images

Water, water, overal water

Iedereen die deze morgen de deur uit ging zou doorweekt raken. Barry luisterde naar de regen die tegen de ramen van de spreekkamer kletterde en keek op zijn horloge. Het was bijna twaalf uur, maar het was nog steeds zo donker dat de lampen aan moesten blijven. Hij rekte zich eens uit en streek met een hand over zijn nek, want hij begon de gevolgen van een gebroken nacht nu te voelen. Hij zag dat O’Reilly een oudere man met artritis naar de deur begeleidde. Hoewel het een drukke ochtend was geweest, vertoonde O’Reilly geen tekenen van vermoeidheid.

Een windvlaag liet de dakpannen ratelen.

‘Jezus,’ zei O’Reilly. ‘Ik vraag me af of er in de Ballybucklebo Hills een oude man in een lang gewaad en met een baard rondrent die op zoek is naar goferhout en probeert van alle diersoorten een paartje mee te nemen.’

‘Dat zou hij niet zelf hoeven te doen. Daar heeft hij Sem, Cham en Jáfet voor,’ mompelde Barry.

‘Verstandige man, die Noach,’ zei O’Reilly grinnikend. ‘Ga eens kijken wie de volgende patiënt is.’

Barry schudde zijn hoofd, liep naar de wachtkamer en zag dat er nog maar één patiënt was: een jonge vrouw met lang, kastanjebruin en glanzend haar en groene ogen in een gezicht vol sproeten. ‘Goedemorgen,’ zei hij. ‘Wilt u alstublieft meekomen, mevrouw…’

‘Galvin,’ zei ze terwijl ze met enige moeite ging staan. Ze hield haar ene hand tegen haar onderrug gedrukt, en haar andere tegen haar dikke buik.

‘Ik beweeg me een beetje moeilijk,’ zei ze met een zwakke glimlach.

‘Dat hindert niet. Neemt u er rustig de tijd voor.’ Barry zette een stap opzij en zij waggelde langs hem heen. ‘Zo te zien zal het niet lang meer duren.’

‘Nog een week.’ Ze liep de spreekkamer in. ‘Een goede morgen, dokter O’Reilly.’

‘Hoe gaat het met je, Maureen?’

‘Geweldig.’ Ze rommelde in haar handtas en gaf hem een flesje met een urinemonster.

Barry nam dat mee naar de wasbak en testte de urine. Er bleek niets mis mee te zijn.

‘Maureen, kun je op de tafel gaan zitten?’ hoorde Barry O’Reilly vragen.

Ze draaide haar rug naar de onderzoektafel toe en ging zitten. ‘Weet u zéker dat het er maar eentje is, dokter O’Reilly?’

‘Ik heb je een week geleden nog onderzocht, maar als het jou gelukkiger maakt, kan dokter Laverty dat nog eens dunnetjes overdoen.’

‘Ik had al gehoord dat u een nieuwe assistent hebt.’

O’Reilly boog zich voorover en legde een arm onder haar benen. ‘Daar ga je!’ Hij tilde haar benen de tafel op en pakte een kussen. ‘Leg dat maar onder je hoofd.’

Ze ging liggen en Barry luisterde terwijl O’Reilly de gebruikelijke vragen voor de laatste fase van een zwangerschap stelde, haar bloeddruk mat en haar enkels beklopte om zich ervan te vergewissen dat die niet dik waren. ‘Oké. Laat me nu die buik van je maar eens zien.’

Ze hees haar positiejurk omhoog. Die was eens blauw geweest maar inmiddels behoorlijk verkleurd, en aan een kant was er keurig netjes een nieuw lapje stof op genaaid. O’Reilly trok haar onderbroek omlaag tot Barry net wat schaamhaar onder haar dikke buik kon zien. Hij zag zilverkleurige striae bij haar zij, en haar navel puilde uit door de druk die haar baarmoeder erop uitoefende. Hij zette een stap naar achteren en wachtte terwijl O’Reilly haar onderzocht. Maureens groene ogen bleven strak en bezorgd op O’Reilly gericht, wiens gezicht uitdrukkingsloos was.

