De vaardige visser
‘Ik vraag me af waar Lady Macbeth is,’ zei O’Reilly, die in de zitkamer op de eerste verdieping meteen naar de buffetkast liep.
Dat wist Barry niet, en het kon hem ook niets schelen.
‘Opdrinken.’ O’Reilly stak Barry een kristallen glas met Ierse whiskey toe.
‘Ik heb liever een sherry.’ Of misschien wat dollekervel, dacht Barry. Het was meer dan een uur geleden dat er bij majoor Fotheringham een hersenbloeding was geconstateerd en hij en zijn vrouw naar het Royal waren overgebracht. O’Reilly had de Rover naar huis gereden en onderweg hadden ze weinig tegen elkaar gezegd.
‘Dat is medicinale whiskey. Zitten, opdrinken en je mond houden.’
Barry ging zitten en proefde de scherpe smaak van de whiskey.
O’Reilly stopte zijn pijp, nam een slok uit zijn eigen glas, liet zich in de andere leunstoel zakken, keek Barry recht aan en zei: ‘Ik ben teleurgesteld.’
Barry kromp ineen. Het verbaasde hem niet dat O’Reilly zich teleurgesteld voelde, maar moest hij dat nu zo bot zeggen? Ja, natuurlijk. Zo was die man nu eenmaal, en het ergste was nog wel dat hij het recht had om boos te zijn. ‘Het heeft geen zin om met excuses te komen, en dus zal ik dat ook niet doen.’
‘Excuses? Waarvoor?’
‘Kom nou, Fingal. Je weet dat ik gisteravond haast had en geen volledig neurologisch onderzoek heb verricht.’
‘Wat denk je dat je gezien zou hebben als je dat wel had gedaan?’
‘Genoeg om hem naar een ziekenhuis te laten overbrengen voordat die bloeding erger werd.’
‘Misschien, maar wat heeft zijn vrouw gezegd?’
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Het is vanmorgen pas veel erger geworden. Uren nadat jij daar was geweest.’
‘Maar…’
‘Denk je niet dat je het meteen had gemerkt als die bloeding gisteravond al was opgetreden? Dan zou een tweedejaarsstudent nog hebben geweten wat er mis was. Maar van een bloeding was toen nog geen sprake, en dus was er niets duidelijk.’
‘Ik heb me gisteravond vergist.’
‘Daarom ben ik teleurgesteld.’
‘Omdat ik mijn werk niet naar behoren heb gedaan?’
O’Reilly kwam naast Barry staan. ‘Nee, uilskuiken. Je wist dat je patiënt een simulant was. Toch ben je naar hem toe gegaan, hoewel dat eigenlijk niet had gehoeven. Je vond hem belangrijker dan jezelf, en dat had ook niet gehoeven. Ik weet hoe graag je naar dat meisje toe wilde. Je had te laat kunnen komen op die zo belangrijke afspraak.’
‘Ik was ook te laat.’
‘Ook dat was niet nodig. Ik had tegen je gezegd dat Kinky alles kon afhandelen. Fotheringham zou er nu niet beroerder aan toe zijn als jij gisteravond niet zo gewetensvol was geweest en we pas vanmorgen naar hem toe waren gegaan.’
‘Toch is dat geen excuus.’
‘Wie denk je wel dat je bent? Sir William Osler? Hippocrates? De almachtige God?’
‘Nee, maar artsen hebben bepaalde verantwoordelijkheden.’
‘Je bent een schijnheilige…’
‘Dit hoef ik van jou niet te pikken.’ Barry wilde gaan staan, maar O’Reilly legde een hand op zijn schouder en drukte hem terug in de stoel.
‘Dat moet je wel. Luister. Waarom denk je dat jij de enige arts bent die een vergissing kan maken? Denk je dat ik me alleen heb vergist in het geval van Cissie Sloan en de baby van de Galvins?’
‘Tja…’
‘Natuurlijk niet. Misschien heb jij het idee dat het eind van de wereld voor jou nabij is omdat je gisteravond niet aan je eigen persoonlijke maatstaven hebt voldaan, maar dat is niet zo. Je zult nog meer vergissingen maken. En zelfs als je alles volgens het boekje hebt gedaan, zul je jezelf nog vragen blijven stellen als iemand desondanks definitief van zijn stokje valt. Geen van ons is echter de paus in Rome, die ex cathedra spreekt.’
