Veertig nuances groen
Barry zweeg. Na de korte discussie over de vraag waarom O’Reilly had besloten het onderzoek van Jeannie Kennedy niet helemaal af te ronden, hadden ze tijdens de rit door Belfast niets meer tegen elkaar gezegd. Verdorie, dacht hij. Hoe langer hij over de verklaring van de ervaren O’Reilly nadacht, hoe meer hij inzag dat die er waarschijnlijk verstandig aan had gedaan het meisje niet nog meer pijn te bezorgen. Misschien ging er onder de ruwe façade wel een zachtaardige man schuil.
Barry’s overpeinzingen werden onderbroken toen de auto langs de rode bakstenen muur van Campbell College, zijn oude school, reed. Voor zijn gevoel waren er niet al zeven jaren verstreken sinds hij daar zijn diploma had behaald en medicijnen was gaan studeren. Hij had vier jaar op het internaat van Campbell gezeten, een school die volgens de leerlingen werd gerund zoals de marine van Nelson: rum, sodomie en de zweep, maar dan wel zonder de troost van de rum. Natuurlijk was dat niet helemaal waar, hoewel hij een paar keer lijfelijk was gestraft omdat hij zich niet strikt aan de regels had gehouden.
Hij had er een goede vriend aan overgehouden: Jack Mills, die zich in het Royal Victoria Hospital als chirurg specialiseerde. Jack en Barry hadden in hun laatste jaar in Campbell een studeerkamer gedeeld, waren als student bij elkaar gebleven en hadden in hetzelfde ziekenhuis als coassistent gewerkt. Barry nam zich voor Jack te bellen om te kijken of ze elkaar op zijn eerste vrije zaterdag konden treffen. Hij wilde graag de mening van zijn vriend over O’Reilly horen.
Ze reden de stad uit. O’Reilly gaf gas en racete met de Rover over de kronkelende Craigantlet Hill Road. Barry keek recht voor zich uit terwijl de heggen langs hen heen schoten, en spande zijn spieren toen een wiel de berm raakte.
O’Reilly zei iets.
‘Wat zei je?’
‘Ik zei dat we binnen de kortste keren thuis zouden zijn.’
Of op onze kop in de greppel liggen, dacht Barry.
‘Vliegt als een vogeltje,’ zei O’Reilly. ‘We naderen The Straight en daar kan ik het gaspedaal echt intrappen.’
Ik wou dat je me hier liet uitstappen, dacht Barry. Hij keek even naar O’Reilly, die het stuur met zijn ene hand vasthield en met zijn andere hand een lucifer boven de kop van zijn pijp hield.
‘Rijden we niet een beetje erg hard?’
‘Onzin, jongen.’ O’Reilly blies rook uit en nam een bocht.
Barry dook ineen toen ze langs een hooiwagen scheerden die vanaf de andere kant kwam aangereden. Toen hij weer rechtop was gaan zitten kon hij een rechte, tot aan de horizon reikende weg zien. Hij vroeg zich af hoe vaak hij met zijn vader over deze weg door de heuvels had gereden op de heenweg naar of de terugweg van Campbell College. Het waren elliptische heuvels die in de laatste ijstijd waren gevormd door landijs.
Hij wist dat er rechts van hem een van de grote neolithische forten stond, duizenden jaren geleden gebouwd door de originele Keltische bewoners van dit deel van Ierland. Dúndonald – Iers voor ‘Donals fort’ – was een complex van aarden wallen en grafheuvels, en als O’Reilly niet wat langzamer ging rijden konden ze nog wel eens twee graven extra nodig hebben.
Barry haalde een keer diep adem en hoopte dat het gevoel van misselijkheid weer zou verdwijnen. Hij probeerde zichzelf te troosten met de gedachte dat ze snel bij het eind van The Straight zouden zijn en O’Reilly dan noodgedwongen langzamer moest gaan rijden.