‘Dokter Laverty?’

Barry liep naar de tafel toe en wreef in zijn handen om te proberen ze iets warmer te maken. ‘Dit zal niet lang duren.’

‘Neemt u er rustig de tijd voor, dokter.’ Ze verkrampte even toen hij met het onderzoek begon.

‘Sorry.’

‘Koude handen wijzen op een warm hart.’ Ze glimlachte naar hem.

Hij onderzocht haar buik, voelde de rug van een baby aan haar rechterkant, en het hoofdje net boven de schaambeenderen. Hij pakte het hoofdje tussen zijn uitgestrekte duim en wijsvinger van zijn linkerhand en merkte dat hij het niet kon draaien.

‘Alsjeblieft,’ zei O’Reilly, en hij gaf hem een toeter om naar de hartslag van het ongeboren kind te kunnen luisteren.

Tik-tik-tik-tik… Barry luisterde, telde en keek op zijn horloge. ‘Honderdveertig.’ Hij zag de ogen van Maureen kleiner worden en er verscheen een vragend fronsje in haar voorhoofd. ‘Volstrekt normaal,’ zei hij, en hij was blij het fronsje te zien verdwijnen.

‘Dus?’ zei O’Reilly.

Barry dreunde de formule op die hem was geleerd. ‘Eén foetus, lengteligging, presentatie van de vertex, rechter occipito-anterior, hoofdje ingedaald, hartslag…’

‘Honderdveertig,’ zei O’Reilly. ‘De rest is ook in orde.’

Barry was tevreden met zichzelf.

‘Maureen, maak je je nu nog zorgen?’

Barry keek naar het gezicht van de vrouw. Het fronsje was er weer en er waren nu drie diepere fronsen bij gekomen, van haar neusrug naar boven. Ze keek van O’Reilly naar Barry en weer terug. ‘Niet als u zegt dat dat nergens voor nodig is, dokter.’

‘Zoals dokter Laverty al heeft gezegd, is er één baby.’

Een paar fronsjes verdwenen.

‘Hij ligt recht, zijn achterhoofd zit aan de rechterkant – wat het vaakst voorkomt – en het hoofdje is al ingedaald. Die kleine boef is er al half uit.’

Haar voorhoofd werd weer glad en er verschenen pretlichtjes in haar groene ogen en lachrimpeltjes bij de hoeken daarvan. Ze zuchtte tevreden. ‘Dat is geweldig.’

Barry schraapte zijn keel en besefte dat de vrouw niets van zijn medische jargon had begrepen. O’Reilly had het haar in lekentaal duidelijk gemaakt.

‘Ik zal je een handje helpen.’ O’Reilly hielp haar de tafel af. Ze hees haar onderbroek omhoog en trok haar jurk recht. ‘Oké. Ik zie je volgende week weer. Zelfde tijd.’

‘En als de vliezen breken of ik weeën krijg, moet ik u bellen.’

‘Maureen, het zal allemaal prima gaan. Hoe is het tussen twee haakjes met Seamus?’

‘Zijn enkel is aan de beterende hand, dokter, en hij hoopt dat u de kreeften lekker vond.’

‘Die waren inderdaad heerlijk.’ O’Reilly pakte haar elleboog en nam haar mee naar de deur. ‘Zeg dat hij volgende week hierheen moet komen om zijn hoef nog een keer te laten bekijken.’

Ze bleef staan en keek hem recht aan. ‘Seamus bedoelt het goed. Zijn hart zit op de juiste plaats, maar soms…’

‘Maak jij je over Seamus geen zorgen,’ zei O’Reilly. ‘Ik zorg wel voor hem.’ Hij gaf Barry een knipoog, en die haalde zich een levendig beeld voor ogen van een door de lucht vliegende man met een vieze voet. Die Galvin was de echtgenoot van deze jonge vrouw?