‘Wat?
‘Ex cathedra. In dat geval ben je onfeilbaar. Jij straft jezelf omdat je denkt dat je onfeilbaar zou moeten zijn. Daarom ben ik teleurgesteld. Je zou beter moeten weten.’ Hij liet Barry’s schouder los en deed een stap naar achteren. ‘Ontspan je. Geef het over.’ Barry keek naar de grote man, die met een zweem van een glimlach vroeg: ‘Hoe lang ben je nu hier?’
‘Twee weken.’
‘Dat is voor mij lang genoeg. Ik heb al tegen je gezegd dat je een verdomd goede huisarts kunt worden, maar dat zal niet gebeuren indien je je alles zo blijft aantrekken.’
‘Toch had ik mijn werk beter kunnen doen.’
‘Ja, maar dat besef je en dat pleit voor je. Gedane zaken nemen geen keer. Leer ervan en zet het dan van je af.’
Barry kon in alle eerlijkheid niet zeggen dat er een zware last van zijn schouders was genomen, maar de druk leek iets minder.
O’Reilly grijnsde breeduit en Barry moest wel glimlachen.
‘Prima.’ O’Reilly dronk zijn glas leeg. ‘Weet je wat ik doe wanneer deze praktijk op de zevende kring van Dantes Inferno begint te lijken?’ Hij liep naar de buffetkast en schonk zijn glas nog eens vol.
Zat worden, had Barry bijna gezegd, maar hij zei: ‘Dat weet ik niet.’
‘Dan neem ik die ouwe Arthur mee naar Strangford Lough.’
‘Om te jagen?’
‘Ja, dat is mijn excuus ervoor, maar de eenden doen er in feite niet toe. Niets kan zo verhelderend werken als een dag in de open-lucht, ver uit de buurt van wat je doet om in je levensonderhoud te voorzien.’
‘Vroeger ging ik vissen.’
O’Reilly keek op zijn horloge. ‘Het is pas twee uur. Waarom pak je je hengel niet om bij His Lordship te gaan vissen? Er zullen vanavond wel veel forellen zijn, en in de rivier de Bucklebo zwemmen ook nog een paar zalmen rond.’
‘Dat zou ik fijn vinden.’
‘Drink die whiskey dan op. Kinky zal sandwiches voor je maken. Ga nu maar en zet Fotheringham uit je hoofd. Vergeet je gebroken hart. Meisjes zijn als bussen. Er komt altijd weer een andere voorbij.’
‘Geloof je dat echt?’
‘Nee, maar er is geen reden waarom jij het niet zou moeten geloven.’
‘O.’
‘Ik zal op de toko passen en wil jij mij een gunst bewijzen?’
‘Natuurlijk.’
‘Neem Arthur Guinness mee. Hij is dol op een dagje bij de rivier.’
Met zijn hengel, een rieten mand met sandwiches met ham over zijn schouder en lieslaarzen die aan zijn broekriem waren vastgezet liep Barry de achterdeur uit. Als de hond nu in de aanval ging op zijn been, was hij daar in elk geval op gekleed.
‘Kom, Arthur.’
De grote hond kwam hevig kwispelstaartend zijn hok uit, wilde Barry’s been bestijgen, aarzelde, snoof aan de rubberlaarzen en draaide zich met een uitdrukking van walging om.
‘Hiel.’
Arthur keek naar Barry, leek moeite te hebben met het nemen van een beslissing en ging toen zitten.
‘Niet gaan zitten. Hiel. Hiel, luie sodemieter.’ Zo noemde O’Reilly zijn hond en tot verbazing van Barry kwam Arthur overeind en ging achter zijn linkerbeen staan. Toen liep hij braaf mee de tuin door en het laantje op. Barry maakte het portier van Brunhilde open. ‘De auto in.’
‘Waf,’ zei Arthur, en hij gehoorzaamde meteen. Barry ging achter het stuur zitten en reed weg, de aanwijzingen van O’Reilly opvolgend. Ballybucklebo uit en de kustweg op. Net toen hij langs het huisje van Maggie wilde rijden, zag hij haar op een klapstoel in de tuin zitten, omgeven door de honden van Sonny. Hij trapte op de rem en draaide zijn raampje open.
