De loop der sterren
De dinsdag en de woensdag vlogen voorbij. Indien iemand Barry had gevraagd naar de sappigste momenten van de drukke spreekuren en de gehaaste huisbezoeken, zou het hem moeite hebben gekost zich die te herinneren, met uitzondering van de gebeurtenissen die – zoals hij later zou beseffen – de toekomst van de prominentere patiënten van dokter O’Reilly vorm zouden geven.
De telefoontjes van O’Reilly naar het Royal leverden het nieuws op dat het redelijk met Sonny ging. Het gevaar was nog niet volledig geweken, maar zijn toestand was niet verslechterd.
Maggie had erin toegestemd voor de honden te zorgen.
Seamus Galvin verscheen om zijn pijnlijke maar wel brandschoon geschrobde enkel te laten bekijken, en toen werd duidelijk wat de bron was van zijn opeens verkregen fortuin.
O’Reilly en Donal Donnelly hadden een heel merkwaardig gesprek over een hond.
Ergens in het dorp probeerde Julie MacAteer tevergeefs zich geen zorgen te maken over het resultaat van haar zwangerschapstest.
De vinger van Bishop had aandacht nodig.
Ondanks de lange uren begon Barry zich echt thuis te voelen in de huisartsenpraktijk én in het dorp. Ballybucklebo, waar de levens van de mensen ordelijk hun loop hadden. Heel individueel, los van elkaar tot ze werden samengevoegd in een planetenstelsel dat door schikgodinnen was bedacht – of door de plaatselijke boodschapper van die schikgodinnen: dokter Fingal Flahertie O’Reilly.
Dinsdagmorgen kwam Seamus Galvin de spreekkamer in. Hij ging op de stoel voor de patiënten zitten en trok een stoffen pet van zijn peervormige hoofd. Zijn kleine en dicht bij elkaar staande ogen zaten verstopt tussen zijn haargrens en zijn kaaklijn, als twee timide bruine beestjes. Ze waren voortdurend in beweging en leken nergens op te focussen.
‘Goedemorgen, dokter O’Reilly. Goedemorgen, dokter Laverty.’
‘Goedemorgen, Seamus. Hoe is het met Barry Fingal?’ vroeg Barry.
‘Geweldig, al is het maar goed dat mannen zulke kleintjes niet kunnen voeden. Maureen is aldoor de halve nacht met hem in de weer.’
‘Ik neem aan dat jij er niet over denkt hem af en toe de fles te geven?’ zei O’Reilly.
‘Natuurlijk niet. Als je een hond koopt ga je niet zelf blaffen. Dat is Maureens taak.’
O’Reilly keek over zijn halve bril naar Barry en schudde zijn hoofd. ‘Seamus, ik zou niet willen dat jij jezelf een hernia aandoet. Een wijzer man dan ik heeft gezegd dat werk de gesel van de drinkende klasse is.’
‘Wilde,’ zei Barry. ‘Oscar.’
‘Inderdaad. Maar daarom ben je hier niet, nietwaar, Seamus?’
‘Nee, dokter. Het is tijd dat u weer eens naar die enkel van me kijkt.’
‘Hmmm. Ik neem aan dat je een briefje mee wilt krijgen?’
‘Ja, dokter. Ik moet een beroep doen op het bureau.’
Barry begreep wat de man bedoelde. Hij wilde een medische verklaring hebben om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen.
‘Hmmm. Laat me je enkel maar eens zien.’
Galvin boog zich voorover en maakte het rekverband los.
O’Reilly leunde achterover en hield zijn knieën tegen elkaar. ‘Leg hem maar op mijn schoot.’
Seamus gehoorzaamde. Barry liep dichter naar hem toe. De enkel zag er volstrekt normaal uit. Niet dik. Niet blauw.
‘Kun je je voet omlaag buigen?’ vroeg O’Reilly.
Dat probeerde Galvin met veel vertoon. ‘Ah. O.’
‘O. Ah.’
O’Reilly nam de voet tussen zijn twee grote handen, boog hem naar links en vroeg: ‘Doet dat zeer?’
‘Ah. O. Au.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja, dokter.’
‘Oké. Ga er nu maar eens op staan.’
Galvin ging staan en liep de kamer door, waarbij hij de volgens zijn zeggen gewonde enkel achter zich aan sleepte. Hij had een aardige imitatie ten beste kunnen geven van een moederplevier die mankheid voorwendde om een roofdier van haar nest vandaan te lokken, maar plevieren kreunden gewoonlijk niet ‘O’ en ‘Ah’.