‘Dat zult u niet veel langer hoeven te doen, dokter,’ fluisterde ze. ‘U mag het nog aan niemand vertellen, maar mijn broer…’

‘De aannemer in Californië?’

‘Ja. Hij heeft een baan voor Seamus en we hebben gespaard voor de overtocht. Na de geboorte van de baby gaan we daarheen.’

‘Geweldig,’ zei O’Reilly, en Barry vroeg zich af of zijn collega blij was dat de Galvins een nieuwe start in dit leven konden maken, of zich erop verheugde dat zijn praktijk een van zijn niet zo geliefde patiënten kwijt zou raken.

‘Maar u mag het echt aan niemand vertellen.’

‘Dat beloof ik je.’

‘Tot volgende week dan maar.’ Ze vertrok.

‘Wel heb je me ooit.’ O’Reilly liep naar zijn bureau, ging zitten en maakte aantekeningen in het dossier van Maureen Galvin. ‘Misschien zal Seamus in Amerika voor de verandering gewoon hard moeten werken. Ik vraag me af waar ze het geld vandaan hebben gehaald. Hij is timmerman van beroep, maar volgens mij heeft hij hier nauwelijks iets uitgevoerd.’ Hij keek op. ‘Eén van de kleine mysteries van het leven. Was haar urine helder?’

‘Ja.’ Barry aarzelde even. ‘Sorry dat ik het haar niet beter heb uitgelegd.’

O’Reilly pakte zijn pijp, stak die op en zei toen: ‘Maar dat zul je de volgende keer wel doen, nietwaar?’

‘Ja.’

‘Geweldig. Breng die spullen waarmee we urine testen weer op orde. Na de lunch hebben we ze nog een keer nodig.’

‘Heerlijk, Kinky,’ zei O’Reilly, die zijn bord wegschoof. ‘En die kreeften van gisteravond hadden nog voor tranen in een glazen oog kunnen zorgen.’

‘Houd toch op, dokter,’ zei Kinky.

Barry zag lachrimpeltjes bij haar ooghoeken, plus kuiltjes in haar mollige wangen. ‘Het was niet veel werk.’

‘Mevrouw Kincaid, ze waren echt heerlijk,’ zei Barry.

‘Tja, jullie moeten op krachten blijven, dokter Laverty. Te zien aan uw corduroy broek hebt u gisteren door het moeras van Allen gerend.’

‘Dat was inderdaad heel modderig.’

‘Maakt u zich daar maar geen zorgen over. Ik zal hem voor u wassen en drogen.’

‘Dank u.’

Ze liep weg en riep over haar schouder: ‘Volgens mij is de Heer deze dag met u beiden. Het regent pijpenstelen en er zijn geen verzoeken voor een huisbezoek binnengekomen.’

‘Toch zullen de verdorvenen geen rust kennen, Kinky,’ zei O’Reilly. ‘We moeten nog een keer naar de Fotheringhams toe.’

‘Dat zouden we niet hoeven te doen als jij die eigenaardige “testjes” niet had voorgeschreven,’ waagde Barry het op te merken.

‘Geduld, jongen. Ik twijfel er niet aan dat de majoor en zijn echtgenote zich er prima mee amuseren.’

Zelfs het langslopende been van Barry kon Arthur Guinness er niet toe verleiden zijn neus uit het hondenhok te steken, de stromende regen in die de achtertuin teisterde, jonge appels het kletsnatte gras op keilde en in Barry’s gezicht prikte.

‘Fijne dag voor eenden,’ zei O’Reilly toen hij de garage uit reed.

Barry luisterde naar het geroffel van de regen op het dak van de Rover, hoorde de ritmische bewegingen van de ruitenwissers die de strijd niet van het hemelwater konden winnen en zag druppels terugkaatsen van het wegdek. O’Reilly weigerde concessies te doen aan het slechte zicht en racete de bochten door.