‘Hoe gaat het vandaag met u, juffrouw MacCorkle?’ Hij zag dat ze verse leeuwenbekken onder het lint van haar hoed had gestoken. ‘Dokter O’Reilly is gisteren bij Sonny geweest en hij is aan de beterende hand.’
‘Dat mag ik hopen, want dan kan hij deze vlooienbundels weer meenemen.’ Maar haar woorden strookten niet met de manier waarop ze een hond over zijn kop aaide en tandeloos grinnikte.
‘Hoe vindt Generaal Montgomery het om die honden over de vloer te hebben?’
Ze lachte. ‘De oude Generaal heeft wonder boven wonder vrede gesloten met de spaniël van Sonny. Ze zijn nu de allerbeste maatjes, net als David en Jonathan.’ Ze ging staan en liep op haar gemak naar de auto. ‘Hebt u Arthur bij u?’
‘Ja.’
‘Laat hem dan niet de auto uit komen. De Generaal is inmiddels aan de honden van Sonny gewend, maar ik denk niet dat hij de grote jongen van dokter O’Reilly vriendelijk zal ontvangen.’
‘Ik moet weer doorrijden. Ik wilde u alleen even vertellen dat het beter gaat met Sonny.’
Ze krabde aan haar wang. ‘Is dat echt waar?’
‘Ja.’
‘Ik neem aan dat we daar dankbaar voor moeten zijn.’
‘Ik ben dat inderdaad.’ Sommige patiënten herstelden in elk geval, dacht Barry.
‘Ik vraag me af of hij door die longontsteking minder koppig zal zijn.’
‘Geen idee, juffrouw MacCorkle.’
‘Als dat zo is, zou het net zoiets zijn als water in wijn veranderen. Een waar godswonder.’
Barry lachte. ‘We zullen het gewoon moeten afwachten.’
‘Zie ik een hengel in uw auto?’
‘Ja.’
‘Gaat u dan maar snel vissen, en bedankt dat u bent langsgekomen.’
‘Graag gedaan.’ Barry zette de Volkswagen in zijn eerste versnelling en reed door.
Hij reed langs het rode bakstenen koetshuis dat twee hoge, smeedijzeren hekken bewaakte. Op elk van de hekken was het wapen van de markies van Ballybucklebo aangebracht. Een lange oprijlaan leidde naar het grote huis dat was voorzien van een façade uit de tijd van de Georges en fraaie plantenbakken vol Oost-Indische kers en viooltjes. Aan de rand van een onberispelijk gazon stonden vijf altijd groenblijvende heesters die door een vakman waren gesnoeid. Barry wist niet zeker of een daarvan een paard, een konijn of een uitgezakte eend moest voorstellen.
O’Reilly had gezegd dat de eerste vork in de oprijlaan naar de rivier leidde – een laantje vol kuilen dat onder grote olmen verdween. De auto hobbelde voort. Arthur blafte opgewonden. Boom-takken schraapten langs de raampjes tot Barry het kleine bos achter zich had gelaten en een brede wei zag. Het pad liep dwars door het veld en moest naar de oever van de Bucklebo leiden, waar treur-en knotwilgen zo te zien de bochten van de rivier volgden.
Het laantje liep dood. Barry parkeerde de auto en pakte zijn spullen. Arthur sprong op de grond, liep naar links en naar rechts zwenkend voor Barry uit, met zijn neus tegen de grond gedrukt en een hevig zwiepende staart. Barry volgde het dier door het kniehoge gras tot hij het water van de Bucklebo kon zien. Toen versnelde hij zijn pas, wat door de lieslaarzen niet meeviel.
Hij schrok van het geklapwiek van vleugels. Een paar wilde eenden probeerden de lucht in te komen vanuit een stel lisdodden, verdreven door een inmiddels drijfnatte Arthur Guinness. De hond liep op een drafje terug naar Barry en keek hem aan alsof hij wilde vragen waarom hij niet had geschoten.
