker hadden gezeten. Dan moest hij dus naar de bedelaars. Dieven kwamen nooit levend uit de kerker, en zware jongens, die werden losgelaten als ze werden aangezien voor onschuldige dronkelappen die alleen zichzelf niet meer in de hand hadden, kon je maar beter uit de weg gaan. Vooral als je iets van plan was wat de Oprechte Man waarschijnlijk niet zou goedkeuren.
Nou ja, zeker niet zou goedkeuren,gaf hij voor zichzelf toe. Gegarandeerd zou afkeuren... of... kille razernzij zou een goede omschrijving zijn.
Lachebek Jaaps vermaning om zich gedeisd te houden zweefde zijn gedachten binnen en werd meteen verworpen. Met voorzichtigheid haalde je de buit niet binnen, niet in zijn ervaring, tenminste, en op zijn pakweg dertiende had hij al heel wat ervaring.
Zijn gezicht spleet zich tot een enorme geeuw, dus Robbie besloot eerst wat te slapen alvorens verdere plannen te maken. Hij wachtte tot de aandacht van de drie overige wachters werd afgeleid en schoot de schaduw van het portiek uit. Hij sloeg een hoek om en ging op weg naar een van zijn stekjes, eentje waar hij zowaar voor had betaald. Het was nauwelijks meer dan een kast met een piepklein raampje, net groot genoeg voor een stromatras en een gammel tafeltje met een goedkope kaarsenhouder. De eigenaars van het huis, een ouder echtpaar, dachten dat hij de leerling van een karavaanmeester was, hetgeen verklaarde dat hij vaak en soms langdurig afwezig was. Ze rekenden maar een paar zilverstukken in de maand en kwamen maar zelden de trappen op naar zijn kamertje, zodat hij daar veilig en alleen kon zijn. Desondanks liet hij er hooguit wat oude kleren achter. Tenminste, meer had hij tot dusver nog nooit in zijn kamer laten liggen. Op zolder had hij een paar verstop plaatsen gevonden maar nog nooit gebruikt. Nu, met zijn goud zwaar op zijn heup, besloot Robbie er eentje te proberen. Hij had nagedacht over een fatsoenlijke wijkplaats en besloten dat armoede voorlopig nog zijn beste dekmantel was. Geen van zijn mede-Snaken of de zeldzame onafhankelijke dieven die Krondor binnenzwierven zou vermoeden dat er in een krot als dit goud lag verborgen.
De oude man werd wakker van zijn geklop en begroette hem met een ontstemd gegrom. Sinds ze hun zaak jaren geleden hadden verkocht, sliepen de oudjes uit, vaak tot wel zeven of acht uur, en ze vonden het niet leuk om Robbie met zonsopgang binnen te moeten laten.
De oude kerel deed de deur achter Robbie op slot en ging terug naar zijn kamer, Robbie alleen in de donkere en stoffige gang achterlatend. Toen Robbie de trap op ging, viel het hem op dat het er viezer rook dan de vorige keer dat hij er was geweest. Dit was zijn enige semi-fatsoenlijke stek. Als het nog erger werd dan dit, moest hij toch maar verhuizen.
'Moet je mij horen,' mompelde hij vermoeid. 'Straks word ik zelf nog fatsoenlijk. '
Baron Jose del Garza, waarnemend gouverneur van Krondor in afwezigheid van de hertog en nu, tijdelijk, hoofd van de geheime politie van de Hertog van Bas-Tyra, zat achter de schrijftafel van de commandant van de paleiswacht. Ziedend staarde hij naar het smalle, puntige raam in het steenwerk tegenover hem. Het rook in de kamer naar inkt, muf perkament, goedkope wijn, talgkaarsen en oud zweet.
Als het aan hem had gelegen, zat hij deze ochtend helemaal niet in Krondor maar heel ergens anders in het Koninkrijk. Veel liever was hij aan de zijde van de Hertog van Bas-Tyra ten strijde getrokken tegen de Keshische indringers die de Zuidelijke Marken binnenvielen.