Dat deed hij ook inderdaad. Iets. De wagen helde over toen hij de volgende bocht in ging.
‘Heerlijk,’ zei O’Reilly. ‘Fantastisch. Ik ben dol op dat stuk.’
Barry moest opeens denken aan meneer Toad van Toad Hall die in een gestolen auto door het Engelse platteland racete.
‘We zijn er bijna,’ zei O’Reilly, en hij draaide een laantje in. ‘Nu de Ballybucklebo Hills nog over en dan zijn we thuis.’
Hij hield een constant tempo aan, reed onder het bladerdak van olmen dat het zonlicht blokkeerde en het laantje de sombere waardigheid van een kerk gaf, langs stapelmuurtjes die het laantje flankeerden en de grenzen markeerden van kleine velden waar schapen en koeien graasden en gele gaspeldoornstruiken fel afstaken tegen groen gras.
Ze gingen een heuvel over. Beneden zag Barry Ballybucklebo. De huizen aan de rand van het dorp waren tegen de heuvel op gebouwd. Hij zag ook de spoorbaan – ja, hij zou op zijn eerste vrije dag met de trein naar Belfast gaan – en de huizen en overige gebouwen in het centrum van het dorp. Hij zag het ene verkeerslicht en de weg verderop, die volgens O’Reilly naar de kust leidde. Boven de duinen draaide een zwerm witte vogels om en vloog weg over het water van Belfast Lough.
Een enkele vrachtboot voer over het meer in de richting van de haven van Belfast en voorbij de boeg kon Barry de kranen van de scheepswerf Harland and Wolff zien. Ze staken trots af tegen de industriemist die over de stad hing en de lucht kleurde bij de obelisk van Knockagh: een granieten oorlogsmonument op de top van Cave Hill.
Barry draaide zijn raampje open en ademde de schone plattelandslucht in. Boven de auto hoorde hij een veldleeuwerik en in een veld in de buurt maakte een kwartelkoning kabaal: de klassieke muziek en de rock-’n-roll van de vogelwereld, dacht hij.
De auto reed langs het eerste tot het dorp behorende huis.
‘Bijna thuis,’ zei O’Reilly.
‘Thuis?’ Voor jou, O’Reilly, dacht Barry. Maar zal het ook mijn thuis worden?
O’Reilly keek even van opzij naar zijn passagier. ‘Ja,’ zei hij zacht. ‘Net voorbij de volgende bocht en het verkeerslicht.’ Hij draaide de hoofdstraat van Ballybucklebo op en remde achter een rode tractor die wachtte tot het verkeerslicht op groen was gesprongen.
Barry meende iets bekends te zien aan de man op de tractor. Die hoekige gestalte en de dikke bos rood haar had hij ergens eerder gezien.
Het licht sprong op groen en O’Reilly toeterde, waarschijnlijk om de man op de tractor aan te moedigen door te rijden. De man draaide zich om. Barry herkende de fietser die hem bij Six Road Ends de weg had gewezen en bij het horen van de naam O’Reilly op de vlucht was geslagen. Nu keek de jongeman met de vooruitstekende tanden door de voorruit van de Rover, rilde, draaide zich weer om en zette de motor van de tractor af.
Het verkeerslicht sprong weer op rood.
‘Verdomme! Rijden, man,’ zei O’Reilly.
De starter van de tractor maakte lawaai, maar de motor sloeg niet aan.
Het licht sprong weer op groen.
Pruttel-pruttel-puf, zei de starter.
‘Verdomme,’ zei O’Reilly.
Het licht sprong weer op rood.
De starter pruttelde en pufte een octaaf hoger, maar zonder het gewenste resultaat.
Het licht sprong wederom op groen. Barry keek om. In de hoofdstraat was al een file ontstaan van auto’s en vrachtwagens, en meer chauffeurs begonnen te toeteren.
