Ik val in duigen
‘Je lijkt wel een Lurgan-schop,’ zei O’Reilly, verwijzend naar de extra lange schoppen voor het snijden van turf die in de stad Lurgan in het graafschap Armagh werden gebruikt. ‘Heb je een beroerde nacht achter de rug?’
‘Niet echt.’ Barry nam een slokje thee en keek naar buiten door het nieuwe, met stopverf bevlekte raam dat Seamus Galvin in de eetkamer had geplaatst. Ja, het was een beroerde nacht geweest. Met Patricia was het niet gegaan zoals hij had gehoopt en daardoor had hij slecht geslapen. Hij zag echter geen reden om O’Reilly in vertrouwen te nemen.
‘Kinky zei dat je het druk hebt gehad.’
‘Cissie Sloan was hier.’ Barry aarzelde, want hij was niet in de stemming voor een discussie indien de oudere man het niet eens zou zijn met wat hij had gedaan.
‘En?’
‘Ik denk dat je je hebt vergist.’ Barry keek naar O’Reilly’s gezicht. Oudere artsen konden bloeddorstig worden als ze dachten dat er een vraagteken werd gezet bij hun vakkennis.
‘Werkelijk?’
‘Ja. Ik ben er zeker van dat haar schildklier niet goed werkt.’
‘Waarom?’
Barry noemde de symptomen snel op.
‘Je kunt gelijk hebben.’ O’Reilly liep naar de buffetkast en pakte een tweede kipper. ‘Goed van je.’
‘Ik heb haar doorverwezen naar het ziekenhuis. Aanstaande maandag gaan ze haar onderzoeken.’
‘Het wordt steeds beter.’ O’Reilly nam een hap van de rijkelijk beboterde kipper. ‘Als je gelijk hebt, zal dat wonderen doen voor jouw reputatie.’
‘En de jouwe dan?’
‘Ik ben groot en lelijk genoeg om op mezelf te kunnen passen.’ En vrijgevig, dacht Barry. ‘Ik lust ook nog wel een kipper,’ zei hij terwijl hij opstond. Hoewel Patricia’s houding hem nog steeds teleurstelde, zou alles misschien toch wel op zijn pootjes terechtkomen als hij haar de tijd gaf. In de tussentijd waren er compensaties, zoals het zo goed mogelijk doen van zijn werk.
‘Kinky zei dat je ook naar majoor Fotheringham toe bent geweest.’
Barry liet zijn ogen rollen. ‘Weer vals alarm. Torticollis. Ik heb hem behandeld met ethylchloride en gezegd dat hij ons moest bellen indien dat niet hielp.’
‘Jezus,’ zei O’Reilly, die zijn mond met zijn servet afveegde. ‘Op een dag is er nog eens écht iets mis met die man en zal ons dat ontgaan. Sinds ik hem ken brult hij alsof hij wordt aangevallen door Akela, Mowgli en de rest van die bende.’
‘Kipling.’ Barry liep naar de tafel terug.
‘The Jungle Book,’ zei O’Reilly grinnikend. ‘De wolven heb ik altijd al gemogen. Canis lupus, om hun Latijnse naam maar eens te gebruiken.’
‘Dat weet ik. In je achtertuin heb je een van hun afstammelingen. Canis familiaris.’ Veel te familiair, dacht Barry.
‘Die goede oude Arthur,’ zei O’Reilly liefhebbend. ‘Weet je dat ik me gisteravond uitstekend met een andere hond heb geamuseerd?’
‘Donals Bluebird?’
‘Schat van een hond. Ze heeft zichzelf overtroffen.’
‘O.’
‘De derde race heeft ze gewonnen met twintig tegen een.’
Barry’s vork bleef halverwege zijn mond in de lucht hangen. ‘Ik neem aan dat jij op haar had gewed?’
‘Zou jij dat met inside-information niet hebben gedaan?’
Barry stopte een stuk kipper in zijn mond, genoot van de zoutige smaak, slikte de hap door en zei: ‘Op water lopen, en dan droog lopen? Wat betekent dat eigenlijk precies? Zou je me dat eens willen uitleggen?’
‘Moet ik je het een en ander uitleggen over hondenraces?’
‘Nee. Over Einsteins relativiteitstheorie.’
‘O.’ O’Reilly grinnikte. ‘In feite zijn hazewindhonden en relativiteit ongeveer hetzelfde.’
‘Ik volg je even niet.’
‘Luister. Tijdens een race rennen honden over een ovaalvormige baan achter een elektrische haas aan. Hun relatieve snelheid bepaalt wie wint. Na een paar races hebben de bookmakers bepaald hoe waarschijnlijk het is dat een hond wint, en op grond daarvan kunnen weddenschappen bij hen worden afgesloten.’