‘Hiel, Arthur.’ Barry wilde niet dat de hond het water in beweging bracht, want uit ruime ervaring wist hij dat forellen behoorlijk schrikachtig waren. Tot zijn verbazing gehoorzaamde Arthur meteen en liep de laatste meters naar de rivieroever achter hem aan.
‘Zit.’ Arthur ging zitten. Zijn roze tong trilde onder het hijgen. Niet zo verbazingwekkend, dacht Barry. Van zo hard rondrennen in de felle middagzon kreeg je het ongetwijfeld warm.
Hij bleef staan en bekeek het water, dat zacht van links naar rechts stroomde. Iets verderop draaide het water rond in een brede bocht. Daar kon nog wel eens vis te vinden zijn. Barry twijfelde er niet aan dat hij daar met zijn werphengel bij kon komen. Onder de takken van een grote wilg was een stille, donkere poel en daar zouden de forellen op de loer liggen, hongerig wachtend op insecten die de pech hadden uit de boom te vallen.
‘Kom mee, Arthur.’ Barry liep langzaam stroomopwaarts. O’Reilly had gelijk. De eenzaamheid bij een rivieroever had iets troostgevends. Kwam dat door het gegorgel van het water, het geloei in de verte van een kudde Aberdeen Angus, of het geritsel van door het lichte briesje in beweging gebrachte bladeren? Misschien kwam het alleen omdat niemand hem hier kon bellen. Omdat niets hem er hier toe kon dwingen een belangrijkere beslissing te nemen dan het kiezen van een kunstvlieg. Hoe dan ook… deze rivieroever – hij moest denken aan Moley en Ratty in The Wind in the Willows – was een plek om na te denken. Het was een veilig toevluchtsoord waar hij zijn gedachten onder de loep kon nemen en voor zichzelf kon vaststellen of O’Reilly gelijk had toen hij stelde dat je een les uit je vergissingen moest trekken en dan moest doorgaan. Of dat de ramp met majoor Fotheringham – want zo zag Barry het – een duidelijke aanwijzing was dat kiezen voor een huisartsenpraktijk een verkeerde keuze was. Dat pathologie of radiologie – specialisaties die je zelden met patiënten in aanraking brachten – beter bij zijn temperament zou passen.
Hij was nu vlak bij de bocht in de rivier, haalde de mand van zijn schouder, zette zijn hengel tegen een wilg en ging op het gras onder die boom zitten, met zijn rug tegen de stam. Arthur liet zich naast hem op het gras ploffen.
Hoe zat het met Patricia? In dat opzicht had O’Reilly het mis. Ondanks het feit dat zij elkaar pas zo kort kenden – een treinreis, een wandeling en een rampzalig etentje – wist hij absoluut zeker dat er weliswaar meer vissen in de zee waren (of in dit geval in de Bucklebo), maar dat er voor hem nooit een andere Patricia zou zijn. Verdomd typerend. Voor het enige deel van zijn leven dat hij niet onder controle had kon hij zijn gedachten prima ordenen, maar over zijn beroep twijfelde hij nog steeds.
Hij voelde beweging op het wateroppervlak en zag een aantal concentrische cirkels, precies op de plek waar hij vissen had verwacht. Hij zag ook waarom. Overal in het water dreven kleine insecten die net de fase van larve achter zich hadden gelaten en moeizaam naar het oppervlak waren gekomen om hun vleugels te drogen en dan weg te vliegen.
Als hij forellen wilde vangen, was dit er het juiste moment voor. Ze zouden telkens weer omhoogkomen om de eendagsvliegen op te peuzelen, en hij moest kiezen voor een kunstvlieg die perfect met die levende insecten overeenkwam. Hij ging staan, negeerde een grom van Arthur en liep naar de waterkant. Nu moest hij zich concentreren en ophouden met denken aan carrière en vrouwen.
Hij glimlachte toen hij besefte dat hij ervan genoot deel te nemen aan het dagelijks leven van Ballybucklebo. Toch konden de huisvestingsproblemen van Sonny, de hobbeleenden van Seamus Galvin, de zwangerschap van Julie MacAteer en de schildklier van Cissie Sloan wachten. De eendagsvliegen kwamen uit.