O’Reilly stapte uit toen het verkeerslicht weer op rood sprong en liep met grote passen naar de tractor. Toen het licht weer groen was, hoorde Barry O’Reilly boven het geronk van motoren en het getoeter uit.
‘Donal Donnelly, miezerig ventje, zou je me eens willen vertellen of je op een bepaalde nuance groen stond te wachten?’
Zodra ze thuis waren trok Barry zijn beste broek en schoenen uit, die onder de modder zaten, en voegde zich toen bij O’Reilly om televisie te kijken. De Schotten waren door de Ieren verslagen.
Hij at het laatste restje van de koude kreeft van mevrouw Kincaid op en zette het bord op een bijzettafeltje naast zijn leunstoel.
O’Reilly boerde tevreden, keek naar buiten en zei: ‘Kinky kan goed koken.’
‘Dat ben ik met je eens.’ De koude maaltijd was heerlijk geweest.
‘Ik weet niet wat ik zonder haar zou moeten beginnen.’ O’Reilly liep naar de buffetkast. ‘Sherry?’
‘Graag.’
Barry wachtte terwijl O’Reilly een klein glas sherry voor hem inschonk en een reusachtige hoeveelheid Ierse whiskey voor zichzelf.
‘Alsjeblieft.’ O’Reilly gaf Barry zijn sherry. ‘Het lijkt of ze altijd bij me is geweest.’ Hij ging in zijn leunstoel zitten. ‘Als Kinky er niet was geweest, had ik deze praktijk niet gehad.’
‘O?’
‘Ik ben hier gearriveerd in negentienachtendertig, als assistent van dokter Flanagan. Chagrijnige oude vent. Ik was net afgestudeerd en ik vond mezelf behoorlijk slim en hem behoorlijk ouderwets. Toch deed hij dingen die zelfs voor die tijd heel onorthodox waren.’
‘Werkelijk?’ Barry hoopte dat zijn glimlach onopgemerkt bleef. ‘Hij maakte zich de meeste zorgen, zei hij waarschuwend tegen mij, over een vreemd verschijnsel dat hij alleen in Ballybucklebo had waargenomen. Koude abcessen in de liezen.’
‘Wat zeg je?’
‘Koude abcessen in de liezen. Hij zei dat hij die veel aantrof bij werkende mannen, en hij sneed ze altijd open.’
‘Opereerde hij hier in het dorp?’
‘Voor de oorlog deden huisartsen dat. Nu is dat veranderd. Chirurgische ingrepen moeten in een ziekenhuis worden verricht, en misschien is dat wel beter. Ik heb voor het laatst een blindedarm verwijderd op die goeie oude Warspite.’ Hij nam een grote slok. ‘“Als je koude abcessen opensnijdt, zie je nooit pus,”’ zei Flanagan tegen mij. “Je wordt geconfronteerd met scheten of stront… en de patiënt overlijdt een dag of vier later.”’
Barry ging kaarsrecht zitten. ‘Hij dacht dat een liesbreuk een abces was?’
‘Ja, en als hij erin sneed, sneed hij altijd in…’
‘De ingewanden. Mijn hemel. Wat heb jij toen gedaan?’
‘Getracht hem duidelijk te maken dat hij het misschien mis had.’
‘En?’
‘Dat was de enige keer dat ik heb geprobeerd dokter Flanagan te corrigeren. Je hebt geen idee hoe eigenwijs sommige oude plattelandsartsen konden zijn, en ik had het geld nodig. Banen lagen in die tijd niet voor het opscheppen.’
‘Dat is nu nog zo,’ zei Barry, die zijn glas naar zijn lippen bracht om zijn gezichtsuitdrukking verborgen te houden. ‘Het verbaast me dat je bent gebleven.’
‘Dat heb ik niet gedaan. Toen de oorlog uitbrak heb ik me vrijwillig bij de marine aangemeld.’
‘Wat bracht je hier terug?’