‘Ga door.’
‘Als er geld in het spel is, zullen mensen altijd proberen het systeem te beduvelen. In de broederschap van hondenbezitters komt het wel eens voor dat zij hun hond een handje helpen.’
‘Hoe?’
‘Door het toedienen van stimulerende middelen. Daarom worden alle honden die hebben gewonnen daar meteen op onderzocht. De dieren die hebben verloren worden echter ongemoeid gelaten.’
‘Waarom zouden ze zich daar ook nog eens mee bezighouden?’
‘Hoe denk je dat de kansen van een hond zijn als hij zes races als laatste is geëindigd?’
‘Relatief goed.’
‘Relatief. Inderdaad. Je begint het te begrijpen.’
‘Helemaal niet.’
‘Water,’ zei O’Reilly op samenzweerderige toon.
‘Water?’
‘Toen Donal me vertelde dat de hond op water had gelopen, bedoelde hij dat hij haar tot vlak voor elke vorige race dorstig had gehouden. Pas op het laatst liet hij haar drinken zoveel ze wilde, en geen enkele hond kan hardlopen met zoveel water in zijn of haar buik.’
‘Dat klopt. Dus zakken de kansen op een eerste plaats.’
‘Zo’n groentje ben je dus ook weer niet.’
‘En toen Donal zei dat ze gisteravond droog zou lopen…’
‘Inderdaad. Geen water. Geen handicap. Geweldige kansen en een dopingonderzoek dat niets oplevert.’
‘Is dat niet oneerlijk?’
‘Absoluut, maar het houdt de bookmakers nederig en ze hebben door de jaren heen al genoeg van mijn moeizaam verdiende geld ingepikt.’
‘Waag je graag een gokje?’
‘Alleen met hondenraces en de zogenaamde sport der koningen. Een man moet uiteindelijk een ondeugd hebben.’
‘Hoeveel zet je dan in?’
‘Twintig pond.’
Barry floot. Dat was bijna evenveel als hij in een week verdiende. Toen ging hij hoofdrekenen. ‘Dat betekent dat je vierhonderd pond hebt gewonnen.’
‘Ja, maar dat wordt gebruikt voor een goede zaak.’
Het Liefdadigheidsfonds voor Fingal Flahertie O’Reilly, dacht Barry.
‘Donal heeft ook gewonnen. Het was alles bij elkaar een heel bevredigende avond,’ zei O’Reilly.
‘En als klap op de vuurpijl is Sonny weer beter en gaat je vriend de hobbeleenden van Seamus Galvin kopen? Je zei dat je Sonny zou opzoeken.’
‘Dat heb ik ook gedaan. Hij krijgt geen extra zuurstof meer toegediend en zijn temperatuur is normaal. Hij maakt zich vreselijk veel zorgen over zijn honden, maar hij zei wel dat hij Maggie voor de verzorging van die dieren zou gaan bedanken zodra hij uit het ziekenhuis was ontslagen.’
‘Prima.’ De stem van Barry klonk een tikkeltje bitter. ‘Misschien wordt de romance dan weer nieuw leven ingeblazen.’
‘Hmmm,’ zei O’Reilly, en hij keek door het raam. ‘Helaas wil die vriend van me de eenden van Galvin niet hebben. Hij zal er nog wel om aan het lachen zijn, en eigenlijk kan ik hem dat niet kwalijk nemen.’
Barry’s gedachten waren weer afgedwaald naar Patricia. ‘Wat zei je?’ Hij vroeg zich af waarom O’Reilly straalde.
‘Ik weet zeker dat er wel een oplossing komt voor Seamus.’ Hij knipoogde naar Barry, die tevergeefs probeerde te raden wat de oudere man met die opmerking bedoelde. ‘Ik heb nog een beetje mazzel gehad, net als His Lordship, en dat zou jou deugd moeten doen.’
‘Waarom zou ik daar blij mee moeten zijn?’
‘His Lordship houdt wel van een avondje bij de honden of een middag bij de paarden. Ik heb hem een tip over Bluebird gegeven, en toen hij zijn geld kwam opstrijken heb ik hem gevraagd of jij af en toe op zijn stek mocht vissen. Daar heeft hij toestemming voor gegeven.’
‘Dank je, Fingal.’
‘Ik neem aan dat je dat binnenkort ook wilt gaan doen?’
‘Waarom zeg je dat?’
O’Reilly schoof zijn bord weg. ‘Jongemannen die op stap gaan met mooie jonge meisjes stralen de volgende morgen gewoonlijk. Jij doet dat duidelijk niet. Gelukkige jongens zijn door de bank genomen blij wanneer andere mensen ook gelukkig zijn.’