Del Garza was een man met bescheiden ambities. Hij diende zijn hertog, en het was hertog Gys' wens geweest dat hij in diens afwezigheid het beheer van de stad voerde en zorgde voor het betalen van rekeningen, het ophalen van belastingen, het bestraffen van misdrijven en de overige bijzonderheden van het leiderschap over het Vorstendom, terwijl de prins wegkwijnde in zijn privé-verblijf. Het was makkelijk om te denken dat de opgesloten prins onder arrest stond, maar er waren geen wachters voor zijn deur gestationeerd. Elke kans om uit de stad te ontsnappen was de man ontnomen door zijn gebrekkige gezondheid, en ondanks alles was de prins nog steeds gehoorzaam aan zijn neef, de koning. Toen Gys in de stad was verschenen, door de koning benoemd tot onderkoning, had prins Erland beleefd een stap opzij gedaan.
Nu zat Del Garza in stilte de dag te vervloeken dat hij zijn geboortestad Rodez had verlaten om bij Bas-Tyra in dienst te treden. Hertog Gys was een hard doch eerlijk man, maar sinds zijn aankomst in Krondor moest Del Garza zich het gezelschap laten welgevallen van Jocko Radbrand. Die moordzuchtige maniak had het gezicht van een simpele boer maar het hart van een hondsdolle wolf. En alleen maar omdat hij niet eens een zestienjarig meisje achter slot en grendel had weten te houden, dreigde hij nu Del Garza's leven op zijn kop te zetten.
Radbrand had het bevel over de geheime politie overgedragen aan Del Garza en had een van de schepen van de hertog, de Koninklijke Griffioen, gevorderd om de achtervolging in te zetten, nog geen uur nadat het meisje met haar metgezellen de stad was ontvlucht. En nu mocht Del Garza hier de rommel opruimen, zodat hij ook nog eens voor een deel de schuld kreeg als Radbrand de ontsnapte prinses niet wist terug te halen.
Er werd geklopt, en hij antwoordde: 'Ja?'
De deur ging open en er keek een schildwacht naar binnen. 'Hij komt eraan, heer.'
Del Garza knikte, zijn gezicht kalm. De deur ging weer dicht. Hij had dit kantoor bestemd voor een zeer bijzonder onderhoud, waarna hij zijn ondergeschikten zou toespreken. Maar allereerst moest hij spreken met de kapitein van de Paragon, een van de blokkadeschepen, dat die ochtend op een kritiek moment toevallig van zijn positie was gedreven.
Hij hoorde een man naderen die met stemverheffing woedend sprak. Er waren geen stemmen die hem antwoordden. Er werd geklopt op de dichte, in ijzeren banden gevatte houten deur, en Del Garza dacht er even over na. De korte stilte na de klop werd algauw verbroken door de protesterende, vermanende stem.
'Binnen,' sprak de waarnemend gouverneur rustig.
Ogenblikkelijk ging de deur open, en Del Garza keek in de ogen van zijn ondergeschikte, die binnenkwam. Daarin zag hij geamuseerdheid, ergernis en een niet-geringe weerzin. Heel even vroeg Del Garza zich af of de amper verholen minachting tegen hem was gericht, maar uiteindelijk blikte de man opzij en besefte Del Garza dat diens toorn was gericht op de man die hem op de voet volgde.
Klein was hij niet, maar de agent van de geheime politie werd zomaar opzij geduwd door een zeer zware, zeer zelfingenomen man in het licht verschoten uniform van een zeekapitein.
'Wat heeft dit te betekenen?' eiste de kapitein. 'Ik protesteer tegen deze behandeling! Ik ben een heer, meneer, en ik ben hierheen gebracht onder protest! Ik kreeg een missive voor een onderhoud met de waarnemend gouverneur, maar nauwelijks waren we aangemeerd of deze...' - hij keek woest naar de kerel die hij opzij had geduwd - 'bandiet zegt me dat ik onder arrest sta en neemt mijn zwaard in beslag. Mijn zwaard, meneer! Welk mogelijk excuus kan er voor zoiets bestaan?'
Hij zweeg en staarde de man achter de schrijftafel aan. 'En wie, als ik mag vragen, bent u, meneer?'