‘Toen de oorlog was afgelopen had ik genoeg van de marine, dus heb ik dokter Flanagan een brief geschreven. Ik kreeg een brief terug van zijn huishoudster, mevrouw Kincaid, waarin stond dat hij was overleden en de praktijk te koop stond.’
‘En die heb jij toen gekocht?’
‘Dat moest je in die tijd wel doen, en ik had mijn bonus van de marine. Daarnaast heb ik bij de bank een lening afgesloten en het huis en de goodwill van de praktijk gekocht. Mevrouw Kincaid stemde erin toe voor mij te blijven werken. We zijn hier samen sinds negentienzesenveertig.’ O’Reilly keek naar zijn inmiddels lege glas, pakte het glas van Barry en verkondigde: ‘Op één been kan een mens niet lopen.’
‘Ik zou niet…’
‘Alsjeblieft, en ga weer zitten.’ Hij overhandigde Barry een tweede sherry.
Barry liet zich weer in zijn stoel zakken.
O’Reilly deed hetzelfde. ‘Waar was ik gebleven?’
‘Bij het kopen van de praktijk.’
O’Reilly hield zijn glas met zijn grote handen vast. ‘Binnen een jaar was ik hem alweer bijna kwijt.’
‘Hoe dat zo?’
‘Plattelandsmensen. Je moet aan ze wennen. Ik beging de fout te proberen dingen te snel te veranderen. Een van mijn eerste patiënten was een boer met een knots van een liesbreuk.’
‘Een koud abces,’ zei Barry lachend. ‘Heb je dat net als Flanagan met een lancet opengesneden?’
O’Reilly lachte niet. ‘Misschien had ik dat wel moeten doen. Toen ik het weigerde, ging die man tegen iedereen zeggen dat ik een jonge pup was die geen verstand van zaken had en kwamen er geen klanten meer.’ Hij nam weer een grote slok. ‘Maar de hypotheek moest wel worden betaald.’
‘Wat zal dat moeilijk zijn geweest.’
‘Reken maar! Ik zou het niet hebben gered als Kinky me niet te hulp was geschoten. Zij is presbyteriaans, weet je.’
‘En ze komt uit het graafschap Cork?’
‘Niet iedereen in Cork is katholiek.’
‘Dat weet ik.’
‘Ze heeft me ertoe overgehaald met haar mee te gaan naar de kerk, om de plaatselijke bevolking te laten zien dat ik een goede christelijke man was.’
‘Is dat hier belangrijk?’
‘Dat was het toen wel.’
‘Wil je zeggen dat ze zelfs in dit kleine dorp nog oude godsdienstoorlogen voeren?’
‘Helemaal niet. Ze vonden het alleen prettig te kunnen denken dat hun dokter een kerkganger was. Naar welke kerk hij ging deed er niet zoveel toe.’
‘Wat een opluchting. Ik heb mijn handen vol gehad aan slachtoffers van de straatgevechten tussen protestanten en katholieken in de tijd van de rellen in Divis Street in Belfast. Die waren behoorlijk grimmig.’
‘Daar zul je hier niets van zien. Pater O’Toole en de eerwaarde Robinson golfen hier elke maandag samen.’ O’Reilly pakte zijn pijp en stopte die met Erinmore Flake-tabak uit een blikje dat op de tafel voor hem lag. ‘Op de twaalfde juli – aanstaande donderdag dus – organiseert de Oranjeorde zijn mars en zal de helft van de katholieken van Ballybucklebo met een Brits vlaggetje zwaaien. Ze hebben Seamus Galvin, die je een afvallige katholiek zou kunnen noemen, zelfs toegelaten tot de doedelzakband.’ Hij stak een lucifer aan. ‘Maar ik was je aan het vertellen over Kinky.’
‘Inderdaad.’
‘We gingen dus naar de kerk. Kinky met haar mooiste hoed op en met handschoenen aan, en ik in mijn enige nette pak.’
Barry dacht triest aan zijn eigen corduroy broek, die onder de modder zat.