Barry had spijt van zijn zure opmerking over Sonny en Maggie.
‘Ik neem aan dat het tussen jou en Patricia geen succes is geworden?’
Barry wilde tegen O’Reilly zeggen dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien, keek hem aan en zag niets dan vriendelijkheid in diens ogen. ‘Dat zou je wel zo kunnen stellen.’
‘Je komt er wel overheen, maar zoiets kost tijd. Dat weet ik.’
Ik weet dat jij dat weet, dacht Barry, maar hij herinnerde zich de opmerking van Kinky dat hij de privacy van de grote man beter kon respecteren. Hij zuchtte en net toen hij zich afvroeg hoe hij op die opmerking moest reageren, rinkelde de telefoon in de gang.
‘Als het een van de klanten is ga ik er wel heen, Barry.’
‘Dank je, Fingal. Ik…’
Mevrouw Kincaid rende de kamer in. ‘Het is mevrouw Fotheringham. Jullie moeten meteen naar hen toe. Haar echtgenoot is buiten bewustzijn.’
Barry keek naar O’Reilly, die al naar de deur liep. ‘Wacht op mij, Fingal.’
‘Voordeur,’ zei O’Reilly. ‘Gisteravond heb ik de auto voor het huis geparkeerd.’
O’Reilly racete met de Rover over de smalle weg. Barry probeerde zijn vragen te beantwoorden én de weg in de gaten te houden. Toen de auto op een recht stuk was, zag Barry in de verte een fietser.
‘Vertel me alles nog eens. Wat heb je precies geconstateerd toen je hem onderzocht?’ O’Reilly hield het stuur stevig vast en keek recht voor zich uit.
‘Niet veel. Een licht spasme van de nekspieren aan zijn linker-kant. Zijn pupillen waren even groot. Niet vergroot, niet verkleind.’
‘En zijn reflexen?’
Barry was even afgeleid. Toen de auto nog een paar meter van de fietser vandaan was – Barry herkende Donal Donnelly aan diens rode haar – ging diens mond wagenwijd open in een stille schreeuw en gooide hij zichzelf en zijn fiets de greppel in.
‘Fingal, je had Donal Donnelly bijna aangereden.’
‘Bijna telt niet. Hoe zat het met de reflexen van Fotheringham?’
‘Die… heb ik niet gecontroleerd.’ Barry schraapte zijn keel. ‘Ik dacht dat hij zoals gewoonlijk simuleerde.’
‘Dat zou ik waarschijnlijk ook hebben gedacht.’
‘Werkelijk?’
‘Waarschijnlijk wel.’ O’Reilly trapte op de rem en Barry schoot naar voren. ‘Uitstappen en het hek openmaken.’
Barry gehoorzaamde en racete het inmiddels bekende grindpad over, langs de reeds geparkeerde Rover waarvan het portier aan de bestuurderskant nog openstond, en het huis van de Fotheringhams in. Hij zag O’Reilly op de eerste verdieping een slaapkamer in lopen en rende de trap op. Toen hij boven was, was hij buiten adem.
Mevrouw Fotheringham stond aan het voeteneind van het hemelbed. O’Reilly zat op de rand van dat bed en controleerde de polsslag van een duidelijk bewusteloze majoor terwijl hij diens echtgenote blaffend vragen stelde.
‘Dokter Laverty is hier geweest, heeft uw man onderzocht en zijn nek bespoten, en toen werd de pijn minder?’
‘Dat klopt.’
‘Hij heeft gezegd dat u moest bellen als het erger werd?’
‘Ja. Basil zei dat die spray werkte maar dat zijn hoofd raar aanvoelde en hij naar bed ging. Hij sliep nog toen ik was opgestaan om een ontbijt klaar te maken. Ik wilde dat naar boven brengen, en toen hoorde ik dat hij me riep.’ Ze hield haar tot een vuist gebalde rechterhand met haar linkerhand vast en tranen drupten over haar wangen.
‘Wanneer heeft hij overgegeven?’
Barry rook de zure lucht en zag half verteerde worteltjes – kleine rode eilandjes in een okerkleurig meer op het kussen naast het hoofd van de majoor. Stijve nek, hoofdpijn, overgeven, coma. Mijn hemel! Dat kon toch niet waar zijn?
‘Sorry dat ik de tijd niet had om die troep op te ruimen.’
‘Dat is niet erg,’ zei O’Reilly. ‘Wanneer is het gebeurd?’
‘Toen ik boven was zei hij dat hij het gevoel had dat iemand hem een klap op zijn hoofd had gegeven, en toen zei ik tegen hem dat hij niet zo raar moest doen. Nu wou ik dat ik dat niet had gedaan.’