Barry vond het nodig zichzelf af te leiden van die kamikazepraktijk en mompelde: ‘“Water, water, overal water,/En alle planken krompen,/Water, water, overal water…”’

‘“En geen druppel te drinken,”’ vulde O’Reilly aan. ‘Samuel Taylor Coleridge, 1772 tot 1834, een aan opium verslaafde dichter. Water,’ herhaalde hij terwijl hij de oprijlaan van de Fotheringhams op draaide. ‘Ik vraag me af hoe het deze mensen daarmee is vergaan.’

Barry liep snel achter O’Reilly aan en wachtte op de overdekte veranda tot een vermoeid ogende mevrouw Fotheringham met verwarde haren en in een kamerjas vol natte plekken de deur openmaakte.

‘Wat ben ik blij dat u er bent,’ zei ze, en ze drukte haar onderarm tegen haar voorhoofd: een gebaar dat Barry deed denken aan het theatrale acteren van Norma Desmond in de oude film Sunset Boulevard. Hij vroeg zich af of mevrouw Fotheringham zou flauwvallen. ‘Komt u alstublieft binnen en trek uw jas uit.’ Barry hing zijn doorweekte regenjas naast die van O’Reilly aan de kapstok in de hal en liep achter de twee anderen aan naar boven.

Majoor Fotheringham zat rechtop tegen de kussens, met donkere kringen onder zijn bloeddoorlopen ogen. ‘Dokter O’Reilly, het is een helse nacht geweest. Echt hels.’

‘O, mijn hemel,’ reageerde O’Reilly heel bezorgd. ‘Laten we maar eens kijken naar die proeven. Dokter Laverty?’

Barry ging bij de toilettafel naast O’Reilly staan. Veertien natte stripjes lagen keurig op een rij naast elkaar en je kon vaag ammoniak ruiken. Geen enkel stripje was van kleur veranderd.

‘O-o,’ zei O’Reilly. ‘O-o.’

Barry was stomverbaasd. Geen kleurverandering betekende dat de urine van de patiënt niets abnormaals had bevat.

‘Dokter O’Reilly, wat is er met hem aan de hand?’ vroeg mevrouw Fotheringham heel bezorgd.

‘Kunnen die testen nu ophouden?’ De smekende ondertoon die Barry in de stem van de majoor hoorde zou het harde hart van een farao nog week hebben gemaakt.

‘Zeker,’ zei O’Reilly. ‘En u, mevrouw Fotheringham, moet worden geprezen om uw nauwgezette plichtsbetrachting.’

‘Dank u, dokter, maar wat is er nu met hem aan de hand?’

‘Weet u nog dat ik vannacht tegen u heb gezegd dat ik daar al vrij zeker van was?’

‘Ja.’

‘Nu ben ik er helemaal zeker van, en dokter Laverty is het ongetwijfeld roerend met me eens.’

Barry was niet blij met die verkapte aanval, maar besloot het spel mee te spelen. ‘Zeker,’ zei hij plechtig.

‘Wat er met u aan de hand is, beste majoor Fotheringham?’ O’Reilly telde tot drie. ‘Niets, ben ik bang. Absoluut niets. Helemaal niets.’

Barry zag mevrouw Fotheringhams mond openvallen.

‘Niets?’ fluisterde ze. ‘Niets?’

‘Misschien heeft hij een beetje te veel water binnengekregen, maar verder is er echt niets met hem aan de hand.’

Het kostte Barry erg veel moeite niet te gaan lachen.

O’Reilly wees op de kletsnatte stripjes. ‘Die kunt u bewaren en natuurlijk moet u niet aarzelen me te bellen – op welk uur van de nacht of dag ook – wanneer u denkt me nodig te hebben.’

‘Oké,’ zei de vermoeide mevrouw Fotheringham.

‘Prima,’ zei O’Reilly. ‘Nu moeten we gaan, want er wachten nog meer huisbezoeken.’

Dat was nieuws voor Barry. Kinky had gezegd dat niemand had gebeld, maar inmiddels kon dokter Fingal Flahertie O’Reilly weinig meer doen wat hem nog verbaasde.