‘Seamus, jouw geval zou in de medische handboeken moeten worden opgenomen,’ zei O’Reilly. ‘Het lijkt je te zijn gelukt de kant van je hoef die perfect in orde was toen ik die voor het eerst onderzocht ook te bezeren.’
Galvin liet zijn hoofd hangen.
‘Moeten we je nomineren voor een Oscar?’
‘Maar die enkel doet zeer, dokter. Als ik probeer op die voet te gaan staan voel ik een pijnscheut tot aan mijn knie.’
‘Die voet leek je anders wel te kunnen dragen toen je zondag aan de bar je fortuin uitgaf.’
Galvin grijnsde op een manier die Barry deed denken aan Uriah Heep van Charles Dickens. ‘Dokter, u weet toch zeker wel dat alcohol pijnstillend werkt?’ Even glansden de doffe ogen van Galvin. Barry moest denken aan het stripfiguur Wile E. Coyote met een aan en uit flitsende lamp boven zijn kop. ‘Ik weet dat ik toen een paar biertjes heb gedronken. Toen moet ik de andere kant hebben bezeerd.’
‘Ecce Galvinus. Homo Plumbum oscillandat,’ zei O’Reilly tegen Barry, die hem meteen begreep. ‘Kijk eens naar Galvin. Die man loopt de kantjes ervan af.’
‘Is dat plumbum erg, dokter?’ Galvin hobbelde terug naar zijn stoel en ging weer zitten. Zijn smalle gezicht vertoonde een grimas.
‘Dat staat nog niet vast. Leg je voet maar weer op mijn schoot.’
O’Reilly deed het rekverband snel weer om de voet heen. ‘Moet ik je een briefje geven?’
Galvin knapte zichtbaar op. ‘Ja, graag. Voor twee weken, als dat kan.’
‘Misschien zal ik dat doen, maar…’ zei O’Reilly.
‘Maar wat, dokter?’
‘Dan moet je me eerst wat meer vertellen over dat fortuin van jou.’
Galvin boog zich voorover in de naar voren hellende stoel. ‘Daar wilt u niets over weten, dokter.’
‘Jawel, Seamus. Je vertelt me er nu meer over. Zo niet, krijg je geen briefje van me.’
Galvin fronste zijn wenkbrauwen en klemde zijn kaken op elkaar. Dat maakte Barry duidelijk dat hij een zware innerlijke strijd voerde.
‘Voor wat hoort wat, Seamus.’
Galvin haalde een keer diep adem. ‘Maureen heeft me dat geld gegeven.’
De punt van O’Reilly’s neus verbleekte. ‘Wat heeft ze gedaan? Heb je het over het geld voor Californië?’
Galvin liet zijn hoofd hangen.
‘Je bent een stuk ellende! Geef dat geld aan haar terug. Heb je me goed gehoord?’
‘Dat kan ik niet doen. Ik heb het al uitgegeven. Aan eenden.’
‘In de Modderige Eend, bedoel je?’ O’Reilly ging staan en torende hoog boven Galvin uit. ‘Ik zal je vermoorden. Ik zal je eigenhandig vermoorden.’
Galvin drukte zijn armen tegen de zijkant van zijn hoofd die het dichtst bij O’Reilly in de buurt was en boog zijn bovenlichaam de andere kant op. ‘Niet ín de Modderige Eend, of in elk geval niet meer dan een paar pond. De rest van het geld heb ik aan eenden uitgegeven. Hobbeleenden.’
Een van O’Reilly’s borstelige wenkbrauwen ging omhoog. ‘Waar heb je het in vredesnaam over?’
Galvin liet zijn armen langzaam zakken. ‘Hobbeleenden, dokter. Ik ga hobbeleenden maken. Net zoiets als hobbelpaarden. Alle kinderen in Ballybucklebo zullen er dolgraag een willen hebben. Ik heb het benodigde hout en de verf al gekocht. Ik kan ze verkopen voor het dubbele van wat ze me aan materiaal hebben gekost. Daarom wil ik twee weken vrij hebben. Om ze af te maken en ze te verkopen. Dan kunnen Maureen, ik en de baby met wat meer geld op zak naar Amerika vertrekken.’
‘En Maureen is met dat idiote idee akkoord gegaan?’
‘Ja, dokter.’
Galvin keek O’Reilly niet aan, en daardoor was Barry er vrij zeker van dat hij loog.
‘Hoeveel hobbeleenden ga je maken?’
‘Een stuk of honderd.’
‘Jezus Christus op een rubberen kruk. Hoeveel kinderen zijn er in Ballybucklebo die volgens jou zo’n hobbeleend zouden willen hebben?’