Barry zag in gedachten de regels in zijn studieboek. Woord voor woord. Regels die hij voor zijn laatste examen uit zijn hoofd had geleerd: ‘De hoofdpijn kan zo abrupt opkomen dat de patiënt denkt dat hij is geslagen.’ Christus.
‘Ga door.’ O’Reilly pakte een lampje en boog zich over de majoor heen om diens ogen te onderzoeken. Barry wíst dat één pupil erg vergroot zou zijn en niet zou worden samengetrokken wanneer O’Reilly het lampje erop richtte, en hij hield zijn adem in.
‘Toen gaf hij over. Hij greep naar zijn hoofd en…’ Ze snikte spastisch.
‘Rechterpupil gefixeerd,’ zei O’Reilly.
Barry ademde uit. Hij had het niet nodig van O’Reilly te horen dat de linkerarm en het linkerbeen van de patiënt geen spierreflexen vertoonden, of dat de grote teen van zijn linkervoet omhoog zou krullen als er een sleutel over de voetzool werd gehaald – de zogenoemde reflex van Babinski. Majoor Fotheringham had een hersenbloeding gehad en zijn stijve nek was het eerste teken geweest dat in die richting wees.
O’Reilly ging staan, liep naar het voeteneind van het bed, pakte mevrouw Fotheringham bij de arm en nam haar mee naar een met fluweel beklede stoel. ‘Gaat u zitten.’
Dat deed ze, en toen keek ze zwijgend naar O’Reilly op.
‘Ik ben bang dat uw man een beroerte heeft gehad.’
Ze sloeg haar armen over elkaar en wiegde heen en weer terwijl ze voortdurend klaaglijke geluidjes maakte.
En als ik niet zoveel haast had gehad, als ik mezelf niet zo druk had gefeliciteerd met het feit dat ik bij Cissie Sloan een zieke schildklier had geconstateerd… Barry’s gedachten werden onder-broken toen O’Reilly zei: ‘Het spijt me dat dokter Laverty die diagnose gisteravond niet heeft gesteld.’
Barry verstijfde. Hij kon niet geloven dat O’Reilly zijn eigen straatje wilde schoonvegen.
‘Maar ik betwijfel of iemand die had kunnen stellen,’ ging O’Reilly door. Hij keek naar Barry en knikte een keer, bijna onmerkbaar.
‘Dat weet ik. Hij was heel aardig.’ Ze dwong zichzelf even te glimlachen.
Barry accepteerde de onuitgesproken geruststelling van O’Reilly half, maar inwendig kromp hij ineen. ‘Aardig’ was niet goed genoeg. Wat O’Reilly had gezegd – en Barry zegende de man voor diens steun – zou waar zijn geweest als hij de majoor gisteravond grondig had onderzocht. Indien hij de reflexen had gecontroleerd en die normaal had bevonden. Dat had hij echter niet gedaan.
‘Oké. Hij moet naar het Royal,’ zei O’Reilly.
‘Gaat hij dood?’ vroeg mevrouw Fotheringham.
‘Ik zal niet tegen u liegen. Dat is mogelijk.’
Barry was zich maar al te zeer bewust van de statistieken. Minstens de helft van patiënten als Fotheringham herstelde niet.
Mevrouw Fotheringham drukte een vuist tegen haar mond.
‘Het is ook mogelijk dat hij in leven blijft maar verlamd zal zijn.’
‘Totdat de specialisten een lumbale punctie hebben uitgevoerd en misschien bepaalde, gerichte röntgenfoto’s hebben genomen zullen we niet weten wat hier de oorzaak van is geweest.’
Misschien is het alleen een lekkend bloedvat, dacht Barry, en hij hoorde O’Reilly die gedachte verwoorden.
‘Als het alleen een lekkend dunwandig bloedvat is, kunnen ze gewoonlijk opereren. Sommige patiënten herstellen daarna volledig.’
‘Werkelijk?’
Barry zag hoop in haar ogen.
‘Ja, maar ik kan u niets beloven.’
De blik in haar ogen werd weer dof. Ze ademde diep in, ging staan en ademde weer uit. ‘Dank dat u me de waarheid hebt verteld, dokter O’Reilly.’
O’Reilly bromde iets. ‘Dokter Laverty, kunt u om een ambulance bellen?’
‘Ja.’ Uit een binnenzak viste Barry een aantekenboekje waarin hij belangrijke telefoonnummers had opgeschreven. Toen hij het boekje op een willekeurige bladzijde opensloeg, zag hij Patricia’s telefoonnummer. Alsof hij eraan herinnerd moest worden waarom hij gisteravond zo’n ernstige fout had gemaakt. ‘Dat zal ik meteen doen.’