‘Toen wij plaatsnamen, werden er heel wat hoofden omgedraaid en ik wist precies over wie er druk werd gemompeld. Ik hoorde iemand zeggen dat ik de jonge dokter was die nergens verstand van had. Sommigen bleven zich tijdens de preek omdraaien om naar mij te kijken. Ik voelde me heel ongemakkelijk.’
‘Dat kan ik me indenken.’
‘Geloof jij in de Goddelijke Voorzienigheid?’
Barry keek naar O’Reilly om te zien of hij een grapje maakte. De blik in zijn ogen maakte duidelijk dat dat beslist niet zo was.
‘Ik deed dat in elk geval niet, tot die zondag. Midden onder het zingen van de laatste psalm begon een man in de voorste kerkbank keihard te jammeren, greep naar zijn borst en klapte met veel lawaai tegen de grond. Het zingen hield op en de eerwaarde zei: “Ik geloof dat er een dokter aanwezig is.” Kinky gaf me een keiharde duw en zei: “Doe iets!”’
‘Wat heb je toen gedaan?’
‘Ik heb mijn stethoscoop uit mijn tas gepakt – in die tijd had je je dokterstas altijd bij je – en ben het middenpad door gerend. De man zag paars. Geen pols, geen hartslag. Hij was dood.’
‘Was hartmassage toen al uitgevonden?’
‘Nee. We hadden zelfs vrijwel geen antibiotica. Met uitzondering van sulfapreparaten dan.’
‘Dus je kon niets meer voor de man doen.’
O’Reilly grinnikte. ‘Ja, en nee. Ik dacht dat dat mijn enige kans was om een reputatie op te bouwen. “Iemand moet mijn tas halen,” zei ik terwijl ik het shirt van de man losknoopte. Kinky kwam me de tas brengen. Ik pakte een injectienaald, vulde die met de eerste de beste injectievloeistof die ik zag en stak de naald in de borstkas van de man. Toen pakte ik mijn stethoscoop. “Hij is weer in het land der levenden,” zei ik. In Donaghadee had je de aanwezige gelovigen nog hun adem kunnen horen inhouden. Ik wachtte een paar minuten. “Hij is ons weer ontnomen,” zei ik toen, en ik gaf hem de tweede injectie. Opnieuw hield iedereen de adem in. “Hij is weer bij.”’
‘Was dat ook zo?’
‘Nee. Hij was al stijf, maar toch heb ik hem nog een injectie toegediend.’
‘Ik begrijp niet hoe het verliezen van een patiënt in aanwezigheid van het halve dorp jouw praktijk heeft kunnen redden.’
‘Dat heeft Kinky voor mij gedaan. Ik hoorde iemand zeggen dat het heengaan van de man nog maar weer eens duidelijk maakte dat ik een dokter was aan wie je niets had, en ik dacht dat ik even dood was als die man.’
‘Dat verbaast me niet.’
‘“Even wachten,” zei Kinky toen, en ze keek naar de eerwaarde. “U zult het met me eens zijn dat onze Redder Lazarus uit de dood heeft doen opstaan,” zei ze. De man knikte. Het werd even stil in de kerk als op het elfde uur van de elfde dag van de elfde maand. Toen zei Kinky: “Jezus heeft dat maar één keer gedaan, en onze dokter, dokter O’Reilly, heeft het twee keer gedaan.”’ O’Reilly dronk zijn glas leeg. ‘Sinds die tijd heb ik het vreselijk druk.’
‘Je bent een…’
De deurbel ging.
‘Begrijp je wat ik bedoel?’ vroeg O’Reilly. ‘Wil jij alsjeblieft even naar beneden lopen om te kijken wie dat is?’
Barry maakte de voordeur open en zag een man met gespreide benen en over elkaar geslagen armen staan. Hij was klein en rond genoeg om als bolrond te kunnen worden beschreven. Hij had een zwart, driedelig pak aan, een bolhoed op en een nijdige gezichtsuitdrukking die Iwan de Verschrikkelijke op een slechte dag kon hebben geproduceerd.