Del Garza staarde terug, terwijl de andere twee mannen positie innamen achter de kapitein. Kapitein Alan Leighton was inderdaad een heer, de derde zoon van een onbeduidend edelman wiens familie bereid was te betalen om hem uit het voorouderlijk kasteel te krijgen, met andere woorden: iemand van nog minder nut dan de gemiddelde havenschuimer of slotengraver. Uit die beide betrekkingen zou hij binnen een week zijn ontslagen wegens incompetentie. Zijn aanstelling en zijn schip waren voor hem gekocht, niet verdiend, terwijl betere lieden moesten wachten. De baron kende dit type en verachtte hem. Zo'n man was net belangrijk genoeg om tot last te zijn en niet belangrijk genoeg om enigerlei waarde te hebben.
'Ik ben de gouverneur,' zei hij, zijn stem vlak en koud als een vijver in de winter.
De kapitein verplaatste zijn gewicht en keek hem onzeker aan. Del Garza zag er maar gewoon uit, met een gluiperig gezicht en kleding van eenvoudige, zij het dure stof.
'Zowaar?' informeerde de kapitein twijfelachtig.
'Zowaar,' bevestigde Del Garza kalm. 'Neem plaats, kapitein Leighton.' Zijn knikje gold een kruk voor de schrijftafel.
De kapitein keek ernaar en vervolgens vol ongeloof naar de waarnemend gouverneur. 'Daarop?' hoonde hij. 'Dat ding zakt zo door.' Leighton draaide zich om naar een van de bewakers. 'Jij daar, breng eens een fatsoenlijke stoel.'
Del Garza boog zich voorover. 'Zitten,' beet hij hem toe, 'of ik laat u erop zetten.'
De twee bewakers deden een stap naar de brallerige zeeman, klaar om hem bij zijn kladden te pakken en neer te zetten. Voor het eerst keek Leighton hen recht in het gezicht. Hij knipperde met zijn ogen en ging langzaam zitten terwijl zijn blik van de een naar de ander in de kamer ging. 'Wat heeft dit te betekenen?' vroeg hij met nog brallerige stem, maar die trilde nu toch een beetje.
Ten antwoord wreef Del Garza met een hand over de stoppels op zijn kin en gaf hem de blik waarmee een vermoeid man naar een zoemende vlieg zou kijken. Alle ergernis, vanaf de dag dat hij voet in Krondor had gezet tot vanmorgen, kwam naar boven en leek zich om te zetten in de persoon van deze armzalige zeekapitein. Op dat moment besloot Del Garza dat Leighton overal voor moest boeten. 'U hebt geen idee?' vroeg hij door opeengeklemde kaken. 'U hebt werkelijk geen flauw idee?'
Leighton staarde hem aan als een muis, gehypnotiseerd door een slang. 'Nee,' antwoordde hij ten slotte. Hij leunde achterover, herinnerde zich net op tijd dat hij op een kruk zat en fronste zijn wenkbrauwen. Zich vooroverbuigend ging de kapitein over tot de aanval. 'Zeg, is dit soms een grap? Want dan is het een zeer smakeloze, en ik kan u verzekeren dat ik er mijn beklag over ga doen bij uw meerdere.'
'Zie ik eruit als iemand die een grap maakt?' vroeg Del Garza. 'Lach ik soms? Lachen mijn mannen soms? Vindt u dit een gemoedelijke en kameraadschappelijke sfeer?'
Het nerveuze zweet parelde op het brede voorhoofd van de kapitein. Zijn ogen gingen van links naar rechts. 'Nee,' zei hij en schudde zijn hoofd. ' Eigenlijk niet.' Hij rechtte zijn rug. 'Maar ik weet nog steeds niet wat ik hier doe.'
'U bent gearresteerd wegens hoogverraad.'
Leighton veerde overeind, zonder acht te slaan op de bewakers die nog een stap dichterbij kwamen. 'Hoe durft u, meneer? Weet u wel wie ik ben?'
'U bent de schadelijke kwal die zich heeft laten omkopen om de blokkade te verbreken,' zei Del Garza. 'In tijd van oorlog is zoiets niet minder dan hoogverraad.'
'Dat heb ik niet gedaan!' ontkende de kapitein stellig.
De baron glimlachte. 'Weet u hoeveel sukkels al hebben geprobeerd tegen de agenten van de hertog te liegen?' Hij wuifde terloops naar de twee potige bewakers en naar verscheidene anderen van wie hij wist dat ze buiten wachtten. 'Gewoonlijk is hun volgende opmerking iets in de orde van: Hou op! Goden, hou alsjeblieft op!'