‘Dat weet ik niet, dokter.’ De adamsappel van Galvin wipte op en neer.
‘Veertig. Misschien vijftig. Denk je dat ze er ieder twee van zullen kopen?’
‘Daar heb ik niet bij stilgestaan, maar u zult zien dat alles op zijn pootjes terechtkomt.’
‘Dat betwijfel ik,’ zei O’Reilly.
Galvin schoof weer omhoog op zijn stoel en zette zich daarbij stevig af met zijn zogenaamd zere voet. ‘Krijg ik nu dat briefje van u?’
‘Beloofd is beloofd,’ zei O’Reilly tot verbazing van Barry. De grote man liep terug naar zijn bureau en vulde een officieel formulier in. Het was de bedoeling dat artsen eerlijk waren als ze hun goedkeuring hechtten aan zo’n verzoek, dacht Barry.
‘Alsjeblieft,’ zei O’Reilly, en hij overhandigde Galvin het formulier. ‘Twee weken. Zorg ervoor dat je die ellendige eenden afmaakt. Misschien weet ik in Belfast een bedrijf dat ze allemaal kan afnemen.’
Galvin trok aan zijn spuuglok en ging staan. ‘Hartelijk bedankt, dokter. Ik ga ermee aan de slag.’ Hij liep moeizaam naar de deur, onder een klaagzang van ‘O’s’ en ‘Ah’s’.
‘En dan nog wat, Seamus,’ zei O’Reilly zacht.
‘Ja, dokter?’
‘Stap ‘s nachts je bed uit en help je vrouw een handje. Heb je me goed gehoord?’
‘Ja, dokter. Dat zal ik doen.’ Galvin vertrok.
‘Nutteloze vent,’ zei O’Reilly. ‘Toen jij het me kwalijk nam dat ik hem in de rozenstruiken had gegooid heb ik al tegen je gezegd dat hij een luiwammes was.’
‘Waarom heb je dat formulier dan ingevuld? We weten allebei dat er niets met die enkel van hem aan de hand is.’
O’Reilly ging in de draaistoel zitten. ‘Ik kreeg met te veel patiënten van me ruzie toen ik weigerde zo’n formulier in te vullen.’
‘Maar het hoort bij ons werk.’
‘Onzin. Wij moeten hen behandelen als ze ziek zijn. Het is nergens voor nodig dat we ons gaan gedragen als een miezerig ambtenaartje.’
‘Dat weet ik, maar…’
‘Wat weet jij over de functie van keuringsarts?’
‘Niet veel.’
‘Helemaal nutteloos zijn politici niet. Een paar jaar geleden kregen ze het geweldige idee dat een onafhankelijke arts – een soort scheidsrechter die door het ministerie werd aangesteld – iedereen kon onderzoeken die er door een plaatselijke huisarts van werd verdacht het systeem te belazeren. Om iets van de werkdruk van de huisartsen weg te nemen, begrijp je wel. Soms pakte zo’n keuringsarts een willekeurig formulier uit de stapel en nodigde de desbetreffende persoon uit voor een bezoek. Veel mensen zijn daardoor eerlijk gebleven. Wat mij betreft mag zo’n keuringsarts de boef zijn, want hij ziet de patiënt daarna nooit meer.’
‘Dat is zinnig.’
‘Ja, maar het werd geen succes. Jij bleef de boef zodra je met de mededeling kwam dat ze naar die keuringsarts toe moesten. “De Grote Dokter” noemen ze hem, en ze zijn doodsbang voor hem.’
‘Hoe heb je dat opgelost?’
O’Reilly grinnikte. ‘Die Grote Dokter is een jaargenoot van me,
en we hebben samen een code bedacht.’ Hij overhandigde Barry een blanco formulier. ‘Zie je waar de verwijzend arts zijn handtekening moet zetten?’
‘Ja.’
‘Als ik daar F. O’Reilly schrijf, weet mijn vriend dat ik denk dat de klacht serieus is. Dat bespaart hem en de klanten veel moeite, want dan hoeft hij echt zieke mensen niet op te roepen.’ O’Reilly’s gegrinnik veranderde in gelach. ‘Maar als ik onderteken met F. O’Reilly, M.B., B.Ch., B.A.O. zit de simulant al op het ministerie voordat de inkt op zo’n formulier is opgedroogd.’
‘Wat slim van je.’
‘De klant komt nooit te weten dat ik aan de bel heb getrokken, dus komt er hier geen ruzie van. Werkt perfect.’