‘Waar is O’Reilly verdomme?’ De man duwde Barry opzij en liep de hal in. ‘O’Reilly, kom hierheen. Ik heb je nodig,’ brulde hij alsof hij bij stormkracht tien op het achterdek stond en de man in het kraaiennest iets moest meedelen. ‘O’Reilly, kom naar beneden. Nu.’
Barry hoorde boven beweging. Wellicht wist de nieuwkomer niet dat schreeuwen tegen O’Reilly hetzelfde effect zou hebben als met een stokje in het oog van een dobermann porren.
‘Misschien kan ik…’
‘Laverty, ik heb het een en ander over jou gehoord.’ De nieuwkomer draaide zich half naar Barry toe.
Ik ben hier pas een dag, dacht Barry. Nieuws doet hier kennelijk snel de ronde.
‘Ik wil O’Reilly zelf spreken.’
Barry verstijfde. Hier was een patiënt die een aardig eind op weg was te breken met de eerste vaste stelregel van dokter F.F. O’Reilly. Hij keek op en zag O’Reilly hun kant op komen. Hij wist dat de dokter deze man op zijn nummer zou zetten, maar hij was bereid zijn eigen strijd te strijden. ‘Ik ben dókter Laverty en als er iets met u aan de hand is…’
‘Dokter? Ha!’ De ogen van de tonronde man flitsten heen en weer. ‘Weet jij wie ik ben?’
Barry kwam tot de conclusie dat een reactie als ‘Hoezo? Kunt u zich dat zelf niet meer herinneren?’ niet in goede aarde zou vallen.
‘Ik ben raadslid Bishop, de achtenswaardige leider van de Oranjeorde van Ballybucklebo.’
‘Een goede avond,’ zei O’Reilly, die inmiddels achter de man stond. ‘Wat kan ik voor u doen? Ik hoop dat het niet gaat om een koud abces in de lies.’ Hij klonk bezorgd, maar hij gaf Barry een duivelse knipoog.
Bishop draaide zich snel om naar O’Reilly, die ver boven hem uitstak. Hoewel O’Reilly glimlachte, zag Barry de veelzeggende bleekheid van zijn neus.
‘Mijn vinger doet zeer.’ Hij hield zijn rechterwijsvinger onder O’Reilly’s neus.
De huid bij het nagelbed was rood en glansde, en Barry zag de gele pus eronder.
‘Het doet verdomde zeer.’
‘Hmmm.’ O’Reilly zette zijn brilletje op.
‘Wat gaat u eraan doen?’
‘Kom maar mee naar de behandelkamer.’ O’Reilly maakte de deur open. Barry liep achter hen aan naar binnen en keek toe terwijl O’Reilly instrumenten uit een kast pakte, ze in een stalen sterilisator deed en dat apparaat aanzette. ‘Het is zo verholpen.’
‘Maak een beetje haast, want ik ben een drukbezet man.’ Bishop deponeerde zijn dikke achterste in de draaistoel.
‘Hoe is het met mevrouw Bishop?’ vroeg O’Reilly.
‘Wil je alsjeblieft een beetje haast maken?’
‘Zeker.’ O’Reilly trok het karretje naar het raadslid toe. De wielen piepten. De sterilisator borrelde en er kwam stoom onder het deksel vandaan. O’Reilly liep naar een andere kast, haalde daar een pak uit en legde dat op het karretje. ‘Openmaken, alstublieft, dokter Laverty.’
Barry haalde de buitenste laag weg en zag groene steriele hand-doeken, steriele watten, zalfpotten van roestvrij staal, een niervormig bakje en een paar chirurgische handschoenen. Hij hoorde de kraan lopen toen O’Reilly zijn handen waste. Hij wist wat er ging gebeuren en wat nodig zou zijn: een ontsmettingsmiddel, de instrumenten uit de sterilisator en op zijn minst een plaatselijke verdoving. O’Reilly zou de man toch wel plaatselijk verdoven en niet gewoon een scalpel in het abces zetten?