'Ik geef toe dat mijn schip van zijn post is gedreven,' flapte Leighton eruit. 'Die dingen gebeuren nu eenmaal, dat hoeft geen kwestie van opzet te zijn. Er was een ankerbout doorgeroest, en onze boeg is op het tij meegedreven. Het was slechts een ongeluk dat het precies op dat moment gebeurde. Toen ik de commotie hoorde, ben ik uit mijn bed gekomen, ben naar boven gegaan en heb de situatie meteen hersteld. Op zijn ernstigst is er sprake van nalatigheid, maar zelfs dat is wat overdreven gezien de omstandigheden.'
Del Garza trok zijn wenkbrauwen op en leunde achterover in de stoel van de commandant, de handen gevouwen op zijn slanke buik. 'Is dat zo?'
'Natuurlijk.' Er sloop iets van Leightons oude hooghartigheid terug in zijn stem. 'Ik zeg toch dat die dingen gebeuren, daar kan niemand iets aan doen, mijn goede man. Niemand had kunnen voorspellen dat er een schip precies op dat moment zou...'
'We weten dat de Oprechte Man u heeft omgekocht.' De waarnemend gouverneur wachtte op de ontploffing, maar die kwam niet. De kapitein staarde hem slechts aan, met zijn mond open en dicht als een gevangen vis. Dus niet alleen schuldig, maar hij had ook nog niet eens een ruggengraat. 'Hoe kwam het, door het goud? Of een misplaatst gevoel van trouw aan de familie van prins Erland?'
'We kennen hen al heel lang ... ' begon Leighton.
Del Garza onderbrak hem. 'U kunt maar beter bekennen, meneer. We hebben bewijs.'
De kapitein schudde zwijgend zijn hoofd.
'Jazeker, dat hebben we,' hield Del Garza vol. 'We hebben onze eigen bronnen binnen de Snaken, weet u.'
Dat hadden ze natuurlijk niet - bewijs noch bronnen. Maar het was de geheime politieman zonneklaar dat de Snaken belang hadden bij de bevrijding van prinses Anita. Het waren in elk geval Snaken tegen wie hij en zijn mannen die ochtend hadden gevochten. Trouwens, elke vezel in zijn lijf zei hem dat het wel heel onwaarschijnlijk was dat er een schip op precies het verkeerde moment 'toevallig' van zijn plek was gedreven.
Maar het was niet moeilijk om te liegen, want als Del Garza zich voor Anita's ontsnapping moest verantwoorden - en dat moest hij - dan zouden er anderen eerst en veel zwaarder boeten.
Leighton likte langs zijn lippen. 'Dat kunt u toch geen hoogverraad noemen.'
Snel knipperend met de ogen kwam Del Garza naar voren, zijn wenkbrauwen vragend opgetrokken. 'Zeker wel,' zei hij. 'Het aannemen van steekpenningen voor het negeren van bevelen in oorlogstijd is nooit anders genoemd.'
'Maar we zijn toch niet in oorlog met de Snaken,' wierp de kapitein tegen.
'We zijn altijd in oorlog met de Snaken,' corrigeerde Del Garza op vlakke toon. 'Dat er nooit formeel de oorlog is verklaard, doet daar niets aan af. Want als wij niet in oorlog met hen zijn, verzeker ik u dat die dieven en huurmoordenaars altijd en eeuwig in oorlog zijn met de eerzame burgers van Krondor.'
'Maar het zijn toch nauwelijks waardige...' begon Leighton.
'Tegenstanders?' hoonde Del Garza. 'Als hun geld goed genoeg is voor u, waarom zouden ze dan niet... waardig zijn?'
De kapitein perste zijn lippen op elkaar, haalde diep adem en rechtte zijn rug. 'Ik zou dat "bewijs" dat u beweert te hebben, wel eens willen zien.'
Del Garza grinnikte, een impuls die hij niet kon bedwingen. 'Gaat u nu beweren dat u onschuldig bent, nadat u zojuist zo goed als bekend heeft?'
'Ik heb helemaal niets bekend,' sputterde de kapitein. 'Kom kom, u zult uw bewijs moeten leveren in de rechtszaal.'
Droef het hoofd schuddend vroeg de baron: 'Zou u werkelijk uw familie de schande van een rechtszaak aandoen als de conclusie onvermijdelijk is? Moeten we dan de hele wereld het bewijs van uw schurkachtigheid tonen?'