‘Mag ik vragen hoe je het formulier van Galvin hebt ondertekend?’
‘Laat ik maar volstaan met te zeggen dat mijn aanbeveling vaag was. Wil je nu de volgende patiënt gaan halen?’
‘Het kan moeilijk zijn om de auto in de hoofdstraat te parkeren, omdat ze die klaarmaken voor aanstaande donderdag,’ zei O’Reilly, die de laatste hap van zijn lunch nam. ‘We moeten even naar Declan Finnegan. Die woont boven de kruidenier. Het is geen beroerde dag, dus kunnen we daarheen lopen en later de auto ophalen.’
‘Prima.’ Barry had wel zin in wat lichaamsbeweging. De laatste tijd leek hij weinig anders te hebben gedaan dan in O’Reilly’s spreekkamer zitten of in de grote Rover. Hij dacht met weemoed aan zijn werphengel, die ongebruikt in zijn zolderkamer stond en herinnerde zich een paar regels uit het oude liedje ‘The Convict of Clonmel’:
Bij het voeteneind van mijn bed,
Rot mijn hurleystick weg;
Nu laten de jongens van het dorp
Mijn gouden bal vliegen.
Deze praktijk was natuurlijk geen gevangenis. Het was echter wel vervelend dat hij geen tijd had om te vissen, en vrijdag en het etentje met Patricia leken nog heel ver weg.
‘Is het daar leuk?’ vroeg O’Reilly.
‘Waar?’
‘Waar je dan ook met je gedachten naartoe bent gegaan. Het is geen lente, maar ik neem aan dat je jeugdige verbeeldingskracht je al snel aan de liefde doet denken.’
‘Tennyson verwoordde het iets anders, en je hebt er in feite niets mee te maken, maar ik dacht aan vissen.’
‘Werkelijk? Ik heb gezien dat je een werphengel hebt. Vis je graag?’
‘Ja.’
‘Dan zal ik het daar eens over hebben met His Lordship.’
‘Met wie?’
‘De markies van Ballybucklebo. Aardige oude baas. Hij is eigenaar van een visplaats aan de rivier de Bucklebo en zal jou daar wel toegang toe verlenen als ik het hem vraag.’
‘Zou je dat willen doen?’
‘Zodra ik hem weer zie.’
‘Ik zou een dagje op forellen vissen heerlijk vinden.’
‘Dan zal ik dat regelen.’ O’Reilly ging staan. ‘Maar nu moeten we aan de slag. Meekomen.’
Terwijl Barry de groene voordeur dichtdeed, bedacht hij dat hij door zo te vertrekken in elk geval niet in de buurt van het antwoord van de hondenwereld op Casanova hoefde te komen. ‘Een goede middag, Aggie. Een goede middag, Cecil.’
Barry knikte naar degenen die hem begroetten. Het was druk in de stad. Winkelende mensen en kinderen die vakantie hadden verstopten de smalle stoepen en zelfs de hoofdstraat waar een boer een kleine kudde Aberdeen Angus-stieren voortdreef en zich niets leek aan te trekken van het getoeter van ongeduldige automobilisten.
Mannen verfden de stoepranden glanzend rood, wit en blauw. De mast had dezelfde loyalistische kleuren gekregen en aan de top hing een grote vlag die door het zeebriesje lui in beweging werd gebracht: de Rode Hand van Ulster midden op het rode kruis van de Heilige Gregorius, afstekend tegen een witte achtergrond. Die vlag had gezelschap gekregen van kleinere broertjes en Engelse vlaggen die uit ramen op de bovenverdiepingen hingen.
Andere mannen deden hun best een boog over de weg aan te brengen.
‘Moet je eens kijken,’ zei O’Reilly, en hij wees.
Barry keek naar het bouwwerk. Met triplex bedekte palen steunden een smalle boog van hetzelfde materiaal. In het midden ervan was een afbeelding aangebracht van een man in een zeventiendeeeuws kostuum, met een veer op zijn scheefstaande hoed en zijn voeten gestoken in glanzende zwarte rijlaarzen. Hij zat op een steigerende schimmel, hield met één hand de teugels vast en zwaaide met zijn andere hand een sabel boven zijn hoofd rond.
‘Jammer dat het strijdros van Willem van Oranje scheel is,’ merkte O’Reilly op.
Barry keek nog eens aandachtiger. O’Reilly had gelijk. Het was de kunstenaar gelukt elk woest oog strak te laten kijken naar een punt vlak voor zijn wijd open neusgaten.