Hij boog zich voorover en pakte een handvol water. Dat liet hij tussen zijn vingers door druppelen tot hij op de palm van zijn hand een enkele eendagsvlieg zag. Hij bestudeerde het diertje zorgvuldig en wist dat hij de beschikking had over een paar goede imitaties. Hij maakte een aluminium doosje open, pakte een kunstvlieg en zette die aan de vishaak vast.
‘Hoe was het?’ vroeg O’Reilly toen Barry de keuken in liep.
Barry grinnikte, zette zijn hengel weg, maakte de mand open, haalde er twee glanzende forellen uit en deponeerde die in de spoelbak.
‘Niet slecht,’ zei O’Reilly. Hij trok een la open, pakte een mes en gaf dat aan Barry. ‘Jij hebt ze gevangen, dus mag jij de ingewanden verwijderen.’
‘Prima.’ Barry draaide de koudwaterkraan open, pakte vis nummer één, sneed die handig open en trok er met de vingers van een hand de ingewanden uit. Een stroom rood water gleed over de nu lege buik van de vis en verdween in de afvoer.
‘Handig gedaan,’ zei O’Reilly. ‘Heb je ooit over een carrière als chirurg gedacht?’
Barry schudde zijn hoofd. ‘Nee, maar ik heb wel nagedacht over wat jij hebt gezegd.’ Hij legde de schoongemaakte vis neer en pakte de andere. ‘Ik heb niet alles voor Fotheringham gedaan wat ik had kunnen doen, maar je hebt gelijk. Ik zal proberen het achter me te laten.’
‘Prima. Vergissen is menselijk.’
‘En vergeven goddelijk.’ Barry sneed de tweede vis open. ‘Alexander Pope.’
‘Het zal je genoegen doen te horen dat die godheid je in de gaten moet hebben gehouden.’
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Fotheringham heeft een klein aneurysma gehad. De neurochirurg heeft het naar zijn idee goed afgebonden, en hij denkt dat de majoor redelijk zal herstellen.’
Barry’s handen bewogen zich niet meer. Hij draaide zich om en zag O’Reilly glimlachen.
‘Echt waar?’
‘Echt waar.’ O’Reilly schoot naar voren en haalde met een grote hand uit naar het aanrecht waarop een uit het niets verschenen Lady Macbeth naar de twee forellen zat te gluren. ‘Maak dat je wegkomt.’
Ze sprong soepel op de grond en draaide rondjes om Barry’s benen.
‘Bah!’ zei O’Reilly. ‘Lief doen als er eten te zien is.’ Hij gaf Barry een bord. ‘We kunnen die forellen beter in de koelkast zetten voordat Hare Majesteit eraan komt.’
‘Oké.’ Barry legde de vissen op het bord.
‘Morgen is het zondag,’ zei O’Reilly. ‘Geen spreekuur. Ik heb wel zin om naar Belfast te gaan om te kijken of ik iets met die ellendige hobbeleenden kan doen. Denk je dat jij het hier in je eentje kunt redden?’
Barry aarzelde.
‘Iets beters kun je niet doen. Het is net zoiets als van een paard vallen. De meeste ruiters – met uitzondering van Bertie Bishop – vinden het een goed idee zo snel mogelijk weer in het zadel te zitten.’ Hij draaide zich om. ‘Ik ga naar boven. Kom wat drinken als je jezelf weer presentabel hebt gemaakt.’
Barry stond daar met het bord met de vissen in zijn hand, voelde de kat nog altijd langs zijn benen strijken en was O’Reilly dankbaar voor zijn begrip eerder die dag. Hij voelde ook aan dat de grote man morgen misschien alleen naar Belfast wilde gaan om hem ertoe te dwingen de praktijk in zijn eentje te runnen.
Hij maakte de deur van de Electrolux-koelkast open, haalde een keer diep adem en keek naar het plafond. Jaren geleden had hij de religie gelaten voor wat die was omdat hij het lijden dat hij als student en coassistent zag niet kon verenigen met het begrip van een genadige godheid, maar voor het geval hij zich vergiste mompelde hij vandaag toch een bedankje, zonder zeker te weten of hij bedankte voor de mazzel die majoor Fotheringham had gehad, of voor het feit dat hem een tweede kans was gegund.