Alle kleur trok weg uit Leightons gezicht. 'Wat wilt u daarmee zeggen?' vroeg hij, duidelijk aangeslagen.
'U hoeft niets drastisch te doen,' zei Del Garza, plots een en al edelmoedigheid. 'Uiteraard kunt u uw aanstelling niet behouden.' Hij haalde een document uit een stapeltje en schoof dat naar de kapitein, samen met een inktpot waar de schrijfveer al in stond. 'Hierin neemt u ontslag. U hoeft alleen maar te tekenen, onder aan deze pagina en op de volgende, en we sturen u naar huis.' Hij haalde de veer uit de inktpot en bood hem glimlachend aan Leighton aan. 'Uw oudste broer is heus niet de eerste edelman die een andere carrière voor een jongere broer heeft moeten zoeken. Een veel kleiner probleem dan schande over de familienaam.'
'Is dat alles?' vroeg de kapitein, de veer aarzelend ter hand nemend.
Del Garza knikte. 'Wij zorgen voor de rest, alle regelingen,' verduidelijkte hij. Hij wees onder op de pagina. 'Als u wilt,' nodigde hij uit.
Leighton tekende als gehypnotiseerd. Del Garza sloeg de hoek van de pagina om om het blad eronder vrij te maken.
'Hier ook, als u zo vriendelijk wilt zijn.'
Met bevende hand tekende de kapitein het tweede blad eveneens, en de gouverneur schoof ze terug, strooide wat zand op de handtekeningen en schudde ze droog.
'Heel goed,' zei hij. 'Nog maar één klein detail om de zaak af te sluiten.'
Leighton bette zijn voorhoofd met een zakdoek. 'En dat is?'
Op Del Garza's hoofdknik kwamen de drie mannen in actie. De twee bewakers grepen de kapitein bij de armen en de agent sloeg een wurgkoord om zijn hals. Met een klap viel het krukje om, en Leightons benen raakten verstrikt tussen de poten, zodat hij zijn evenwicht verloor. Del Garza hield het hoofd scheef en keek naar de doodsnood in 's mans ogen. Al gauw roffelden zijn hielen een kort ritme op de vloer, en even later was hij dood.
De baron vouwde de twee vellen papier keurig op en verzegelde ze. 'Arme kerel,' zei Del Garza tegen de bewakers. 'Breng hem naar zijn verblijf en maak daar alles in orde. Zorg ervoor dat het een stevige balk is waaraan hij zichzelf heeft opgehangen. Hij was nogal vlezig.' Hij gaf de papieren aan de agent. 'Vergeet zijn ontslag niet achter te laten, en zeker niet zijn bekentenis, op een plek waar ze makkelijk worden gevonden.'
Met een glimlach nam de agent de papieren in ontvangst. 'Dat was mooi gedaan, heer,' zei hij. 'Geeft me het gevoel dat we weer een beetje terug aan het komen zijn.'
Del Garza keek hem lang genoeg aan om de man te laten weten dat de baron niet gevoelig was voor vleierij en stuurde hem weg.
Weer alleen overwoog Del Garza zijn mogelijkheden. Leighton moest dood, een andere mogelijkheid was er niet. Was hij blijven leven, dan zou de kwetsbaarheid van de hertog uiteindelijk bekend zijn geworden. Trouw aan de prins of begerig naar het goud van de Snaken, de reden voor Leightons hoogverraad deed er niet toe. Het ging erom wie de schuld kreeg als hertog Gys klaar was met de Keshiërs in het Dromendal.
Del Garza kon aardig wat verantwoordelijkheid afschuiven op de schouders van Radbrand, met recht. Zijn ijzeren greep op de stad had geleid tot onvrede, en de manier waarop hij de wachters van de prins en de stadswacht liet koeioneren, zou menigeen voorgoed voor het kamp van de prins doen kiezen.
Het stond op de muur geschreven, zoals ze zeiden. Erland was stervende, wat de gezondheidspriesters en de chirurgijnen ook deden om de dood op afstand te houden. Zonder een zoon als erfgenaam was Anita een buitenkansje voor een ambitieus man. En aangezien de koning geen erfgenamen had, was haar echtgenoot nog maar één stap verwijderd van de troon te Rillanon. Gys ging dus met Anita trouwen, en op een dag, eerder vroeg dan laat, oordeelde Del Garza, werd Gys van Bas-Tyra koning Gys de Eerste.