‘Derry, Aughrim, Enniskillen en de Boyne.’ O’Reilly las de namen van de veldslagen voor die aan beide kanten van de ruiter op linten waren geschilderd. ‘In 1690, zo ongeveer. Oude veldslagen die iedereen zou moeten vergeten. Maar door de manier van doen van sommige mensen hier zou je nog gaan denken dat ze gisteren pas zijn gestreden.’
‘Je hebt ooit gezegd dat alles tussen de katholieken en de protestanten hier in Ballybucklebo koek en ei was.’
‘Van openlijke vijandigheid is inderdaad geen sprake. Hier word je niet geconfronteerd met het getart en getier dat in Belfast schering en inslag is. Maar het staat me niet aan. Ik heb eens een reportage gezien uit Alabama of Mississippi. Idioten met punthoeden op en lange witte gewaden aan zetten een kruis in brand, alleen om de zwarten eraan te herinneren dat zij tweederangs burgers waren. Ik kreeg er de koude rillingen van.’
‘Wat versieringen, een paar vlaggen en een mars zijn toch zeker iets heel anders dan een samenkomst van de Ku Klux Klan?’
‘Tijdens de grote onlusten hier – de Black and Tans en de Burgeroorlog in de jaren twintig – was ik een jonge jongen. Ik zou het vreselijk vinden wanneer die toestanden zich nog eens voordoen, maar als je mensen erop blijft attenderen met vlaggen en marsen…’
‘Ik weet zeker dat die toestanden zich niet zullen herhalen. Niet hier.’
‘Ik hoop dat je daar gelijk in hebt,’ zei O’Reilly nadenkend. ‘Een goed geheugen is echter de vloek van Ierland. De twaalfde is voor de meeste mensen gewoon een vrije dag, maar er zijn dwepers die in het potje blijven roeren en de oude haat levend houden… Types als ons achtenswaardige raadslid. Als hij het even niet druk heeft met pogingen zich het huis en de grond van een fatsoenlijke oude man toe te eigenen, zou hij best een Fenian aan een lantaarnpaal willen opknopen.’
‘Hij is echt een rotzak, nietwaar?’
‘Reken maar. Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik heb nog steeds geen idee hoe we Sonny kunnen helpen en nu moet ik ook nog eens een manier zien te bedenken om Maureen Galvin haar geld terug te bezorgen.’
‘Ik dacht dat je in Belfast een bedrijf kende dat de hobbeleenden wel zou willen kopen?’
‘Ik kan iemand bellen met wie ik rugby heb gespeeld, maar zou jij willen proberen die dingen aan de man te brengen?’
Barry schudde zijn hoofd.
O’Reilly stak de weg over. ‘Er zal zich wel een mogelijkheid aandienen,’ zei hij, terwijl hij de stoep weer op stapte. ‘Wat zou dat in vredesnaam te betekenen hebben?’
Barry zag de roodharige Donal Donnelly naar hen zwaaien terwijl hij de weg overstak, langs de met stront bedekte romp van een van de stieren. Hij had een grijze hond bij zich en samen stapten ze de stoep op.
‘Dokter! Dokter O’Reilly! Kan ik u even spreken?’ De vooruitstekende tanden van Donal trilden tegen zijn lange onderlip.
‘Natuurlijk.’
‘Dit is Bluebird.’ Hij trok aan een dun touw. De hond stak zijn smalle kop omhoog en keek met zijn bruine ogen in aanbidding naar Donal.
‘Bluebird?’
‘Ja, dokter. Vernoemd naar een speedboot.’
Barry bekeek het beest eens wat uitgebreider. Hij had lange, dunne poten en hield zijn magere staart in een boog onder zijn buik. Alle ribben waren even duidelijk te zien als die van een skelet.
‘De speedboot van Donald Campbell, bedoel je?’
‘Ja.’
‘Die is in Australië,’ zei Barry. ‘Hij gaat later deze maand proberen het wereldrecord speedbootracen te verbeteren.’
‘Dus deze hond doet mee aan hondenraces?’ vroeg O’Reilly, die zich bukte en de flanken van de hond onderzocht.
‘Ja, maar ze heeft nog nooit gewonnen.’
‘Waarom noem je haar dan Bluebird?’ O’Reilly fronste zijn voorhoofd.
‘Omdat ze op water loopt.’ Donal knipoogde langzaam met zijn linkeroog.
‘Op water?’ vroeg O’Reilly.
Barry was stomverbaasd.
‘Maar aanstaande vrijdag zal ze in Dunmore Park gewoon droog moeten rennen.’
Waar hadden ze het in vredesnaam over?