O’Reilly trok de handschoenen aan. ‘Dettol en Xylocaïne onder op het karretje,’ zei hij.
Barry pakte het verdovingsmiddel en het bruine desinfecterende middel en was opgelucht dat O’Reilly niet zomaar zou gaan snijden. Hij goot wat Dettol in een zalfpotje en zette de fles terug op zijn plaats.
‘Dank u.’ O’Reilly stopte een paar watten tussen de klemmen van de tang. ‘Wilt u uw vinger boven dit bakje houden?’ vroeg hij toen aan Bishop.
‘Schiet nou maar op.’
Het belletje van de sterilisator rinkelde om aan te geven dat de instrumenten gebruiksklaar waren en dempte een kreet van pijn van Bishop.
Ja, dacht Barry. Dettol prikt. Hij pakte de inmiddels steriele tang, scalpel en injectienaald en legde ze op het karretje. ‘Plaatselijke verdoving?’
‘Natuurlijk.’ O’Reilly pakte de injectiespuit.
Bishop haalde tussen getuite lippen telkens even adem en keek met grote ogen naar de naald.
‘Ik ga uw vinger bevriezen.’ O’Reilly pakte een flesje, stak de naald door de rubberen dop en zoog de vloeistof op.
‘Dit zal zeer doen.’ Hij stak de naald in de huid tussen wijsvinger en middelvinger.
‘Au!’ brulde het raadslid.
‘Sorry,’ zei O’Reilly. ‘Andere kant.’ Aan de buitenkant van de eerste knokkel injecteerde hij Xylocaïne.
‘Au!’ Het raadslid zat te kronkelen in zijn stoel.
‘Ik weet dat u haast hebt, maar we zullen toch moeten wachten tot het middel werkt.’
‘Oké. Neem daar maar de tijd voor,’ jammerde Bishop.
‘Hoe lang hebt u al last van die vinger?’ vroeg O’Reilly.
‘Twee, drie dagen.’
‘Jammer dat u niet eerder naar me toe bent gekomen.’ O’Reilly keek Barry recht aan. ‘’s Morgens is de praktijk altijd geopend.’
‘Dat zal ik de volgende keer ook doen, dokter. Echt waar.’
Barry zag O’Reilly’s mondhoeken iets omhooggaan. Er verschenen ook kleine pretlichtjes in zijn ogen toen hij zei: ‘Doet u dat vooral.’ Hij pakte het scalpel. ‘Oké. U zult er niets van voelen.’ Hij zette het scalpel in het vlees.
Barry zag bloed en pus weglopen, en de plek werd minder dik.
‘Beter een leeg huis dan een slechte huurder,’ zei O’Reilly. ‘O, mijn hemel! Ons raadslid lijkt te zijn flauwgevallen.’
Barry zag de kleine ronde man slap in de stoel hangen.
‘Vervelende vent,’ zei O’Reilly, die de troep wegveegde en toen twee gaasjes pakte om de wond te verbinden. ‘Hij vindt zichzelf erg belangrijk omdat hij de helft van het onroerend goed van het dorp bezit.’ Hij wees op zijn cilinderbureau. ‘Daarin staat een fles reukzout. Wil je die pakken? We willen hier vast niet de rest van de avond doorbrengen.’
Barry liep naar het bureau en besefte dat hij O’Reilly een kleine operatie had zien uitvoeren met alle vakkennis van een van de meest ervaren chirurgen in het Royal. En op de een of andere manier was het hem eveneens gelukt Bishop te laten weten dat patiënten bepaalde verwachtingen van hun arts mochten hebben, maar wel beleefd dienden te zijn. Behoud de bovenhand? Barry was van mening dat Bishop het onderspit had moeten delven.