Met een wijsvinger tegen zijn kin tikkend vroeg Del Garza zich af waar hij dan terecht zou komen. Van nature was hij geen ambitieus man, maar de omstandigheden leken te dicteren dat hij kon kiezen voor rijzen of dalen. Stilstaan was er niet bij. Dan koos hij voor rijzen. Wie kon het weten? Een graafschap in het oosten, misschien nabij Rodez?
Maar om te rijzen moest hij voorkomen dat hij viel, en daartoe moest hij Gys' toorn overleven als die terugkeerde en merkte dat het meisje weg was. Hij hoopte dat Radbrand gauw terugkwam met het meisje op sleeptouw, of anders niet. Als Jocko zo fatsoenlijk was om bij de poging om het leven te komen, was alles zijn schuld tegen de tijd dat Del Garza klaar was met de hele geschiedenis uitleggen aan de hertog. En dat betekende veel andere schuldige partijen die voor hem verschenen.
'Cray!' riep hij de secretaris van de kapitein van de wacht. Toen de man kwam, zei hij: 'Ik wil alle commandanten van alle eenheden die betrokken waren bij de missie van vanochtend, van de sergeants af, binnen het uur in dit kantoor.'
'Ja, heer,' zei Cray en snelde heen.
Del Garza nam weer plaats in de stoel van de commandant, genietend van het gemak waarmee Cray hem gehoorzaamde, genietend van het privilege om dit kantoor over te nemen, genietend van de herinnering aan de blik in Leightons ogen toen die doorhad dat Del Garza momenteel de macht had in Krondor.
Hij bande alle gedachten aan genoegens van het vooruitzicht van gezag uit zijn hoofd. Hoe kon hij ergens van genieten als zijn heer vanochtend zo was vernederd? Hoe had dat slechte kind haar vader zo in de steek kunnen laten? En waarom? Zodat ze niet hoefde deel te nemen aan de eer om te trouwen met de Hertog van Bas-Tyra, een van de grootste, een van de edelste mannen van het Koninkrijk! Hoe durfde dat kleine nest zijn heer zo te behandelen?
Arme prins Erland, dat hij zo'n gevoelloos kind had. Niet dat hij veel beter was, want ook hij had de wil van zijn heer getart. Nou, dan moest hij het lot maar ondergaan waartoe zijn eigen dochterhem had veroordeeld. Del Garza overwoog: als de prins nu eens werd overgebracht naar een van zijn tochtiger kerkers en het bericht werd verspreid dat hij daar zou blijven tot zijn dochter terugkeerde ... ? Dat leek hem een zet voor wanneer Radbrand niet gauw met dat meisje terugkwam. Als dat kind was gedwongen de stad te verlaten, zou dat haar ertoe brengen uit eigen beweging terug te komen, en als de prins die beproeving niet doorstond, dan was dat nog een probleem om Jocko in de laarzen te schuiven als de hertog de stad weer begunstigde.
Del Garza zuchtte. Zoveel te doen, en zoveel daarvan betrof routine in plaats van improvisatie. Maar in elk geval wist hij wat hem te doen stond.
Deze... dieven, deze nullenmoesten hun plaats krijgen, worden aangepakt met de zweep, als de honden die het waren. Dat ze het waagden om Gys van Bas-Tyra's rechtmatige bruid te ontvoeren en zich te bemoeien met zaken waar ze niets van wisten en ook niets van hoorden te weten ...
Met moeite kalmeerde Del Garza zichzelf. Hij haalde diep adem tot zijn hartslag zich normaliseerde. Hij mocht deze woede niet verspillen. Hij moest zijn razernij koesteren tot de mannen kwamen en dan loslaten. Er zou hier wat gaan veranderen, gauw en voorgoed. Tegen de tijd dat Gys van Bas-Tyra uit het zuiden terugkwam, had hij Krondor op orde en stevig onder controle. Ja, dacht hij, onder controle.
Hij riep om veer en perkament en richtte zich op de lijst met dingen die hem te doen stonden, en boven aan die lijst stond het oppakken van zoveel mogelijk Snaken als er konden worden gelokt uit de donkere holen waarin ze zich verborgen hielden.