‘Ik dacht dat u dat wel wilde weten.’ Donal keek even steels om zich heen. ‘Natuurlijk mag u er verder met geen woord over reppen.’
‘Een knipoog is even goed als een knikje naar een blind paard. Dank je, Donal. Dat zal ik in gedachten houden. Misschien ga ik wel naar Dunmore toe. Dokter Laverty zou op de praktijk kunnen passen.’
Barry schrok. O nee! Vrijdagavond zou hij vrij zijn!
‘Nu gaan we weer rennen,’ zei Donal, en hij trok aan het touw. ‘We moeten je conditie op peil houden, meisje.’
‘Fingal,’ zei Barry. Al zijn vragen over het net gevoerde vreemde gesprek waren weggedrukt door het idee dat hij Patricia misschien toch niet zou kunnen zien. ‘Fingal, je hebt gezegd dat ik vrijdagavond vrij kon nemen.’
‘Werkelijk?’
‘Ja.’
‘Dat was ik dan vergeten.’
Barry zette zich schrap. ‘Luister, Fingal…’
‘Maak je geen zorgen. We kunnen er allebei tussenuit knijpen. Jij hoeft het fort alleen maar te bewaken tot je weg moet.’
‘Wie past er dan op de zaak als we allebei weg zijn?’
‘Kinky. Dat doe ik niet vaak, maar als er niet elk moment een baby kan komen en het verder redelijk rustig is in de praktijk, neemt Kinky de telefoontjes aan. Dan vraagt ze de klant tot de volgende morgen te wachten, en als ze denkt dat het dringend is regelt ze een ambulance voor vervoer naar het Royal.’
‘O.’
‘Jij kunt dus naar het licht van je leven toe gaan, en ik kan mezelf ook een beetje amuseren.’ O’Reilly grinnikte. ‘De Heer zou nog wel eens op een mysterieuze manier wonderen kunnen verrichten.’
‘Daar begrijp ik helemaal niets van.’
‘Zoiets gebeurt wel eens meer, maar ik heb nu geen tijd om het uit te leggen want we lopen al achter op het schema. Laten we nu maar snel naar Declan Finnegan gaan kijken.’
Declan Finnegan was een man van ergens in de vijftig, en Parkinson-patiënt. Die diagnose was Barry meteen duidelijk toen hij de kleine flat boven de kruidenier in liep. Het gezicht van de man was een masker: uitdrukkingsloos en onbeweeglijk. Bij een van zijn mondhoeken hing een sliert speeksel, en in zijn ogen stonden geen vragen voor artsen. Indien hij ooit op genezing had gehoopt, was die hoop allang vervlogen. Als groet stak hij een hand uit en Barry zag het veelzeggende wrijven van de duim tegen de vingers – de ongecontroleerde bewegingen.
Zijn echtgenote, een bezorgd ogende vrouw die zich gedroeg als een victoriaanse douairière, had haar glanzende en als Italiaans marmer zo zwarte haar opgestoken in een strakke knot – de stijl die favoriet was bij Spaanse dueña’s.
‘Bonjour, monsieur le docteur.’
‘Bonjour, Madame Finnegan. Comment ça va aujourd’hui? ’ vroeg O’Reilly in vrijwel accentloos Frans.
‘Je crois qu’il est encore plus mal. C’est très triste, ça.’
Barry zag verdriet in haar ogen. Hij luisterde en keek. Het Frans dat hij op de middelbare school had geleerd was nauwelijks toereikend om de vragen en de antwoorden te kunnen volgen. De toestand van de man scheen inderdaad te zijn verslechterd sinds O’Reilly’s laatste bezoek. De rollende bewegingen van zijn duim waren erger geworden en toen O’Reilly hem vroeg een paar stappen te zetten, deed hij dat schuifelend.
O’Reilly bood de povere troost die hij te bieden had en zei dat het inderdaad een goede zaak zou zijn om de afspraak die al een paar weken eerder met een neurochirurg in het Royal was gemaakt na te komen. Misschien werd het inderdaad tijd om door middel van stereotactische chirurgie dat deel van de hersenen uit te schakelen dat zijn eigen gang ging en ervoor zorgde dat de spieren in opstand kwamen. ‘Au revoir, madame. Nous vous verrions dans la semaine prochaine,’ zei O’Reilly.
‘Ik wist niet dat je Frans sprak,’ zei Barry toen ze terugliepen naar huis om de auto op te halen.
‘Dat spreek ik, net als een aardig mondje Italiaans,’ zei O’Reilly. ‘Dat heb ik opgepikt op de Warspite, en af en toe komt het goed van pas. Zij is de enige Française die ik in Ballybucklebo ken. Declan heeft gediend bij de pantserdivisie. Ik heb hem ergens in vierenveertig in Normandië leren kennen.’
‘Die arme stakker. Het is een afschuwelijke ziekte.’
‘Er wonen hier een paar mensen die echt ziek zijn. Het zijn niet allemaal snijwonden en blauwe plekken. Ik zou uit de grond van mijn hart willen dat we meer konden doen voor mensen als Declan.’ Zijn stem klonk even scherp als een nieuw scalpel.
Barry kreeg de kans niet om daarop te reageren omdat O’Reilly zijn hoofd boog, grotere stappen nam en als een nijdige stier tussen de voetgangers door ploegde.
O’Reilly werkte de huisbezoeken van die dinsdag en het spreekuur van de volgende woensdagmorgen snel af. Barry kon hem nauwelijks bijhouden en hij was blij toen hij tijdens de door mevrouw Kincaid bereide en geserveerde lunch even op adem kon komen.
‘Uw lijst, dokter. Niet al te beroerd.’ Ze overhandigde O’Reilly het velletje papier.
‘Dank je, Kinky.’ O’Reilly bekeek de namen snel. ‘Inderdaad niet al te beroerd. Barry, ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ben een beetje moe.’
‘Hmmm,’ mompelde Barry met een mond vol lamsvlees.
‘Kinky, ben je nog wat meer te weten gekomen over Julie Mac-Ateer?’ vroeg O’Reilly.
‘Nee. Het meisje woont hier ergens, maar niemand weet waar.’
‘Blijf alsjeblieft vragen stellen.’
‘Dat zal ik doen en…’
Haar antwoord werd onderbroken door de bel van de voordeur.
‘Ik zal wel gaan kijken wie dat is.’ Toen ze terugkwam had ze rode wangen en flitsten haar zwarte ogen. ‘Het is die kleine Hitler. Zijne Verheven Excellentie Bishop. Hij zei dat het hem niks kon…’ Ze aarzelde even. ‘Dat het hem niets kon schelen dat het uw lunchtijd is. Hij wil meteen worden geholpen. Zal ik tegen hem zeggen dat hij moet wachten?’
‘Nee.’ O’Reilly duwde zijn bord weg. ‘Zet alles maar even in de oven, Kinky. Kom mee, Barry.’
‘Oké.’
Bishop stond in de hal, met zijn benen uit elkaar, zijn armen over elkaar geslagen en zijn ogen tot spleetjes vernauwd.
‘Dat duurde lang.’
‘Ach, als de breister moe is krijgt de baby geen nieuw mutsje.’
‘Waar heb je het verdomme over?’
‘Dokter Laverty en ik hebben het de laatste paar dagen nogal druk gehad. We zaten te lunchen. Had u niet op het spreekuur kunnen komen?’
‘Om eindeloos te wachten te midden van mensen die zich niet hebben gewassen? Doe niet zo idioot.’
Barry zag iets flitsen in O’Reilly’s bruine ogen: een flits die een afspiegeling leek van het hellevuur. Dit kon interessant worden, dacht hij.
‘Kom maar mee naar de spreekkamer.’ O’Reilly liep de gang door en maakte de deur open. Hij ging achter zijn bureau zitten en wachtte tot Bishop had plaatsgenomen op de stoel voor de patiënten. ‘Wat kan ik voor u doen?’
Barry maakte het zich gemakkelijk op de onderzoektafel en raadslid Bishop duwde zijn verbonden vinger onder O’Reilly’s neus. ‘Ik had zondag al gezegd dat deze vinger morgen beter moet zijn.’
‘Oké.’ O’Reilly liep naar een blad met instrumenten en pakte een schaar en een tang. ‘Ik was vergeten dat de Eend tevens dienstdoet als mijn spreekkamer. Niets gaat boven het geven van medisch advies onder het genot van een biertje.’
‘Hè?’
O’Reilly ging weer zitten. ‘Laat me uw vinger zien.’
Bishop stak hem zijn hand toe. De dokter pakte het uiteinde van het verband met het pincet vast, schoof een punt van de schaar onder het gaas en knipte. Toen het verband helemaal was opengeknipt pakte hij de ene kant vast met de tang en gebruikte zijn vrije hand om Bishops pols onbeweeglijk te houden.
Barry was er zeker van dat hij een scheurend geluid had kunnen horen toen het verband van de net genezen wond werd losgetrokken, ware het niet dat er op datzelfde moment oorverdovend werd gejammerd.
‘Sorry,’ zei O’Reilly. ‘Ik had die vinger natuurlijk een kwartier in Savlon kunnen laten weken om het geronnen bloed zacht te maken, maar ik weet dat u altijd haast hebt.’
Barry was blij dat hij achter het raadslid zat en zijn grijns van oor tot oor niet zichtbaar was.
‘Ga uw hand maar even wassen,’ zei O’Reilly.
Dat deed Bishop braaf.
‘Alles klaar voor de grote dag van morgen?’ vroeg O’Reilly.
‘Praat me niet over grote dagen. Hoe eerder we alles achter de rug hebben hoe beter.’ Bishop hield zijn vinger onder de kraan. ‘Ik heb wel belangrijker dingen te doen.’
‘O?’
‘Sonny ligt in het ziekenhuis en die lap grond…’
‘Dat zult u toch zeker niet doen?’
‘Wel degelijk,’ zei het raadslid.
Barry hoefde niets meer te horen. Hij liet zich van de tafel af glijden en zei: ‘Ik denk dat dat het allergemeenste is…’
‘Niemand heeft jou gevraagd te denken,’ zei O’Reilly kortaf, en hij schudde zijn hoofd.
Barry hield zijn mond, voelde zijn wangen rood worden en merkte dat hij sneller ging ademen.
Bishop draaide de kraan dicht en keek nijdig naar zijn vingertopje. ‘Ziet er niet al te beroerd uit. Moet er weer een verband om?’ Hij liep stampend naar O’Reilly, die naar de vinger keek.
‘Ziet er goed uit.’
‘Oké. Dan ga ik weer, want ik heb werk te doen.’
‘Prima.’ O’Reilly liep mee naar de deur van de spreekkamer. ‘Hoe gaat het met mevrouw Bishop?’
Barry liep achter hen aan, nog aangedaan door het standje. Hij verbaasde zich over de beleefdheid van O’Reilly en was teleurgesteld omdat de grote man het niet voor Sonny had opgenomen.
‘Die dreigt gek te worden van dat dienstmeisje van ons,’ hoorde Barry het raadslid zeggen. ‘Dat meisje uit Antrim. Ze heeft ontslag genomen en waar kun je tegenwoordig verdomme nog een fatsoenlijke hulp in de huishouding vinden?’
‘Geen idee,’ zei O’Reilly, en hij glimlachte naar mevrouw Kincaid, die bezig was in de eetkamer. Hij maakte de voordeur open en toen de dikke man het pad af marcheerde, vroeg O’Reilly: ‘Wat zei u?’
‘Niets,’ brulde Bishop over zijn schouder.
‘Dan heb ik me vergist. Ik had durven zweren dat u “Dank u” zei.’ Toen mompelde hij: ‘Rotzak.’
Barry, die nu vlak achter O’Reilly stond, zei: ‘Je hebt gezegd dat de klanten nooit de bovenhand mochten krijgen, maar je was veel te beleefd tegen die man.’ Barry kon zich niet meer beheersen. ‘Ik dacht dat je hem de les zou lezen over die lap grond van Sonny. Je had gelijk. Bishop aast daarop. Waarom kreeg ik een standje toen ik merkte dat jij er niets aan zou doen en ik probeerde te helpen?’
‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Aan een discussie beginnen met mannen als Bishop is altijd zinloos, want dat maakt hen alleen maar vastberadener. Als we hier iets aan willen doen hebben we iets nodig waaraan hij geen weerstand kan bieden.’
‘En wat zou dat verdorie kunnen zijn?’ Barry nam geen genoegen met de reactie van O’Reilly.
‘Dat vraag ik me af, maar ik begin wel een idee te krijgen. Ik wist niet dat zijn dienstmeisje uit het graafschap Antrim kwam.’ O’Reilly keek naar de hemel, alsof hij op zoek was naar goddelijke inspiratie. ‘Moet je eens kijken. Ik had al gezegd dat het te zwoel was.’
Barry keek omhoog. Hoewel de hemel boven de Antrim Hills nog azuurblauw was, marcheerden cumuluswolken als in donkere kurassen gestoken dragonders op Ballybucklebo af. Er werden al schoten afgevuurd, en de donderslagen in de verte die volgden op de her en der verspreide bliksemflitsen waren hard.
‘Volgens mij krijgen we onweer,’ zei Barry.
‘Daar kun je nog wel eens gelijk in hebben,’ zei O’Reilly, die nog altijd nijdig naar de rug van de zich verwijderende Bishop keek.
